Fiche van de FOD Financiën
Voorafgaande beslissing nr. 2015.087 dd. 17.03.2015
Vennootschapsbelasting · Belastingneutrale partiële splitsing · Zakelijke overwegingen · Belastingfraude of –ontwijking
BTW · Overdracht van een bedrijfsafdeling
Samenvatting
De geplande partiële splitsing van de NV X naar twee bestaande groepsvennootschappen, NV Y en NV Z, die ertoe strekt om de activiteiten van de recent door de groep overgenomen NV X te integreren in de bestaande groepsstructuur teneinde synergieën te realiseren, heeft niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of –ontwijking in de zin van artikel 183bis, WIB 92. De boekhoudkundige retroactiviteit van de partiële splitsing kan op het vlak van de vennootschapsbelasting worden aanvaard. De door de aanvrager voorgestelde werkwijze voor de omdeling van de fiscale vermogensbestanddelen is conform het bepaalde in artikel 213, WIB 92.
De artikelen 11 en 18, § 3, W. BTW zijn van toepassing op de partiële splitsing van de NV X naar de NV Y, maar niet op de partiële splitsing van de NV X naar de NV Z.
I. Voorwerp van de aanvraag
1. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te krijgen dat :
1.1. de voorgenomen partiële splitsing van de NV X voldoet aan de voorwaarden van de artikelen 211, §1 en 183bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en niet als hoofddoel of één van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft zoals bedoeld in artikel 183bis WIB 92;
1.2. de voorgenomen retroactiviteit van de partiële splitsing per 1 januari 2015 voor de toepassing van de directe belastingen aanvaardbaar is;
1.3. de methode die voor de toewijzing van het eigen vermogen gehanteerd wordt, zoals in deze rulingaanvraag theoretisch beschreven, in overeenstemming is met artikel 213 WIB 92 en voor de Belgische belastingen aanvaardbaar is;
1.4. de voorgenomen partiële splitsing van de NV X waarbij de verkoopfuncties worden overgedragen aan de NV Y, kwalificeert als een niet-levering zoals bedoeld in de artikelen 11 en 18, §3 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (W.BTW) en bijgevolg zal plaatsvinden met toepassing van de fiscaal neutrale btw-regeling;
1.5. de voorgenomen partiële splitsing van de NV X waarbij de merken worden overgedragen aan de NV Z, aan de btw zal worden onderworpen volgens de algemene regels (geen toepassing van het ‘niet-levering’-beginsel in de zin van de artikelen 11 en 18, §3, W.BTW).
II. Omschrijving van de verrichting door de aanvrager
2. De vennootschappen P, Y en Z behoren tot een internationale groep. Recentelijk heeft deze groep de NV X overgenomen.
3. Na de overname van de NV X wil de groep nu de activiteiten van de NV X opnemen in de bestaande Belgische structuur. Meer specifiek beoogt de groep :
3.1. via een partiële splitsing de verkoopactiviteiten van de NV X te integreren in de NV Y; en
3.2. via een partiële splitsing alle bestaande merken van de NV X te integreren in de NV Z.
4. De NV Y zal in eerste instantie zijn personeelsbestand uitbreiden met de verkoopmedewerkers die vóór de partiële splitsing op de payroll van de NV X stonden door de arbeidsovereenkomst die zij met de NV X afgesloten hebben, over te nemen. De activa en passiva die op deze verkoopactiviteiten betrekking hebben, zullen eveneens deel uitmaken van de partiële splitsing. Het betrokken personeel zal instaan voor de verkoopactiviteiten op de markt.
5. Het personeel dat momenteel belast is met de merken van de NV X zal niet door de NV Z worden overgenomen. Zoals voor de bestaande merken binnen de NV Z het geval is, zullen de beheer- en ondersteunende taken tot de verantwoordelijkheden behoren van de Raad van Bestuur van de NV Z.
6. Doordat de NV Z alle bestaande X-merken in portefeuille zal krijgen, is het te verwachten dat de royaltyinkomsten voor de NV Z zullen toenemen.
7. De productieactiviteiten van de NV X zouden nog binnen de NV X gehouden worden, gezien de afspraken die gemaakt werden met de vroegere aandeelhouders.
III. Motivering door de aanvrager
III.A. Betreffende de vennootschapsbelasting
III.A.1. Toepassing van artikel 211, §1, WIB 92
8. De fiscaal neutrale regeling waarin artikel 211 WIB 92 voorziet is van toepassing indien de volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn :
8.1. De overnemende entiteit is een Belgische of intra-Europese vennootschap;
8.2. De verrichting wordt verwezenlijkt in overeenstemming met de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en de analoge vennootschapsrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn in de andere EU-lidstaat;
8.3. De verrichting is in overeenstemming met de bepalingen van artikel 183bis WIB 92, dat bepaalt dat de voorgenomen partiële splitsing niet als hoofddoel of een van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking mag hebben.
9. In het voorliggende geval kan er bevestigd worden dat voldaan zal zijn aan de eerste en de tweede voorwaarde omdat alle betrokken entiteiten Belgische vennootschappen zijn en omdat de partiële splitsing uitgevoerd zal worden in overeenstemming met de relevante bepalingen van het Wetboek van vennootschappen.
10. De voorgenomen partiële splitsing beantwoordt eveneens aan economische behoeften, zoals bedoeld in de artikelen 183bis en 211, §1, 4e lid, 3°, WIB 92.
11. De beschreven partiële splitsing dient te worden beoordeeld in het licht van de voorafgaande overname van de NV X door de groep. De groep heeft die overname namelijk gedaan als verlengstuk voor de bestaande bedrijfsactiviteiten – niet als een portefeuillebelegging. Het is m.a.w. een overname van uitgesproken operationele aard gelet op het streven naar een groter marktaandeel.
12. Aangezien de activiteiten van de NV X nauw aansluiten bij de activiteiten die de groep in België reeds uitoefent, heeft de groep de onmiskenbare wens om de activiteiten van de NV X te integreren in de bestaande structuur in overeenstemming met het beleid dat wereldwijd gevoerd wordt/de courante manier van werken binnen de groep. Zodoende hoopt de groep synergievoordelen effectief te kunnen benutten en de lokale processen en beleidslijnen alsook de in België gevoerde operationele activiteiten te kunnen aligneren.
13. Het is binnen de groep inderdaad gebruikelijk dat nieuw overgenomen bedrijven/activiteiten in de bestaande groepsstructuur worden geïntegreerd teneinde de vennootschapsrechtelijke structuur zoveel mogelijk in overeenstemming te brengen met de operationele structuur en teneinde voor zoveel mogelijk transparantie te zorgen en te vermijden dat de groepsstructuur nodeloos complex wordt. In het verleden werd deze strategie in België reeds meermaals toegepast.
14. Ook in andere landen waar de groep actief is, is het de gewoonte nieuw overgenomen bedrijven te integreren in bestaande groepsentiteiten.
15. Het hoofddoel van de verrichting bestaat erin de activiteiten van de onlangs overgenomen NV X te integreren in de bestaande Belgische structuur. Dat zal bevorderlijk zijn voor de alignering van de operationele activiteiten van de NV X en de operationele activiteiten van de groep teneinde te verzekeren dat de X-business op korte/middellange termijn, samen met de bestaande business, zowel intern als extern zal worden gezien als één geheel.
16. De verrichting zal de groep namelijk in staat stellen om de verkoopactiviteiten en merken van de NV X te integreren in de reeds bestaande Belgische structuur met respectievelijk de NV Y (de bestaande Belgische verkoopentiteit van de groep) en de NV Z (de bestaande Belgische merkenvennootschap van de groep). Zodoende zal de groep kunnen komen tot een duidelijke, gestroomlijnde en rationele verdeling van de functies die vervuld worden door de Belgische entiteiten, waarbij :
16.1. de NV Y zou instaan voor alle verkoopactiviteiten, wat het specifieke voordeel oplevert dat klanten consequent op één en dezelfde manier zullen worden benaderd;
16.2. de NV Z eigenaar zou zijn van het merendeel van de Belgische merken, wat het merkenbeheer ten goede komt (één geïntegreerde merkenportefeuille) en wat de royaltystromen in de toekomst zou beperken tot royaltybetalingen aan één enkele entiteit; en
16.3. de NV P en de NV X zouden instaan voor het merendeel van de productieactiviteiten. De productieactiviteiten van de NV X zullen nu niet worden geïntegreerd in de NV P, gezien de afspraken die gemaakt zijn met de vroegere aandeelhouders. Waarschijnlijk zal de groep deze optie op een later tijdstip echter wel in overweging nemen (bv. een fusie tussen de NV X en de NV P).
17. Doordat de verschillende activiteiten worden gecentraliseerd, zou elke groepsentiteit bovendien gebruik kunnen maken van de aanwezige competenties en verworven ervaring, en dat op korte termijn maar ook later en doorlopend. Hierdoor zouden de kosten naar beneden gaan en zouden de synergievoordelen die deze overname inhoudt maximaal kunnen worden benut :
17.1. lagere administratieve kosten door optimalisering van het voorraadbeheer en de opslagfaciliteiten;
17.2. lagere vervoerkosten door groepering van leveringen;
17.3. minder facturatiestromen;
17.4. minder andere operationele kosten door benutting van schaalvoordelen;
18. De verrichting past in het kader van het beleid dat de groep toepast om zijn groepsstructuur zo eenvoudig mogelijk te houden en zoveel mogelijk aan te passen aan de operationele functionaliteit.
19. Er wordt niet verwacht dat de verrichting als zodanig een fiscale impact op groepsniveau zal hebben. Alle hierboven vermelde entiteiten zijn, individueel beschouwd, winstgevend en geen van de betrokken entiteiten beschikt over overdraagbare actieve fiscale latenties.
20. Hoewel de overdracht van het eigen vermogen een invloed zal hebben op de grondslag voor de notionele interestaftrek van de ontvangende entiteiten (aangezien de NV X het equivalent van notionele interestaftrek dat de andere entiteiten winnen verliest), zal de verrichting op groepsniveau geen voordeel doen ontstaan in termen van notionele interestaftrek.
III.A.2. Algemene antimisbruikregel
21. De groep vraagt geen beslissing over de toepassing van de algemene antimisbruikbepaling van artikel 344, §1, WIB 92 omdat de specifieke antimisbruikmaatregel die in artikel 183bis WIB 92 opgenomen is in het voorliggende geval toepasselijk is en voorrang heeft op artikel 344, §1, WIB 92 (“lex specialis derogat legi generali”).
22. De groep bevestigt dat ze op dit moment niet van plan is om de aandelen in de NV X, de NV Y of de NV Z in de toekomst te verkopen.
III.A.3. Retroactiviteit van de partiële splitsing voor fiscale en boek-houdkundige doeleinden
23. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen heeft zulk een retroactiviteit voor boekhoudkundige doeleinden bevestigd: in haar adviezen nrs. 2009/6 en 2012/11 stelt ze ter zake dat, op basis van het principe van de boekhoudkundige continuïteit, een fusie, splitsing of partiële splitsing ertoe leidt dat de activa en passiva van de overgenomen vennootschap in de boekhouding van de overnemende vennootschap worden opgenomen tegen de waarde waartegen zij in de boekhouding voorkwamen op het tijdstip waarop de verrichting werd voltrokken.
24. Op basis van de Administratieve Commentaren bij het Wetboek van de Inkomstenbelastingen zal de belastingadministratie in principe de fiscale en boekhoudkundige gevolgen van het retroactiviteitsbeding erkennen indien de volgende voorwaarden vervuld zijn :
24.1. de periode waarvoor het retroactiviteitsbeding aangenomen is, mag niet langer zijn dan wat redelijkerwijze als een korte periode beschouwd kan worden (de Commentaren spreken hier van 7 maanden);
24.2. het retroactiviteitsbeding moet met de werkelijkheid overeenstemmen;
24.3. het retroactiviteitsbeding mag niet gericht zijn op het ontwijken van belastingen (het mag m.a.w. geen aanleiding geven tot een bijkomend belastingvoordeel).
25. In het voorliggende geval wordt een retroactiviteitsperiode van minder dan 7 maanden beoogd.
26. Er werd aangetoond dat de retroactiviteitsperiode ook geen belastingvoordeel zal opleveren aangezien (i) de betrokken entiteiten, individueel beschouwd, winstgevend zijn en (ii) de belastbare basis van de drie entiteiten, globaal beschouwd, niet zal wijzigen als gevolg van de partiële splitsing.
III.A.4. Toewijzing van het eigen vermogen aan de NV Y en de NV Z
27. Hierbij wordt de beschrijving van de allocatiemethode bezorgd evenals een eerste indicatieve berekening. De bedoeling is van de DVB bevestiging te verkrijgen dat de toegepaste methodologie in theorie overeenstemt met het bepaalde in artikel 213 WIB 92 en bijgevolg voor Belgische belastingdoeleinden wordt aanvaard.
28. Er wordt geen bevestiging gevraagd aangaande de bedragen van de netto fiscale waarde of de eigenvermogensopsplitsing in concreto op het moment van de partiële splitsing, aangezien deze zal afhangen van de toekomstige cijfers die op dit moment nog niet beschikbaar zijn.
29. Op basis van het vak I.A van de vennootschapsbelastingaangifte van de NV X had de NV X geen belastbare reserves die niet tot uitdrukking komen in de conform BE GAAP opgestelde jaarrekening.
30. Bovendien blijkt uit het vak I.B dat de NV X beschikt over overige belastingvrije reserves die ook opgenomen zijn in de conform BE GAAP opgestelde jaarrekening. Rekening houdend met het feit dat (i) dit een oude reserve betreft die minstens dateert van vóór het jaar 1983, (ii) de oorsprong van deze reserve niet kan worden achterhaald en (iii) het bedrag niet bepaald groot is, werd deze reserve beschouwd als zijnde een onderdeel van de netto fiscale waarde van de NV X. Gelet op het feit dat de oorsprong ongekend is, zal deze reserve daarom in overeenstemming met artikel 213 WIB 92 op pro rata basis worden verdeeld tussen de NV X, de NV Y en de NV Z.
31. In afwezigheid van specifieke afwijkingen voor fiscale doeleinden (zie vak I.A en vak I.B van de vennootschapsbelastingaangifte van de NV X) is de netto fiscale waarde van de verschillende activiteiten gelijk aan hun netto, conform BE GAAP berekende, boekwaarde (d.i. het volgens BE GAAP bepaalde eigen vermogen dat aan de drie activiteiten dient te worden toegewezen).
III.B. Betreffende de BTW
III.B.1. Algemeen
32. Op basis van artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering van een goed beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, §3 W.BTW bevat hetzelfde principe voor diensten.
33. Deze artikelen dienen te worden beschouwd als de omzetting, in het Belgische Wetboek van de BTW, van artikelen 19 en 29 van Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.
34. Het doel van artikelen 19 en 29 van Richtlijn 2006/112/EG bestaat erin Lidstaten de mogelijkheid te geven de overdracht van bedrijven of bedrijfstakken vlot te laten verlopen door die overdracht te vereenvoudigen en door te vermijden dat de overnemer geconfronteerd wordt met een overdreven hoge fiscale druk wat betreft de voorbelasting (btw), die hij achteraf toch zou kunnen terugvorderen.
35. In een zaak van 27 november 2003 – zaak C-497/01, Zita Modes Sàrl tegen Administration de l’enregistrement et des domaines – heeft het Europees Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” zo moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, maar niet de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten. Bij een dergelijke overdracht moet de verkrijger immers de bedoeling hebben om de overgedragen handelszaak of het overgedragen bedrijfsonderdeel te exploiteren, en niet om de betrokken activiteit onmiddellijk zonder meer te vereffenen en in voorkomend geval de voorraden te verkopen.
36. Het Europees Hof van Justitie eist niet dat alle elementen die een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen, worden overgedragen. Om de toepassing toe te laten van het bijzonder ‘niet-levering’-beginsel waarin in artikelen 11 en 18, §3 W.BTW voorzien is, volstaat het dat de (lichamelijke of onlichamelijke) overgedragen elementen de overnemer de mogelijkheid geven om een onafhankelijke economische activiteit te voeren.
37. De feitelijke omstandigheden die de verrichting kenmerken en vooral de aard van de economische activiteit moeten ten volle in aanmerking worden genomen wanneer men wil bepalen of de verrichting kwalificeert als een overdracht van een handelszaak of een bedrijfsonderdeel (zie in dit verband zaak C-444/10, Finanzamt Lüdenscheid tegen Christel Schriever, van 10 november 2011).
III.B.2. Partiële splitsing naar de NV Y
38. De NV Y zal de verkoopactiviteiten van de NV X overnemen en voortzetten. De belangrijkste component van de verkoopactiviteiten is het personeel. De voltijdse werknemers die bij de NV X belast zijn met verkoop en die op het moment van de partiële splitsing nog op de loonlijst van de NV X staan, zullen deel uitmaken van de partiële splitsing. Die personeelsleden zullen relevante markt-gerelateerde expertise en knowhow meebrengen en zullen een aanzienlijke versterking betekenen voor het personeelsbestand van de NV Y waarin ze geïntegreerd zullen worden.
39. De activa die met de verkoopactiviteiten verband houden, zullen eveneens (samen met het cliënteel) in de partiële splitsing worden opgenomen.
40. Uit het voorgaande volgt dat de partiële splitsing naar de NV Y de overdracht omvat van een samenhangend geheel van activa, waaronder personeel, waarmee een economische (verkoop)activiteit zoals bedoeld in de artikelen 11 en 18, §3, W.BTW kan worden uitgeoefend. Ze omvat zowel lichamelijke als onlichamelijke zaken die samen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend.
41. Mocht er over de partiële splitsing btw verschuldigd (geweest) zijn, dan zou de NV Y gerechtigd (geweest) zijn om de desbetreffende voorbelasting in haar geheel terug te vorderen.
42. Artikelen 11 en 18, §3, W.BTW zijn (onder meer) bedoeld om te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan, nu hij deze belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de voorbelasting.
III.B.3. Partiële splitsing naar de NV Z
43. De NV Z is – en fungeert al jarenlang als – een merkenvennootschap. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de X-merken eveneens in de NV Z worden geïntegreerd. Na de partiële splitsing wordt verwacht dat de NV Z zijn inkomsten uit royalty’s zal zien toenemen.
44. Voor de beheer- en ondersteunende taken, de marketing en de registratieverplichtingen die gepaard gaan met de X-merken heeft de NV Z geen behoefte aan bijkomend personeel dat van de NV X zou overkomen. De NV Z is namelijk reeds zo georganiseerd dat het de (weldra versterkte) merken-gerelateerde activiteiten onafhankelijk uitoefent en dat ook zal kunnen blijven doen. De exploitatie, in ruil voor een vergoeding, van immateriële activa, zoals merken, is een economische activiteit in de zin van de artikelen 4 en 18 W.BTW.
45. De overdracht van de X-merken aan de NV Z zal aan de btw worden onderworpen volgens de algemene regels (geen toepassing van het ‘niet-levering’-beginsel). Uit hoofde van haar merken-gerelateerde activiteiten zal de vennootschap de desbetreffende voorbelasting in haar geheel kunnen recupereren.
IV. Beslissing
IV.A. Betreffende de vennootschapsbelasting
IV.A.1. Toepassing van artikel 211, §1, WIB 92
46. Een internationale groep heeft recentelijk de NV X overgenomen.
47. De groep wenst thans de activiteiten van de NV X die nauw aansluiten bij de bestaande bedrijfsactiviteiten van de groep, te integreren in de bestaande Belgische structuur waarbij de productie (NV P), de verkoopactiviteiten (NV Y) en de eigendom van de merken (NV Z) in afzonderlijke vennootschappen zijn ondergebracht.
48. Deze integratie zal gebeuren door middel van een partiële splitsing van de NV X waarbij de verkoopactiviteiten zullen worden afgesplitst naar de NV Y, die de verkoopfunctie van de groep vervult, en waarbij alle bestaande merken van de NV X zullen worden afgesplitst naar de NV Z, die voor de groep het merendeel van de merken bezit. De productieactiviteit blijft behouden binnen de NV X wegens bepaalde contractuele bepalingen in de verkoopovereenkomst die werd gesloten met de vroegere aandeelhouders van de NV X.
49. De NV X stelt personeel tewerk. Samen met de verkoopactiviteiten zullen personeelsleden overgedragen en geïntegreerd worden binnen de NV Y. Naar de NV Z zal er geen personeel overgaan.
50. Met de partiële splitsing van de NV X wenst de groep synergievoordelen te kunnen benutten en de lokale processen, beleidslijnen en operationele activiteiten te kunnen aligneren.
51. Gelijkaardige integratie-oefeningen hebben in het verleden reeds plaatsgevonden voor Belgische vennootschappen die door de groep werden overgenomen.
52. De partiële splitsing brengt geen voordeel met zich mee op het vlak van de aftrek voor risicokapitaal zoals bedoeld in artikel 205bis WIB 92.
53. Zowel de partieel te splitsen vennootschap als de verkrijgende vennootschappen zijn winstgevend en hebben een belastbare basis. Geen van de betrokken vennootschappen beschikken over overgedragen fiscale verliezen, overgedragen investeringsaftrek, overgedragen DBI-overschotten of overgedragen aftrek voor risicokapitaal.
54. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen kan worden aangenomen dat de geplande partiële splitsing van de NV X niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183bis, WIB 92.
55. De verkrijgende vennootschappen zijn binnenlandse vennootschappen.
56. De aanvrager heeft verklaard dat de geplande verrichting zal plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen.
57. Derhalve kan worden besloten dat aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 211, §1, 4° lid, WIB 92 is voldaan, zodat de geplande partiële splitsing kan worden verricht onder het belastingneutraal regime zoals bedoeld in artikel 211, §1, WIB 92.
IV.A.2. Boekhoudkundige retroactiviteit
58. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag, inzonderheid t.a.v. vermeld retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule :
58.1. met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband wordt opgemerkt dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maand in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;
58.2. en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.
59. De aanvrager heeft bevestigd dat de normale termijn van zeven maanden niet zal worden overschreden.
60. De aanvrager heeft bevestigd dat de bij de partiële splitsing betrokken vennootschappen allen winstgevend zijn en niet over fiscaal overdraagbare verliezen beschikken zodat kan worden gesteld dat deze boekhoudkundige retroactiviteitsclausule een correcte toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat en dat deze op fiscaal vlak kan worden aanvaard.
IV.A.3. Toepassing van artikel 213 WIB 92
61. Ingeval van een (partiële) splitsing in toepassing van artikel 211, § 1, WIB 92 worden de verkrijgende vennootschappen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 213, WIB 92, bij het bepalen van het gestorte kapitaal en van de voorheen gereserveerde winst die ingeval van (partiële) splitsing bij elk van de overnemende of verkrijgende vennootschappen in aanmerking worden genomen, geacht het gestorte kapitaal, de belaste reserves en de vrijgestelde reserves van de (partieel) gesplitste vennootschap evenredig met de fiscale nettowaarde van de door deze laatste aan elk van hen gedane inbreng te hebben overgenomen of verkregen. Dit houdt in dat de drie componenten van het fiscaal eigen vermogen (gestort kapitaal, belaste reserves en vrijgestelde reserves) elk afzonderlijk moeten worden verdeeld in verhouding tot het gedeelte van de fiscale nettowaarden dat aan elk van de vennootschappen wordt toebedeeld (zie ook arrest van het Hof van Beroep te Gent van 1 maart 2011 inzake Villa 2000 CVA).
62. De door de aanvrager voorgestelde werkwijze voor de omdeling van de fiscale vermogensbestanddelen is conform het bepaalde in artikel 213, WIB 92.
IV.B. Betreffende de BTW
IV.B.1. Algemeen
63. Overeenkomstig artikel 11 W.BTW wordt niet als een levering beschouwd, de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten. Artikel 18, § 3, W.BTW bevat hetzelfde principe met betrekking tot diensten.
64. Deze artikelen zijn de omzetting in het Belgisch Btw-Wetboek van de artikelen 19 en 29 van de Richtlijn 2006/112/EG.
65. In haar arrest van 27 november 2003 (zaak C-497/01, Zita Modes Sarl vs. Administration de l’enregistrement en des domaines) heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat het begrip “overgang van het geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen onder bezwarende titel, om niet of in de vorm van een inbreng in een vennootschap” aldus moet worden uitgelegd dat daaronder valt de overdracht van een handelszaak of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend, en dat daaronder niet valt de verkoop van goederen zonder meer, zoals de verkoop van een voorraad producten.”
IV.B.2. Partiële splitsing van NV X naar NV Y
66. De verkoopactiviteiten worden overgedragen van de NV X naar de NV Y.
67. Uit de splitsingsbalans en de door de aanvrager verstrekte beschrijving blijkt dat de overdracht bestaat uit meubilair en rollend materieel, voorraden, handelsvorderingen, cash en cliënteel, alsook uit het personeel dat zich bezig houdt met de verkoop.
68. Uit de inlichtingen van de aanvrager blijkt dat de overnemer gezien haar activiteit minstens een gedeeltelijk recht op aftrek zou hebben, mocht de btw verschuldigd zijn over de overdracht.
69. Artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW zijn bijgevolg van toepassing op de partiële splitsing van de NV X naar de NV Y.
IV.B.3. Partiële splitsing van NV X naar NV Z
70. De enkele overdracht van de binnen de NV X bestaande merken in het kader van een partiële splitsing van de NV X naar de NV Z, kan niet worden beschouwd als een geheel van lichamelijke en onlichamelijke zaken die tezamen een autonoom bedrijfsonderdeel vormen in de zin van de artikelen 11 en 18, § 3, W.BTW. De overdracht is aan de btw onderworpen volgens de algemene regels.
*
* *
71. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvrager vermeld werden. De DVB spreekt zich in deze beslissing, ondanks de vermelding onder randnummer 22, niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183bis of artikel 344,§1, WIB 92, artikel 18, §2, W.Reg., …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing zoals de eventuele toekomstige overdracht van de aandelen van de NV X, NV Y of NV Z.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.