Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2019.0489 d.d. 25.06.2019
Directe belastingen · Roerend inkomen · Auteursrechten · Beroepskosten · Antimisbruikbepaling · Btw · Onbenoemde btw-belaste dienstverrichting · Artikel 18, § 1, eerste lid W.BTW
Samenvatting
De vergoeding die de vennootschap wenst toe te kennen aan de bedrijfsleider, onder vorm van een percentage van de auteursrechtelijk gerelateerde netto-omzet, die in het kader van de overeenkomst met de vennootschap beschermde werken ontwikkelt en de auteursrechten hierop contractueel aan de vennootschap overdraagt, kan als een roerend inkomen in de zin van artikel 17, §1, 5°, WIB 92 worden aangemerkt en is in principe afzonderlijk belastbaar aan 15% roerende voorheffing.
De overeengekomen vergoeding vormt voor de vennootschap een kost die gedaan of gedragen wordt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden in de zin van artikel 49, WIB 92.
De overeenkomst tussen de zaakvoerder en de vennootschap met betrekking tot de overdracht en de vergoeding voor de overdracht van de auteursrechten, maakt geen fiscaal misbruik uit in de zin van artikel 344, §1, WIB 92.
In de gegeven omstandigheden worden de betreffende dienstprestaties verricht door de vennootschap voor haar klanten-opdrachtgevers beoogd door artikel 18, §1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en zijn zij in elk geval voor het geheel met btw te belasten met toepassing van het standaard btw-tarief van 21%.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe te willen bevestigen dat:
1.1. De vergoeding toegekend door vennootschap A aan haar zaakvoerder, de heer X, voor de cessie van auteursrechten voor software, in zijn naam als een roerend inkomen in de zin van artikel 17, §1, 5°, WIB 92 kan worden aangemerkt;
1.2. Deze vergoeding als marktconform kan worden aangemerkt;
1.3. De overeengekomen vergoedingen kosten zijn die vennootschap A doet of draagt om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden in de zin van artikel 49, WIB 92;
1.4. De overeenkomst tussen de zaakvoerder en de vennootschap met betrekking tot de overdracht en de vergoeding voor de overdracht van de auteursrechten, geen fiscaal misbruik uitmaakt in de zin van artikel 344, §1, WIB 92.
1.5. De betreffende dienstprestaties verricht door vennootschap A voor haar klanten-opdrachtgevers in het geheel onderworpen zijn aan het standaard btw-tarief van 21%.
II. Omschrijving van de verrichting
2. Vennootschap A is actief in de sector van de softwareontwikkeling. De vennootschap wenst een vergoeding voor overdracht van auteursrechten toe te kennen aan haar zaakvoerder voor de overdracht van vermogensrechten op auteursrechtelijk beschermde software.
III. Beslissing
III.A. Directe belastingen
III.A.1. Algemeen
3. Overeenkomstig artikel 17, §1, 5°, WIB 92 zijn inkomsten uit roerende goederen en kapitalen alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welken hoofde ook, namelijk de inkomsten verkregen uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, bedoeld in boek XI van het Wetboek van Economisch Recht (hierna WER) of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht.
4. Overeenkomstig artikel 37, eerste lid, WIB 92 worden, onverminderd de toepassing van de voorheffingen, inkomsten van onroerende goederen en van roerende goederen en kapitalen als beroepsinkomsten aangemerkt, wanneer die goederen en kapitalen worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten.
5. Overeenkomstig artikel 37, tweede lid, WIB 92 behouden, in afwijking van het eerste lid van hetzelfde artikel, de inkomsten bedoeld in artikel 17, §1, 5°, WIB 92, hun hoedanigheid van roerende inkomsten, behalve indien en in zover zij hoger liggen dan 37.500 EUR (na indexering 59.970 EUR voor aanslagjaar 2019, respectievelijk 61.200 EUR voor aanslagjaar 2020).
6. Overeenkomstig nummer 5 van de administratieve circulaire Ci.RH.231/631.675 van 4 september 2014 heeft de Minister van Financiën op praktisch vlak verklaard dat er een beredenering in twee fases nodig is om te bepalen of de inkomsten die aan een auteur of kunstenaar worden toegekend door voormelde wet van 16 juli 2008 worden bedoeld:
6.1. Is het werk waarmee hij inkomsten kon behalen een beschermd werk, d.w.z. een werk zoals bedoeld door de wet van 30.06.1994;
6.2. Vloeien deze inkomsten voort uit een cessie of concessie van zijn geldelijke rechten op het werk?
7. Overeenkomstig nummer 7 van voormelde administratieve circulaire moeten op het algemene vlak, om te beoordelen of de bepalingen van artikel 17, §1, 5°, WIB 92, van toepassing zijn, vooraf de volgende elementen worden onderzocht:
7.1. Heeft de geleverde prestatie aanleiding gegeven tot de productie van een "werk van letterkunde of kunst"?
7.2. Zo ja, hebben de auteursrechten met betrekking tot dat werk het voorwerp uitgemaakt van een cessie of een concessie aan een derde ingevolge een (schriftelijk) contract?
7.3. Tenslotte, wordt de vergoeding voor de voormelde cessie of de concessie van auteursrechten duidelijk gespecificeerd in het contract?
8. Vennootschap A is actief in de sector van softwareontwikkeling. Haar zaakvoerder ontwikkelt software en applicaties.
9. Vennootschap A heeft geen werknemers in dienst.
10. De vennootschap wil haar zaakvoerder vergoeden onder vorm van een percentage van het gedeelte van de netto-omzet gerealiseerd door de vennootschap op basis van de exploitatie van de auteursrechtelijk beschermde werken.
11. De creatieve bijdrage van de zaakvoerder is cruciaal voor de uitoefening van de activiteiten van de vennootschap.
III.A.2. Beschermd werk
12. Overeenkomstig artikel XI.172, §1, WER wordt onder werken van letterkunde verstaan de geschriften van welke aard ook, alsmede lessen, voordrachten, redevoeringen, preken of andere mondelinge uitingen van de gedachte. Redevoeringen uitgesproken in vergaderingen van vertegenwoordigende lichamen, in openbare terechtzittingen van rechtscolleges of in politieke bijeenkomsten mogen evenwel vrijelijk worden gereproduceerd en aan het publiek medegedeeld; alleen de auteur heeft echter het recht om ze afzonderlijk uit te geven.
13. Overeenkomstig artikel 2.1. van de Conventie van Bern van 9 september 1886 voor de bescherming van letterkundige en kunstwerken, omvat de uitdrukking “letterkundige en kunstwerken” alle voortbrengselen op het gebied der letterkunde, wetenschap en kunst, welke ook de wijze of de vorm van uitdrukken zij, zoals boeken, brochures en andere geschriften; voordrachten, toespraken, preken en nadere werken van die aard; toneelwerken of dramatisch-muzikale werken, choreografische werken en pantomimes, waarvan de wijze van opvoering in schrift of op andere wijze is nedergelegd; muzikale composities met of zonder woorden; cinematographische werken en werken verkregen door een met de cinematographie overeenstemmend procédé; werken van teken-, schilder-, bouw-, beeldhouw-, graveer- en lithographeerkunst; photographische werken en werken verkregen door een met de photographie overeenstemmend procédé; werken van toegepaste kunsten; illustraties en aardrijkskundige kaarten; tekeningen, schetsen en plastische werken met betrekking tot de aardrijkskunde, de topographie, de bouwkunde of de wetenschappen.
14. Overeenkomstig artikel XI.165, §1, eerste lid, WER heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.
15. Overeenkomstig het tweede lid van hetzelfde artikel omvat dat recht onder meer het exclusieve recht om toestemming te geven tot het bewerken of het vertalen van het werk.
16. Overeenkomstig het vijfde lid van hetzelfde artikel heeft alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst het recht de distributie van het origineel van het werk of van kopieën ervan aan het publiek, door verkoop of anderszins, toe te staan.
17. Overeenkomstig artikel XI.167, §1, tweede tot en met vierde lid, WER, worden ten aanzien van de auteur alle contracten schriftelijk bewezen. De contractuele bedingen met betrekking tot het auteursrecht en de exploitatiewijzen ervan moeten restrictief worden geïnterpreteerd. De overdracht van het voorwerp dat een werk omvat, leidt niet tot het recht om het werk te exploiteren; met het oog op de uitoefening van zijn vermogensrechten moet de auteur op een redelijke manier toegang tot zijn werk behouden. Voor elke exploitatiewijze moeten de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald.
18. Overeenkomstig artikel XI.167, §3, eerste lid, van voormelde wet kunnen, wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de creatie van het werk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt
19. Overeenkomstig artikel XI.170, eerste lid, WER is de oorspronkelijke auteursrechthebbende de natuurlijke persoon die het werk heeft gecreëerd.
20. Overeenkomstig artikel XI.294, WER worden, overeenkomstig het bepaalde in Richtlijn 91/250/EEG van de Raad van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s, computerprogramma’s beschermd en gelijkgesteld met werken van letterkunde in de zin van de Berner Conventie voor de bescherming van werken van letterkunde en kunst.
21. Overeenkomstig artikel XI.295, eerste lid, WER geniet een computerprogramma bescherming indien het oorspronkelijk is in die zin, dat het een eigen intellectuele schepping van de auteur is.
22. Overeenkomstig artikel XI.296 WER wordt, tenzij bij overeenkomst of statutair anders is bepaald, alleen de werkgever geacht verkrijger te zijn van de vermogensrechten met betrekking tot computerprogramma’s die zijn gemaakt door een of meer werknemers of beambten bij de uitoefening van hun taken of in opdracht van hun werkgever.
23. Overeenkomstig artikel XI.298, WER omvatten, onverminderd de artikelen 299 en 300 van die wet, de vermogensrechten:
a) de permanente of tijdelijke reproductie van een deel of het geheel van een computerprogramma, ongeacht op welke wijze en in welke vorm. Voor zover voor het laden of in beeld brengen, of de uitvoering, transmissie of opslag van een computerprogramma deze reproductie van het programma noodzakelijk is, is voor deze handelingen toestemming van de rechthebbende vereist;
b) het vertalen, bewerken, arrangeren of anderszins veranderen van een programma, en de reproductie van het resultaat daarvan, onverminderd de rechten van degene die het programma verandert;
c) elke vorm van distributie, met inbegrip van het verhuren en uitlenen, van een oorspronkelijk computerprogramma of kopieën daarvan onder het publiek. De eerste verkoop in de Europese Unie van een kopie van een programma door de rechthebbende of met diens toestemming leidt tot uitputting van het recht om controle uit te oefenen op de distributie van die kopie in de Europese Unie, met uitzondering van het recht om controle uit te oefenen op het verder verhuren en het uitlenen van het programma of een kopie daarvan.
24. De Europese richtlijn van 14 mei 1991 betreffende de rechtsbescherming van computerprogramma’s (BS 27.7.1994 - 91/250/EG, publicatieblad L122 van 17.05.1991) bepaalt in haar consideransen dat de term “computerprogramma” alle programma’s moet omvatten in gelijk welke vorm, met inbegrip van programma’s die in de apparatuur zijn ingebouwd; deze term moet eveneens het desbetreffende voorbereidende ontwerp-materiaal omvatten dat tot het vervaardigen van een programma leidt, op voorwaarde dat dit voorbereidende materiaal van dien aard is dat het later tot zulk een programma kan leiden.
25. Voormelde richtlijn bepaalt verder nog wat onder “interfaces” en “compatibiliteit” moet worden verstaan:
25.1. “Overwegende dat een computerprogramma de communicatie en wisselwerking met andere componenten van een computersysteem en met gebruikers ervan moet verzorgen en dat hiervoor een logische en, waar nodig, fysieke koppeling en interactie is vereist, waardoor tussen alle elementen van de programmatuur en apparatuur in alle door deze te vervullen functies, enerzijds, en ander programmatuur en apparatuur, alsmede de gebruikers, anderzijds, een passende wisselwerking mogelijk is;
25.2. Overwegende dat de onderdelen van het programma die koppeling en interactie tussen componenten van een systeem verzekeren, algemeen met de term “interfaces” worden aangeduid;
25.3. Overwegende dat die functionele koppeling en interactie algemeen met de term “compatibiliteit” kan worden omschreven als het vermogen om informatie uit te wisselen en om deze uitgewisselde informatie onderling te gebruiken;”.
26. In het antwoord op de parlementaire vraag nr. 5-1265 gesteld door senator Wouter Beke op 9 februari 2011 stelt de heer Minister van Financiën onder meer “dat de computerprogramma’s niet uitgesloten worden van het toepassingsgebied van de (eerste) wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, hoewel ze bovendien het voorwerp zijn van een bijzondere wetgeving. (…) De inkomsten uitsluiten van de inkomsten bedoeld in artikel 17, §1, 5°, WIB 92 (met als motivering dat de wet van 30 juni 1994 betreffende de computerprogramma’s daarin niet uitdrukkelijk is vermeld) is onrechtvaardig en overigens discriminerend.”.
27. Gelet op wat voorafgaat kan gesteld worden dat de werken gecreëerd door de zaakvoerder van de vennootschap kunnen worden aangemerkt als auteursrechtelijk beschermde software die met werken van letterkunde of kunst kan worden gelijkgesteld. Zij vallen bijgevolg onder de bescherming van Boek XI, Titel 5 en 6, van het Wetboek van Economisch Recht.
III.A.3. Inkomsten uit de cessie of concessie van het werk
28. Overeenkomstig het bericht aan de schuldenaars van auteursrechten en naburige rechten in de loop van het jaar 2008 (B.S. 9.12.2008, err. 18.12.2008) zijn, daar de wet van 30 juni 1994 voortaan integraal geldt voor fiscale aangelegenheden, “alle inkomsten uit auteursrechten en naburige rechten voortaan bedoeld in de wet van 16 juli 2008. De auteursrechten en naburige rechten worden door de belastingplichtige geïnd naar aanleiding van de exploitatie van zijn intellectuele of artistieke productie (…).”.
29. Uit de aanvraag blijkt dat vennootschap A een vergoeding wenst toe te kennen aan haar zaakvoerder op de door hem geschreven software en programma’s.
30. Uit de aanvraag blijkt meer bepaald dat de vennootschap aan de zaakvoerder een vergoeding voor de overdracht van de auteursrechten wenst toe te kennen die bestaat uit 12,5% van het gedeelte van de gerealiseerde netto-omzet dat aan de creatie van auteursrechtelijk beschermde software is gelieerd.
31. Daarbij merkt de DVB op dat de voormelde vergoeding dient te worden verminderd met de vergoeding voor overdracht van auteursrechten die aan bij de ontwikkeling van de auteursrechtelijk beschermde werken betrokken huidige of toekomstige werknemers, freelance medewerkers, zelfstandige onderaannemers, enzovoorts zouden worden toegekend.
32. Verder merkt de DVB op dat het gedeelte van de vergoeding die vennootschap A eventueel ontvangt met betrekking tot verplaatsingskosten, administratiekosten, onkostenvergoedingen voor gebruik van eigen materialen en gebruiksvoorwerpen en dergelijke niet in aanmerking komt voor het bepalen van de auteursrechtelijke omzet.
33. Inzake voormelde vergoeding aan de zaakvoerder wordt in de aanvraag bijkomend gesteld dat:
33.1. Deze vergoeding niet meer zal bedragen dan 50% van het resultaat van het boekjaar (1) vóór belasting en vóór aanrekening van de vergoedingen voor de auteursrechten. Indien dit wel het geval is zal de te betalen vergoeding overeenkomstig worden beperkt;
[(1) Code 9903 van de jaarrekening, desgevallend te corrigeren met het niet-recurrent resultaat zoals blijkt uit de toelichting bij de jaarrekening, vóór belasting en vóór aanrekening van de vergoeding voor auteursrechten.]
33.2. Deze beperking er evenwel niet toe kan leiden dat de verschuldigde vergoeding minder bedraagt dan 5% van de netto-omzet uit de soorten opdrachten die aanleiding geven tot de creatie van auteursrechtelijk beschermde werken.
34. Daarenboven dient een bedrijfsleider voor de verschillende prestaties die hij voor de vennootschap verricht een overeenkomstige vergoeding te verkrijgen. Het percentage van de vergoeding voor overdracht van auteursrechten mag daarom slechts 5% van de voormelde netto-omzet van de vennootschap voor opdrachten die aanleiding geven tot de creatie van auteursrechtelijk beschermde werken bedragen (dit percentage dient, indien er meerdere bedrijfsleiders zijn, evenredig te worden verminderd) wanneer de bedrijfsleidersbezoldiging (2) van de bedrijfsleider in kwestie minder dan het referentiebedrag vermeld in artikel 215, derde lid, 4° WIB 92 bedraagt. (3)
[(2) De in aanmerking te nemen bezoldiging van het inkomstenjaar omvat ook de belastbare voordelen van alle aard van het inkomstenjaar die op de fiche 281.20 worden vermeld evenals de tijdens het inkomstenjaar toegekende en dus belastbare tantièmes.]
[(3) De verwijzing naar voormeld referentiebedrag heeft louter tot functie te verwijzen naar de hoegrootheid van de bezoldiging die als voldoende hoog kan worden beschouwd en heeft geenszins betrekking op de overige bewoordingen uit het artikel inzake de toepassing van het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting.]
35. In elk geval en rekening houdend met de beschreven omstandigheden, mag, de auteursrechtenvergoeding van elke zaakvoerder/bedrijfsleider, berekend op basis van het omzetcijfer van een welbepaald jaar, het tweevoud van het gemiddelde van de auteursrechtenvergoedingen dat de huidige en toekomstige werknemers, freelancers en zelfstandige onderaannemers in de loop van hetzelfde jaar ontvangen voor de cessie van hun auteursrechten, niet overschrijden. Dit geldt van zodra minimaal 1 creatieve voltijds equivalent (tewerkgestelde werknemer + freelancer + zelfstandig onderaannemer) prestaties levert waarvoor een vergoeding voor auteursrechten wordt toegekend. (4)
[(4) Voorbeeld: Gemiddelde van de auteursrechtenvergoedingen van werknemers, zelfstandige medewerkers enzovoort, in de loop van jaar X: 4.500 EUR. Maximale auteursrechtenvergoeding van elke zaakvoerder/bedrijfsleider berekend op basis van het omzetcijfer van jaar X: 4.500 EUR * 2 = 9.000 EUR.]
36. Cijfervoorbeelden ter illustratie:
| Omzet AR (5) | Resultaat boekjaar | 12,5 % * omzet | Vergoeding auteursrechtenBedrijfsleider (6) | Maximum 50% * resultaat van het boekjaar (7) | Toe te kennen auteursrechten bedrijfsleider (8) | Finaal percentage AR |
| 130.000 | 150.000 | 16.250 | 16.250 | 75.000 | 16.250 | 12,50 % |
| 130.000 | 30.000 | 16.250 | 16.250 | 15.000 | 15.000 | 11,54 % |
| 130.000 | 0 | 16.250 | 16.250 | 0 | 6.500 | 5,00 % |
[(5) De netto-omzet van de vennootschap uit de opdrachten die aanleiding geven tot de creatie van auteursrechtelijk beschermde werken.]
[(6) Zie 30.]
[(7) Zie 33.1.]
[(8) Zie 33.2. en 34. Indien de bedrijfsleidersbezoldiging toch zou verminderen tot onder het in artikel 215, derde lid, 4° WIB 92 vermelde referentiebedrag, zullen de toe te kennen auteursrechten steeds beperkt zijn tot 5% van de kwalificerende omzet.]
37. Er kan aldus gesteld worden dat de hiervoor beschreven toegekende vergoedingen aan de zaakvoerder als roerende inkomsten als bedoeld in artikel 17, §1, 5°, WIB 92 kunnen worden aangemerkt.
III.A.4. Aftrekbare beroepskosten
38. Artikel 49, WIB92 bepaalt het volgende:
“Als beroepskosten zijn aftrekbaar, de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed.
Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.”
39. Wanneer een vennootschap auteursrechten verwerft, worden deze op het actief van de balans opgenomen indien zij bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit te worden gebruikt. Uit de samenlezing van de richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013, de IAS 16 norm en het CBN-advies 2012/13 van 10 oktober 2012 volgt dat in onderhavig geval onder het begrip “duurzaam” wordt begrepen, het verwerven van auteursrechten waarvan de vennootschap verwacht dat ze langer dan één periode zullen worden gebruikt.
40. Onverminderd de toepassing van artikel 49 WIB92 worden de afschrijvingen als beroepskosten overeenkomstig artikel 61 WIB92 aangemerkt in de mate dat:
- ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde;
- en voor zover ze noodzakelijk zijn;
- en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbaar tijdperk werkelijk heeft voorgedaan.
41. Daarenboven moeten de immateriële vaste activa, met uitzondering van investeringen in audiovisuele werken, overeenkomstig artikel 63 WIB92 worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 3 mag bedragen wanneer het investeringen in onderzoek en ontwikkeling betreft en niet minder dan 5 in de andere gevallen.
42. De toepassing van de bepalingen van artikel 63 WIB 92 houdt inzonderheid het volgende in:
- de verworven auteursrechten in de rubriek van de immateriële vaste activa mogen niet in éénmaal of degressief worden afgeschreven. Alleen de afschrijving met vaste annuïteiten (of lineaire afschrijving) is toegestaan;
- de afschrijvingsperiode bedraagt voor die activa ten minste 5 jaar.
43. De aanvrager stelt dat de auteursrechtelijk beschermde werken inzake de door hem ontwikkelde software en applicaties, geen ‘duurzaam’ karakter vertegenwoordigen aangezien de intellectuele rechten vrijwel onmiddellijk worden overgedragen aan de klant van de vennootschap A.
44. Rekening houdend met het voorgaande en met de door aanvrager meegedeelde elementen kan worden besloten dat de verworven auteursrechten niet bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit van de vennootschap te worden bestemd. De vergoedingen voor overdracht van auteursrechten vormen bijgevolg een aftrekbare beroepskost van het boekjaar waarin zij het karakter van zekere en vaststaande schulden hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt, en dit vanaf het boekjaar dat eindigt op 31/12/2018.
III.A.5. Inzake artikel 344, §1, WIB 92
45. Artikel 344, §1, WIB 92 bepaalt het volgende:
“§1. Aan de administratie kan niet worden tegengeworpen, de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in artikel 340 van hetzelfde wetboek vermelde bewijsmiddelen aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik.
Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:
1° een verrichting waarbij hij zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of
2° een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van dit Wetboek of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.
Het komt aan de belastingplichtige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van inkomstenbelastingen.
Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen als of het misbruik niet heeft plaatsgevonden.”
46. Wat betreft de toepassing van artikel 344, §1, WIB 92 kan gesteld worden dat artikel 344, §1, WIB 92 een algemene antimisbruikbepaling betreft die slechts wordt toegepast als de gewone interpretatiemethode, de technische bepalingen van het Wetboek, de speciale anti-ontwijkingsbepalingen en de simulatieleer geen hulp bieden (Circ. AFZ nr. 3/2012 d.d. 4.5.2012 inzake de antimisbruikbepaling, rubriek C.2.3.).
47. Randnr. 3 van Ci. RH. 231/605.842 van 21.05.2012 bepaalt dat, indien is aangetoond dat men zich bevindt in het geval van een overeenkomst die een clausule bevat met betrekking tot de cessie of de concessie van auteursrechten of naburige rechten, en indien daarvoor uitdrukkelijk een specifieke vergoeding is voorzien, die verschillend is van de bezoldiging als werknemer (hetgeen betekent dat de auteursrechten of naburige rechten niet gratis zijn overgedragen), deze vergoeding op het principiële vlak belastbaar is op basis van art. 17, §1, 5°, WIB 92.
48. Met het oog op rechtszekerheid zal de overdracht, en de vergoeding voor de overdracht, van de rechten worden opgenomen in een afzonderlijke overeenkomst tussen vennootschap A en haar bedrijfsleider.
49. Gelet op wat voorafgaat is de DVB van oordeel dat de voorgenomen verrichting niet als een fiscaal misbruik in de zin van artikel 344, §1, WIB 92 kan worden aangemerkt.
III.B. Btw
50. In de gegeven omstandigheden worden de betreffende dienstprestaties verricht door vennootschap A voor haar klanten-opdrachtgevers beoogd door artikel 18, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek en zijn zij in elk geval voor het geheel met btw te belasten met toepassing van het standaard btw-tarief van 21%.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.