Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2020.0183 d.d. 21.04.2020
Btw · Vrijstelling · Artikel 44, § 3, 10° WBTW · Artikel 21 en 21 bis WBTW
Samenvatting
In onderhavige beslissing wordt onderzocht of de overdracht van de aandelen in een vastgoedvennootschap, door een actieve holding als een vrijgestelde handeling inzake aandelen in de zin van artikel 44, §3, 10° van het btw-wetboek aangemerkt worden of als de overdracht (levering) van onroerend goed.
Op grond van het arrest van het Hof van Justitie DTZ Zadelhoff vof, mag men stellen dat de Belgische wetgever geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 5, leden 1 en 3, van de Zesde richtlijn geboden mogelijkheid, om de overdracht van aandelen als een levering van de onderliggende goederen aan te merken.
Tekst van de beslissing
I. Voorwerp van de aanvraag
De aanvrager wenst bevestiging te bekomen dat de overdracht door een Belgische vennootschap A aan een Franse vennootschap OPPCI, van de aandelen in een Belgische vennootschap X, een handeling uitmaakt inzake aandelen in de zin van artikel 44, §3, 10° van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna “WBTW”).
II. Omschrijving van de verrichtingen
2. De Belgische vennootschap X is ontstaan uit een partiële splitsing die onderdeel vormde van een grootschalige overnametransactie, waarbij zowel operationele entiteiten als vastgoed overgenomen werden. Zij is eigenaar van een aantal onroerende goederen in België.
3. Het vastgoed dat door de Belgische groep gebruikt wordt voor haar operationele activiteiten is in het merendeel van de gevallen eigendom van een externe investeerder (gereglementeerde vastgoedvennootschappen en institutionele investeerders) en wordt voor een deel binnen de groep aangehouden. Op heden wenst men het vastgoed dat wordt aangehouden in de groep onder te brengen/centraliseren in een Franse vastgoedentiteit (‘OPPCI’).
4. De bedoeling is om een Frans Organisme Professionel de Placement Collectif Immobilier (OPPCI) op te richten, die (direct of indirect) zal worden aangehouden door een beursgenoteerde Franse entitteit. Dit vehikel is een alternatief beleggingsfonds (in de zin van de EU AIFMD Richtlijn 2011/61/EU) naar Frans recht. Een dergelijk fonds dient te beleggen in vastgoed (voor minstens 60%) en wordt uitsluitend aangehouden door professionele investeerders. Dit vehikel maakt het ook mogelijk om bijkomende financiering van institutionele investeerders aan te trekken door de uitgifte van nieuwe aandelen door het fonds of door de verkoop van aandelen in het fonds.
5. Teneinde de beoogde centralisatie te bekomen, zullen volgende stappen worden uitgevoerd:
5.1. Stap 1: OPPCI SA koopt de aandelen van vennootschap X.
5.2 Stap 2: Vennootschap X wordt omgevormd tot een GVBF.
III. Beslissing
6. Ongeacht of de aandelen ingebracht dan wel verkocht worden betreft het de overdracht van aandelen ten bezwarende titel en rijst de vraag of het een belastbare handeling betreft en in bevestigend geval om welke belastbare handeling het gaat. Eens deze bepaald is, wordt de plaats van de handeling onderzocht en wordt nagegaan of een btw-vrijstelling toepasselijk is.
7. Volgens vaste rechtspraak zijn de enkele aankoop, het enkele bezit en de enkele verkoop van aandelen op zich geen economische activiteiten in de zin van de richtlijn. Deze handelingen zijn namelijk geen exploitatie van een zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen, omdat de enige opbrengst ervan voortspruit uit eventuele winst bij de verkoop van deze aandelen .
8. Alleen betalingen die de tegenprestatie van een handeling of van een economische activiteit vormen, ressorteren binnen de werkingssfeer van de btw, en dat is niet het geval voor die betalingen welke voortvloeien uit de enkele eigendom van de zaak, zoals het geval is met dividenden en andere opbrengsten uit aandelen.
9. Daarentegen wanneer een financiële deelneming in een andere onderneming gepaard gaat met een directe of indirecte inmenging in het beheer van de vennootschap waarin wordt deelgenomen, onverminderd de rechten die de houder van de deelneming als aandeelhouder of vennoot heeft, en dergelijke inmenging gepaard gaat met handelingen die op grond van artikel 2 van de richtlijn aan btw onderworpen zijn, valt het verhandelen van deelnemingen binnen de werkingssfeer van de btw.
10. Vennootschap A die instaat voor de financieringsactiviteiten binnen de groep heeft ingevolge de partiële splitsing, de aandelen in vennootschap X verworven. Dien ten gevolge heeft zij tevens de voormalige obligatiefinanciering opzichtens de buitenlandse obligatiehouders op zich genomen en verricht alsdan belastbare handelingen.
11. Er kan geconcludeerd worden dat de overdrachten van aandelen in casu valt binnen de werkingssfeer van de btw.
12. Gegeven het feit dat de overdracht van aandelen als een belastbare handeling aangemerkt wordt, dient deze verder gespecifieerd met het oog op het bepalen van de plaats van de handeling om – voorzover deze geacht wordt in België plaats te vinden – de toepasselijkheid van een btw-vrijstelling te bepalen.
13. Verwijzend naar het arrest DTZ Zadelhoff vof , dient vastgesteld dat de Belgische wetgever geen gebruik gemaakt heeft van de in artikel 5, leden 1 en 3, van de Zesde richtlijn (artikel 15, 2de lid, 3de bullet van de Richtlijn 2006/112/CE) geboden mogelijkheid, zijnde deelbewijzen en aandelen waarvan het bezit rechtens of in feite recht geeft op de eigendom of het genot van een onroerend goed als lichamelijke zaken aan te merken.
14. Uitgaande van voormelde conclusie in combinatie met artikel 18, §1 van het btw-wetboek dient gesteld dat de overdracht middels verkoop van voormelde aandelen als een dienst gekwalificeerd moet worden.
15. De plaats alwaar de verkoop van de aandelen, van vennootschap X door vennootschap A aan de Franse OPPCI sa, geacht wordt plaats te vinden, wordt bepaald door de btw hoedanigheid van de Franse OPPCI.
16. Artikel 21, §2 van het btw-wetboek bepaalt dat :
“Voor de toepassing van deze bepaling en artikel 21bis, moet onder “belastingplichtige” worden verstaan de persoon bedoeld in artikel 4, de belastingplichtige die ook werkzaamheden of handelingen verricht die niet als handelingen bedoeld in artikel 2 worden aangemerkt, evenals de niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd (B2B).”
Derhalve dat de plaatsbepalingregels opgenomen in artikel 21bis van het btw-wetboek enkel gelden opzichtens B2C klanten zijnde particulieren en niet-belastingplichtige rechtspersonen zonder btw – identificatie.
17. Bij ontstentenis aan bijkomende informatie over de Franse OPPCI sa vereist om tot een btw technische kwalificatie te komen van de kopende partij, als bij gebrek aan een vraag tot beslissing hieromtrent aan de DVB, dient gesteld dat:
17.1. indien de Franse OPPCI sa aangemerkt moet worden als btw-plichtige, beoogd door artikel 21,§2 van het btw-wetboek, als plaats van de dienst geldt, de plaats waar deze belastingplichtige de zetel van zijn economische activiteit heeft, in casu Frankrijk. Hetgeen ertoe leidt dat het bepalen of er al dan niet een btw-vrijstelling van toepassing is, toekomt aan de Franse btw-wetgever daar deze heffingsbevoegd is;
17.2. indien de Franse OPPCI sa aangemerkt wordt als een niet belastingplichtige rechtspersoon, omdat het een louter passieve holding is, die niet voor btw-doeleinden geïdentificeerd wordt, bepaalt artikel 21 bis van het btw-wetboek dat de plaats van de dienst deze is waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit heeft gevestigd, in casu België. In deze veronderstelling is artikel 44, §3, 10° van het btw-wetboek van toepassing.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.