---
title: "Voorafgaande beslissing 2015.042 · Tarief, Verblijfsinrichtingen voor bejaarden"
description: "Tarief, Verblijfsinrichtingen voor bejaarden. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2015.042 van 10 maart 2015."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2015-042-tarief-verblijfsinrichtingen-bejaarden-rubriek-xxxviii-a33e"
lang: "nl"
---

# Tarief, Verblijfsinrichtingen voor bejaarden · Btw - Tarief - Verblijfsinrichtingen voor bejaarden - Rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20.07.1970

**Nummer**

2015.042

**Datum**

10 maart 2015

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

118 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

**Voorafgaande beslissing nr. 2015.042 dd. 10.03.2015**

*Btw* · *Tarief* · *Verblijfsinrichtingen voor bejaarden* · *Rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20.07.1970*

## Samenvatting

X zal een uitbreidingsnieuwbouw met assistentiewoningen realiseren dat deel zal uitmaken van de site van het bestaande woonzorgcentrum Y. Het oude gedeelte blijft betekenisvol ten aanzien van het nieuwe gedeelte, dat niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren en dat het er een coherent en complementair geheel mee vormt.

Het verlaagd tarief van 6% zoals bedoeld in rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 dd. 20 juli 1970 is van toepassing op in de §§1 en 3 van die rubriek bedoelde handelingen, vanzelfsprekend met uitzondering van de in § 4 van die rubriek vermelde handelingen, die betrekking hebben op de oprichting (ter uitbreiding van het bestaande woonzorgcentrum) van het nieuwe gedeelte met assistentiewoningen, met uitsluiting van de gedeelten die niet behoren tot de verblijfsinrichting voor bejaarden, en dit voor zover :

• het voorgelegde project wordt erkend door de bevoegde overheid als een groep van assistentiewoningen. In afwachting van de erkenning en onder voorbehoud van een gebeurlijke herziening (bijvoorbeeld wanneer de aangevraagde erkenning als groep van assistentiewoningen definitief zou worden geweigerd) gebeurt de heffing van de btw aan het tarief van 6% op basis van de door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid afgeleverde voorlopige vergunning;

• er wordt voldaan aan de voorwaarde van §1, 5° van voormelde Rubriek XXXVIII.

## I. Voorwerp van de aanvraag

1\. Dit verzoek tot het verkrijgen van een voorafgaande beslissing heeft betrekking op de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% voor de oprichting van een uitbreidingsnieuwbouw van assistentiewoningen.

2\. Meer bepaald heeft de aanvraag betrekking op rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.

## II. Omschrijving van de voorgenomen verrichting

3\. Het woon- en zorgcentrum Y is een voorziening met woonzorgcentrum, een dagverzorgingscentrum en een centrum voor kortverblijf en wordt uitgebaat door X.

4\. Door de toenemende vraag naar kwalitatieve accommodatie aangepast aan de zorgbehoeften van ouderen, heeft het bestuur beslist om op de site Y over te gaan tot een uitbreidingsnieuwbouw. De uitbreidingsnieuwbouw omvat de bouw van nieuwe assistentiewoningen waarbij wordt voorzien in een aangepaste, beschermende huisvesting, met mogelijkheid tot individuele hulp- en dienstverlening en voorzien van een permanent oproepsysteem.

5\. Enkele ruimten zullen geen deel uitmaken van de verblijfsinrichting voor bejaarden.

6\. Er wordt voorzien in een gemeenschappelijke toegangsweg zowel voor de assistentiewoningen als voor het woonzorgcentrum. Het aan te leggen plein met betrekking tot de toegang is een integrerend element voor het woonzorgcentrum en de op te richten assistentiewoningen en zal door bewoners van zowel de assistentiewoningen als het woonzorgcentrum gebruikt worden als rust- en buitenruimte.

7\. De huidige parking van het woonzorgcentrum zal eveneens fungeren als parking voor de assistentiewoningen. Er zullen wel een aantal extra te creëren parkeerplaatsen worden voorbehouden voor de bewoners van de assistentiewoningen gelet op de zelfstandigheid die de bewoners van assistentiewoningen nog hebben en vaak nog een eigen wagen ter beschikking hebben.

8\. De oppervlakte van de uitbreiding van het woon- en zorgcentrum bedraagt ongeveer 28% van de oppervlakte van het huidige woon- en zorgcentrum. De uitbreidingsnieuwbouw (hierna genoemd het nieuwe gedeelte) zal fysiek niet verbonden zijn met het huidige woon- en zorgcentrum (hierna genoemd het oude gedeelte), maar de vergroting zal niet onafhankelijk van het oude gedeelte kunnen functioneren. Het nieuwe gedeelte zal daarentegen het oude gedeelte aanvullen en één geheel vormen met het bestaande complex.

9\. Het nieuwe gedeelte wordt opgericht op dezelfde site als het oude gedeelte. In casu betreft het gronden waarop X een recht van erfpacht bezit. Op beide gronden staat momenteel ook het oude gedeelte. Er is dus duidelijk sprake van een incorporatie op beide gronden zodat het project één geheel uitmaakt. Slechts een klein aangrenzend perceel zal bijkomend in erfpacht worden gegeven welk zowel dienstig zal zijn voor het oude als het nieuwe gedeelte. Er wordt benadrukt te dat X het recht van erfpacht niet zal wederoverdragen aan derde partijen. Het recht van erfpacht met betrekking tot voornoemde kadastrale percelen zal verenigd blijven in de hand van X.

10\. Het nieuwe gedeelte zal zich op gemiddeld 10 m afstand van het oude gedeelte bevinden. Indien de assistentiewoningen zouden worden gebouwd door een andere uitbater of eigenaar, op dezelfde gronden, dan zou de afstand tot de perceelgrenzen in acht moeten worden genomen wat zou resulteren in een totale afstand van ongeveer 20 m tussen de gebouwen.

11\. Uit deze stedenbouwkundige tolerantie blijkt duidelijk dat X de bouwheer is van het nieuwe en oude gedeelte.

12\. Gezien de korte afstand tussen de gebouwen dient het oude en het nieuwe gedeelte te worden beschouwd als één geheel. Het oude en nieuwe gedeelte vormen dus een ruimtelijk geheel enkel gescheiden door een gemeenschappelijke brandweg. Deze gemeenschappelijke brandweg is verplicht overeenkomstig de wetgeving inzake brandveiligheid en zal dienstig zijn voor zowel het nieuwe gedeelte als het oude gedeelte.

13\. Voorts is het nieuwe gedeelte direct toegankelijk via het oude gedeelte. Op deze manier kan de zorgverstrekking vanuit het oude gedeelte gegarandeerd worden aan de bewoners van het nieuwe gedeelte. De nog aan te leggen wegenis dragen hier optimaal toe bij.

14\. De voorziening en de uitbating zal strikt conform zijn met Bijlage XVI van het Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juli 2009 betreffende de programmatie, erkenningsvoorwaarden en subsidieregels voor woonzorgvoorzieningen en verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en het besluit Vlaamse Regering van 12 oktober 2012. Het gebouw dat wordt opgericht beantwoordt aan alle veiligheidsvoorschriften en erkenningsvoorwaarden. De aanvrager beschikt over een erkenning voor het reeds bestaande woon- en zorgcentrum en over een voorafgaande vergunning uitgevaardigd door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid voor de groep van assistentiewoningen.

## III. Fiscale motivering

15\. X verzoekt de bevestiging van de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6%, zoals voorzien in de rubriek XXXVIII van de tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970, voor de oprichtingswerken van een nieuwe vleugel. Voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% wordt onder meer verwezen naar de administratieve beslissingen nr. E.T.106.933 van 1 september 1994 en nr. E.T.106.933/2 van 29 maart 2006.

16\. De aanvrager bevestigd dat de eerste ingebruikneming van de bestaande gebouwen tenminste vijf jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, §1 of [artikel 22bis van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis).

17\. Daar het in casu de bouw van een nieuwe losstaande vleugel betreft en het nieuwe gedeelte zich niet onder hetzelfde dak als het oude gedeelte bevindt, vindt het tarief van 6% niet a fortiori toepassing conform deze beslissingen (1). De voorwaarden opgelijst in deze beslissingen moeten worden afgetoetst.

*(1) Administratieve beslissing 1 september 1994 nr. E.T.106.933, administratieve beslissing 29 maart 2006 nr. E.T.106.933/2*

18\. Deze beslissingen stellen met name het volgende:

19\. “de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of een verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken”.

20\. In casu is deze voorwaarde onbetwistbaar vervuld want de oppervlakte van het oude gedeelte blijft groter dan helft van de totale oppervlakte van het woningcomplex na de uitvoering van de werken.

21\. De volgende voorwaarde die de beslissing bevat is “het nieuwe gedeelte kan niet onafhankelijk van het oude gedeelte functioneren, maar zal het oude gedeelte aanvullen en er dus inzake de aanwending van het gebouw een geheel vormen met het oude gedeelte (2)”. De administratieve beslissing van 2006 voegt daar nog aan toe “het nieuwe gedeelte moet één coherent en complementair geheel vormen met het oude gedeelte wat betreft het gebruik van het gebouw en de diensten verstrekt aan de bewoners. Benevens de regionale en communautaire bepalingen betreft het hier uiteindelijk een feitenkwestie waarbij, naast het criterium van de ligging van de serviceflats en het rusthuis op eenzelfde site, rekening wordt gehouden met een geheel van elementen”.

*(2) Administratieve beslissing 1 september 1994 nr. E.T.106.933*

22\. De invulling van de voorwaarde dat het om een “coherent en complementair geheel, wat het gebruik van het gebouw betreft” gaat, berust op een feitenkwestie en wordt niet limitatief opgevat. Hierbij dient rekening te worden gehouden met een geheel van elementen. In voornoemde beslissing worden bij wijze van voorbeeld onder meer de volgende elementen aangehaald:

23\. “het bestaan van een gemeenschappelijke eigenaar van de serviceflats en het rusthuis, de mogelijkheid voor de bewoners van de twee entiteiten om gebruik te maken van dezelfde lokalen (keuken, eetzaal van het rusthuis, ontspanningsruimte,…) en om te genieten van gemeenschappelijke diensten, of nog het bestaan van gemeenschappelijk personeel (bewakingspersoneel waarop de bewoners van de serviceflats beroep kunnen doen, onderhoudspersoneel, enz.)”.

24\. De reële en concrete feitenkwestie dient in casu als volgt te worden geduid:

24.1. het nieuwe gedeelte wordt opgericht op dezelfde site als het oude gedeelte. De uitbreidingsnieuwbouw zal opgericht worden op gronden die X reeds in erfpacht heeft. Slechts een klein aangrenzend perceel zal bijkomend in erfpacht worden gegeven, welk zowel dienstig zal zijn voor het oude als het nieuwe gedeelte. X zal niet overgaan tot een wedervestiging van het verkregen recht van erfpacht;

24.2. zowel het woon- en zorgcentrum als de nieuw op te richten assistentiewoningen behoren toe aan één en dezelfde eigenaar en uitbater, met name X. Zowel het oude als het nieuwe gedeelte staan onder één algemene directie en beheer. De assistentiewoningen zullen niet bezwaard worden met een zakelijk recht en zullen door X, als enige eigenaar, ter beschikking worden gesteld aan de bewoners middels een huurcontract;

24.3. zowel het oude gedeelte als het nieuwe gedeelte zal voor de bewoners, het personeel en de bezoekers slechts toegankelijk zijn via één gemeenschappelijke toegang. Bovendien is er een gemeenschappelijke parking voor het oude en nieuwe gedeelte;

24.4. de bewoners van het nieuwe gedeelte zullen, zoals de bewoners van het oude gedeelte, gebruik maken van de eetzaal, de polyvalente zaal, het onthaal, de tuin, de parking, kinézaal, kapel, kapsalon, enz. van het oude gedeelte. Het oude gedeelte zal met andere woorden dienstig zijn in functie van het nieuwe gedeelte. Het nieuwe gedeelte zal op zich geen eigen identiteit hebben;

24.5. De zorgcoördinatie (zoals onder meer het opvolgen van zorgbehoefte, het beantwoorden van zorgvragen) alsook de effectieve zorgverstrekking zal verstrekt worden door het personeel werkzaam in het oude gedeelte. De zorgcoördinator van het oude gedeelte is eveneens verantwoordelijk voor het nieuwe gedeelte. Er zal ook een woningassistent worden aangesteld die aanwezig is in het nieuwe gedeelte en die de brugfiguur zal zijn naar het oude gedeelte. Deze woningassistent zal het eerste aanspreekpunt zijn voor de bewoners van het nieuwe gedeelte en zal verantwoordelijk zijn voor de opvang en de begeleiding van de zorgvragen van de bewoners;

24.6. Om de zorgverstrekking te kunnen coördineren wordt er een oproepsysteem voorzien in het nieuwe gedeelte dat zal opgevolgd worden door de medewerkers van het oude gedeelte. Enerzijds is er een intern systeem van verdeling van oproepen, met specifieke interfaces en anderzijds is er een verbinding tussen het nieuwe en oude gedeelte. In casu is er sprake van één coherente zorgverstrekking zowel aan de bewoners van het oude gedeelte als aan de bewoners van het nieuwe gedeelte;

24.7. In geval van acuter wordende zorg (bijvoorbeeld een bewoner van het nieuwe gedeelte komt ten val en kan tijdelijk niet zelfstandig wonen), zullen de bewoners van het nieuwe gedeelte tijdelijk opgenomen worden in het oude gedeelte: centrum voor kortverblijf, nachtzorg, dagverzorging bij een toenemende behoefte aan zorg. Het nieuwe gedeelte dient enkel voor duurzaam verblijf en niet voor kortverblijf (er worden geen ruimtes voor crisisverblijf voorzien in het nieuwe gedeelte);

24.8. de schoonmaak, de keuken, de verpleging, de administratie, enz. dat momenteel wordt verricht voor de bewoners van het oude gedeelte zal eveneens worden verricht voor de bewoners van het nieuwe gedeelte. Gelet op het feit dat het nieuwe gedeelte niet zal beschikken over een grootkeuken, zal de grootkeuken van het oude gedeelte eveneens moeten instaan voor de bereiding van de maaltijden van de bewoners van het nieuwe gedeelte. Deze diensten worden verstrekt door de huidige personeelsleden die reeds werkzaam zijn voor het oude gedeelte.

25\. In casu zal X niet kunnen voorzien in gemeenschappelijke water- en elektriciteitsmeters daar de gehele capaciteit van het nieuwe gedeelte en het oude gedeelte te groot zou zijn om op de bestaande meters te kunnen aansluiten. Bijgevolg ziet X zich technisch genoodzaakt om aparte water- en elektriciteitsmeters te gebruiken.

26\. Het is hierbij evenwel van belang te noteren dat X als eigenaar van alle complexen op deze site de water- en elektriciteitsfacturen zal ontvangen en betalen. Bijgevolg verzekert X een geïntegreerde exploitatie en een overkoepelend beheer voor de gehele site.

27\. Een belangrijke tolerantie die wordt vermeld in de beslissing is: “het is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte. Zo kan bijvoorbeeld de uitbreiding van een in de regeling bedoelde woningcomplex (bejaardentehuis) met een nieuwe losstaande vleugel, worden aangemerkt als een omvorming in de zin van voornoemde rubriek XXXI van tabel A”.

28\. Het feit dat er geen fysieke verbinding is tussen het oude en het nieuwe gedeelte doet geen afbreuk aan de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6%. In casu is een fysieke verbinding niet mogelijke omwille van brandveiligheidsredenen.

29\. Tot slot wijst aanvrager op de [voorafgaande beslissing nr. 2011.116](https://juriel.be/nl/rulings/2011-116-verlaagd-tarief-pct-verbouwingswerken-rusthuis-f456) van 10 mei 2011 (3) waarbij de toepassing van het verlaagd tarief van 6% op een uitbreidingsnieuwbouw aan een erkend woon- en zorgcentrum, wordt bevestigd. In voornoemde beslissing wordt bevestigd dat indien de nieuwe gedeelten één coherent en complementair geheel vormen met de bestaande delen en de uitbreidingen dienstig zijn in functie van de veranderingen van het bestaande gebouw, de uitbreidingswerken kwalificeren als omvormingswerken beoogd door rubriek XXXI van de tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.

*(3) Voorafgaande beslissing 10 mei 2011, nr. 2011.116*

30\. De voorwaarde van één coherent en complementair geheel werd geacht vervuld te zijn door het feit dat de logistieke ruimtes (zoals ingang, onthaal, keuken, refter, etc.) behouden bleven alsook gecentraliseerd werden en de exploitant van het woon – en zorgcentrum een geïntegreerde en overkoepelend beheer kan verzekeren.

31\. In casu worden eveneens alle logistieke ruimtes gecentraliseerd en zullen zowel de bewoners van het oude gedeelte als de bewoners van het nieuwe gedeelte gebruik kunnen maken van dezelfde lokalen alsook van dezelfde diensten (zie supra). Gelet op het feit dat het huidige personeelsbestand behouden zal blijven en de bewoners van het nieuwe gedeelte opgenomen zullen worden in de huidige leefcultuur van het oude gedeelte, duidt dat X een geïntegreerd en overkoepelend beheer zal kunnen verzekeren dat is afgestemd op de persoonlijke noden van alle bewoners.

32\. Zoals uiteengezet in de feiten, zal het nieuwe gedeelte eveneens enkele ruimtes omvatten die geen deel uitmaken van de verblijfsinrichting voor bejaarden. Deze ruimtes voldoen niet aan de bovengenoemde voorwaarden en bijgevolg zullen de omvormingswerken met betrekking tot deze ruimtes onderworpen moeten worden aan het normale btw-tarief van 21%.

33\. Bovenstaande in beschouwing genomen, is aanvrager van mening dat de voorwaarden voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% op de bouw van nieuwe assistentiewoningen op de site Y vervuld zijn:

33.1. de omvormingswerken hebben betrekking op een gebouw waarvan de eerste ingebruikneming minstens vijf jaar voorafgaat aan het eerste moment van opeisbaarheid van btw;

33.2. het nieuwbouwcomplex bestaat uit assistentiewoningen bestemd voor bejaarden en beantwoordt aan alle veiligheidsvoorschriften en erkenningsvoorwaarden.

33.3. de oppervlakte van het oude gedeelte blijft betekenisvol in vergelijking met het nieuwe gedeelte;

33.4. het nieuwe gedeelte vormt één coherent en complementair geheel met het bestaande gedeelte, wat in casu voldoende blijkt uit de hiervoor aangehaalde feitelijke elementen.

34\. Bijgevolg kan volgens de aanvrager gesteld worden dat de bouw van nieuwe assistentiewoningen op de site Y kwalificeren als uitbreidingswerken van het bestaande woon- en zorgcentrum en als dusdanig onderworpen zijn aan het verlaagde btw-tarief van 6% zoals voorzien in rubriek XXXVIII van de tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970. De toepassing van het verlaagd btw-tarief wordt niet bepleit met betrekking tot de gedeelten die niet tot de verblijfsinrichting voor bejaarden behoren, gelet op het feit niet voldaan is aan de voorwaarden gesteld in rubriek XXXVIII van de tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970.

## IV. Beslissing

## Uit het door de DVB gedane analyse blijkt het volgende:

35\. De aanvrager vraagt de toepassing van het verlaagd tarief van 6% zoals bedoeld rubriek nr. XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 voor de oprichting van de hierboven omschreven uitbreidingsnieuwbouw.

36\. Rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970 bepaalt:

§ 1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3, met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst, worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :

1° de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;

2° de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;

3° de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijf jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, § 1 of [artikel 22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) van het Wetboek;

4° de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker;

5° de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.

§ 2. Worden aangemerkt als eindverbruikers in de zin van deze bepaling, voor het werk in onroerende staat en de andere handelingen omschreven in § 3, met betrekking tot de woningen daadwerkelijk gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen, personen in moeilijkheden, personen met een psychische stoornis, mentaal gehandicapten en psychiatrische patiënten, de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren :

1° verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg;

2° …

3° …

4° …

5° …

6° …

§ 3. Worden beoogd :

1° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed;

2° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;

3° iedere handeling, ook indien niet beoogd in de bepaling onder 2°, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :

a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;

b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;

d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;

f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

4° iedere handeling, ook indien niet beoogd in de bepaling onder 2°, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

5° het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in de bepaling onder 3° en 4°;

6° de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.

§ 4. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op :

1° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;

2° werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midgetgolfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties;

3° het gedeelte van de prijs met betrekking tot de levering van verwarmingsketels in appartementsgebouwen alsook op de levering van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties.

37\. In dit verband wordt verwezen naar beslissingen ET 106.933 dd. 01.09.1994 en ET 106.933/2 dd. 29.03.2006.

38\. Overeenkomstig laatstgenoemde beslissing is het tarief van 12 pct. zoals bedoeld in rubriek X van tabel B van de bijlage bij KB nr. 20 van 20 juli 1970 in principe eveneens van toepassing op de oprichtingswerken van een serviceflatgebouw dat zich bevindt op dezelfde site als het rusthuis waarmee het een functionele band heeft. Dergelijke werken kunnen evenwel aangemerkt worden als uitbreidingswerken van het bestaande rusthuis en aldus omvormingswerken zijn aan dat rusthuis, overeenkomstig rubriek XXXI van de tabel A vernoemd, onderworpen aan het tarief van 6 pct., rekening houdend met de voorwaarden bepaald in beslissing ET 106.933 dd. 1 september 1994.

39\. Het spreekt voor zich dat deze beslissing eveneens betrekking heeft op rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 dd. 20 juli 1970.

40\. Aangezien de oppervlakte van het nieuwe gedeelte ongeveer 28% van de oppervlakte van het oude gedeelte bedraagt, kan ervan worden uitgegaan dat de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte.

41\. Uit het door de aanvrager vermelde geheel van feitelijke elementen kan worden besloten dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren en dat het er een coherent en complementair geheel mee vormt.

42\. De oprichting van de nieuwe gedeelten die deel zullen uitmaken van de site van het bestaande woonzorgcentrum, kan aldus worden beschouwd als omvormingswerken aan dat rusthuis.

43\. De aanvrager bevestigt dat de assistentiewoningen door haar zullen worden uitgebaat overeenkomstig de geldende regelgeving en zullen worden aangewend voor de huisvesting van bejaarden.

44\. De aanvrager bevestigt dat de handelingen aan haar worden verstrekt en gefactureerd.

45\. Aanvrager bevestigt dat het bestaande gebouw (waarvan de nieuwe gedeelten met assistentiewoningen een uitbreiding vormen) een gebouw betreft waarvan de eerste ingebruikneming ten minste 5 jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22, §1 of [artikel 22 bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis).

46\. De aan X toegekende voorafgaande vergunning voor een groep van assistentiewoningen werd overgemaakt.

47\. Wat betreft de nieuwe assistentiewoningen kan de erkenning als groep van assistentiewoningen normaal niet worden aangevraagd zolang het gebouw niet klaar is voor exploitatie.

48\. Op basis van de door de initiatiefnemer aan te vragen voorafgaande vergunning voor die groep van assistentiewoningen kunnen de aannemers (in afwachting van de erkenning als groep van assistentiewoningen, die dus niet kan worden uitgereikt vóór de aanvang van de exploitatie van de voorziening) het verlaagd tarief van 6 pct. toepassen ten aanzien van de aan de bouwheer verstrekte en gefactureerde werken in onroerende staat met betrekking tot de oprichting van de groep van assistentiewoningen.

49\. De heffing van de belasting tegen het verlaagd Btw-tarief van 6 pct. in de plaats van het Btw-tarief van 21 pct. gebeurt hier onder voorbehoud van een gebeurlijke herziening (herziening bijvoorbeeld wanneer de aangevraagde erkenning als groep van assistentiewoningen definitief zou worden geweigerd).

50\. Uit de inlichtingen van de aanvrager blijkt dat de uitbreidingsnieuwbouw gedeelten bevat die niet kunnen worden beschouwd als onderdeel van de verblijfsinrichting voor bejaarden zoals bedoeld in §2, 1° van voormelde rubriek XXXVIII en bijgevolg uitgesloten zijn van het verlaagd tarief. Met betrekking tot deze gedeelten is het normale tarief van toepassing.

51\. Het spreekt voor zicht dat het normale tarief eveneens van toepassing is ten aanzien van de handelingen bedoeld in §4 van voormelde rubriek XXXVIII.

52\. Het spreekt voor zich dat de voorwaarde vermeld onder §1, 5° van voormelde rubriek XXXVIII eveneens voldaan moet zijn.

\*

\* \*

**Gelet op de artikelen 20 tot 23 van voormelde wet van 24 december 2002 alsmede op de overwegingen zoals vermeld in deel IV beslist het College van de DVB in zitting van 10 maart 2015 dat :**

53\. het verlaagd tarief van 6% zoals bedoeld in rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 dd. 20 juli 1970 van toepassing is op in de §§1 en 3 van die rubriek bedoelde handelingen, vanzelfsprekend met uitzondering van de in § 4 van die rubriek vermelde handelingen, die betrekking hebben op de oprichting van de hierboven omschreven nieuwe gebouwen met assistentiewoningen, met dien verstande dat de gedeelten die niet tot de verblijfsinrichting voor bejaarden horen uitgesloten zijn van het verlaagd tarief, en dit voor zover:

53.1. het voorgelegde project wordt erkend door de bevoegde overheid als een groep van assistentiewoningen. In afwachting van de erkenning en onder voorbehoud van een gebeurlijke herziening (bijvoorbeeld wanneer de aangevraagde erkenning als groep van assistentiewoningen definitief zou worden geweigerd) gebeurt de heffing van de btw aan het tarief van 6% op basis van de door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid afgeleverde voorlopige vergunning;

53.2. er voldaan wordt aan de voorwaarde van §1, 5° van voormelde Rubriek XXXVIII.

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 22bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22bis) 3 voorkomens
