---
title: "Voorafgaande beslissing 2019.0028 · Nieuw gebouw, Verbouwing"
description: "Belgische voorafgaande beslissing nr. 2019.0028 van 12 maart 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2019-0028-6eac"
lang: "nl"
---

# Nieuw gebouw, Verbouwing

**Nummer**

2019.0028

**Datum**

12 maart 2019

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

41 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2019.0028 d.d. 12.03.2019

*Btw* · *Nieuw gebouw* · *Verbouwing* · *Artikel 44, §3, 1°, a), lid 2 W.Btw* · *K.B. nr. 14*

## Samenvatting

Uit de naar voor gebrachte feitenschets blijkt dat een recent verbouwd gebouw voor btw-doeleinden in 2019 nog als nieuw gebouw dient te worden beschouwd. De aanvrager kan bij de voorgenomen verkoop van dit gebouw in 2019 opteren voor de toepassing van de btw conform artikel 44, §3, 1°, a), lid 2 W.Btw en mits inachtneming van de te vervullen voorwaarden volgens K.B. nr. 14.

## Tekst van de beslissing

**1.** De voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van voormelde wet van 24 december 2002 werden nageleefd.

**2.** De aanvrager, X comm.v is eigenaar van een gebouw gelegen <x> dat aangewend wordt voor de exploitatie van een winkel.

**3.** De aanvrager wenst dit gebouw in 2019 te verkopen en wenst zekerheid te verkrijgen in verband met de vraag of dit gebouw door de reeds uitgevoerde werken een ‘nieuw’ gebouw betreft, zodat ze, mits de optie bedoeld in [artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 14](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01), dit gebouw kan overdragen met toepassing van btw.

**4.** De verkoop van een gebouw is in principe vrijgesteld van btw conform artikel 44, §3, 1°, a), lid 1 W.Btw.

**5.** Conform lid 2 van ditzelfde artikel wordt evenwel uitgesloten van deze vrijstelling, de levering van gebouwen, gedeelten van gebouwen en het bijhorende terrein bedoeld in artikel 1, §9, wanneer de vervreemding wordt verricht uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van de goederen bedoeld in artikel 1, §9, 1° door:

\- hetzij een in artikel 12, §2, beoogde belastingplichtige die voornoemde goederen bedoeld in artikel 1, § 9, 1°, heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de belasting heeft verkregen;

\- hetzij een in artikel 8, § 1, beoogde belastingplichtige;

\- hetzij elke andere belastingplichtige, wanneer hij op de door de Koning te bepalen wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling een dergelijke vervreemding te verrichten met voldoening van de belasting.

**6.** Bij uitzondering op de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 3, 1°, a), lid 1 W.Btw, zijn dus de leveringen van gebouwen belastbaar met btw wanneer de erop betrekking hebbende overeenkomsten zijn gesloten uiterlijk op 31 december van het tweede jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming of de eerste inbezitneming van die gebouwen onder de voorwaarde van de belastingplicht van de persoon die de handeling verricht (belastingplichtige bedoeld in artikel 12, § 2, belastingplichtige wiens economische activiteit niet bestaat in de geregelde verkoop van gebouwen met toepassing van de btw, en belastingplichtige bedoeld in artikel 8, § 1 W.Btw).

**7.** In de geest van de tekst van artikel 44, § 3, 1° W.Btw, dient niet alleen een pas opgericht gebouw als een nieuw gebouw te worden aangemerkt, doch ook een reeds vroeger opgericht gebouw, dat op zodanige wijze werd verbouwd dat het hierdoor de kenmerken verkrijgt van een nieuw gebouw.

**8.** Er dient bijgevolg te worden onderzocht of het betrokken onroerend goed door de verbouwing de kenmerken heeft verkregen van een nieuw gebouw.

**9.** In de btw-handleiding (versie 2015) randnummer 152/2 heeft de Administratie criteria opgenomen om te beoordelen of een oud gebouw na de uitvoering van verbouwingswerken al dan niet moet beschouwd worden als een nieuw gebouw voor btw-doeleinden. De desbetreffende passage luidt als volgt:

> “In de geest van de tekst van [artikel 44, § 3, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), van het Wetboek, dient evenwel niet alleen een pas opgericht gebouw als een nieuw gebouw te worden aangemerkt, doch ook een reeds vroeger opgericht gebouw, dat op zodanige wijze werd verbouwd dat het hierdoor de kenmerken verkrijgt van een nieuw gebouw.
>
> In dit opzicht kunnen drie duidelijk onderscheiden onderstellingen worden gemaakt.
>
> Eerste geval. Wegens de in het oude gebouw uitgevoerde werken heeft dit een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen ondergaan, namelijk in zijn aard, zijn structuur en, in voorkomend geval, in zijn bestemming (verg. aanschr. nr. 16/1973, van 28 juni 1973, nr. 10, 3°).
>
> In die onderstelling gaat het ontegensprekelijk om een nieuw gebouw, welke overigens ook de kostprijs is van de werken die werden uitgevoerd om deze wijziging tot stand te brengen in vergelijking met de waarde van het gebouw vóór deze wijziging.
>
> Tweede geval. De werken die aan het oude gebouw werden uitgevoerd hebben het gebouw niet in zijn wezenlijke elementen gewijzigd, zoals in het eerste geval hierboven, maar hadden tot doel, hetzij de instandhouding van het gebouw te verzekeren, hetzij het comfort ervan te verbeteren, zoals dit het geval is bij het plaatsen van centrale verwarming, het inrichten van een badkamer, het vernieuwen van de dakbedekking, enz.
>
> In die onderstelling gaat het niet om een gebouw dat in zijn wezenlijke elementen wijzigingen heeft ondergaan. De doorverkoop van dit gebouw of van een gedeelte van dit gebouw en bijhorend terrein of de vestiging, overdracht en de wederoverdracht van zakelijke rechten, andere dan het eigendomsrecht, die slaan op een dergelijk gebouw, gedeelte van gebouw en het bijhorend terrein na de uitvoering van de werken, kan dus in principe niet aan de btw worden onderworpen, zelfs niet wanneer het kadastraal inkomen van het goed werd verhoogd en de kosten van de uitgevoerde werken zeer hoog oplopen in vergelijking met de waarde van het goed in de staat waarin het zich bevond vóór de aanvang van de werken.
>
> Derde geval. Gelet op het feit dat, wanneer de uitgevoerde werken van die aard zijn dat ze een belangrijke wijziging aan het gebouw met zich brengen, het meestal moeilijk is te bepalen of het gebouw een ingrijpende wijziging in zijn wezenlijke elementen heeft ondergaan, zoals bedoeld in het bovengenoemde eerste geval, kan evenwel worden aanvaard dat het gaat om een nieuw gebouw wanneer de kostprijs, exclusief btw, van de door de eigenaar of door derden voor zijn rekening uitgevoerde werken aan het gebouw zelf, ten minste 60 % bereikt van de verkoopwaarde van het gebouw waaraan de werken werden uitgevoerd, de grond buiten beschouwing gelaten, op het tijdstip van de voltooiing van die werken.
>
> Dit derde geval houdt enerzijds rekening met de waarde van de aan het gebouw zelf uitgevoerde materiële werken (in het bijzonder met uitsluiting van intellectueel werk, zoals de erelonen van een architect of van een veiligheidscoördinator) met inbegrip van noodzakelijke afbraakwerken en anderzijds met de verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw, bepaald rekening houdend met artikel 32, eerste lid en [artikel 36](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36) van het Wetboek.
>
> Bovendien is het zonder belang dat in de waarde van de aldus uitgevoerde werken de waarde van de werken die het comfort verhogen, begrepen is. Overigens kan het aldus te verbouwen gebouw als nieuw, in de zin van wat hiervoor werd gezegd, worden beschouwd zonder de daadwerkelijke uitvoering van de werken af te wachten, voor zover de omvang ervan, evenals de wijziging van het kadastraal inkomen vaststaan.
>
> Opdat de handeling met betrekking tot dit verbouwde gebouw in het bovengenoemde eerste en derde geval een levering uitmaakt die aan de belasting kan worden onderworpen, is er daarenboven nog vereist:
>
> a) dat de uitgevoerde verbouwing de aanleiding is tot de wijziging van het kadastraal inkomen dat aan het gebouw was toegekend vóór de aanvang van de werken;
>
> b) dat de beoogde handeling plaatsheeft, binnen de termijn bepaald in [artikel 44, §3, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), van het Wetboek;
>
> c) dat de persoon in wiens hoofde de btw opeisbaar is ten opzichte van de administratie het belang van de uitgevoerde werken aantoont. Teneinde eventuele moeilijkheden bij de bewijsvoering te voorkomen, is het in dit opzicht raadzaam de vergunning waarbij de gemeentelijke overheid de toelating tot het uitvoeren van de bedoelde werken heeft verleend, voor te leggen, wanneer het afleveren van zulke vergunning ingevolge de van kracht zijnde stedenbouwkundige reglementering verplicht is (BTW-REVUE nr. 28, blz. 29, nr. 595).”

**10.** Uit de door de aanvrager naar voor gebrachte feitenschets (met foto’s voor en na en plannen in de bijlage) blijkt dat het betrokken onroerend goed ingrijpende verbouwingen heeft ondergaan. Het voorste deel van het gebouw werd hierbij volledig herbouwd zodat op geen enkele wijze nog wordt gesteund op bestaande structuren. In het middendeel werden belangrijke wijzigingen uitgevoerd waarbij deels nieuwe dragende structuren en een nieuw dak werden voorzien. Ook in het achterste deel van het gebouw werden er aanpassingen gedaan aan bestaande structuren met belangrijk nieuw metselwerk en de bijbouw van een volledig nieuwe verdieping.

**11.** Verder spreekt de aanvrager over een kostprijs van de materiële werken, exclusief btw, van <x> euro. Uit een door een externe schatter opgemaakt schattingsverslag blijkt dat de vrije verkoopwaarde van het afgewerkte gebouw (inclusief grond) wordt geschat op <x> euro. Zelfs als we de grondwaarde hier niet van aftrekken, kunnen we vaststellen dat de waarde van de werken hoe dan ook de 60 procent overschrijdt van de waarde van het afgewerkt gebouw, in casu 67,34 procent. Als we de grondwaarde zoals voorgeschreven nog van de waarde van het afgewerkt gebouw aftrekken wordt dit percentage enkel hoger en wordt de grens van de 60 procent nog ruimer overschreden. Op die manier ressorteert de voorgelegde zaak onder de hypothese van het derde geval uit het hierboven geciteerde randnummer 152/2 van de btw-handleiding.

**12.** Tenslotte verklaart de aanvrager dat de verbouwing aanleiding zal geven tot een wijziging van het bestaande kadastraal inkomen dat was toegekend aan het gebouw vóór de aanvang van de werken.

**13.** Gelet op hetgeen voorafgaat dient te worden besloten dat het gerenoveerd gebouw gelegen te <x>, na het beëindigen van de werken, voor btw-doeleinden als nieuw gebouw diende te worden beschouwd.

**14.** De aanvrager brengt niet expliciet naar voor wanneer de eerste ingebruikname of inbezitneming heeft plaatsgevonden. We lezen wel dat de werken aanvingen in het voorjaar van 2017 en werden beëindigd in januari 2018. In het jaar 2019 kan het gebouw dus hoe dan ook nog als nieuw worden aanzien conform artikel 44, §3, 1°, a), lid 2 W.Btw.

**15.** Uit de uitdrukkelijke verwijzing door de aanvrager naar artikel 8 W.Btw en K.B. nr. 14 kunnen we impliciet afleiden dat de aanvrager zichzelf niet kwalificeert als een belastingplichtige in de zin van artikel 12, §2 W.Btw. Verder wordt hier door de aanvrager geen toelichting bij gegeven. Indien hij niet onder de categorie van belastingplichtige in de zin van artikel 12, §2 W.Btw ressorteert, zal hij conform K.B. nr. 14 uitdrukkelijk moeten opteren om het gebouw met btw te vervreemden.

**16.** In het licht van het voorgaande kan de DVB bevestigen dat de aanvrager bij de voorgenomen verkoop van het hierboven vermelde gebouw in 2019 de mogelijkheid heeft te opteren voor de toepassing van de btw conform artikel 44, §3, 1°, a), lid 2 W.Btw en dit met inachtneming van de te vervullen voorwaarden volgens K.B. nr. 14.

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 2 voorkomens

[KB nr. 14 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-14-artikel-7d01) 1 voorkomen

[WBTW art. 36](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-36) 1 voorkomen
