---
title: "Voorafgaande beslissing 2018.1257 · Vrijstellingen, Artikelen 44, § 2, 1°, a) en 2° W.BTW"
description: "Vrijstellingen, Artikelen 44, § 2, 1°, a) en 2° W.BTW. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2018.1257 van 26 februari 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2018-1257-vrijstellingen-artikelen-btw-vrijgestelde-diensten-6ab0"
lang: "nl"
---

# Vrijstellingen · BTW - Vrijstellingen - Artikelen 44, § 2, 1°, a) en 2° W.BTW - Vrijgestelde diensten verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door ziekenhuizen en vrijstelling voor maatschappelijke dienstverlening - Samenwerkingsverbanden tussen zorginstellingen – Medische sector – Sociale sector - Rechtspersonenbelasting - Artikel 220, 3° WIB 92 - Artikel 221, 2° WIB 92 - Artikel 222, 2° WIB 92

**Nummer**

2018.1257

**Datum**

26 februari 2019

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

82 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2018.1257 d.d. 26.02.2019

*BTW* · *Vrijstellingen* · *Artikelen 44, § 2, 1°, a) en 2° W.BTW* · *Vrijgestelde diensten verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid door ziekenhuizen en vrijstelling voor maatschappelijke dienstverlening* · *Samenwerkingsverbanden tussen zorginstellingen – Medische sector – Sociale sector* · *Rechtspersonenbelasting* · *Artikel 220, 3° WIB 92* · *Artikel 221, 2° WIB 92* · *Artikel 222, 2° WIB 92*

## Samenvatting

De aanvraag wordt ingediend in naam van X, een rechtspersoon met maatschappelijke zetel in Vlaanderen en ingeschreven in de KBO.

X baat een nieuwe zorginstelling uit. In samenwerking met Y, zal X op de site van de nieuwe zorginstelling een voorziening organiseren.

X wenst bevestiging te bekomen dat de kostendekkende toelagen die X zal ontvangen van de bevoegde overheidsinstantie (via Y) in het kader van de organisatie van een voorziening op de site van de bedoelde zorginstelling, niet met btw te belasten want vrijgesteld zijn van btw en evenmin belastbaar zijn in de rechtspersonenbelasting.

In het kader van de organisatie van de bedoelde on site voorziening zal X bepaalde middelen inzetten, waaronder lokalen, uitrusting en personeel. Daarvoor zal vanwege de bevoegde overheidsinstantie een (kostendekkende) toelage ontvangen worden, die uitbetaald wordt via Y. Deze toelage heeft als doel het deel van de uitbatingskost van de on site voorziening, dat door X wordt gedragen, te financieren. Voor een goed begrip wordt verduidelijkt dat de hiervoor bedoelde financiering louter kosten dekt en niet aangewend kan/zal worden voor bijvoorbeeld het vergoeden van de zelfstandige dienstverleners voor hun prestaties.

De betreffende kostendekkende toelagen die X zal ontvangen in het kader van de organisatie van de hiervoor bedoelde voorziening op de site van de betreffende zorginstelling, zijn vrijgesteld van btw. De door X verrichte diensten, die kaderen binnen een door de overheid opgelegde samenwerking in de zin van de zorgcirculaire nr. 36 van 27.11.2012, zijn inderdaad van btw vrijgesteld als nauw met de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging samenhangende diensten en leveringen van goederen in de zin van artikel 44, §2, 1°, a) W.BTW.

De betreffende kostendekkende toelagen die X zal ontvangen in het kader van de organisatie van deze voorziening op de site van de zorginstelling, zijn niet belastbaar in de rechtspersonenbelasting, noch als roerend, noch als onroerend inkomen.

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. De aanvraag wordt ingediend in naam van X, een rechtspersoon met maatschappelijke zetel in Vlaanderen en ingeschreven in de KBO.

2\. X baat een nieuwe zorginstelling uit.

3\. In samenwerking met Y, zal X op de site van de nieuwe zorginstelling een voorziening organiseren. In het kader van deze samenwerking zal een overeenkomst worden gesloten met het oog op de financiering van de on site voorziening door de bevoegde overheidsinstantie overeenkomstig de toepasselijke wet- en regelgeving.

4\. Aangezien X zowel belaste activiteiten met recht op aftrek als vrijgestelde activiteiten zonder recht op aftrek uitoefent, heeft zij voor btw-doeleinden de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige.

5\. Als rechtspersoon die de betreffende activiteiten verricht, is X volgens de aanvrager onderworpen aan de rechtspersonenbelasting.

6\. X wenst bevestiging te bekomen dat de kostendekkende toelagen die X zal ontvangen van de bevoegde overheidsinstantie (via Y) in het kader van de organisatie van een voorziening op de site van de bedoelde zorginstelling, niet met btw te belasten want vrijgesteld zijn van btw en evenmin belastbaar zijn in de rechtspersonenbelasting.

7\. X schrijft zich in het huidig en toekomstig overheidsbeleid in en zal daarom een samenwerkingsovereenkomst sluiten met Y tot organisatie van een voorziening op de site van de nieuwe zorginstelling.

8\. De organisatie van de on site voorziening zal worden gefinancierd door de bevoegde overheidsinstantie. Daartoe hebben zowel Y als X de kostprijs van de door hen georganiseerde en door de bevoegde overheidsinstantie te financieren kostenplaatsen vastgelegd. De globale overheidsfinanciering zal worden toegekend aan Y waarbij deze zich ertoe verbindt om de financiering die betrekking heeft op kostenplaatsen georganiseerd door X onverwijld en zonder enige afhouding door te storten.

De bevoegde overheidsinstantie heeft zich al formeel akkoord verklaard met de financiering van zowel de investeringskosten als de werkingskosten van de on site voorziening.

De bevoegde overheidsinstantie voorziet voor de organisatie van de on site voorziening een globaal budget dat verschillende kostenposten dekt. Er is enerzijds voorzien in een investeringsbudget, waarbij subsidies zullen worden toegekend voor bepaalde investeringen. Daarnaast zal voor de organisatie van de on site voorziening een werkingsbudget worden toegekend dat verschillende kostenposten dekt.

Voor een goed begrip verduidelijkt de DVB dat de hiervoor bedoelde financiering louter kosten dekt en niet aangewend kan/zal worden voor bijvoorbeeld het vergoeden van de zelfstandige dienstverleners voor hun prestaties.

9\. De bevoegde overheidsinstantie zal de globale kostprijs van de organisatie van de on site voorziening financieren. Zoals hiervoor al vermeld, zal deze instantie de globale toelage toekennen en betalen aan Y, die op haar beurt het deel van de toelage dat betrekking heeft op de in overeenstemming met de samenwerkingsovereenkomst door X georganiseerde kostenposten, zal doorstorten aan X.

Met het oog op het toekennen van deze financiering zullen overeenkomsten worden gesloten tussen Y en de bevoegde overheidsinstantie, zowel wat betreft de financiering van de investeringskosten als wat betreft de financiering van de werkingskosten.

## II. Vraagstelling

10\. Gelet op de argumentatie en motivering uiteengezet in de aanvraag om een voorafgaande beslissing, strekt deze aanvraag ertoe van de DVB de bevestiging te verkrijgen dat:

\- de kostendekkende toelagen die X zal ontvangen in het kader van de organisatie van een voorziening op de site van de zorginstelling, niet met btw te belasten want vrijgesteld zijn van btw op grond van artikel 44, §2, 1°, a) W.BTW en overeenkomstig de [circulaire AAFisc nr. 36/2012 (nr. E.T. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb), en dat;

\- de kostendekkende toelagen die X zal ontvangen in het kader van de organisatie van deze on site voorziening, niet belastbaar zijn in de rechtspersonenbelasting.

## III. Beslissing

Uit het door de DVB verrichte onderzoek blijkt wat volgt.

11\. De aanvraag voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 21 en 22 van de Wet van 24.12.2002 tot wijziging van de vennootschapsregeling inzake inkomstenbelastingen en tot instelling van een systeem van voorafgaande beslissingen in fiscale zaken.

### *III.A. BTW*

#### III.A.1. Toepasselijke principes

12\. Voor de diensten en nauw daarmee samenhangende handelingen die X tegen vergoeding verricht, geldt op grond van artikel 44, §2, 1°, a) W.BTW in het algemeen (i.e. met uitzondering van esthetische ingrepen en behandelingen) een vrijstelling van btw.

De ratio legis van de medisch-sociale vrijstellingen, i.e. zowel de medische vrijstelling voor artsen buiten een ziekenhuissetting van artikel 44, §1, 1° W.BTW, de vrijstelling voor ziekenhuisverpleging en medische verzorging van artikel 44, §2, 1°, a), eerste lid W.BTW als de vrijstelling voor maatschappelijke dienstverlening voor (erkende) instellingen van sociale aard van artikel 44, §2, 2° W.BTW, bestaat erin deze activiteiten van algemeen belang te bevoordeligen op btw-vlak en ze bijgevolg beter toegankelijk te maken voor particulieren (H.v.J. 06.11.2003, Dornier, [C-45/01](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-45-01-arrest), http://curia.europa.eu).

Vanuit eenzelfde doelstelling, namelijk het rationaliseren van de kosten van de medische verzorging alsook het garanderen van een kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg, zet de in België bevoegde overheid de laatste jaren steeds meer in op samenwerking tussen zorgactoren. Ook de betoelaging van de betreffende voorzieningen dient in dat kader te worden gezien. Door samenwerking tussen verschillende actoren met het oog op de organisatie van de voorziening worden (potentiële) patiënten begeleid naar de op dat moment meest gepaste zorgverstrekking wat enerzijds leidt tot een kostenrationalisatie en anderzijds een kwalitatief hoogstaande zorgverstrekking garandeert.

De btw-administratie had al kennisgenomen van deze tendens en heeft in de [circulaire AAFisc nr. 36/2012 (nr. E.T. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb) uiteengezet onder welke voorwaarden de samenwerking tussen zorginstellingen van btw is vrijgesteld (Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk II, Hoofdstuk 9, (1) 12-18 (121), Afdeling 6, punt 3).

In deze circulaire onderzoekt de btw-administratie in essentie of de handelingen die de zorginstellingen onderling aan elkaar verstrekken en tegen kostprijs aanrekenen onder de btw-vrijstellingen van artikel 44, §2, 1°, 44, §2, 2° en 44, §2, 4° W.BTW kunnen vallen. De btw-administratie eist dat de samenwerking steun vindt in een door de partijen opgestelde samenwerkingsovereenkomst en dat voor de gestelde handelingen een gedetailleerde factuur wordt uitgereikt, die onder meer dient te verwijzen naar de [circulaire nr. 36 van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb), het zorgprogramma of -traject alsook naar de specifieke samenwerkingsvorm in het kader waarvan de gefactureerde handeling wordt gesteld ([Circulaire AAFisc nr. 36/2012 (E.T. nr. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb), randnr. 17, www.fisconetplus.be).

Deze circulaire, die zich uitspreekt over de vrijstelling krachtens voornoemde wetsbepalingen, stelt in het algemeen dat een samenwerking van btw zal vrijgesteld zijn als de volgende drie voorwaarden gezamenlijk vervuld zijn:

\- eerste voorwaarde: de handeling wordt verricht door een in artikel 44, §2, 1° (zorginstellingen) of 44, §2, 2° (“erkende instelling van sociale aard”) W.BTW beoogde zorginstelling voor een andere door voornoemde wetsbepalingen beoogde zorginstelling (Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk II, Hoofdstuk 9, (1) 13 (121), Afdeling 6, punt 3, C., tweede alinea);

\- tweede voorwaarde: de handeling moet rechtstreeks betrekking hebben op een prestatie die tot doel heeft het stellen van een diagnose, behandeling, genezing, opvang, begeleiding of verzorging van een zorgbehoevende persoon. Het gaat met andere woorden om een handeling die noodzakelijk is voor de vrijgestelde “zorghandeling”. Concreet zal vereist zijn dat er sprake is van “zorgfinaliteit” (ibidem);

\- derde voorwaarde: het vrijstellen van de prestatie mag niet leiden tot concurrentieverstoring ten overstaan van een niet-vrijgestelde belastingplichtige (Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk II, Hoofdstuk 9, (1) 14 (121), Afdeling 6, punt 3, C., tweede alinea).

Bij de beoordeling of voldaan is aan deze voorwaarden onderscheidt de btw-administratie verschillende types van samenwerking. Voor de “overheidsgestuurde” samenwerkingen (waarbij de overheid ofwel (i) een specifiek juridisch geformaliseerd samenwerkingsverband heeft gecreëerd (type I), ofwel (ii) een zorgprogramma en -project heeft erkend of financiert (type II), ofwel (iii) een samenwerking heeft ‘voorzien’ zonder dat deze projecten of samenwerkingen het voorwerp uitmaken van een formele erkenning (type III)) gaat de btw-administratie ervan uit dat aan de hiervoor bedoelde tweede en derde voorwaarde is voldaan, zodat alle handelingen die door zorginstellingen binnen een dergelijk samenwerkingsverband worden verricht, de btw-vrijstelling genieten (Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk II, Hoofdstuk 9, (1) 14 (121), Afdeling 6, punt 3, D.).

#### III.A.2. Toepassing in casu

13\. In het kader van de organisatie van de voorziening in overeenstemming met de geldende reglementering zal X bepaalde middelen inzetten, waaronder lokalen, uitrusting en personeel. Daarvoor zal via de bevoegde overheidsinstantie een (kostendekkende) toelage worden ontvangen, die uitbetaald wordt aan Y. Deze toelage dekt bepaalde investerings- en exploitatiekosten verbonden aan de organisatie van de voorziening. Y verbindt zich ertoe om de financiering die zij ontvangt van de bevoegde overheidsinstantie onverwijld en op het eerste verzoek door te storten aan X en Y is niet gerechtigd op deze aan X toekomende financiering enige afhouding of inhouding te verrichten.

14\. Aldus verricht X tegen vergoeding diensten (bestaande in de terbeschikkingstelling van lokalen, uitrusting en personeel) ten voordele van Y.

15\. Deze dienstverlening is btw-belastbaar maar niet btw-belast want vrijgesteld van btw op grond van artikel 44, §2, 1°, a) W.BTW, aangezien in de gegeven omstandigheden voldaan is aan de vrijstellingsvoorwaarden gesteld in de [circulaire AAFisc nr. 36/2012 (nr. E.T. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb).

*Eerste voorwaarde*

Er is in de eerste plaats voldaan aan de eerste voorwaarde die de btw-administratie stelt inzake de personele werkingssfeer.

X baat met vrijstelling van btw een zorginstelling uit in de zin van artikel 44, §2, 1°, a) W.BTW. Y kwalificeert op haar beurt als een instelling van sociale aard in de zin van [artikel 44, §2, 2° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Hoewel een “formele erkenning” ontbreekt, moet worden vastgesteld dat (i) de voorziening wordt georganiseerd in overeenstemming met de geldende reglementering en dat (ii) de bevoegde overheidsinstantie zich al formeel akkoord heeft verklaard met de financiering van deze voorziening en deze aldus zal “erkennen”. Op basis van de administratieve beslissing van 25.07.2005 en de hiervoor aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie besluit de DVB dan ook dat Y zal kwalificeren als een “door de bevoegde overheid erkende instelling van sociale aard”. Vermits haar activiteiten zullen bestaan uit de opvang en verzorging van fysiek hulpbehoevende personen staat ook vast dat haar activiteiten nauw verband houden met maatschappelijk werk en sociale zekerheid (vgl. H.v.J. 10.09.2002, [C-141/00](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-141-00-arrest), Kügler; H.v.J. 15.11.2012, [C-174/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-174-11-arrest), Zimmermann).

Het gaat met andere woorden – in lijn met de voorwaarde gesteld door de btw-administratie – om handelingen die een in artikel 44, §2, 1°, a) W.BTW (zorginstellingen) beoogde instelling verricht voor een andere in artikel 44, §2, 2° W.BTW (“erkende instelling van sociale aard”) beoogde zorginstelling.

*Tweede en derde voorwaarde*

16\. Er is ook voldaan aan de tweede en de derde voorwaarde die in de [circulaire AAFisc nr. 36/2012 (nr. E.T. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb) worden gesteld.

De DVB stelt immers vast dat de bevoegde overheid niet alleen de samenwerking voorziet, maar ook specifiek tussenkomt in de kostprijs van de samenwerking, i.e. de organisatie van de voorziening.

Het is daarenboven te verwachten dat “het beleid” deze tendens tot samenwerking in het kader van de organisatie van een voorziening nog verder zal versterken en zal vereisen dat een voorziening “on site” aanwezig is op een zorginstellingscampus. De bevoegde overheid erkent met andere woorden dat de aanwezigheid van een voorziening op een zorginstellingscampus noodzakelijk is om een kwalitatief hoogstaande gezondheidszorg aan te bieden. Daarnaast past een dergelijk initiatief onmiskenbaar in een rationalisering van de kost van de gezondheidszorg in België, met name waar mogelijk middels de zgn. triage “duurdere” interventies van spoeddiensten vermijden.

Het gaat met andere woorden om een “overheidsgestuurde samenwerking” van het type II waarvan de btw-administratie in de [circulaire AAFisc nr. 36/2012 (nr. E.T. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb) stelt dat deze (i) enerzijds zorgfinaliteit vertoont en noodzakelijk is voor het verrichten van de vrijgestelde handeling, namelijk de medische verzorging van de mens (vgl. de onontbeerlijkheidsvoorwaarde gesteld in [artikel 134, a) van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-134) 2006/112/EG van 28.11.2006) (“tweede voorwaarde”), en (ii) anderzijds niet leidt tot concurrentieverstoring ten overstaan van een niet-vrijgestelde belastingplichtige (“derde voorwaarde”).

Wat deze derde voorwaarde betreft, wordt er ten overvloede door de aanvrager op gewezen dat X handelt binnen een door de overheid gecreëerd wettelijk kader, dat net vereist dat onder meer “vrijgestelde” zorginstellingen mee instaan voor de organisatie van een voorziening, waarbij de overheid in een louter kostendekkende financiering voorziet. Er is met andere woorden volgens de aanvrager geen sprake van een mogelijke concurrentieverstoring ten aanzien van een niet-vrijgestelde belastingplichtige (die een dergelijke samenwerking per definitie niet kan aangaan). Anders gesteld, de door X verrichte handelingen strekken er niet in hoofdzaak toe haar extra opbrengsten te verschaffen door de uitvoering van handelingen die worden verricht in rechtstreekse mededinging met aan btw onderworpen handelingen van commerciële ondernemingen (vgl. [artikel 134, b) van de btw-richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-134) 2006/112/EG van 28.11.2006).

17\. X verricht naar het oordeel van de DVB tegen vergoeding diensten ten behoeve van Y, maar deze diensten, die kaderen binnen een door de overheid opgelegde samenwerking in de zin van de [circulaire AAFisc nr. 36/2012 (E.T. nr. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb) en meer bepaald kwalificeren als een overheidsgestuurde samenwerkingsvorm type II ([Circulaire AAFisc nr. 36/2012 (E.T. nr. 123.129) van 27.11.2012](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/36-2012-aafisc-exoneration-obligation-declaration-secteur-f1cb), randnr. 3, www.fisconetplus.be; Btw-Commentaar, editie 01.07.2018, Boekwerk II, Hoofdstuk 9, (1) 13 a.i. (121), Afdeling 6, punt 3, A. b.), zijn van btw vrijgesteld als “nauw met de ziekenhuisverpleging en de medische verzorging samenhangende diensten en leveringen van goederen” in de zin van artikel 44, § 2, 1°, a) W.BTW.

### *III.B. Rechtspersonenbelasting*

#### III.B.1. Toepasselijke principes

18\. X is volgens de aanvrager onderworpen aan de rechtspersonenbelasting en behoort als dusdanig tot de zgn. “derde categorie” van belastingplichtigen (artikel 220, 3° WIB 1992).

Aldus is X slechts belastbaar op welbepaalde categorieën van inkomsten (zie met name de artikelen 221 tot en met 223 WIB 1992). In het licht van de aan de DVB voorgelegde vraagstelling zijn met name de artikelen 221, 2° WIB 1992 (“roerende inkomsten”) en 222, 2° WIB 1992 (“onroerende inkomsten”) relevant.

19\. Op grond van artikel 17 WIB 1992 zijn “roerende inkomsten” alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welke hoofde ook. Tot de roerende inkomsten behoren niet alleen dividenden en interesten, maar ook de “inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen” (artikel 17, §1, 3° WIB 1992). Opdat een belastingplichtige dergelijke inkomsten zou verkrijgen, is vereist dat (i) de belastingplichtige aan een andere persoon gebruiksrechten verleent op roerende goederen, zoals bijvoorbeeld het (exclusieve) recht om een bepaalde activiteit of beroepswerkzaamheid uit te oefenen die het tijdelijke monopolie op een exploitatie inhoudt, terwijl (ii) die persoon daarvoor een vergoeding betaalt.

20\. De “onroerende inkomsten” in de rechtspersonenbelasting viseren onder meer “het deel van het nettobedrag van de huurprijs en de huurvoordelen van in België gelegen onroerende goederen dat meer bedraagt dan het kadastraal inkomen van die goederen” (artikel 222, 2° WIB 1992). Opdat een belastingplichtige belastbare onroerende inkomsten zou verkrijgen, zal vereist zijn dat (i) een belastingplichtige aan een andere persoon een gebruiksrecht toekent op in België gelegen onroerende goederen, waarvoor (ii) die persoon een vergoeding (“huur”) betaalt.

#### III.B.2. Toepassing in casu

21\. Zoals al uiteengezet, zal X in het kader van de organisatie van de bedoelde on site voorziening bepaalde middelen inzetten, waaronder lokalen, uitrusting en personeel. Daarvoor zal vanwege de bevoegde overheidsinstantie een (kostendekkende) toelage ontvangen worden, die uitbetaald wordt via Y. Deze toelage heeft als doel het deel van de uitbatingskost van de on site voorziening, dat door X wordt gedragen, te financieren.

De tussenkomst van X in het kader van de organisatie van de on site voorziening bestaat er primair in een aangepast kader aan te bieden waarbinnen de zorgbehoevende patiënt van X de geëigende zorg kan ontvangen.

Aldus vertoont deze activiteit een grote analogie met de reguliere activiteit van X. Net als haar reguliere activiteit zijn de activiteiten die X ontplooit in het kader van de organisatie van de on site voorziening in essentie gericht op de opvang en verzorging van haar zorgbehoevende patiënten.

De toelagen die X aldus, via Y, van de bevoegde overheidsinstantie zal ontvangen, beogen louter het dekken van bepaalde kosten die X zal maken in het kader van de organisatie van de on site voorziening, waarvan de patiënt van X de primaire bestemmeling is.

Y beperkt zich ertoe het deel van de vanwege de bevoegde overheidsinstantie ontvangen toelagen dat betrekking heeft op de door X georganiseerde kostenposten, door te storten.

De toelage die X in het kader van de on site voorziening zal ontvangen, vormt dan ook een (doorstorting van een) werkingstoelage, die de kosten verbonden aan de organisatie van die activiteit, financiert. Bijgevolg kan deze toelage, wat de toepassing van de rechtspersonenbelasting betreft, gelijkgesteld worden met de andere subsidies en financiële tegemoetkomingen die de uitgebate zorginstelling ontvangt en die beogen de kosten te dekken die gepaard gaan met de organisatie van de zorgactiviteiten van de zorginstelling.

Net zomin als deze financieringsbronnen vormt de toelage die X van de bevoegde overheidsinstantie ontvangt (via Y) niet de vergoeding van enig tijdelijk monopolie, roerend of onroerend gebruiksrecht dat door X zou zijn toegekend.

22\. Daarenboven verstrekt X volgens de aanvrager geen roerend of onroerend gebruiksrecht aan Y, maar zet zij middelen in met het oog op de organisatie van de on site voorziening, die in essentie de adequate opvang en verzorging van zorgbehoevende patiënten van X beogen.

In ieder geval impliceert deze dienstverlening niet de toekenning van enig roerend of onroerend gebruiksrecht aan Y.

23\. Aangezien Y zich beperkt tot het doorstorten van de financiering die de bevoegde overheidsinstantie toekent en de aldus doorgestorte sommen niet dienen ter vergoeding van een tijdelijk monopolie of onroerend gebruiksrecht dat Y zou verkrijgen, vormen de kostendekkende toelagen die X zal ontvangen bijgevolg noch roerende, noch onroerende inkomsten, zodat deze niet (op die grond) belastbaar zijn in de rechtspersonenbelasting.

## Aangehaalde teksten

5

[btw-richtlijn 2006/112 art. 134](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-134) 2 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 1 voorkomen

[C-141/00, arrest van 10 september 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-141-00-arrest) 1 voorkomen

[C-174/11, arrest van 15 november 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-174-11-arrest) 1 voorkomen

[C-45/01, arrest van 6 november 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-45-01-arrest) 1 voorkomen
