Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, Belastingneutrale splitsing, Zakelijke overwegingen, Belastingfraude of -ontwijking · Voorafgaande beslissingen

Naar de tekst
Juriel

2018.0487 26 juni 2018

Zoeken

Inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, Belastingneutrale splitsing, Zakelijke overwegingen, Belastingfraude of -ontwijkingINKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Belastingneutrale splitsing - Zakelijke overwegingen - Belastingfraude of –ontwijking - Gestort kapitaal - Kapitaalvermindering - Roerende voorheffing - Dividend - REGISTRATIERECHTEN - Inbreng van een algemeenheid van goederen - BTW - Bedrijfsafdeling

https://juriel.be/nl/rulings/2018-0487-inkomstenbelasting-vennootschapsbelasting-belastingneutrale-splitsing-zakelijke-4220

Nummer
2018.0487
Datum
26 juni 2018

Over het document

Verzameling
Voorafgaande beslissingen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

83 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Voorafgaande beslissing nr. 2018.0487 d.d. 26.06.2018

INKOMSTENBELASTING

VENNOOTSCHAPSBELASTING · Belastingneutrale splitsing · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking · Gestort kapitaal · Kapitaalvermindering · Roerende voorheffing · Dividend

REGISTRATIERECHTEN · Inbreng van een algemeenheid van goederen

BTW · Bedrijfsafdeling

Samenvatting

De splitsing van BVBA B waarbij de onroerende goederen overgenomen worden door haar moedervennootschap, NV A en de rest door haar zustervennootschap, BVBA C teneinde de onroerende goederen te centraliseren bij NV A en de exploitatieactiviteit bij BVBA C, beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183bis, WIB 92 en kan belastingneutraal plaatsvinden in toepassing van artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92.

De geplande splitsing van een vennootschap door inbreng van de universaliteit van de goederen in twee bestaande vennootschappen valt onder het toepassingsgebied van artikel 117, § 1, federaal W.Reg.

De overdracht van de economische activiteit dient te gebeuren met toepassing van artikel 11 en artikel 18, § 3 W.Btw

Er is geen roerende voorheffing verschuldigd naar aanleiding van de voorgenomen kapitaalvermindering bij NV B, in toepassing van artikel 106, § 6, KB/WIB 92.

Het geheel van de voorgenomen verrichtingen, met name de splitsing van BVBA B, gevolgd door de verkoop door NV A van haar participaties in de BVBA C en de BVBA D aan de groepsvennootschap CVBA E, de kapitaalvermindering van NV A, de kapitaalverhoging bij de CVBA E door inbreng van een deel van de vorderingen van de aandeelhouders van de NV A n.a.v. de genoemde kapitaalvermindering en de schuldvergelijking tussen NV A en CVBA E, zijn verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92.

I. Voorwerp van de aanvraag

1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat:

1.1. de splitsing van BVBA B waarbij enerzijds het handelsfonds aan de BVBA C overgedragen zal worden en anderzijds het onroerend goed en de hiermee samenhangende schuld zal worden overgedragen aan de NV A, beantwoordt aan de voorwaarden gesteld voor een belastingvrije splitsing in artikel 211, § 1, vierde lid, WIB 92 en in het bijzonder wat betreft de voorwaarde dat de splitsing niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92;

1.2. artikel 117 W.Reg. van toepassing is en dat er geen registratiebelasting zal verschuldigd zijn in het kader van de splitsing;

1.3. de splitsing kan genieten van het vrijstellingsregime inzake BTW in toepassing van de artikelen 11 en 18, § 3, W.Btw;

1.4. de kapitaalvermindering die zal uitgevoerd worden bij de NV A een belastingvrij karakter heeft in hoofde van de aandeelhouders-vennootschappen;

1.5. het geheel van deze verrichtingen verantwoord is door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92.

II. Omschrijving van de verrichtingen door de aanvrager

2. De BVBA B, de BVBA C en de BVBA D zijn exploitatievennootschappen. De aandelen van de 3 vennootschappen zijn ondergebracht in de holding, NV A (1 aandeel van de BVBA B wordt aangehouden door de managementvennootschap van de heer P).

3. De aandelen van de NV A worden op haar beurt aangehouden door de managementvennootschappen van de heren P, Q, R en S. De NV A bezit bedrijfsmatig onroerend goed, dat verhuurd wordt aan derden. De BVBA B bezit eveneens een onroerend goed. Zowel de BVBA B als de BVBA D oefenen er hun activiteiten in uit.

4. Twee van de vier vennoten, de heren S en R wensen hun werkzaamheden af te bouwen, de heer S met onmiddellijke ingang, de heer R over een aantal jaar. Om de continuïteit van de activiteiten te verzekeren, wensen de aanvragers nieuwe vennoten aan te trekken. Wat dat betreft, hebben ze momenteel al heel concreet iemand op het oog, met name de heer T. Om zijn toetreding financieel haalbaar te maken, wensen de aanvragers een herstructurering van de groep door te voeren.

5. Hiertoe zal in eerste instantie een splitsing van de BVBA B doorgevoerd worden waarbij het onroerend goed en de gerelateerde schuld overgedragen wordt aan de NV A en het handelsfonds overgedragen wordt aan de BVBA C.

6. Vervolgens zullen de aandelen van de BVBA C en de BVBA D door de NV A verkocht worden aan de CVBA E. Voorafgaand aan de verkoop van de aandelen zal de NV A een kapitaalvermindering doorvoeren, die slechts gedeeltelijk onmiddellijk zal uitbetaald worden. Er zal een kapitaalverhoging doorgevoerd worden bij de CVBA E waarbij 3 van de 4 aandeelhouders van de NV A, met name de managementvennootschappen van de heren P, Q en R een deel van hun vordering op de NV A zullen inbrengen en de managementvennootschap van de heer T een inbreng in geld zal doen. Tenslotte zal er een schuldvergelijking plaatsvinden tussen de NV A en de CVBA E.

III. Beslissing

III.A. Betreffende de toepassing van de artikelen 183bis en 211, § 1, WIB 92

7. Door de splitsing van de BVBA B zal het onroerend goed gecentraliseerd worden in de NV A en de gelijkaardige exploitatie-activiteiten in de BVBA C. Vervolgens zullen dan de aandelen van de exploitatievennootschappen, BVBA C en BVBA D verkocht worden aan de nieuwe groepsvennootschap, CVBA E, waarvan niet alleen de heren P, Q en R via hun managementvennootschappen, opnieuw aandeelhouder zullen zijn, maar ook de heer T, via zijn managementvennootschap. De heer S zal geen aandelen meer bezitten in de nieuwe exploitatieholding gelet op het feit dat hij zijn activiteiten wil stopzetten.

8. De BVBA B is winstgevend en bezit geen overgedragen fiscaal aftrekbare bestanddelen (geen overgedragen verliezen, overgedragen aftrek voor risicokapitaal, overgedragen investeringsaftrek of DBI-overschotten).

9. De BVBA B beschikt over een vrijgestelde investeringsreserve. De NV A zal een deel van de reserve n.a.v. de splitsing opnieuw aanleggen. NV A heeft recent een onroerend goed verkocht; voor de taxatie van de meerwaarde die hierbij gerealiseerd werd, zal geopteerd worden voor de toepassing van artikel 47, WIB 92. De aanvragers hebben bevestigd dat NV A de n.a.v. de splitsing verkregen bestanddelen niet zal aanwenden als herbelegging in het kader van de gespreide taxatie voorzien in artikel 47, WIB 92.

10. De splitsing zal geen negatieve impact hebben op de tewerkstelling. Alle personeelsleden van de BVBA B zullen overgaan naar de BVBA C.

11. De splitsing zal doorgevoerd worden overeenkomstig artikel 213, WIB 92.

12. De aanvragers hebben bevestigd dat er thans geen intentie bestaat om de aandelen van de NV A te vervreemden.

13. Op basis van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de voorgenomen splitsing van BVBA B niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.

14. De aanvragers hebben bevestigd dat de splitsing conform de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen zal verlopen en dat de verkrijgende vennootschappen Belgische vennootschappen zijn.

15. Bijgevolg kan de voorgenomen splitsing van BVBA B plaatsvinden onder het belastingneutrale stelsel zoals bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

III.B. Betreffende de toepassing van artikel 117 W.Reg.

16. Overeenkomstig artikel 117, § 1, W.Reg. is het bij artikel 115 W.Reg. bepaalde recht niet verschuldigd in geval van inbreng van een universaliteit van goederen bij wijze van fusie, splitsing of anderszins, in één of meer nieuwe of bestaande vennootschappen.

17. Deze bepaling is evenwel slechts toepasselijk op voorwaarde dat:

- de vennootschap die de inbreng doet de zetel van haar werkelijke leiding of haar statutaire zetel heeft op het grondgebied van een Lidstaat van de Europese Gemeenschap;

- de inbreng uitsluitend vergoed wordt door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen, hetzij door toekenning van aandelen of deelbewijzen die maatschappelijke rechten vertegenwoordigen samen met een storting in contanten die het tiende van de nominale waarde van de toegekende maatschappelijke aandelen of deelbewijzen niet overschrijdt.

18. In casu zal de inbreng worden gedaan door de bestaande Belgische vennootschap, BVBA B. Alle vermogensbestanddelen van de BVBA B zullen bij de splitsing overgaan naar twee bestaande vennootschappen, met name de NV A en de BVBA C. De vergoeding voor deze inbreng zal louter bestaan uit een proportionele uitreiking van aandelen aan de huidige aandeelhouders van de BVBA B (behoudens voor de aandelen die de NV A zelf aanhoudt in de BVBA B voor het vermogen dat wordt overgedragen aan de NV A). Er wordt met andere woorden niet voorzien in een opleg in geld.

19. De splitsing van de BVBA B kan derhalve worden verricht onder het vrijstellingsregime voorzien in artikel 117, § 1, W.Reg.

20. De akte zal worden verleden voor het ambt van een in België gevestigd notaris.

III.C. Betreffende de toepassing van artikel 11 en 18, § 3, W.Btw

21. Overeenkomstig artikel 11, W.Btw wordt een overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, niet beschouwd als een levering van goederen wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten.

22. Artikel 18, § 3, W.Btw bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.

23. In casu zal de economische activiteit van de BVBA B worden overgedragen aan de BVBA C zodat voor btw-doeleinden er sprake is van de overdracht van een bedrijfsafdeling. Na de splitsing zal de activiteit van de BVBA B onmiddellijk worden verdergezet door de BVBA C.

24. Zowel de BVBA B als de BVBA C zijn btw-belastingplichtigen die de btw, indien ze ingevolge de overdracht verschuldigd zou zijn, zouden kunnen aftrekken.

25. De overdracht van de economische activiteit van de BVBA B aan de BVBA C dient derhalve te gebeuren met toepassing van artikel 11 en artikel 18, § 3, W.Btw

26. De DVB noteert dat er inzake de overdracht aan NV A geen vraag wordt gesteld inzake btw.

III.D. Betreffende de voorgenomen kapitaalvermindering

27. De huidige aandeelhouders van de NV A zijn de managementvennootschappen van de heren P, Q, R en S.

28. Ingevolge de verstrekte gegevens van de aanvragers zal er bij de NV A een kapitaalvermindering worden doorgevoerd. Van deze kapitaalvermindering zal een deel onmiddellijk uitbetaald worden, het overige deel betreft een schuldvordering van de managementvennootschappen op de NV A.

29. Overeenkomstig artikel 184, eerste lid, WIB 92 is het gestorte kapitaal, het statutaire kapitaal voor zover dat gevormd wordt door werkelijk gestorte inbrengen en voor zover er geen vermindering heeft plaatsgevonden.

30. Artikel 184, vijfde lid WIB 92, recent ingevoerd door artikel 16 van de wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting (1) van 25 december 2017, bepaalt dat “voor de toepassing van deze titel, wordt het bedrag van het in het eerste lid bedoelde gestorte kapitaal, van de uitgiftepremies en van de sommen waarop is ingeschreven ter gelegenheid van de uitgifte van winstbewijzen die overeenkomstig het tweede lid met kapitaal worden gelijkgesteld, geacht niet verminderd te zijn ten belope van de vermindering van het maatschappelijk kapitaal, van de uitgiftepremies of van de bovenvermelde sommen die ten gevolge van de toepassing van artikel 18, tweede tot vijfde lid, als dividenden op de belaste reserves en op de vrijgestelde reserves zijn aangerekend”.

31. Artikel 18, eerste lid, 2°, WIB 92, recent gewijzigd door artikel 4 van de wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting (1) van 25 december 2017 bepaalt dat de “gehele of gedeeltelijke terugbetalingen van maatschappelijk kapitaal, met uitzondering van het gedeelte van de terugbetaling dat overeenkomstig het tweede lid is aangerekend op het gestort kapitaal of op de in 2°bis bedoelde bedragen die met gestort kapitaal zijn gelijkgesteld, naar aanleiding van een terugbetaling van kapitaal verkregen ter uitvoering van een regelmatige beslissing tot vermindering van het maatschappelijk kapitaal, overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen of overeenkomstig bepalingen van het vennootschapsrecht van toepassing op de buitenlandse vennootschap” als dividenden dienen beschouwd te worden.

32. Artikel 106, § 6, KB/WIB 92 stelt tenslotte dat er van de inning van de roerende voorheffing volledig kan worden afgezien voor wat betreft dividenden waarvan de schuldenaar en de verkrijger binnenlandse vennootschappen zijn, op voorwaarde dat de moedervennootschap minimum 10% in het kapitaal bezit van de dochtervennootschap én dat die moedervennootschap deze minimumdeelneming gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar zal of heeft behouden.

33. Er zal een kapitaalvermindering plaatsvinden bij de NV A.

34. Voor zover het bedrag van de voorgenomen kapitaalvermindering kwalificeert als fiscaal gestort kapitaal in de zin van artikel 184, WIB 92 en dat ze zal plaatsvinden conform alle vennootschapsrechtelijke bepalingen, dient deze kapitaalvermindering verhoudingsgewijs voort te komen uit het gestort kapitaal/reserves zoals bepaald in artikel 18, tweede lid, WIB 92 en verder.

35. Bijgevolg zal deze kapitaalvermindering voor een deel aangerekend worden op de reserves van de NV A.

36. Overeenkomstig de toepassing van artikel 18, eerste lid, 2°, WIB 92 wordt het gedeelte van de kapitaalvermindering dat toegerekend wordt aan de reserves aanzien als een dividenduitkering.

37. Gelet op het feit dat in casu de dividenduitkering (in toepassing van artikel 18, tweede lid WIB 92 en verder) gebeurt tussen Belgische vennootschappen én de 4 managementvennootschappen gedurende reeds enkele jaren een minimumparticipatie van 10% behouden in de NV A, is er geen roerende voorheffing verschuldigd in toepassing van artikel 106, § 6, KB/WIB 92.

III.E. Betreffende de toepassing van artikel 344, § 1, WIB 92

38. Gelet op het feit dat 2 van de 4 aandeelhouders van de groep hun activiteiten wensen af te bouwen en naar aanleiding hiervan nieuwe vennoten wensen aan te trekken, zodat de continuïteit van de groep verzekerd is en gelet op het feit dat ze momenteel de toetreding van één welbepaalde nieuwe vennoot, met name de heer T wensen mogelijk te maken, zal er een herstructurering van de groep en een aantal verrichtingen plaatsvinden. Toetreden tot de NV A zou immers financieel niet haalbaar zijn. Tegelijk zal door de voorgenomen verrichtingen de tot nu opgebouwde waarde a.h.w. vastgeklikt worden in de NV A, waardoor alle aandeelhouders van de NV A hun recht op deze waarde, in verhouding tot hun aandeel in de NV A, kunnen vrijwaren.

39. Vooreerst zal er een splitsing van de BVBA B doorgevoerd worden waardoor het onroerend goed samengebracht wordt in de NV A en de gelijkaardige exploitatievennootschappen samengebracht worden in de BVBA C. Nadien zal de NV A haar participaties in de BVBA C en de BVBA D verkopen aan de pas opgerichte holding, CVBA E, zodat de NV A een patrimoniumvennootschap wordt en de CVBA E de nieuwe exploitatieholding, waarvan naast 3 van de 4 aandeelhouders van de NV A, met name de managementvennootschappen van de heren P, Q en R, ook de managementvennootschap van de heer T aandeelhouder zal zijn. De heer S zal via zijn managementvennootschap nog wel aandeelhouder blijven van de NV A, maar geen aandelen aanhouden in de CVBA E aangezien hij zijn activiteiten wil stop zetten. Binnen korte termijn zal ook de heer R zich uit de exploitatieholding terug trekken. Hij zal in dit verband een optie voor de aankoop van de helft van zijn aandelen (10%) geven aan de heer Q; de overige 10% zal kunnen overgenomen worden door bestaande of nieuwe vennoten.

40. De managementvennootschap van de heer T heeft bij de oprichting van de CVBA E een inbreng in geld gedaan in ruil voor 20% van de aandelen; bij de voorziene kapitaalverhoging zal hij nog eens een inbreng doen in geld doen waardoor hij zijn participatie van 20% in de CVBA E zal handhaven.

41. De NV A zal haar participaties aan de CVBA E verkopen. De CVBA E zal een deel van de prijs onmiddellijk betalen; waarvan het grootste deel gefinancierd wordt door een banklening. Voor het resterende bedrag zal de NV A een vordering hebben op de CVBA E (vendor loan).

42. Voorafgaand aan de verkoop van de participaties door de NV A zal de vennootschap een kapitaalvermindering doorvoeren. Een deel hiervan zal onmiddellijk terugbetaald worden; voor het resterende deel zullen de aandeelhouders-vennootschappen een vordering hebben op de NV A.

43. De kapitaalvermindering zal verhoudingsgewijs aangerekend worden op het gestort kapitaal en op de reserves overeenkomstig artikel 18, tweede lid, WIB 92 en volgende. De aandeelhouders van de NV A zijn bovendien vennootschappen.

44. De aandeelhouders-vennootschappen, met name de managementvennootschappen van de heren P, Q en R zullen een deel van de kapitaalvermindering herinvesteren in de CVBA E. Zo zullen ze een deel van hun vordering op de NV A n.a.v. de kapitaalvermindering, inbrengen in de CVBA E bij de voorziene kapitaalverhoging, waarbij ook de heer T via zijn managementvennootschap, een inbreng in speciën zal doen (zie randnr. 40).

45. Tenslotte zal er een schuldvergelijking plaatsvinden tussen de NV A en de CVBA E.

46. Gelet op het voorgaande is de DVB van mening dat het geheel van de voorgenomen rechtshandelingen door andere motieven is verantwoord dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, WIB 92.

47. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvrager werden vermeld. De DVB spreekt zich, ondanks de vermelding in de randnummer 12, in deze beslissing niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 344, § 1, WIB 92, …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing. De DVB spreekt zich evenmin uit over de in deze beslissing vermelde bedragen, inzonderheid betreffende de waardering van de participaties en andere activa.

48. Tot slot wordt de aandacht erop gevestigd dat de beslissing slechts geldig blijft voor zover de verrichtingen plaatsvinden binnen het jaar volgend op de datum van deze beslissing.