---
title: "Voorafgaande beslissing 2014.256 · Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing"
description: "Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing. Belgische voorafgaande beslissing nr. 2014.256 van 29 juli 2014."
url: "https://juriel.be/nl/rulings/2014-256-vennootschapsbelasting-belastingneutrale-partiele-splitsing-fusie-b97f"
lang: "nl"
---

# Vennootschapsbelasting, Belastingneutrale partiële splitsing, Belastingneutrale fusie door overneming · Vennootschapsbelasting - Belastingneutrale partiële splitsing - Belastingneutrale fusie door overneming - Zakelijke overwegingen - Belastingfraude of –ontwijking - Boekhoudkundige retroactiviteit - Onderworpenheid aan vennootschapsbelasting - Abnormale of goedgunstige voordelen - Inbreng van schuldvorderingen in kapitaal - Aannemen van andere rechtsvorm - Registratierechten - Anti-misbruikbepalingen -BTW - BTW-eenheid

**Nummer**

2014.256

**Datum**

29 juli 2014

## Over het document

**Verzameling**

Voorafgaande beslissingen

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

374 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

*Vennootschapsbelasting* · *Belastingneutrale partiële splitsing* · *Belastingneutrale fusie door overneming* · *Zakelijke overwegingen* · *Belastingfraude of -ontwijking* · *Boekhoudkundige retroactiviteit* · *Onderworpenheid aan vennootschapsbelasting* · *Abnormale of goedgunstige voordelen* · *Inbreng van schuldvorderingen in kapitaal* · *Aannemen van andere rechtsvorm*

*Registratierechten* · *Anti-misbruikbepalingen*

*BTW* · *BTW-eenheid*

## Samenvatting

De geplande omzetting van de rechtsvorm van de VZW X, VZW Y en VZW Z in vennootschappen met sociaal oogmerk die de vorm aannemen van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zal belastingvrij plaatsvinden overeenkomstig artikel 214, § 1, WIB 92.

De beoogde (i) oprichting van een btw-eenheid met als leden R, X, Y en Z alsook de nieuw op te richten vennootschappen A en B (ii) de daaropvolgende btw-vrije overdracht van het onroerend goed door de exploitatie-entiteiten aan de immo-entiteiten, kan niet gevat worden onder artikel 1, § 10, W.BTW op voorwaarde dat de leden de minimumduur van 3 jaar lidmaatschap van de btw-eenheid respecteren.

De inbrengen van de achtergestelde leningen tegen nominale waarde door Q in X, Y en Z gevolgd door de inbreng van de aandelen X, Y en Z door Q in R, kunnen niet beschouwd worden als een verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 79 *j°* 207, lid 2 WIB 92;

A, B, R, X, Y en Z zijn vanaf hun omvorming respectievelijk oprichting (blijvend) onderworpen aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 179 WIB 92.

De partiële splitsingen van de vennootschap X en Y in de nieuw op te richten vennootschap A en de partiële splitsing van de vennootschap Z in de nieuw op te richten vennootschap B, die er allen toe strekken om het voor eigen gebruik aangewende onroerend goed af te splitsen met behoud van de operationele activiteiten bij de bestaande vennootschappen X, Y en Z en die ertoe moeten leiden dat de groep terug rendabel wordt, beantwoorden aan het bepaalde in artikel 183*bis*, WIB 92 en kunnen gebeuren onder het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

De daaropvolgende fusie door overneming van Y door haar zustervennootschap X, die ertoe strekt geografisch naast elkaar gelegen vennootschappen met gelijkaardige activiteiten samen te brengen, beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183*bis*, WIB 92 en kan gebeuren onder het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

De boekhoudkundige retroactiviteit van niet meer dan 7 maanden is tegenstelbaar aan de fiscale administratie.

De gekozen rechtshandelingen vormen een logische keuze om het vooropgezette doel te bereiken en werden voldoende verantwoord door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 en van registratierechten in de zin van artikel 18, § 2, W. Reg.

## I. Voorwerp van de aanvraag

**1**. De aanvraag strekt ertoe bevestiging te verkrijgen dat:

**1.1** de geplande omzetting van de rechtsvorm van VZW X, VZW Y en VZW Z in vennootschappen met sociaal oogmerk die de vorm aannemen van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid belastingvrij zal geschieden overeenkomstig artikel 214, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna WIB 92);

**1.2** de inbrengen van de achtergestelde leningen tegen nominale waarde door Q in de coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid X, Y en Z gevolgd door de inbreng van de aandelen X, Y en Z door Q in R, niet beschouwd kunnen worden als een verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 79 *j°* 207, lid 2, WIB 92;

**1.3** de voorgenomen partiële splitsing van X, Y en Z waarbij de onroerende goederen van eerstgenoemden zuiver en schuldenvrij worden afgesplitst naar twee nieuw opgerichte patrimoniumvennootschappen A en B beantwoorden aan zakelijke overwegingen zoals bepaald in artikel 183*bis* WIB 92, en daardoor, voor zover de overige formele voorwaarden hiertoe vervuld zijn, kan genieten van het belastingneutrale regime vervat in artikel 211, § 1, 1ste lid *j°* 4e lid WIB 92;

**1.4** A, B, R, X, Y, Z vanaf hun omvorming respectievelijk oprichting (blijvend) onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 179 WIB 92;

**1.5** de beoogde (i) oprichting van een btw-eenheid met als leden R, X, Y en Z, alsook de nieuw op te richten vennootschappen A en B en (ii) de daaropvolgende btw-vrije overdracht van het onroerend goed door de exploitatie-entiteiten aan de immo-entiteiten, niet gevat kan worden onder artikel 1, § 10, van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna W.BTW);

**1.6** de geplande fusie door overneming van Y door X beantwoordt aan zakelijke overwegingen zoals bepaald in artikel 183*bis* WIB 92, en daardoor, voor zover de overige formele voorwaarden hiertoe vervuld zijn, kan genieten van het belastingneutrale regime vervat in artikel 211, § 1, 1ste lid *j°* 4e lid WIB 92;

**1.7** de fiscale (en boekhoudkundige) retroactieve verwerking van de partiële splitsings- en fusieverrichtingen van maximaal zeven maanden tegenstelbaar is aan de belastingadministratie; en

**1.8** de beoogde verrichtingen niet gevat kunnen worden onder artikel 344, § 1, WIB 92 en artikel 18, § 2, W.Reg. omdat ze zijn ingegeven door andere motieven dan het ontwijken van belastingen, en er dus geen sprake is van fiscaal misbruik in de zin van deze bepalingen.

## II. Omschrijving van de verrichtingen

## *II. A. Beschrijving van de betrokken entiteiten en hun activiteiten*

## II. A.1 Q

**2.** Q is een feitelijke vereniging.

**3**. Naast activiteit F is binnen Q historisch meer en meer aandacht besteed aan activiteit G en dit met de oprichting van drie centra H. De centra werden gaandeweg gemoderniseerd en aangepast aan de evoluerende noden van de markt. Verdere professionalisering van de centra H en het bewerkstelligen van een rationeler beheer via synergie was hiertoe echter noodzakelijk. Q trachtte deze organisatie vorm te geven door de oprichting van VZW R.

**4**. De aanvrager gaf een schematische weergave van de huidige juridische structuur voor de organisatie van activiteit G binnen Q.

**5**. Onder de huidige structuur zijn de centra H eigendom van en worden ze uitgebaat door VZW X, VZW Y en VZW Z.

**6**. In het verleden geschiedde de financiering van het aanbod aan activeit G via middelen die voortvloeiden uit K. De Raad van Bestuur van K beslist over de algemene afspraken met betrekking tot het bedrag, de wijze van financiering en de modaliteiten voor de aanwending. Een deel van de aldus verkregen middelen van K worden door Q jaarlijks onder de vorm van een algemene werkingstoelage ter beschikking gesteld aan de centra H en aan VZW R. Zowel voor de centra H als voor VZW R is deze toelage bedoeld om de kosten van algemeen beheer te dekken. Een deel van de middelen afkomstig van K worden jaarlijks door Q gereserveerd voor toekomstige investeringen.

**7.** Q heeft een substantieel bedrag aan middelen voortkomend uit deze opgebouwde reserves ter beschikking gesteld van de centra H onder de vorm van achtergestelde leningen. Deze middelen zijn / waren bedoeld als investeringsfondsen voor de constructie, uitbreiding en renovatie van de onroerende goederen van de centra H en dus niet als zodanig voor werkingskosten. Aangezien het om leningen gaat bestaat de waarborg voor Q in een verplichting tot terugbetaling voor de centra H. De fondsen die Q historisch heeft verstrekt met betrekking tot de onroerende goederen werden omgezet in achtergestelde leningen. De bijkomende fondsen die Q sinds deze omzetting verstrekt voor de renovatie en uitbreiding van de onroerende goederen nemen steeds de vorm aan van een achtergestelde lening.

## II. A. 2 VZW R

**8**. Het doel van VZW R is het bevorderen van activiteit G. Aangezien in het verleden duidelijk werd dat een verdere professionalisering van de centra H en een rationeler beheer via synergieën noodzakelijk bleek, werd VZW R met die doelstelling opgericht.

**9**. VZW R doet op vandaag dienst als ondersteunend beheerplatform voor de drie centra H. Meer specifiek staat zij in voor ondersteunende diensten ten behoeve van de centra H.

**10**. Ten einde VZW R in staat te stellen haar opdrachten te vervullen, stelt Q jaarlijks middelen ter beschikking in de vorm van een algemene werkingstoelage.

## II. A. 3 De centra H

**11**. De uitbating van de centra H werd door Q ondergebracht in drie verschillende VZW's. Deze exploitatie-VZW's worden op vandaag volledig gecontroleerd door Q middels personele integratie.

**12**. De exploitatie van de centra H is verlieslatend. Dit kan uiteraard worden verklaard vanuit de eigenheid van activiteit G.

**13**. VZW X is eigenaar en uitbater van centrum H1.

**14**. VZW Y is eigenaar en uitbater van centrum H2.

**15**. VZW Z is eigenaar en uitbater van centrum H3.

## II .A. 4 Beschrijving van de fiscale positie van de betrokken entiteiten

**16**. VZW R is momenteel onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Haar belastbare grondslag wordt om die reden geregeld door de artikelen 221 - 223 WIB 92. De aanvrager bezorgde een kopie van de aangifte in de rechtspersonenbelasting voor inkomstenjaar 2012 - aanslagjaar 2013.

**17**. VZW's X, Y en Z zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Zoals hiervoor reeds werd aangegeven, zijn (waren) deze VZW's sterk verlieslatend. Als gevolg hiervan beschikken de VZW's dan ook over een substantieel bedrag aan overgedragen fiscale verliezen. Daarnaast beschikken zij tevens over overgedragen investeringsaftrek als gevolg van de investering in de uitbreiding en renovatie van de centra H.

**18**. VZW's X, Y en Z zijn allen voor btw-doeleinden geregistreerd in België. Deze drie exploitatie-entiteiten verrichten btw-belaste diensten als voornaamste activiteit.

**19**. VZW R heeft een btw-nummer. Onder dit btw-nummer zal R als voornaamste activiteit ondersteuning bieden aan verbonden entiteiten. Bijkomend zal R nog functioneren als exploitatie platform ten gunste van Q leden en zal het instaan voor de commerciële ondersteuning terzake. Deze activiteiten passen perfect in het nieuwe doel dat VZW R werd toebedeeld in het licht van de versterkingsstrategie van Q.

## II. A. 5 Toekomstig plan

**20**. Sinds de oprichting door Q heeft VZW R de opdracht om activiteit G te bevorderen. De uitvoering van deze opdracht door VZW R wordt regelmatig geëvalueerd door Q en indien nodig bijgestuurd.

**21**. Sinds kort wordt er bij VZW R voor de realisatie van deze plannen gewerkt aan een lange termijn-aanpak die jaarlijks zal worden bijgesteld.

**22**. Bij de uitwerking van het toekomstig plan van aanpak werd tevens onderzoek gevoerd naar mogelijke initiatieven die verder zouden kunnen worden ontwikkeld om via een verbeterde rendabiliteit de duurzame ontwikkeling te versterken.

## II. B. Beschrijving van de voorgenomen verrichtingen

## II. B. 1 Beoogde structuur ter ondersteuning van de versterkingsstrategie van Q

## *Aangepaste rechtsvorm: van VZW naar CVBA-VSO*

**23**. Gelet op de aandachtspunten / verzuchtingen werd er een "participatie"-structuur uitgewerkt die onder bestuurlijke controle en strategische leiding zal staan van Q. Waar er tot op heden slechts sprake is van personele integratie van Q, zal er door de creatie van een participatie-structuur een meer solide en verankerd model onder leiding van Q bekomen worden.

**24**. Met het oog op meer efficiëntie en doelgerichtheid, zullen de participerende entiteiten binnen deze structuur hun organisatie onderbrengen in een rechtsvorm die de continuïteit van haar werking niet in het gedrang kan brengen. De rechtsvorm dient tegelijkertijd aangepast te zijn aan het gegeven dat er binnen de organisatie van activiteit G van Q - zoals in het verleden - geen winstoogmerk maar wel een sociaal oogmerk wordt nagestreefd ten einde te herinvesteren in de verbetering van activiteit G ten behoeve van alle burgers (inclusief de leden van Q) en de ledenbinding / ledenwerving van Q in het algemeen.

**25**. Gelet op het feit dat de meerderheid van de bezoekers van de centra H momenteel bestaat uit niet-leden, is de verderzetting onder VZW-statuut evenwel niet langer aangewezen. Een VZW heeft weliswaar typisch geen winstoogmerk doch artikel 1 van de VZW-wet laat niet toe om handelszaken te drijven. De exploitatie van de centra H dient daarom in de toekomst plaats te vinden binnen een rechtsvorm die meer aangepast is aan de realiteit en dus rechtszekerheid biedt omtrent de uitbreiding van de activiteiten naar een ruimere doelgroep die de eigen leden overstijgt. Om die reden wordt er gekozen voor een vennootschapsvorm met sociaal oogmerk ("VSO"). De VSO is de ideale keuze gelet op het feit dat deze typisch aanzien wordt als dé mengvorm tussen VZW's enerzijds en vennootschappen anderzijds:

\- vanuit een zuiver sociaal oogmerk biedt de VSO mogelijkheid om, zoals de VZW, de uitkering van rechtstreekse vermogensvoordelen aan de leden uit te sluiten;

\- vanuit een economische activiteit biedt de VSO mogelijkheid om, zoals de vennootschap, onbeperkt handelsactiviteiten aan een groot publiek aan te bieden.

**26**. VZW R, VZW X, VZW Y en VZW Z zullen bijgevolg worden omgevormd in VSO's die de rechtsvorm aannemen van een coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ("CVBA"). Door de keuze voor een vennootschapsvorm is het juridisch mogelijk om meer commerciële activiteiten uit te oefenen en zal dit bijgevolg ook meer aanleunen bij de voorziene toekomstige uitbreiding van de activiteiten binnen activiteit G. Niettemin blijft het voornaamste oogmerk van de vennootschappen sociaal en zal elke winstuitkering aan de vennoten dan ook uitgesloten worden.

**27**. Vennootschap R zal de multidisciplinaire bovenbouw / centrale holding vormen van de structuur via dewelke de controle en strategische leiding van Q zal worden uitgeoefend ("top down model"). Meer bepaald zal via R de strategische en financiële aansturing plaatsvinden van de onderliggende entiteiten, de samenwerking met interne en externe participerende organisaties via overleg en communicatie en de coördinatie en kwaliteitscontrole van het aanbod naar de gemeenschap van leden en potentiële geïnteresseerden. Dit centraal beheer op hoger structureel niveau via een uniforme methode, laat toe om activiteit G op een meer efficiënte manier te promoten.

## Scheiding van exploitatie en patrimonium

**28**. De exploitatie van de centra H zal worden afgescheiden van het onroerend patrimonium en worden ondergebracht in twee afzonderlijke operationele entiteiten, X en Z. In X zal de exploitatie plaatsvinden van de centra H1 en H2, terwijl in Z het centrum H3 zal worden geëxploiteerd. De opsplitsing in twee verschillende exploitatie-entiteiten kadert in de toekomstige verdere regionalisering van het arbeidsmarktbeleid.

**29**. In elk centrum wordt er een directeur aangesteld die eigen verantwoordelijkheid zal dragen om de eenheid in de organisatie te waarborgen en die een eigen commerciële opdracht zal hebben wat betreft positionering van de centra H op de markt. Deze directeur zal feedback verschaffen aan en in overleg treden met R omtrent de realisatie van de strategische doelen die op het niveau van R worden bepaald. Het is van primordiaal belang voor R om de directeurs die instaan voor de exploitatie van de centra H verder te responsabiliseren. Dit tracht men te realiseren door de directeurs nu - onder de nieuwe structuur - de nodige middelen "mee te geven" - als tijdelijke "buffer" - opdat zij op termijn zelf in staat zijn om de exploitatieactiviteit rendabel en zelfbedruipend te maken.

**30**. Het onroerend goed-patrimonium m.b.t. de centra H zal worden ondergebracht in twee afzonderlijke vastgoedvennootschappen, A en B. Q wenst het onroerend goed immers af te schermen van het "ondernemingsrisico" dat gepaard gaat met de exploitatie van de centra H. Hoewel de VZW's de verplichting hebben om de achtergestelde leningen ooit terug te betalen, kon dit - gelet op het substantieel bedrag aan boekhoudkundig overgedragen verliezen - onvoldoende gegarandeerd worden onder de huidige structuur. De beoogde uitbreiding van de activiteiten onder de toekomstige structuur vergroot bovendien (naast het eventuele uitzicht op meer inkomsten) het ondernemingsrisico waaraan dergelijke onroerende goederen onderhevig zouden zijn. Het afzonderen van de onroerende goederen in een afzonderlijke entiteit biedt de meeste waarborg. Waar het oorspronkelijk de bedoeling was om de onroerende goederen in één afzonderlijke entiteit onder te brengen, wordt in het kader van de toekomstige regionalisering eveneens geopteerd voor de ontdubbeling in twee entiteiten. In tegenstelling tot wat het geval is voor de exploitatie-entiteiten, zullen er voor de immo-entiteiten geen externe directeurs worden aangezocht om het beheer van de onroerende goederen waar te nemen. Gelet op de belangrijke waarde die het onroerend patrimonium heeft voor Q, wil Q (via R) volledig blijven instaan voor het beheer, de instandhouding en uitbreiding hiervan.

**31**. De aanvragers onderstrepen dat de afsplitsing van de onroerende goederen in geen geval is ingegeven vanuit de overweging om de belangrijkste waarborg te onttrekken aan de exploitatievennootschappen en deze entiteiten aldus onvermogend te maken. De scheiding van het onroerend patrimonium van de zal vooral de verdere responsabilisering van de directeurs die instaan voor de exploitatie van de centra H in de hand werken. Immers, door de onroerende goederen los te maken van de exploitatie-activiteit, zal het vermogen van de exploitatie-entiteiten niet langer 'verkleurd' kunnen worden door middelen die betrekking hebben op het beheer van het onroerend goed. De directeurs van de centra H zullen op die manier sneller en vaker verantwoording moeten afleggen over de besteding van de hun ter beschikking gestelde middelen en zelf initiatief moeten nemen om de rendabiliteit van de exploitatie-activiteit te verhogen. De afscheiding van het onroerend patrimonium is met andere woorden net finaal bedoeld ter versterking van de financiële positie van de exploitatie-entiteiten. Dit doel blijkt overigens duidelijk uit het business plan die in een inschatting van de toekomstige operaties voorziet zonder dat er in de toekomst enige externe financiering nodig zou zijn.

**32**. Onder dit business plan, dat in samenspraak met R en de directeurs van de centra H werd bepaald, werd ingeschat welke middelen onder de nieuwe structuur in principe nodig zouden moeten zijn opdat de exploitatie-entiteiten op termijn zelfbedruipend en rendabel zouden moeten kunnen worden en dit rekening houdende met een marktconforme vergoeding voor de huur van de centra H. Indien in de toekomst niettemin zou blijken dat de middelen die aan de directeurs ter beschikking werden gesteld onvoldoende zouden zijn in dit verband, zal er in geen geval enige subsidiëring vanwege de immo-entiteiten plaatsvinden om de financiële positie van de exploitatie-entiteiten te versterken. Zulke middelen zouden in dergelijk geval hoogstens van R of Q verkregen kunnen worden.

**33**. Na de partiële splitsing, zullen A en B de onroerende goederen middels huurovereenkomsten ter beschikking stellen van X en Z. Deze laatsten zullen een marktconforme huur verschuldigd zijn aan de immo-entiteiten. De middelen die uit deze periodieke huurvergoedingen zullen voortvloeien, zijn bedoeld voor de instandhouding en het onderhoud van het onroerend patrimonium.

**34**. De aanvrager bezorgde een schematische weergave van de beoogde structuur.

## II. B. 2 Financieel kader ter ondersteuning van de versterkingsstrategie van Q

## Studie adviesbureau C

**35**. Naast het uitwerken van een operationeel uitvoerende structuur had R de opdracht om een financieel kader uit te werken voor de structuur die continuïteit, duurzaamheid en vernieuwing zou waarborgen. Enerzijds dient het coördinerend platform van R op termijn ondersteund te worden door de participerende entiteiten en de opdrachtgevende ledenorganisatie. Anderzijds is het binnen deze structuur van belang om tot maximale rendabilisering en zelfbedruipendheid te komen van de exploitanten van de centra H. Dit is geen eenvoudige oefening gelet op de eigenheid van activiteit G.

**36**. Om te controleren of het budget dat door VZW R werd uitgewerkt in het kader van het lange termijn-plan realistisch is, werd aan adviesbureau C gevraagd om een studie uit te voeren en een inschatting te maken waaraan dit budget kon worden getoetst.

**37**. De studie van adviesbureau C heeft zich uiteindelijk vertaald in enerzijds een "operational component" voor wat betreft de exploitatie-entiteiten en anderzijds een "property component" voor wat betreft de immo-entiteiten. Adviesbureau C houdt tevens rekening met het bestaan van twee exploitatie-entiteiten en twee immo-entiteiten (zoals onder de toekomstige structuur).

**38**. Uit het totaal van de huurinkomsten die door adviesbureau C werden ingeschat, is evenwel gebleken dat de marktwaarde van de gebouwen (die wordt bepaald in functie van de toekomstige huuropbrengsten) aanzienlijk lager ligt dan de huidige boekwaarde van de onroerende goederen. De aanvrager bezorgde hieromtrent een schematisch overzicht.

## Aanpassing business plan

**39**. Door R werd, in samenspraak met de directeurs van de centra H, recent het business plan herzien. In dit business plan worden marktconforme kerncijfers nagestreefd zonder evenwel de doelstellingen van Q te veronachtzamen. Uit dit plan blijkt de intentie van R om te komen tot een solide financiële structuur waarbij de beschikbare middelen op vandaag efficiënt verdeeld worden: enerzijds krijgen de exploitatie-entiteiten op vandaag voldoende middelen "mee" zodat zij zich op termijn zelf kunnen onderhouden / financieren; anderzijds verkrijgen de immo-entiteiten de overige - en meeste - middelen om de instandhouding van en toekomstige investeringen aan het onroerend goed patrimonium te kunnen financieren.

**40**. Het business plan voorziet in een sterke stijging van het personeelsbestand om de uitbreiding en versterking te ondersteunen.

## Aangepaste kapitaalstructuur

**41**. Verder wordt ervoor geopteerd om de achtergestelde leningen vanwege Q te kapitaliseren. De omzetting van de achtergestelde leningen in het kader van de beoogde structurering, heeft tot gevolg dat financiële middelen op een meer duurzame wijze ter beschikking zullen worden gesteld van de - toekomstige - exploitatie- en immo-entiteiten. Bovendien is de omzetting in hoofde van de VZW's noodzakelijk om bij de omzetting in een CVBA-VSO aan het vereiste minimumkapitaal te voldoen zoals voorgeschreven door het Wetboek Vennootschappen alsook om andere bezwarende procedures te vermijden (conform artikel 431-432 W. Venn.). De opname van het netto-actief van de VZW's als maatschappelijk kapitaal bij de omzetting in een CVBA-VSO zou momenteel immers resulteren in een negatief eigen vermogen als gevolg van een substantieel bedrag aan boekhoudkundige overgedragen verliezen. Daarnaast wenst men het eigen vermogen van de entiteiten niet alleen te versterken omwille van de vennootschapsrechtelijke voorschriften ter zake maar tevens als zekere "buffer" in afwachting van de verdere rendabilisering van de exploitatie-entiteiten die door de versterkingsstrategie wordt beoogd. De omzetting van de achtergestelde leningen in kapitaal zal geschieden door de inbreng vanwege Q op het ogenblik van de omzetting van de exploitatie-entiteiten in CVBA-VSO's.

**42.** Het eigen vermogen van de exploitatie-entiteiten zal in de toekomst verder worden opgebouwd middels dotaties die onrechtstreeks worden toegekend door K via Q/R om de financiële structuur waar nodig nog te versterken. Deze toekenning via Q/R zal definitief zijn in die zin dat de exploitatie-entiteiten niet tot terugbetaling van de dotaties zullen kunnen worden aangesproken.

**43.** Aangezien uit de studie van adviesbureau C is gebleken dat de boekwaarde van het onroerend patrimonium (i.e. de gebouwen en niet de grond) aanzienlijk hoger ligt dan de marktwaarde, wordt er in het business plan tevens rekening gehouden met een voorafgaande waardevermindering van de gebouwen om de boekwaarde in overeenstemming te brengen met deze marktwaarde. De aanvrager bezorgde een overzicht van deze waardeverminderingen.

## II. B. 3 Stappen om tot de beoogde structuur te komen

**44**. Om tot voormelde structuur te komen, beoogt Q chronologisch de volgende verrichtingen door te voeren:

(i) Oprichting van de CVBA-VSO's A en B door VZW R, VZW X en VZW Z;

(ii) Omzetting van VZW R in een CVBA-VSO;

(iii) Omzetting van VZW X, VZW Y en VZW Z in CVBA-VSO's;

(iv) Inbreng van de achtergestelde leningen door Q in X, Y, Z;

(v) Inbreng van de aandelen X, Y, Z door Q in R;

(vi) Oprichting van de btw-eenheid met als leden: A, B, R, X, Y, Z, A, B;

(vii) Partiële splitsing van X, Y en Z waarbij het onroerend patrimonium van X en Y wordt overgedragen aan A en het onroerend patrimonium van Z aan B;

(viii) Fusie door overneming van Y door X.

## III. Motivering van de aanvraag

## III. A. Omzetting van VZW R, VZW X, VZW Y en VZW Z in CVBA-VSO's

## III. A. 1 Wettelijk kader

**45**. Overeenkomstig artikel 214, §1, WIB 92 blijft belastingheffing ingevolge de artikelen 208 en 209 achterwege bij het aannemen van een andere rechtsvorm, wanneer de waardering van de activa- en passivabestanddelen, met inbegrip van het kapitaal en de reserves, geen wijziging ondergaat naar aanleiding van de verrichting.

**46**. De Administratieve Commentaar vermeldt uitdrukkelijk dat de omzetting van een VZW onderworpen aan de vennootschapsbelasting in een VSO eveneens kan genieten van belastingneutraliteit voor zover de voorwaarden voorzien in artikel 214, § 1, WIB 92 worden gerespecteerd (1).

---

*\[(1) Com. IB. 210/10 en Com. IB 211/131-211/137.\]*

---

**47**. Belastingneutraliteit impliceert dat de afschrijvingen, investeringsaftrekken, minderwaarden of meerwaarden op de n.a.v. de omzetting bij de nieuwe vennootschap ingebrachte bestanddelen, zomede het gestort kapitaal, wordt bepaald alsof de omzetting niet had plaatsgevonden. Het netto-actief van de VZW dat n.a.v. de omzetting bij de VSO als maatschappelijk kapitaal wordt geboekt, behoudt evenwel de vroegere kwalificatie (i.e. belaste of vrijgestelde reserves) aangezien een aan de vennootschapsbelasting onderworpen VZW geen maatschappelijk kapitaal kent.

**48**. Bij de omzetting van een VZW onderworpen aan de rechtspersonenbelasting in een VSO zal het netto-actief van de VZW dat, bij omzetting, in het kapitaal van de VSO wordt opgenomen, niet gelijkgesteld worden met gestort kapitaal maar wel met een vrijgestelde reserve. Dit impliceert dat belastingheffing slechts achterwege zal blijven zolang de vrijgestelde reserve aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190 WIB 92 voldoet (artikel 184*ter*, lid 5, WIB 92).

## III. A. 2 Toepassing in casu

**49**. Met het oog op het totstandbrengen van een meer efficiënte en doelgerichte structuur voor de versterkingsstrategie van Q, wensen de aanvragers de organisatie van hun activiteiten onder te brengen in een rechtsvorm die de continuïteit van haar werking niet in het gedrang kan brengen. De rechtsvorm dient voortaan meer aangepast te zijn aan activiteit G dat er geenszins in bestaat om winstoogmerk na te streven doch wel een duidelijk sociaal oogmerk zoals bepaald in de statuten.

**50**. Om die reden wensen VZW R, VZW X, VZW Y en VZW Z te worden omgevormd in een VSO die de vennootschapsvorm zal aannemen van een CVBA.

**51**. De aanvragers wensen te benadrukken dat de keuze voor de omvorming naar het VSO-statuut wat betreft de verschillende entiteiten definitief is. Er bestaat met andere woorden geen intentie om in de toekomst opnieuw af te zien van dit statuut.

## Wat betreft de omzetting van VZW X, VZW Y en VZW Z

**52**. Aangezien een substantieel deel van de activiteiten vandaag verricht worden ten behoeve van niet-leden, riskeren de betrokken exploitatie-VZW's X, Y en Z discussies over de naleving van het verbod om nijverheids- of handelszaken te drijven zoals vermeld in artikel 1 VZW-wet. Het is dan ook niet geheel denkbeeldig dat een "commerciële concullega" een stakingsvordering zou instellen op grond van artikel 95 WMPC. Een schending van artikel 1 VZW-wet wordt immers beschouwd als een "met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad". Daarvan kan een concurrent de onmiddellijke staking (= stopzetting) eisen in een procedure "zoals in kortgeding". Wordt de eiser in het gelijk gesteld dan moet de VZW onmiddellijk na betekening van de uitspraak alle activiteiten staken, op straffe van een dwangsom en ongeacht het hoger beroep.

**53**. Het spreekt voor zich dat dit een risico is dat de betrokken exploitatie-VZW's niet willen lopen. De wetgever heeft voor de VZW's die zich begeven op het commerciële pad, maar daarbij toch een sociaal doel of belangeloos oogmerk willen nastreven, bij wet van 13 april 1995 de "vennootschap met sociaal oogmerk" (VSO) geïntroduceerd. De VSO biedt inderdaad de mogelijkheid om zonder beperkingen commerciële activiteiten te verrichten voor zover deze, rechtstreeks of onrechtstreeks, bijdragen tot het (intern of extern te realiseren) sociaal oogmerk.

**54**. Artikelen 26*bis* t.e.m. septies van de VZW-wet van 27 juni 1921 en artikel 668 W.Venn voorzien om voormelde reden uitdrukkelijk in de mogelijkheid tot omzetting van een VZW in een VSO. Daarbij geldt als uitdrukkelijke voorwaarde dat het bedrag van het netto-actief niet aan de vennoten mag worden terugbetaald of uitgekeerd. Uiteraard zal deze bepaling gerespecteerd worden door de betrokken exploitatie-entiteiten.

**55**. Daarnaast zullen X, Y en Z tevens opteren voor de statutaire uitsluiting van winstuitkeringen aan de aandeelhouders (geen dividenduitkering).

**56**. X, Y en Z zullen na hun omzetting onafgebroken aan de vennootschapsbelasting onderworpen blijven conform artikel 179 WIB 92.

**57**. Naar aanleiding van de partiële splitsingsverrichtingen zullen de onroerende goederen (centra H) vanuit X en Y enerzijds en vanuit Z anderzijds worden afgesplitst naar respectievelijk A en B. Ook deze verkrijgende vennootschappen zullen de vorm aannemen van een CVBA-VSO.

**58**. De aanvragers wensen te benadrukken dat de keuze voor het VSO-statuut voor wat betreft de immo-entiteiten eveneens definitief is. Er bestaat bijgevolg geen intentie om in de toekomst af te zien van dit statuut.

## Wat betreft de omzetting van VZW R

**59**. De rechtsvorm van R als VZW sluit aan bij de activiteiten die zij op vandaag uitoefent als ondersteunend beheerplatform ten behoeve van de centra H.

**60**. Aangezien R haar rendabiliteit wenst te versterken en een verbreding van haar publiek nastreeft, wat op termijn ten goede moet komen aan alle burgers (inclusief de leden van Q), zal een VZW niet langer de aangewezen rechtsvorm zijn voor deze entiteit.

**61**. Bijgevolg wenst ook R een omzetting door te voeren van de VZW-rechtsvorm naar een VSO. R zal in de toekomst een vennootschap met sociaal oogmerk zijn zoals bedoeld in artikel 661 W.Venn. en niet gericht zijn op de verrijking van haar vennoten. In de statuten van de voormelde entiteit zal worden ingeschreven dat de vennoten bij de realisatie van de doelstellingen geen enkel vermogensvoordeel nastreven. Met andere woorden, het uitkeren van een dividend aan de aandeelhouders is strikt verboden.

**62**. R is momenteel onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Dit vloeit voort uit het feit dat zij (i) geen winsten realiseert omdat zij zuiver kostendekkend werkt, (ii) een ondersteunende functie heeft en (iii) enkel optreedt voor mede-organisaties. Bijgevolg kon R overeenkomstig artikel 220, 3° WIB 92 tot op heden niet geacht worden een exploitatie of verrichtingen van winstgevende aard te voeren.

**63**. Gelet op de toekomstige rol erkent R dat de kwalificatie van haar activiteiten anders zal zijn dan voorheen. Om die reden erkent zij dan ook de principiële onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting vanaf de omzetting in een VSO. Dit impliceert dan ook dat het netto-actief van R bij de omzetting in een VSO zal worden ingeschreven op een onbeschikbare reserverekening (al dan niet geïncorporeerd in kapitaal) en aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190 WIB 92 zal worden voldaan overeenkomstig artikel 184*ter* WIB 92.

## Conclusie

**64**. Voor alle betrokken entiteiten, met uitzondering van VZW R, geldt dat de omvorming conform artikel 214 WIB 92 zal plaatsvinden en bijgevolg geen aanleiding zal geven tot belastingheffing. De waardering van de activa- en passivabestanddelen, met inbegrip van het kapitaal en de reserves, zullen immers geen wijziging ondergaan naar aanleiding van de verrichting.

**65**. VZW R, VZW X, VZW Y en VZW Z zullen worden omgezet in CVBA-VSO's op basis van een interim staat die niet ouder zal zijn dan drie maanden op het ogenblik van de omvorming. Het bedrag van het netto-actief per interim staat zal worden ingeschreven in de jaarrekening van de betrokken CVBA-VSO onder het (niet voor uitkering vatbaar) maatschappelijk kapitaal of op een onbeschikbare reserverekening. Conform de wettelijke verbodsbepalingen terzake zal het netto-actief op geen enkel moment worden uitgekeerd of uitbetaald aan diens vennoten.

**66**. Het sociaal oogmerk van de betrokken nieuw omgevormde vennootschappen zal aansluiten op het doel dat voorheen werd behartigd door de respectievelijke verenigingen waaruit ze zijn omgevormd.

**III. B. De oprichting van een btw-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, W.BTW met als leden R, de exploitatie- en de immo entiteiten gevolgd door een partiële splitsing met de btw-vrije overdracht van het onroerend goed door de exploitatie- aan de immo entiteiten.**

## III. B. 1 Stap 1 - Oprichting van de btw-eenheid tussen R, de 3 exploitatie-entiteiten en de 2 immo-entiteiten

**67**. Specifiek in verband met de keuze om eerst over te gaan tot oprichting van een btw-eenheid en pas in een volgende fase het onroerend goed via een partiële splitsing over te dragen aan de immo entiteiten wensen de aanvragers het akkoord vanwege de DVB te verkrijgen aangaande hun zienswijze ter zake.

## Wettelijk kader

**68**. Komen in aanmerking voor de oprichting van een btw-eenheid en kunnen bijgevolg als één belastingplichtige worden aangemerkt in de zin van artikel 4, § 2 W.BTW: de in België gevestigde belastingplichtigen in de zin van artikel 4, § 1 W.BTW die juridisch gezien wel zelfstandig zijn, maar financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn.

**69.** [Artikel 1, § 2 KB nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1) W.BTW voorziet bovendien in een weerlegbaar vermoeden dat aan deze 3 verbondenheidsvoorwaarden is voldaan wanneer een lid van de btw-eenheid een rechtstreekse participatie heeft van meer dan 50 pct. in een andere belastingplichtige. Slechts wanneer laatstgenoemde kan aantonen dat het niet nauw verbonden is met het betrokken lid van de btw-eenheid, zal dit vermoeden worden weerlegd.

## Toepassing: A en B

**70**. In het licht van de partiële splitsing die na de oprichting van de btw-eenheid zal worden verricht, dient er in het bijzonder aandacht te worden besteed aan de toetreding tot de btw-eenheid van de nieuw op te richten immo-entiteiten, A en B.

**71**. Zoals onder randnummer 69 aangehaald, vereist de oprichting van een btw-eenheid vooreerst dat de kandidaat leden allen in België gevestigde belastingplichtigen zijn in de zin van artikel 4, § 1 W.BTW.

**72.** In dat verband dient er op gewezen te worden dat de 2 immo-entiteiten specifiek worden opgericht met de bedoeling om er het onroerend goed van de centra H in onder te brengen die de immo-entiteiten vervolgens ter beschikking zullen stellen van de exploitatie-entiteiten. Dergelijke terbeschikkingstelling van een onroerend goed vormt een principieel belastbare (weliswaar eventueel vrijgestelde) handeling in het kader van een economische activiteit. De Minister van Financiën heeft in het verleden reeds verduidelijkt dat een patrimoniumvennootschap kan toetreden tot een btw-eenheid met de vermindering van de btw als kost tot gevolg (2).

**73**. Op basis van gevestigde Europese rechtspraak en zoals erkend in de Belgische administratieve praktijk verkrijgt men de hoedanigheid als belastingplichtige van zodra men ondubbelzinnig en te goeder trouw de intentie uit om belastbare handelingen te stellen (3).

**74**. Het feit dat de betrokken onroerende goederen slechts na oprichting van de btw-eenheid in het bezit komen van de immo-entiteiten doet bijgevolg geen afbreuk aan hun statuut als belastingplichtige.

**75**. Onder de beoogde versterkingsstrategie van Q zullen de deelnemingen in de twee immo-entiteiten worden aangehouden door R, X en Z.

**76**. Op basis van het voorgaande wordt van rechtswege aangenomen dat aan de 3 cumulatieve verbondenheidsvoorwaarden is voldaan in hoofde van de 2 immo-entiteiten en dat deze moeten deel uitmaken van de btw-eenheid. Aangezien (i) de 2 immo-entiteiten verplicht deel dienen uit te maken van de btw-eenheid (conform [artikel 1, § 2 van Koninklijk Besluit nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art1)), (ii) de immo-entiteiten zich inschrijven in voormelde strategische oefening én (iii) de betreffende onroerende goederen reeds operationeel zijn, dient in casu geen rekening te worden gehouden met de stelling van de Minister van Financiën dat aan de voorwaarde van de economische verbondenheid moet zijn voldaan op het tijdstip van het verzoek tot oprichting van de btw-eenheid waarbij de loutere bedoeling van de belastingplichtige om een gebouw in oprichting in de toekomst te verhuren aan een andere belastingplichtige onvoldoende is om die economische verbondenheid aan te tonen (4).

---

*\[(2) Parl. Vraag nr. 308 van de heer Van der Maelen dd. 17.02.2009, Vr. en Antw., Kamer, 2008-2009, nr. 056, blz. 119-121.*

*(3) H.v.J.* [*C-268/83*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest) *Rompelman, 14 februari 1985; H.v.J.* [*C-110/94*](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest) *NV Inzo, 29 februari 1996; Beslissing nr. E.T. 110.559 van 24 november 2006.*

*(4) Parl. Vraag nr. 542. van de heer Luykx dd. 24 juli 2012, Vr. en Antw., Kamer 2011-2012, nr. 081, blz. 57-58.\]*

---

## III. B. 2 Anti-rechtsmisbruik: artikel 1, § 10, W.BTW en de Halifax-doctrine

## Wettelijk kader

**77**. Artikel 1, § 10 W. BTW voorziet in de anti-misbruikbepaling voor btw-doeleinden: "*Voor de toepassing van dit Wetboek is er sprake van misbruik wanneer de verrichte handelingen resulteren in het verkrijgen van een fiscaal voordeel waarvan de toekenning in strijd is met de doelstelling beoogd in dit Wetboek en de ter uitvoering ervan genomen besluiten en die handelingen in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel hebben.*"

**78.** Deze bepaling is rechtstreeks ontleend aan het Halifax-arrest van het Hof van Justitie (zaak [C-255/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest) Halifax plc). Volgens dit arrest verzet het BTW-stelsel zich tegen het recht van een belastingplichtige om de opgelopen BTW in aftrek te brengen indien de transacties waarop dit recht is gebaseerd een misbruik vormen.

**79**. Om te kunnen vaststellen dat sprake is van misbruik, is vereist dat twee voorwaarden cumulatief vervuld zijn (5) :

\- de betrokken transacties moeten er, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden in de desbetreffende bepalingen van de richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting daarvan, toe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend;

\- uit een geheel van objectieve factoren moet blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen; er is geen misbruik wanneer voor de betrokken economische activiteit een andere verklaring bestaat dan het louter verkrijgen van belastingvoordelen.

**80**. Het is aan de nationale rechter om in de concrete omstandigheden te oordelen of er sprake is van misbruik op basis van de door de Europese rechtspraak aangereikte criteria.

**81**. Bij zijn beoordeling van het wezenlijke doel van de transactie kan de rechter volgens het Hof van Justitie het louter artificiële karakter van deze handeling in aanmerking nemen alsmede de banden van juridische, economische, en/of persoonlijke aard tussen de betrokken ondernemers.

**82**. Zowel op grond van Europese rechtspraak als de Belgische circulaire kan een ondernemer zich bij zijn keuze tussen vrijgestelde en belaste handelingen laten leiden door een reeks van factoren, waaronder BTW-overwegingen (6). Wanneer de belastingplichtige kan kiezen tussen twee transacties, verplichten de BTW-regels hem niet de transactie te kiezen waarvoor de hoogste BTW verschuldigd is. Het Hof van Justitie bevestigt dat hij integendeel het recht heeft om zijn activiteit zodanig te structureren dat de omvang van zijn belastingschuld beperkt blijft.

---

*\[(5) Circulaire nr. AFZ/2006-0604 (AFZ 14/2006) dd. 24.08.2006.*

*(6) Cass., 6 juni 1961, Brepols, Pas., 1961, I, 1082.\]*

---

## Toepassing op de R-groep

**83**. In het kader van deze aanvraag tot voorafgaande beslissing zijn er vanuit btw-oogpunt drie "transacties" die mogelijks bijzondere aandacht vragen, met name:

\- de oprichting van twee immo-vennootschappen waarin het onroerend goed zal afgesplitst worden;

\- de oprichting van een btw-eenheid die de immo vennootschappen zal omvatten;

\- de overdracht van het onroerend goed binnen de eenheid, waarna de immo-vennootschappen de onroerende goederen aan de exploitatievennootschappen (zonder btw-herziening) ter beschikking zullen stellen.

**84**. Teneinde te beoordelen of de transacties of het geheel van de transacties vanuit btw-oogpunt kwalificeren als misbruik dienen volgende punten volgens de aanvrager in overweging genomen te worden:

\- in de huidige structuur genieten de exploitatievennootschappen een integraal recht van btw-aftrek voor de betreffende onroerende goederen. De oprichting van immo-vennootschappen en het afsplitsen van het onroerend goed in die vennootschappen kadert in casu integraal in het plan dat aan de hervorming van de R groep ten grondslag ligt en dat duidelijk niet fiscaal gedreven is;

\- de oprichting van de btw-eenheid kadert in de doelstellingen die de Belgische wetgever in Circulaire 42/2007 (ET 111.702) zelf expliciet aangeeft omtrent de figuur van de "eenheid" ("*om te kiezen voor strategieën die het mogelijk maken hun kosten voor administratief beheer te rationaliseren en hun financiële middelen optimaal aan te wenden*"). Deze figuur maakt het mogelijk om het exploitatierisico juridisch af te zonderen van het patrimonium en btw-technisch te blijven ageren als één btw-plichtige, hetgeen in casu strookt met de bedoeling van de partijen;

\- de overdracht van de onroerende goederen die plaatsvindt binnen de btw eenheid wordt geacht buiten de btw-werkingssfeer te blijven (punt 7.2.1.1 van Circulaire 42/2007 (ET 111.702); Voorafgaande Beslissing nr. 900.373 van 29.06.2010) en geschiedt bijgevolg automatisch op btw-neutrale wijze. Het feit dat er in hoofde van de immo-vennootschappen geen btw-herziening dient te gebeuren vloeit voort uit het feit dat de betrokken onroerende goederen aangewend worden/blijven voor btw-belaste handelingen naar derden toe.

**85**. Voormelde elementen in acht genomen alsook het feit dat aan de beoogde hervormingen duidelijk andere dan fiscale overwegingen ten grondslag liggen doet de aanvrager besluiten dat er in casu geen sprake kan zijn van misbruik in de zin van artikel 1, § 10 W.BTW. Noch de aard van de transacties, noch de chronologie van de transacties beogen vanuit btw-oogpunt een voordeel te creëren. De gekozen chronologie beoogt louter om de huidige btw-situatie te bestendigen en een btw-herziening te vermijden.

**III. C. De inbreng van de achtergestelde leningen tegen nominale waarde door Q in X, Y en Z gevolgd door de inbreng van de aandelen X, Y en Z door Q in R, kan niet aangemerkt worden als een verkregen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 79** ***j°*** **207, lid 2 WIB 92**

## III. C. 1 Wettelijk kader

**86**. Artikel 79 *j°* 207, lid 2 WIB 92 verhindert de aftrek van overgedragen verliezen en het verlies van het belastbaar tijdperk, alsook van andere aftrekken (zoals de investeringsaftrek) voor zover dat de belastingplichtige rechtstreeks of onrechtstreeks abnormale of goedgunstige voordelen zoals gedefinieerd door artikel 26 WIB 92 heeft ontvangen van een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt. In de mate dat een Belgische belastingplichtige dergelijke abnormale of goedgunstige voordelen heeft ontvangen, vormen deze in hoofde van de belastingplichtige een minimale belastbare basis.

**87**. Er wordt aangenomen dat de fiscale wetgever met het begrip "voordeel" van artikel 79 van het WIB 92 de situatie heeft bedoeld waarbij er (i) verrijking is in hoofde van de genieter van het voordeel (ii) zonder dat dit voordeel door een "evenwaardige" tegenprestatie wordt vergoed (7).

**88**. Volgens de rechtspraak is een voordeel "abnormaal" wanneer het strijdig is met de gewone gang van zaken, met de gevestigde regels of gewoonten of wanneer het indruist tegen wat in gelijkaardige gevallen gebruikelijk is (8).

**89**. Een "goedgunstig" voordeel wordt omschreven als een voordeel dat buiten de uitvoering van een verbintenis of zonder enige tegenprestatie wordt toegekend (9).

**90**. Wat betreft de artikelen 79 en 207, § 2 WIB 92, blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie dat deze artikelen toegepast kunnen worden in twee verschillende situaties:

\- een onderneming verkrijgt een voordeel zonder tegenprestatie of met een niet-marktconforme tegenprestatie;

\- een onderneming verkrijgt voordelen in abnormale omstandigheden, d.w.z. omstandigheden die niet op economische, maar louter op fiscale motieven berusten (10).

**91**. Deze laatste rechtspraak omvat situaties waarin een winstmakende activiteit ingebracht wordt in een (lege) vennootschap met beschikbare overgedragen fiscale aftrekken (in casu fiscale verliezen) en waarbij de inbreng louter en alleen ingegeven is door fiscale motieven (nl. de verrekening van de winst van de winstgevende vennootschap met de fiscale aftrekken van de lege vennootschap). Deze rechtspraak is het voorwerp van kritiek geweest in de rechtsleer (11) omdat ze ook de artikelen 79 en 207, § 2 WIB 92 toepast in gevallen waar een voordeel verleend wordt in ruil voor een evenwaardige vergoeding (en als dusdanig geen eigenlijk voordeel aanwezig dient te worden geacht in zulk een geval).

**92**. Niettemin heeft het Hof van Cassatie dit standpunt herbevestigd in een beslissing van 29 april 2005 (12), in de context van de inbreng van een nieuwe activiteit in een lege vennootschap, waarvan de enige waarde bestond in overgedragen fiscale verliezen. Een abnormaal of goedgunstig voordeel bestaat dan in een geheel van operaties die door de betrokken entiteiten werden opgezet of, met andere woorden, in een "volledig abnormale constructie".

**93**. Bijgevolg kan er volgens het Hof van Cassatie sprake zijn van een voordeel wanneer er van de verkrijger formeel een tegenprestatie is, zelfs wanneer de tegenprestatie adequaat lijkt te zijn. Om vast te stellen of de winsten waarop de vennootschap haar verliezen wenst aan te rekenen voortkomen van abnormale voordelen, volstaat het volgens het Hof van Cassatie aldus niet om na te gaan of de zogenaamde voordelen door een equivalente tegenprestatie zijn vergoed. Volgens het Hof van Cassatie zou er tevens moeten worden onderzocht of de verkregen voordelen rechtstreeks of onrechtstreeks in economisch gerechtvaardigde omstandigheden werden verkregen(13).

**94**. Voor de beoordeling van de abnormaliteit of de normaliteit van de toegestane voordelen of hun goedgunstig karakter moet bijgevolg worden gesteund op de economische omstandigheden van het ogenblik, op de respectieve situatie van partijen en op de feitelijke elementen van de zaak.

**95**. Hierna zal worden aangetoond dat (i) de inbreng van de achtergestelde leningen tegen nominale waarde door Q in het kapitaal van X, Y en Z (i.e. de exploitatie-vzw's na omzetting) gevolg door de inbreng vanwege Q van de aandelen in X, Y en Z in R alsook, meer in het algemeen, (ii) het geheel van de beoogde verrichtingen die in deze aanvraag worden beschreven, gesteund zijn op bedrijfseconomische motieven die duidelijk de noodzaak ervan illustreren. Uit eerdere beslissingen van de DVB blijkt volgens de aanvrager duidelijk dat deze laatste de economische beweegredenen voor de inbreng van schuldvorderingen / het geheel van verrichtingen mee in beschouwing neemt bij de beoordeling of er sprake is van een abnormaal of goedgunstig voordeel (14).

---

*\[(7) H. COPPENS, "De artikelen 53 en 115 WIB terzake van abnormale en goedgunstige voordelen tussen verbonden ondernemingen", TFR 1987, 276.*

*(8) Cass. 3 december 1982, Bull. Bel. 1985, nr. 635, 76; Bergen 1 maart 1978, J.D.F. 1978, 227 en Antwerpen 30 juni 1981, AFT 1982, 234.*

*(9) Cass. 31 oktober 1978, Arr. Cass. 1979-80, 278.*

*(10) 'Craft', Cass. 26 april 1966; 'Au Vieux Saint-Martin bis', Cass. 23 februari 1995; 'ABM International', Cass. 29 april 2005.*

*(11) Zie o.a. Kirkpatrick, J., Le régime fiscal des sociétés en Belgique, Bruylant, 2003, 201.*

*(12) 'ABM International', Cass. 29 april 2005.*

*(13) Cass. 26 april 1966, Pas. 1966, I, 1081; Cass. 22 september 1972, JPDF 1972, 292; Cass. 28 september 1984, AFT 1985, 18.*

*(14) Voorafgaande Beslissing nr. 2011.397 d.d. 20 december 2011; Voorafgaande Beslissing nr. 2011.139 d.d. 31 mei 2011.\]*

---

## III. C. 2 In casu: economische en juridische achtergrond

**96**. Zoals *supra* omschreven, werden door Q achtergestelde leningen verstrekt aan VZW X, VZW Y en VZW Z ter financiering van de constructie, instandhouding, uitbreiding en renovatie van de onroerende goederen (i.e. de onroerende goederen die dienst doen als centra H). De nominale waarde van deze achtergestelde leningen is momenteel gelijk aan de boekwaarde.

**97**. De aanvrager bezorgde een overzicht van het ontstaan en opbouw van de achtergestelde leningen.

**98**. Ná de inbrengverrichtingen zullen er geen achtergestelde leningen meer open staan vanwege Q ten aanzien van de verschillende betrokken entiteiten. Bijgevolg zullen er na de inbrengverrichtingen evenmin nog schulden bestaan binnen de groep die betrekking hebben op de onroerende goederen.

**99**. De achterliggende idee voor het bestaan van deze achtergestelde leningen is dat er in hoofde van de VZW's een verplichting tot terugbetaling zou bestaan voor deze middelen. Aldus beoogde Q zichzelf de zekerheid te verschaffen dat de verleende fondsen of - voor zover dit nodig zou blijken- de onroerende goederen zelf zouden kunnen terugvloeien naar Q.

**100.** De omzetting van de achtergestelde leningen kadert in de versterkingsstrategie van Q en de structuur die ter ondersteuning hiervan wordt beoogd. Meer bepaald, zullen VZW X, VZW Y en VZW Z worden omgezet in een CVBA-VSO, ten einde tot een rechtsvorm te komen die aansluit bij hun activiteiten en het sociaal oogmerk dat daarmee wordt beoogd. De omzetting in een vennootschapsvorm impliceert evenwel automatisch de onderworpenheid aan de vennootschapsrechtelijke regels ter zake, i.e. vereisten van minimumkapitaal, alarmbelprocedure (artikel 431-432 W. Venn.), etc. Bij een omzetting van de VZW's in een VSO op vandaag zou het maatschappelijk vermogen negatief zijn. Dit is het gevolg van het negatief netto-actief van de VZW's ten gevolge van de geleden substantiële boekhoudkundige verliezen (en waaraan de versterkingsstrategie van Q onder meer beoogt een einde te stellen).

**101**. Door de inbreng van de achtergestelde leningen in het kapitaal van X, Y en Z op het ogenblik van de omzetting in CVBA-VSO wordt er niet alleen voldaan aan het vereiste minimumkapitaal van een CVBA (i.e. EUR 18.550) maar wordt tevens de toepassing van de artikelen 431 en 432 W.Venn. vermeden. Met de voorgenomen inbreng anticiperen de aanvragers met andere woorden op een toepassing van de bezwarende procedures voorzien in de artikelen 431-432 W. Venn. De aanvragers zijn immers verplicht om buiten het bereik van de in deze artikelen voorziene procedure te blijven ten einde de continuïteit van hun werking te verzekeren. Daarnaast wordt een kapitaalverhoging middels een inbreng in natura in het algemeen aanbevolen door het Instituut der Bedrijfsrevisoren in geval van een vennootschap in een verliessituatie.

**102**. Bovendien wenst men het eigen vermogen van de entiteiten niet alleen te versterken omwille van de vennootschapsrechtelijke voorschriften ter zake maar tevens als zekere "buffer" voor de toekomst. De voorgenomen structurering in het kader van de versterkingsstrategie beoogt de rendabiliteit van de exploitatie-entiteiten te verhogen. Uit marktonderzoek en studie van adviesbureau C is gebleken dat de verdere rendabilisering van de centra H in ieder geval mogelijk is. Uiteraard zal dit niet van vandaag op morgen bewerkstelligd kunnen worden maar zal dit stelselmatig, op basis van de "nieuwe aanpak", worden gerealiseerd. Intussentijd wenst R de entiteiten evenwel een voldoende sterke kapitaalstructuur mee te geven ten einde nog voldoende "dekking" te kunnen bieden voor eventuele verliezen die de eerstkomende jaren wellicht nog geleden zouden kunnen worden. Zoals eerder aangegeven wenst men op vandaag tot een voldoende sterk financieel kader te komen opdat de entiteiten op termijn zelfbedruipend zouden kunnen worden.

**103**. Hierbij weze nog opgemerkt dat de verankering van (de waarde van) het onroerend patrimonium niet langer zal bestaan in de verplichting tot terugbetaling van de achtergestelde lening. Deze waarborg wordt onder de nieuwe structuur immers bekomen door het afzonderen van deze onroerende goederen in afzonderlijke patrimoniumvennootschappen die, via R, onder rechtstreekse leiding van Q zullen staan. De omzetting van de achtergestelde leningen in kapitaal zal geschieden door de inbreng vanwege Q in de exploitatie-entiteiten ter gelegenheid van de omzetting van deze laatsten in CVBA-VSO's.

**104**. De kapitaalverhogingen door inbreng van de achtergestelde leningen zullen ondersteund worden door een bedrijfsrevisoraal verslag en plaatsvinden overeenkomstig de toepasselijke regels uit het Wetboek van Vennootschappen. De inbrengen zullen volledig vergoed worden met de uitgifte van nieuwe aandelen door de betrokken entiteiten. De aandelen die Q in ruil voor de inbrengen ontvangt van de exploitatie-entiteiten, zullen vervolgens worden ingebracht in R en dit naar aanleiding van de omzetting van deze laatste in een CVBA-VSO.

**105**. De aanvrager bezorgde een overzicht van het netto-actief van de betrokken entiteiten na de inbrengverrichtingen.

**106**. Voormelde verrichtingen kaderen binnen de toekomstige meer duurzame verbondenheid tussen de verschillende entiteiten en binnen de rol die R op zich zal nemen als centrale holding van de exploitatie-entiteiten ten einde het sociaal oogmerk te bewaken. R zal de onderliggende entiteiten controleren en zorgen voor een optimale inzetting van de financiële middelen. De inbreng van de aandelen in de exploitatie-entiteiten door Q in R laat toe om voormelde holdingsstructuur te bekomen. Uit het voorgaande mag blijken dat er geen fiscale argumenten aan de basis liggen van de voorgestelde inbrengen. Q wenst middels haar versterkingsstrategie tot een verbetering te komen van de financiële positie van alle betrokken entiteiten en in het bijzonder van de exploitatie-entiteiten die te kampen hebben met een negatief netto-actief ten gevolge van substantiële boekhoudkundige overgedragen verliezen. Bovendien werd volgens de aanvrager reeds meerdere malen door de DVB erkend dat het in bepaalde specifieke omstandigheden voor verbonden ondernemingen bedrijfseconomisch aanvaardbaar is om hulp te bieden aan groepsondernemingen in moeilijkheden zonder dat deze hulp beschouwd kan worden als een ontvangen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 79 *j°* 207, lid 2 WIB 92.

**107**. Voorts benadrukken de aanvragers dat de inbrengen en meer algemeen het geheel van de beoogde verrichtingen kaderen in de uitwerking van een doelgerichte structuur ter ondersteuning van de versterkingsstrategie van R alsook in een concreet toekomst-(herstel-) plan voor de betrokken entiteiten ten einde continuïteit, verdere groei en uitbreiding te kunnen realiseren om daarbij finaal activiteit G in het algemeen veilig te stellen en te bevorderen. Uit het business plan blijkt immers duidelijk de bedoeling en ook de haalbaarheid om tot financiële leefbaarheid en rendabiliteit van de exploitatie-entiteiten te komen in de toekomst. Tevens blijkt hieruit dat er geen sprake is van een inbreng van (een) winstgevende activiteit(en) in (een) verlieslatende entiteit(en). Bijgevolg mag duidelijk zijn dat de verrichtingen niet bedoeld zijn om fiscaal overdraagbare verliezen - die overigens aanzienlijk verminderen ingevolge de partiële splitsings- en fusieverrichtingen - in de (nabije) toekomst aan te wenden om de belastbare basis resulterend uit winstgevende activiteiten te verminderen. Het geheel van deze verrichtingen kan dan ook niet beschouwd worden als een "abnormale constructie" die bij uitbreiding aanzien kan worden als een ontvangen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van artikel 79 *j°* 207, lid 2 WIB 92.

**III. D. Onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 179 WIB 92 na de beoogde omvorming van de aanvragers in CVBA-VSO's en de beoogde herstructureringsverrichtingen**

**108**. VZW X, VZW Y en VZW Z zijn sinds lange tijd onderworpen aan de vennootschapsbelasting en dit in samenspraak met de belastingadministratie. De omvorming van de rechtsvorm van deze entiteiten in een CVBA-VSO alsook de herstructureringsverrichtingen waarbij deze entiteiten betrokken zullen zijn, zullen geen afbreuk doen aan hun onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting.

**109**. VZW R is momenteel nog onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. De entiteit erkent evenwel dat zij ingevolge haar omvorming in een CVBA-VSO onderworpen zal worden aan de vennootschapsbelasting. Vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die regelmatig zijn opgericht, rechtspersoonlijkheid hebben, in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur hebben en zich met een exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, zijn immers overeenkomstig artikel 179 WIB 92 aan de vennootschapsbelasting onderworpen. Bovendien kadert de omvorming van R in een CVBA-VSO eveneens in een verruiming van haar activiteiten.

**110**. Om die reden zal R in de toekomst onvermijdelijk geacht worden zich bezig te houden met een exploitatie zonder dat zij zich op één van de uitzonderingen zou kunnen beroepen zoals voorzien in artikel 181 en 182 WIB 92. Zowel de omvorming als de toekomstige activiteiten van R zullen bijgevolg resulteren in de onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting.

**III. E. Toepassing van het belastingneutrale regime vervat in artikel 211, § 1, WIB 92 voor wat betreft de partiële splitsingsverrichtingen van de exploitatie CVBA-VSO's resp. de fusie door overneming van Y door X**

## III. E. 1 Wettelijk kader

**111**. Artikel 211, § 1 WIB 92 bepaalt onder meer dat in geval van een partiële splitsing of fusie de meerwaarden als bedoeld in de artikelen 44, § 1, 1° en 47 WIB 92 die op het ogenblik van de verrichting zijn vrijgesteld en de meerwaarden die naar aanleiding van deze verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, niet in aanmerking komen voor belastingheffing ingevolge artikel 208, lid 2 of artikel 209 WIB 92.

**112**. Deze bepaling is slechts van toepassing op voorwaarde dat:

\- de overnemende vennootschap een binnenlandse of een intra-Europese vennootschap is;

\- de verrichting wordt verwezenlijkt overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en, desgevallend, conform vennootschapsrechtelijke bepalingen van gelijke aard die van toepassing zijn op de overnemende of verkrijgende intra-Europese vennootschap; en

\- de verrichting beantwoordt aan het bepaalde in artikel 183*bis* WIB 92.

**113**. Het staat volgens de aanvrager vast dat de eerste twee voorwaarden vervuld zullen zijn bij de beoogde partiële splitsingsverrichtingen van X, Y en Z alsook bij de daaropvolgende fusie tussen X en Y. Voormelde entiteiten zullen vanaf hun omzetting immers de vorm aannemen van een vennootschap.

**114**. Artikel 183*bis* WIB 92 bepaalt verder dat de verrichting niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking mag hebben. Wanneer de verrichting niet plaatsvindt op grond van zakelijke overwegingen, zoals een herstructurering of rationalisering van de activiteiten van de bij de verrichting betrokken vennootschappen, kan dit doen vermoeden, behalve het bewijs van het tegendeel, dat die verrichting als hoofddoel of één van de hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking heeft. Dat de voorgenomen partiële splitsingsverrichtingen en fusie voldoen aan de voorwaarden gesteld in artikel 183*bis* WIB 92, mag blijken uit onderstaande motivering, waarbij achtereenvolgens wordt toegelicht dat er geen fiscale voordelen verbonden zijn aan de voorgenomen partiële splitsingsverrichtingen en fusieverrichting, en er bovendien niet-fiscale zakelijke overwegingen voorliggen.

## III. E. 2 Boekhoudkundige en fiscale aspecten

**115**. De aanvragers wensen toepassing te maken van het regime van boekhoudkundige continuïteit in het kader van de partiële splitsings- en fusieverrichtingen met naleving van de relevante boekhoudkundige bepalingen terzake.

**116**. Gelet op het beginsel van de fiscale neutraliteit dat in principe gepaard gaat met een partiële splitsing- en fusieverrichting, zullen alle vermogensbestanddelen in het kader van de partiële splitsingsverrichtingen door de verkrijgende vennootschappen A en B overgenomen worden aan eenzelfde fiscale waarde als diegene die zij op dat ogenblik hebben in hoofde van resp. X, Y en Z. Hetzelfde geldt voor de vermogensbestanddelen van Y die als gevolg van fusie integraal zullen worden overgenomen door X. Er zal geen sprake zijn van een verhoging van de afschrijvingsbasis of van een lagere belastbare meerwaarde bij latere vervreemding (geen "step up"). Integendeel, wat betreft de onroerende goederen werd *supra* reeds aangegeven dat de aanvragers de boekwaarde vóór de partiële splitsingsverrichtingen in overeenstemming wensen te brengen met de werkelijke waarde zoals vastgesteld in het verslag van adviesbureau C. De afschrijvingsbasis bij de verkrijgende vennootschappen, A en B, zal hierdoor bijgevolg lager zijn. De aanvrager bezorgde een overzicht van de boekhoudkundige situatie van de betrokken entiteiten voorafgaandelijk aan en na doorvoering van de verrichtingen.

**117**. De aanvrager bezorgde een overzicht van de activa die het voorwerp zullen uitmaken van de partiële splitsingsverrichtingen en van de activa en passiva die zullen achterblijven bij de exploitatie-entiteiten. De boekhoudkundige en fiscale verwerking van de partiële splitsingsverrichtingen zal gebeuren in overeenstemming met de voorgeschreven regels inzake de allocatie van belaste en belastingvrije reserves voor boekhoudkundige en fiscale doeleinden (conform artikelen 211-213 WIB 92). Overeenkomstig artikel 213 WIB 92 zal een deel van het fiscaal gestort kapitaal, de belaste reserves en de belastingvrije reserves van resp. X, Y en Z worden toegewezen aan resp. A en B in verhouding tot de fiscale nettowaarde van het resterende gedeelte binnen resp X, Y en Z en het overgedragen gedeelte naar resp. A en B. Een gedetailleerde simulatie van de fiscale opdeling van de eigenvermogensbestanddelen op basis van artikel 213 WIB 92 per partieel te splitsen vennootschap alsook van de verkrijgende vennootschappen werd door de aanvrager bezorgd.

**118**. Naast vrijgestelde waardeverminderingen op handelsvorderingen en vrijgestelde voorzieningen voor risico's en kosten beschikken de entiteiten niet over vrijgestelde reserves op het ogenblik van de partiële splitsingsverrichtingen. Deze waardeverminderingen en voorzieningen zullen worden behouden resp. overgedragen naargelang de actiefbestanddelen waarop deze betrekking hebben.

**119**. De (negatieve) belaste reserves die door toedoen van de toewijzing aan A en B verminderen, zullen in de fiscale aangifte van resp. X (i.e. ná de fusie tussen X en Y) en Z onmiddellijk in de begintoestand van de belaste reserves worden aangepast teneinde de fiscale neutraliteit van de verrichting in hun hoofde te reflecteren.

**120**. Wat betreft de fusie door overneming van Y door X zullen de eigen vermogensrekeningen (i.e. kapitaal, uitgiftepremies, herwaarderingsmeerwaarden, reserves, overgedragen resultaat en kapitaalsubsidies) van Y lijn per lijn worden overgenomen in de eigen vermogensrekeningen van X, d.w.z. tegen de waarde waarvoor zij in de boekhouding van Y voorkwamen op het tijdstip waarop de fusie boekhoudkundig geacht wordt plaats te vinden. De voorzieningen in hoofde van Y zullen onder dezelfde voorwaarden blijven bestaan bij X.

**121**. Uit de laatst ingediende fiscale aangifte blijkt dat X, Y en Z over fiscaal overdraagbare verliezen en overgedragen investeringsaftrekken beschikken. Als gevolg van de te boeken waardeverminderingen op de onroerende goederen, zullen deze fiscaal overdraagbare verliezen vóór de partiële splitsingsverrichtingen en fusie nog toenemen. Door de aanvrager werd een voorlopige simulatie gemaakt van de impact van de voorgenomen verrichtingen op de fiscaal overdraagbare aftrekken van de betrokken entiteiten op basis van de (ingeschatte) cijfers van de betrokken entiteiten (en rekening houdend met de inbreng van de achtergestelde leningen):

**121.1** de aanvrager stelt dat niet mag worden voorbijgegaan aan het gegeven dat een proportioneel gedeelte van de verliezen overeenkomstig artikel 206, § 2 WIB 92 in hoofde van de betrokken entiteiten verloren zal gaan naar aanleiding van de beoogde verrichtingen. De fiscaal overgedragen verliezen van X, Y en Z zullen, op het ogenblik van de partiële splitsing van de betrokken onroerende goederen naar A en B, verdeeld worden pro rata de fiscale nettowaarde van het behouden vermogen en het afgesplitste vermogen. Het - op basis van voormelde verhouding - toegewezen gedeelte van de fiscaal overdraagbare verliezen zal vervolgens verder beperkt worden aangezien de verkrijgende vastgoedvennootschappen (A en B) op het moment van de verrichting reeds bestaande vennootschappen zullen zijn. De dilutie zoals voorzien in artikel 206, § 2 WIB 92 zal ook van toepassing zijn op de bijkomende fiscale verliezen die zullen ontstaan als gevolg van de waardeverminderingen op de onroerende goederen. De verkrijgende vennootschappen, A en B, verliezen hierdoor in feite een deel aan toekomstige aftrekbare beroepskost. Zonder afwaardering zouden de toekomstige afschrijvingen op de onroerende goederen immers integraal aftrekbaar zijn, terwijl een deel van de aftrekbare waardevermindering ingevolge de dilutie van de fiscaal overdraagbare verliezen nu verloren gaat;

**121.2** ook de geplande fusie tussen X en Y zal in een volgende fase opnieuw aanleiding geven tot een beperking van het behoud van fiscale verliezen in functie van de fiscale nettowaarde;

**121.3** het nog niet aangewend gedeelte van de eenmalige investeringsaftrek zal naar aanleiding van de partiële splitsing- en fusieverrichtingen verdeeld worden over de betrokken entiteiten in functie van de fiscale nettowaarden (zonder evenwel enige verdamping te ondergaan).

**122.** De aanvrager stelt dat, hoewel de beoogde verrichtingen theoretisch gezien een positief effect zouden kunnen hebben op het vlak van de aftrek voor risicokapitaal, zij zich ertoe verbinden om in de context van de ideologie van Q hier in de toekomst geen gebruik van te maken.

**123**. De aanvrager stelt dat bijgevolg moet worden besloten dat de beoogde partiële splitsingsverrichtingen en fusieverrichting geen fiscaal voordeel opleveren (doch eerder een fiscaal nadeel gelet op de dilutie van de fiscaal overdraagbare verliezen). Bij gebrek aan enig fiscaal voordeel en op grond van het beslissingsdiagram dat de DVB destijds heeft gepubliceerd op haar website, zijn de aanvragers van mening dat de verrichtingen niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of belastingontwijking hebben.

## III. E. 3 Zakelijke overwegingen

**124**. Naast het ontbreken van enig fiscaal voordeel wensen de aanvragers te benadrukken dat er tegelijkertijd heel wat zakelijke overwegingen aan de grondslag liggen van de voorgenomen verrichting. Deze worden hierna verder toegelicht.

## Algemeen

**125**. Zoals supra uitvoerig weergegeven, kaderen de voorgenomen partiële splitsingsverrichtingen en fusieverrichting in de versterkingsstrategie van Q en meer bepaald de structuur die ter ondersteuning hiervan wordt beoogd. In het algemeen wenst Q tot een participatiestructuur te komen die via R, als holding en coördinatieplatform, op uniforme wijze zal worden beheerd en gestuurd. R zal de link worden naar de interne en externe markt voor de totaliteit van het aanbod op het vlak van activiteit G en een meer efficiënte wijze van promotie. R zal de promotie coördineren naar de gemeenschap van leden en potentiële geïnteresseerden waardoor de bezettingsgraad van de betrokken centra H verder kan worden aangevuld.

**126**. De centra H zijn op vandaag immers niet of te weinig rendabel. VZW X is momenteel de enige exploitatie-entiteit die het boekjaar afsluit met een positief boekhoudkundig resultaat. Marktonderzoek heeft aangetoond dat dit onder meer het gevolg is van het feit dat de centra, ondanks een hoge klantvriendelijkheid en bezettingsgraad, te weinig voorbereid zijn op marktevoluties. Bovendien is gebleken dat er binnen de ledenpopulatie van Q nog steeds groeipotentieel bestaat.

**127**. De beoogde structuur beoogt dan ook om een einde te stellen aan deze nefaste situatie en de betrokken entiteiten zelfbedruipend te maken. De nieuwe structuur moet toelaten om beter aan de verwachtingen van leden en niet-leden te voldoen. De centrale rol van R en een maximale synergie tussen de betrokken entiteiten binnen een solide structuur in de praktijk zal leiden tot groei en kostenefficiëntie.

## Partiële splitsingsverrichtingen

**128**. De afsplitsing van het onroerend goed patrimonium uit de exploitatie-entiteiten is bedoeld om een afscherming van het "ondernemingsrisico" te bewerkstelligen. Het onroerend goed moet in de toekomst gevrijwaard blijven van de risico's die gepaard zullen gaan met de exploitatie van de centra H. Gelet op het feit dat de versterkingsstrategie van Q in een uitbreiding voorziet van de activiteiten van de exploitatie-entiteiten, vergroot dit (naast het eventuele uitzicht op meer inkomsten) het ondernemingsrisico waaraan dergelijke onroerende goederen onderhevig zouden zijn.

**129**. Bovendien bestaat de wens om onder de nieuwe structuur meer verantwoordelijkheid toe te kennen aan de exploitatie-entiteiten voor de organisatie van de centra H en de commerciële positionering op de markt. De nodige middelen zullen ter beschikking worden gesteld van de exploitatie-entiteiten om deze autonomie te waarborgen. Binnen de exploitatie-entiteiten zullen er directeurs worden aangesteld die de organisatie van de centra H op zich zullen nemen en de ter beschikking gestelde middelen tevens zullen beheren. Q wenst het beheer van de onroerende goederen en de middelen die bedoeld zijn voor de toekomstige instandhouding van en investeringen aan het onroerend patrimonium evenwel niet in handen te leggen van één van deze directeurs. Q wenst zelf, door middel van R, alle controle over de onroerende goederen te bewaren. Het onroerend goed (of alleszins de waarde hiervan) moet immers bewaard blijven. Om die reden biedt het afzonderen van de onroerende goederen in een afzonderlijke entiteit de meeste waarborg voor Q.

**130**. Waar het oorspronkelijk de bedoeling was om de onroerende goederen in één afzonderlijke entiteit onder te brengen, werd in het kader van de toekomstige verdere regionalisering van het arbeidsmarktbeleid geopteerd voor de ontdubbeling in twee entiteiten.

## Fusieverrichting

**131**. Zoals *supra* weergegeven, wenst Q te evolueren naar afzonderlijke exploitatie-entiteiten met een zekere autonomie inzake beheer en organisatie alsook inzake commerciële positionering op de markt. Binnen de exploitatie-entiteiten wordt hiertoe telkens een directeur aangesteld die deze functies zal waarnemen alsook in overleg zal treden met R om uniformiteit te bewaren.

**132**. Net zoals voor de immo-entiteiten, wordt er gelet op de toekomstige regionalisering, nu reeds geopteerd voor twee exploitatie-entiteiten. Vermits er ná de partiële splitsingsverrichtingen nog twee entiteiten overblijven voor de exploitatie van de centra H in regio D, beoogt men een fusie door overneming van Y door X.

**133**. Het is daarnaast vrij evident om twee entiteiten die dezelfde exploitatie-activiteiten hebben (i.e. gezamenlijke exploitatie van één en dezelfde site/infrastructuur) die bovendien geografisch naast elkaar worden uitgeoefend samen te voegen. Door centralisatie bij wege van fusie zal (i) een efficiënter beheer van de centra H1 en H2 mogelijk zijn, (ii) de bezettingsgraad van de centra H1 en H2 toenemen door bezoekers bij onvoldoende beschikbaarheid in één van de centra gedurende een bepaalde periode door te verwijzen naar het andere centrum en (iii) zakelijk voordeel worden bekomen op verschillende vlakken (bv. centrale aankoop). Een dergelijke fusie houdt dus niet alleen een rationalisering en vereenvoudiging in van de structuur maar zal op korte termijn logischerwijs ook leiden tot schaalvoordelen. Daarbij komt nog het gegeven dat deze fusie duidelijk een kostenbesparing met zich meebrengt, wat tegemoet komt aan de doelstelling om tot een verhoogde rendabiliteit van de centra H te komen.

## Tewerkstelling

**134.** Zoals hoger uiteengezet is de reorganisatie gericht op een verankering, uitbreiding van activiteiten en de daarmee gepaard gaande verdere duurzame groei van de bij de verrichtingen betrokken entiteiten en van activiteit G in haar geheel.

**135**. De beoogde reorganisatie en de daarmee gepaard gaande stijging inzake bezettingsgraad van de centra H, zal, zoals *supra* toegelicht (conform business plan), leiden tot een stijging in de tewerkstellingsgraad bij X en Z.

## III. E. 4 Engagementen

**136**. Voor de volledigheid bevestigen de aanvragers uitdrukkelijk dat er in hun hoofde geen enkele intentie bestaat om het betrokken vastgoed (i.e. de centra H) te verkopen of op eender welke andere wijze te vervreemden. De aanvragers bevestigen eveneens uitdrukkelijk dat in hun hoofde geen enkele intentie aanwezig is om de aandelen van A en B, noch de aandelen van de exploitatievennootschappen X en Z te verkopen of op eender welke andere wijze te vervreemden.

## III. E. 5 Boekhoudkundige retroactiviteit

**137**. Het retroactief effect van de verrichtingen zal gebeuren in overeenstemming met de administratieve richtlijnen ter zake.

**138**. Zoals blijkt uit Com.IB 211/14 erkent de Administratie uit pragmatische overwegingen de noodzaak om voor sommige verrichtingen een beperkte retroactiviteit te dulden: "In dit verband wordt opgemerkt dat de terugwerkende kracht van een vennootschapsakte in de regel niet tegenstelbaar is aan de Administratie (zie 340/82). Van dit beginsel mag inz. t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:

\- met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband is het Hoofdbestuur van mening dat een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maand, in normale omstandigheden niet als een korte periode kan worden aangemerkt;

\- en, een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat: ter zake wordt inz. de aandacht er op gevestigd dat de toepassing van de voormelde retroactiviteitsclausule t.a.v. de "aftrekbeperking of overdrachtregeling van de vorige beroepsverliezen" slechts mag worden aanvaard indien daardoor het "totaal" bedrag van de na de belastingvrije verrichting nog aftrekbare vorige beroepsverliezen, nagenoeg niet wordt gemanipuleerd, door met name bij de diverse berekeningen van de breuken, fiscale nettowaarden in aanmerking te nemen die zijn vastgesteld op de bewuste retroactiviteitsdatum (i.p.v. op de datum van de verrichting); m.a.w. de toepassing van voormeld retroactiviteitsbeding mag niet tot gevolg hebben dat daardoor het voormeld "totaal" zou verhogen.

**139**. De voormelde termijn van zeven maand strekt er inzonderheid toe de vennootschappen - die per kalenderjaar boekhouden en die in het voorjaar besluiten te fuseren of te splitsen - toe te laten een boekhoudkundige retroactiviteit in aanmerking te nemen die teruggaat tot op de eerste dag van het boekjaar waarin de verrichting plaatsgrijpt.

**140**. Deze termijn zal immers volstaan om de verrichting uit te voeren overeenkomstig de vennootschapsrechtelijke voorschriften (o.a. de opmaak van het fusie- of splitsingsvoorstel waaraan o.m. de jaarrekening van het vorige boekjaar is toegevoegd, de neerlegging van dit voorstel ter griffie van de rechtbank van koophandel uiterlijk 6 weken vóór de desbetreffende algemene vergaderingen, het houden van de algemene vergaderingen waarin tot fusie of splitsing wordt besloten en waarvan de notulen bij authentieke akte worden opgesteld: zie o.m. de artikel 174/2, 174/4, 174/7, 174/27, 174/31 en 174/35, SWHV), en zulks zonder dat noodzakelijkerwijs een zgn. tussentijdse afsluiting (zie artikel 174/4, § 2, 5de lid , SWHV) dient te worden opgesteld.

**141**. De retroactiviteitsperiode loopt van de datum vanaf dewelke de handelingen boekhoudkundig worden geacht te zijn verricht voor rekening van de overnemende of verkrijgende vennootschap (zie nr. 211/13 van de administratieve commentaar op het WIB 92) tot de datum waarop de beoogde fusie of splitsing wordt voltrokken (zie nr. 211/12 van de administratieve commentaar op het WIB 92) en dus niet tot de datum waarop de desbetreffende akten in de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad zijn bekendgemaakt.

**142**. De retroactiviteit zal in casu (i) maximaal betrekking hebben op zeven maanden, (ii) met de werkelijkheid overeenstemmen, (iii) geen fiscaal voordeel beogen en (iv) er zullen geen uitzonderlijke verrichtingen plaatsvinden gedurende de retroactiviteitsperiode,

**III. F. De niet-toepassing van artikel 344, §1 WIB 92 en artikel 18, § 2 W.Reg.**

## III. F. 1 Principe

**143**. Op basis van artikel 344, § 1, WIB 92 en artikel 18, § 2, W.Reg. is niet tegenstelbaar aan de belastingadministratie de rechtshandeling noch het geheel van rechtshandelingen dat eenzelfde verrichting tot stand brengt, wanneer de administratie door vermoedens of andere in respectievelijk artikel 340 WIB 92 en artikel 185 W.Reg. bedoelde bewijsmiddelen en aan de hand van objectieve omstandigheden aantoont dat er sprake is van fiscaal misbruik. Er is sprake van fiscaal misbruik wanneer de belastingplichtige/belastingschuldige middels de door hem gestelde rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen één van de volgende verrichtingen tot stand brengt:

\- een verrichting waarbij de belastingplichtige/belastingschuldige zichzelf in strijd met de doelstellingen van een bepaling van respectievelijk het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of het Wetboek Registratierechten of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten buiten het toepassingsgebied van die bepaling plaatst; of

\- een verrichting waarbij aanspraak wordt gemaakt op een belastingvoordeel voorzien door een bepaling van respectievelijk het Wetboek van de Inkomstenbelastingen of het Wetboek Registratierechten of de ter uitvoering daarvan genomen besluiten en de toekenning van dit voordeel in strijd zou zijn met de doelstellingen van die bepaling en die in wezen het verkrijgen van dit voordeel tot doel heeft.

**144**. Het komt aan de belastingplichtige/belastingschuldige toe te bewijzen dat de keuze voor zijn rechtshandeling of het geheel van rechtshandelingen door andere motieven verantwoord is dan het ontwijken van respectievelijk inkomstenbelastingen of registratierechten. Indien de belastingplichtige het tegenbewijs niet levert, dan wordt de belastbare grondslag en de belastingberekening zodanig hersteld dat de verrichting aan een belastingheffing overeenkomstig het doel van de wet wordt onderworpen alsof het misbruik niet heeft plaatsgevonden.

## III. F. 2 De aanwezigheid in het voorliggende geval van voldoende andere niet-fiscale motieven

**145**. *Supra* werd reeds uitvoerig uiteengezet dat de beoogde verrichtingen zijn ingegeven door bedrijfseconomische overwegingen verbonden aan de versterkingsstrategie van R voor activiteit G van Q, en dus geenszins door fiscale motieven. Bovendien willen de aanvragers nogmaals benadrukken dat zij duidelijk niet de intentie hebben om de activa die een zekere waarde hebben en die als waarborg zouden kunnen dienen voor eventuele schuldeisers te ontrekken aan de exploitatiecentra. De verrichtingen zijn er bovendien net op gericht om tot rendabiliteit en zelfbedruipendheid van de centra H / exploitatie-entiteiten te komen.

**146**. Voorts wensen de aanvragers ook te benadrukken dat de inbreng van de achtergestelde leningen niet bedoeld is om tot een (maximale) overdracht van fiscale verliezen te komen of om eventuele registratierechten n.a.v. de herstructureringsverrichtingen te vermijden doch wel om tegemoet te komen aan de wettelijke vereisten inzake maatschappelijk kapitaal zoals deze gesteld worden door het Wetboek van Vennootschappen en de partiële splitsingsverrichtingen boekhoudkundig en juridisch mogelijk te maken. Bovendien blijkt dit ook duidelijk uit het feit dat er, integendeel, net een belangrijk bedrag aan fiscaal overdraagbare verliezen verloren gaat n.a.v. de verrichtingen.

**147**. Zoals voormeld, is het netto-actief van de VZW's momenteel negatief ten gevolge van boekhoudkundig overgedragen verliezen opgebouwd gedurende vorige boekjaren. Op het ogenblik van de omzetting in CVBA-VSO's en voorafgaand aan de partiële splitsings- en fusieverrichtingen zullen de achtergestelde leningen worden gekapitaliseerd. Als gevolg hiervan zullen de fiscale nettowaarden eveneens positief zijn. Nochtans wensen de aanvragers te benadrukken dat de geplande reorganisatie niet de optimalisatie van de fiscale aftrekken tot doel heeft.

**148.** Supra werd reeds aangegeven dat een substantieel deel van de activiteiten door de exploitatie-entiteiten op vandaag wordt verricht ten behoeve van niet-leden en dat er om die reden een reëel risico bestaat dat een commerciële "concullega" een stakingsvordering zou instellen op grond van artikel 95 WMPC. Aangezien de aanvragers niet langer aan dit risico blootgesteld wensen te zijn, opteren zij voor de omvorming in VSO's. Een VSO biedt immers de mogelijkheid om zonder beperkingen commerciële activiteiten te voeren zolang zij bijdragen tot de realisatie van het sociaal oogmerk.

**149**. De keuze voor een vennootschapsvorm, in casu VSO-CVBA, impliceert evenwel dat aan de vennootschapsrechtelijke bepalingen inzake minimumkapitaal moet worden voldaan. De inbrengen vinden in eerste instantie dan ook plaats om aan het wettelijk vereiste minimumkapitaal voor een CVBA te voldoen op het ogenblik van de omvorming van de entiteiten, dewelke plaats zal vinden vóór de herstructureringsverrichtingen. Voorts wenst de groep te voorkomen dat de negatieve eigen vermogens aanleiding zouden geven tot een toepassing van de bepalingen van de artikelen 431 en 432 W. Venn. De aanvragers zijn immers verplicht om buiten het bereik van de in deze artikelen voorziene procedure te blijven ten einde de continuïteit van hun werking te verzekeren.

**150.** Verder wensen de aanvragers op te merken dat een partiële splitsing, waarbij het boekhoudkundig netto-actief van de ingebrachte bestanddelen negatief is, boekhoudkundig en juridisch bijzonder complex is (zeker in het geval de verkrijgende vennootschappen nieuw opgerichte vennootschappen zijn die niet over voldoende kapitaal beschikken om de toepassing van de alarmbelprocedure uit te sluiten zoals in casu het geval is). De inbreng van de achtergestelde leningen voorafgaand aan de herstructureringsverrichtingen komt dan ook eveneens tegemoet aan deze bezorgdheid.

**151.** Het is dan ook voldoende aangetoond dat de beoogde verrichtingen, niet zijn ingegeven door fiscale motieven, noch enig 'fiscaal misbruik' inhouden, zodat geen toepassing kan gemaakt worden van artikel 344, § 1 WIB 92 noch van artikel 18, § 2 W.Reg., om via die weg de herstructureringsverrichtingen alsnog te belasten als een liquidatie van de betrokken entiteiten.

## IV. Beslissing

## IV. A. Inzake de omzetting van rechtsvorm

**152**. VZW R, VZW X, VZW Y en VZW Z zullen worden omgevormd in een VSO die de vennootschapsvorm zal aannemen van een CVBA. Deze omzetting zal plaatsvinden conform de artikelen 26*bis* t.e.m. septies van de VZW-wet van 27 juni 1921. Bovendien voorziet artikel 668 W.Venn uitdrukkelijk in de mogelijkheid tot omzetting van een VZW in een VSO. Gelet op de activiteiten van de diverse VZW's, is het niet langer opportuun om het statuut van een vereniging zonder winstoogmerk te hebben gelet op de bepalingen van de VZW-wet van 27 juni 1921.

**153**. Bij de omvorming van een VZW die reeds aan de vennootschapsbelasting onderworpen was, worden - om de fiscale neutraliteit van de verrichting te verzekeren - de bepalingen van artikel 214, § 1 WIB 92 toegepast en behouden de ingebrachte bestanddelen hun fiscale aard (Kamer, zitting 49, Parl.St. 1608/1, p. 12 en 13).

**154**. VZW X, VZW Y en VZW Z waren reeds onderworpen aan de vennootschapsbelasting en er zal ingevolge artikel 214, § 1 WIB 92 geen belastingheffing ingevolge de artikelen 208 en 209 WIB 92 plaatsvinden naar aanleiding van de omzetting van de bedoelde VZW's in CVBA-VSO's voor zover de waardering van de activa-en passivabestanddelen geen wijziging ondergaan.

**155**. Wat VZW R betreft, dient het eigen vermogen van de vereniging op basis van de voormelde staat van activa en passiva integraal toegewezen te worden aan een onbeschikbare reserverekening op de balans van R overeenkomstig artikel 26*sexies*, § 1 van de V&S-Wet. Deze vennootschap zal voor het eerst onderworpen worden aan de vennootschapsbelasting (er wordt verwezen naar punt IV.D.).

### IV.B. Inzake de oprichting van de btw-eenheid

**156**. De DVB is niet bevoegd om na te gaan of de voorwaarden voor de oprichting van een btw-eenheid vervuld zijn en kan zich bijgevolg niet uitspreken of R, X, Y en Z, alsook de nieuw op te richten A en B als één belastingplichtige mogen worden aangemerkt in de zin van artikel 4, § 2 W.BTW;

**157**. Dit behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de btw-controle waaronder de vertegenwoordiger van de btw-eenheid ressorteert.

**158**. De DVB kan wel zekerheid verschaffen omtrent de vraag of de beoogde oprichting van een btw-eenheid en de daaropvolgende btw-vrije overdracht van het onroerend goed door de exploitatie-entiteiten aan de immo-entiteiten, niet gevat kan worden onder artikel 1, § 10, W.BTW.

**159**. Om van rechtsmisbruik in de zin van art. 1, § 10, W.BTW te spreken, is vereist dat twee voorwaarden cumulatief vervuld zijn:

\- de betrokken transacties moeten er, in weerwil van de formele toepassing van de voorwaarden in de desbetreffende bepalingen van de richtlijn en de nationale wettelijke regeling tot omzetting daarvan, toe leiden dat in strijd met het doel van deze bepalingen een belastingvoordeel wordt toegekend;

\- uit een geheel van objectieve factoren moet blijken dat het wezenlijke doel van de betrokken transacties erin bestaat een belastingvoordeel te verkrijgen; er is geen misbruik wanneer voor de betrokken economische activiteit een andere verklaring bestaat dan het louter verkrijgen van belastingvoordelen.

**160**. In de huidige structuur genieten de exploitatievennootschappen een integraal recht van btw-aftrek voor de betreffende onroerende goederen. De oprichting van immo-vennootschappen en het afsplitsen van het onroerend goed in die vennootschappen kadert in casu integraal in het plan dat aan de hervorming van de R groep ten grondslag ligt en dat niet fiscaal gedreven is;

**161**. In deze omstandigheden is het oprichten van de btw-eenheid, voornamelijk met het oog op het verkrijgen van de voordelen ervan, een toepassing van het keuzerecht voor de minst belaste weg. Er wordt in normale omstandigheden een voordeel nagestreefd dat inherent is aan de betrokken bepaling van de btw-eenheid zelf.

**162**. De btw-eenheid is immers louter een fiscale fictiebepaling die tot gevolg heeft dat meerdere juridische entiteiten voor btw doeleinden als één zelfstandige en op zich staande btw-plichtige worden beschouwd.

**163**. In het verslag aan de Koning (15) wordt in punt 1 gesteld dat het stelsel van de btw-eenheid past in een economische context waarbij gestreefd wordt naar efficiëntie teneinde concurrentievermogen te behouden. Het outsourcen van bepaalde activiteiten om zich te kunnen concentreren op de kernactiviteiten zou niet mogen bijdragen tot een bijkomende btw-last en/of complexer administratief beheer.

---

*\[(15) Verslag aan de Koning bij K.B. nr.55 d.d. 9 maart 2007 met betrekking tot de regeling voor belastingplichtigen die een btw-eenheid vormen.\]*

---

**164**. Deze figuur maakt het mogelijk om het exploitatierisico juridisch af te zonderen van het patrimonium en btw-technisch te blijven ageren als één btw-plichtige, hetgeen in casu strookt met de bedoeling van de partijen.

**165**. De overdracht van de onroerende goederen die plaatsvindt binnen de btw eenheid wordt geacht buiten de btw-werkingssfeer te blijven en geschiedt bijgevolg automatisch op btw-neutrale wijze. Het feit dat er in hoofde van de immo-vennootschappen geen btw-herziening dient te gebeuren vloeit voort uit het feit dat de betrokken onroerende goederen aangewend worden/blijven voor btw-belaste handelingen naar derden toe.

**166**. Zoals alle andere leden, mogen in het bijzonder A en B de btw-eenheid slechts verlaten vanaf 31 december van het derde jaar volgend op het tijdstip van hun toetreding tot de btw eenheid ([artikel 2, KB nr. 55](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd#ar55-art2)).

**167**. Voorliggende verrichting is geen rechtsmisbruik in de zin van art. 1, § 10, W.BTW op voorwaarde dat de leden de minimumduur van 3 jaar lidmaatschap van de btw-eenheid respecteren.

**168**. De aandacht wordt nog gevestigd op de gebruikelijke herziening die zal plaatsvinden indien de bedrijfsmiddelen (centrum H1, H2 en H3) na drie jaren niet meer gebruikt worden voor de btw-eenheid ingevolge de uittreding van één van haar leden (artikel 10, § 1, 4° van KB 3 m.b.t. de aftrekregeling), zodat er een normaal correctiemechanisme speelt bij het verlaten van de btw-eenheid.

## IV. C. Inzake het abnormaal of goedgunstig voordeel

**169**. Artikel 207, tweede lid WIB 92 houdt in dat geen aftrekken in de zin van de artikelen 199 tot 206 WIB 92, noch compensatie met het verlies van het belastbaar tijdperk mag worden verricht op het gedeelte van het resultaat dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen die een binnenlandse vennootschap, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks heeft verkregen van een onderneming ten aanzien waarvan hij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enige band van wederzijdse afhankelijkheid bevindt.

**170**. Tussen Q, R, X, Y, Z bestaat een band van wederzijdse afhankelijkheid.

**171**. Er moet bijgevolg worden nagegaan of:

\- de inbreng van de achtergestelde leningen door Q in X, Y en Z aan nominale waarde tegen nieuw uit te geven aandelen,

\- gevolgd door de inbreng van deze aandelen door Q in R

moeten worden beschouwd als abnormale of goedgunstige voordelen.

**172**. Aan de grondslag van het begrip 'voordeel' ligt enerzijds een verrijking van de verkrijger en anderzijds, wat de verstrekker van het voordeel betreft, geen effectieve vergoeding evenwaardig aan het verstrekte voordeel (zie inzonderheid het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 13.05.1991 en het nummer 26/16 van de administratieve commentaar op het WIB 92, hierna Com. IB 92).

**173**. Als 'abnormaal' moet worden beschouwd, hetgeen in strijd is met de normale gang van zaken, met de gevestigde regels of gebruiken (zie inzonderheid het arrest van 13.05.1991 en het nummer 26/16, Com. IB 92).

**174**. Als 'goedgunstig' moet worden beschouwd, hetgeen ten kostenloze titel, zonder verplichting en enige tegenprestatie gebeurt (zie inzonderheid het arrest van het Hof van Cassatie van 31.10.1979 en het voormeld nummer 26/16, Com. IB 92).

**175**. Voor de beoordeling van de abnormaliteit of normaliteit van de toegestane voordelen of hun goedgunstig karakter moet worden gesteund op de economische omstandigheden van het ogenblik, op de respectieve situatie van de partijen en op de feitelijke elementen van de zaak.

**176**. Artikel 207, tweede lid WIB 92 vindt tevens toepassing in geval een belastingplichtige fiscale voordelen verkrijgt ten gevolge van een - zelfs marktconforme - inbreng van activa die niet wordt verricht op grond van economische doelstellingen maar enkel kan worden verklaard op grond van fiscale oogmerken (Cass. 23 februari 1995; Cass. 29 april 2005).

**177**. De omzetting van de achtergestelde schuldvorderingen op X, Y en Z in kapitaal tegen nominale waarde gevolgd door de inbreng van deze aandelen in R vormt geen abnormaal of goedgunstig voordeel in de zin van de artikelen 79 en 207, tweede lid WIB 92 gelet op onderstaande feiten:

\- de omzetting van de achtergestelde leningen kadert in de versterkingsstrategie van Q en de structuur die ter ondersteuning hiervan wordt beoogd;

\- door de inbreng van de achtergestelde leningen in het kapitaal van X, Y en Z op het ogenblik van de omzetting in CVBA-VSO wordt er niet alleen voldaan aan het vereiste minimumkapitaal van een CVBA maar wordt tevens de toepassing van de artikelen 431 en 432 W.Venn. vermeden;

\- de aandelen die Q in ruil voor de inbrengen ontvangt van de exploitatie-entiteiten, zullen vervolgens worden ingebracht in R en dit naar aanleiding van de omzetting van deze laatste in een CVBA-VSO;

\- R wenst de entiteiten evenwel een voldoende sterke kapitaalstructuur mee te geven ten einde nog voldoende "dekking" te kunnen bieden voor eventuele verliezen die de eerstkomende jaren wellicht nog geleden zouden kunnen worden;

\- de beoogde verrichtingen kaderen in de uitwerking van een doelgerichte structuur ter ondersteuning van de versterkingsstrategie van R alsook in een concreet toekomst-(herstel-) plan voor de betrokken entiteiten ten einde continuïteit, verdere groei en uitbreiding te kunnen realiseren om daarbij finaal activiteit G in het algemeen veilig te stellen en te bevorderen.

**178**. De kapitaalverhogingen door inbreng van de achtergestelde leningen zullen ondersteund worden door een bedrijfsrevisoraal verslag en plaatsvinden overeenkomstig de toepasselijke regels van het Wetboek van Vennootschappen.

**179**. De inbrengen zullen volledig vergoed worden met de uitgifte van nieuwe aandelen door de betrokken inbrenggenietende entiteiten.

**180**. De waardebepaling van de aandelen zal gebaseerd zijn op de volgende bouwstenen:

\- de vastgoedwaarde

\- het bedrag aan liquiditeiten

\- openstaande schulden

\- discounted cash flow van de exploitatie-resultaten (i.e. rekening houdend met toekomstige rendabiliteit conform business plan).

**181**. De inbreng van deze nieuwe aandelen door Q in R, momenteel opgenomen tegen nominale waarde in het business plan / de simulatie, zullen eens de definitieve waardering vaststaat, dienovereenkomstig worden aangepast.

## IV. D. Inzake de onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting

**182**. De aanvrager wenst bevestiging te bekomen dat A, B, R, X, Y en Z vanaf hun omvorming respectievelijk oprichting (blijvend) onderworpen zullen zijn aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 179 WIB 92.

**183**. In principe zijn alle CVBA-VSO's onderworpen aan de vennootschapsbelasting, tenzij ze worden uitgesloten. In casu lijkt voor de exploitatievennootschappen geen van de uitsluitingen opgesomd in de artikelen 180 tot en met 182 WIB 92 van toepassing.

**184**. VZW R zal haar rechtsvorm wijzigen (zie punt IV.A.) en ook haar belastingregime wijzigen (van rechtspersonenbelasting naar vennootschapsbelasting).

**185**. Gelet op de activiteiten van R zoals uiteengezet door de aanvrager, is onderworpenheid aan de vennootschapsbelasting niet uitgesloten, omwille van dezelfde redenen als in randnummer 183.

**186**. A, B, R, X, Y en Z zijn vanaf hun omvorming respectievelijk oprichting (blijvend) onderworpen aan de vennootschapsbelasting overeenkomstig artikel 179 WIB 92.

## IV. E. Inzake de partiële splitsingen

**187**. In het kader van de versterkingsstrategie wenst Q te komen tot een participatiestructuur die via R, als holding en coördinatieplatform, op uniforme wijze zal worden beheerd en gestuurd. Om tot deze holdingstructuur te komen, worden de aandelen van X, Y, Z door Q in R ingebracht. De wens bestaat om onder de nieuwe structuur het onroerend goed af te splitsen van de exploitatie-entiteiten. Daartoe zal:

**187.1** X partieel worden gesplitst, waarbij het onroerend goed wordt ingebracht in de nieuw op te richten vennootschap A;

**187.2** Y partieel worden gesplitst, waarbij het onroerend goed wordt ingebracht in de nieuw op te richten vennootschap A;

**187.3** Z partieel worden gesplitst, waarbij het onroerend goed wordt ingebracht in de nieuw op te richten vennootschap B.

**188**. De afsplitsing van het onroerend goed uit de exploitatie-entiteiten dient een dubbel doel:

**188.1** enerzijds voorziet de versterkingsstrategie van Q in een uitbreiding van de activiteiten van de exploitatie-entiteiten, waardoor het aangewezen is het onroerend goed te vrijwaren van de ondernemingsrisico's;

**188.2** anderzijds bestaat de wens om meer verantwoordelijkheid toe te kennen aan de exploitatie-entiteiten. Er zullen directeurs worden aangesteld, die de organisatie van de centra H op zich zullen nemen en die de middelen die ter beschikking worden gesteld, zullen beheren. Q wenst het beheer van de onroerende goederen en de middelen die ter beschikking worden gesteld voor de instandhouding ervan evenwel niet in handen te leggen van deze directeurs, maar wenst zelf via R alle controle over de onroerende goederen te bewaren. Op die manier zal het vermogen van de exploitatie-entiteiten niet langer 'verkleurd' kunnen worden door middelen die betrekking hebben op het beheer van het onroerend goed. De directeurs van de centra H zullen zo sneller en vaker verantwoording moeten afleggen over de besteding van de hun ter beschikking gestelde middelen en zelf initiatief moeten nemen om de rendabiliteit van de exploitatie-activiteit te verhogen.

**189**. In het kader van een verdere toekomstige regionalisering van het arbeidsmarktbeleid werd geopteerd om het onroerend goed in twee verschillende entiteiten (A voor regio D en B voor regio E) onder te brengen.

**190**. De aanvrager heeft bevestigd dat er geen meer schulden zullen rusten op de partieel af te splitsen onroerende goederen. De achtergestelde leningen, die betrekking hebben op het onroerend goed, zullen voorafgaandelijk aan de partiële splitsingen door Q in het kapitaal van X, Y en Z worden ingebracht.

**191**. De aanvrager heeft bevestigd dat de afsplitsing van de onroerende goederen in geen geval is ingegeven vanuit de overweging om de belangrijkste waarborg te onttrekken aan de exploitatievennootschappen en deze entiteiten aldus onvermogend te maken.

**192**. De aanvrager heeft aangegeven dat hij verwacht dat de herstructurering in zijn geheel een positieve impact zal hebben op de tewerkstelling.

**193**. De aanvrager heeft aangetoond dat de partiële splitsingen niet fiscaal geïnspireerd zijn:

**193.1** de partiële splitsingen zijn neutraal voor wat de berekeningsbasis van de aftrek voor risicokapitaal betreft;

**193.2** de partieel te splitsen vennootschappen X, Y en Z beschikken niet over overgedragen DBI of overgedragen aftrek voor risicokapitaal. Zij beschikken wel over overgedragen fiscale verliezen en overgedragen investeringsaftrek. De aanvrager heeft bevestigd dat de bepalingen van artikel 206, § 2, WIB 92 in acht zullen worden genomen voor wat betreft de overgedragen fiscale verliezen;

**193.3** de onroerende goederen zullen voorafgaand aan de partiële splitsingen in overeenstemming worden gebracht met hun reële waarde, zoals vastgesteld door het adviesbureau C. Deze werkelijke waarde ligt beduidend lager dan de huidige boekwaarde, waardoor de afschrijvingsbasis bij de verkrijgende vennootschappen A en B lager zal zijn;

**193.4** de aanvrager heeft bevestigd dat na de partiële splitsingen het onroerend goed aan een marktconforme prijs zal worden verhuurd aan de exploitatie-entiteiten, die op termijn zelfbedruipend en rendabel zouden moeten worden.

**194**. De aanvrager heeft bevestigd dat artikel 213 WIB 92 en de administratieve commentaar ter zake zal worden toegepast.

**195**. De aanvrager heeft bevestigd dat de verkrijgende vennootschappen binnenlandse vennootschappen zullen zijn en dat de partiële splitsingen zullen plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen.

**196**. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen en de door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de partiële splitsingen van X, Y en Z niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking hebben in de zin van artikel 183*bis*, WIB 92 en dat de verrichtingen kunnen plaatsvinden onder het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

## IV. F. Inzake de fusie

**197**. Zoals gesteld, wenst Q te evolueren naar afzonderlijke exploitatie-entiteiten. Net zoals voor de immo-entiteiten wordt, gelet op de toekomstige regionalisering ervoor geopteerd om één exploitatie-entiteit in regio D (X) en één exploitatie-entiteit in regio E (Z) over te houden. Aangezien na de partiële splitsingsverrichtingen nog twee exploitatie-entiteiten overblijven, beoogt men een fusie door overneming van Y door X. Deze samenvoeging is logisch en zal tot een efficiënter beheer leiden, gelet op het feit dat beide entiteiten gelijke activiteiten en daarenboven geografisch naast elkaar gelegen zijn. Zo kunnen bijvoorbeeld aankopen centraal geregeld worden en kunnen bezoekers bij onvoldoende beschikbaarheid in centrum H1 of H2 worden doorverwezen naar het andere centrum.

**198**. De aanvrager heeft aangegeven dat hij verwacht dat de herstructurering in zijn geheel een positieve impact zal hebben op de tewerkstelling.

**199**. De aanvrager heeft aangetoond dat de fusie niet fiscaal geïnspireerd is:

**199.1** de fusie is neutraal voor wat de berekeningsbasis van de aftrek voor risicokapitaal betreft;

**199.2** X en Y beschikken niet over overgedragen DBI of overgedragen aftrek voor risicokapitaal. Zij beschikken wel over overgedragen fiscale verliezen en overgedragen investeringsaftrek. De aanvrager heeft bevestigd dat de bepalingen van artikel 206, § 2, WIB 92 in acht zullen worden genomen voor wat betreft de overgedragen fiscale verliezen.

**200**. De verkrijgende vennootschap X is een binnenlandse vennootschap en de aanvrager heeft bevestigd dat de fusie zal plaatsvinden overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen.

**201**. Op basis van de door de aanvrager verstrekte inlichtingen en de door de DVB gemaakte analyse kan worden aangenomen dat de fusie door overneming van Y door X niet als hoofddoel of één der hoofddoelen belastingfraude of -ontwijking heeft in de zin van artikel 183*bis*, WIB 92 en dat de verrichting kan plaatsvinden onder het belastingneutraal stelsel als bedoeld in artikel 211, § 1, WIB 92.

## IV. G. Inzake de retroactiviteit

**202**. De terugwerkende kracht van een vennootschapsakte is in de regel niet tegenstelbaar aan de Administratie. Van dit beginsel mag inz. t.a.v. voormeld boekhoudkundig retroactiviteitsbeding, slechts worden afgeweken wanneer de bedoelde retroactiviteitsclausule:

**202.1** met de werkelijkheid overeenstemt en betrekking heeft op een korte periode: in dit verband kan een boekhoudkundige retroactiviteitsclausule van meer dan zeven maand, in normale omstandigheden niet als een korte periode worden aangemerkt;

202.2 en een juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staat.

**203**. De partiële splitsing en de fusie zullen plaatsvinden met een boekhoudkundige retroactiviteit die de termijn van zeven maanden niet zal overschrijden.

**204**. De betrokken vennootschappen hebben fiscaal overdraagbare verliezen. De aanvrager heeft bevestigd dat er geen uitzonderlijke verrichtingen zullen plaatsvinden tijdens de boekhoudkundige retroactiviteitsperiode die een wezenlijke impact zullen hebben op de fiscale nettowaarden met het oog op de toepassing van artikel 206, § 2, WIB 92.

**205.** Derhalve kan de boekhoudkundige retroactiviteit op fiscaal vlak worden aanvaard.

### IV.H. Inzake de antimisbruikbepalingen

## Artikel 344, § 1, WIB 92

**206**. Het samenstel van de verrichtingen en meer specifiek de inbreng van de achtergestelde leningen voorafgaand aan de retroactiviteitsdatum van de partiële splitsingen / fusie levert een mogelijk fiscaal misbruik op op het vlak van de directe belastingen:

**206.1** enerzijds doordat op deze manier de fiscale nettowaarden van de betrokken vennootschappen positief worden op de boekhoudkundige retroactiviteitsdatum, waardoor de fiscaal overdraagbare verliezen grotendeels kunnen gerecupereerd worden;

**206.2** anderzijds wordt er een basis voor de aftrek voor risicokapitaal gecreëerd, daar waar deze voorafgaand aan de inbreng van de achtergestelde leningen niet aanwezig was. De aanvrager verbindt zich er evenwel toe om in de toekomst geen gebruik van de aftrek voor risicokapitaal te maken.

**207**. De aanvrager heeft evenwel aangetoond dat de gekozen rechtshandelingen voldoende verantwoord worden door andere motieven dan het ontwijken van inkomstenbelastingen in de zin van artikel 344, § 1, derde lid, WIB 92 (zie randnummers 145 tot en met 151).

## Artikel 18, § 2, WIB 92

**208**. Inzake registratierechten zou kunnen worden geopperd dat er fiscaal misbruik is door de voorgenomen partiële splitsing van X, Y en Z waarbij de onroerende goederen van eerstgenoemden zuiver en schuldenvrij worden afgesplitst naar twee nieuw opgerichte patrimoniumvennootschappen (A en B) en bijgevolg telkens afsplitsing van het onroerend goed zonder mede afsplitsing van de schulden, waardoor aldus het fiscale plaatje van een gemengde inbreng wordt vermeden (artikelen 115*bis* juncto 120 W. reg.).

**209**. De aanvrager heeft aangetoond dat de gekozen rechtshandelingen voldoende verantwoord worden door andere motieven dan het ontwijken van registratierechten in de zin van artikel 18, § 2, W. reg. (zie randnummers 145-151).

**210**. De onderhavige beslissing is gebaseerd op de elementen zoals deze door de aanvrager vermeld werden. De DVB spreekt zich in deze beslissing, ondanks de vermelding in randnummer 136 en de beslissing genomen in randnummers 207 en 209, niet uit over de mogelijke toepassing van antimisbruikbepalingen (artikel 183*bis* of artikel 344, § 1, WIB 92, artikel 18, § 2, W.Reg., …) ten gevolge van verrichtingen die niet omschreven zijn in deze beslissing zoals de latere overdracht van de aandelen van de vastgoedvennootschappen en/of exploitatievennootschappen.

## Aangehaalde teksten

5

[KB nr. 55 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd) 2 voorkomens

[KB nr. 55 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-55-maart-betrekking-regeling-belastingplichtigen-eenheid-d8bd) 1 voorkomen

[C-110/94, arrest van 29 februari 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-110-94-arrest) 1 voorkomen

[C-255/02, arrest van 21 februari 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-255-02-arrest) 1 voorkomen

[268/83, arrest van 14 februari 1985](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-268-83-arrest) 1 voorkomen
