---
title: "Zwartverkoop, verschuldigd bedrag · Hof van beroep te Gent, 22 september 2020, 2019/AR/688"
description: "Zwartverkoop, verschuldigd bedrag. Hof van beroep te Gent (België), 22 september 2020, 2019/AR/688."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/zwartverkoop-boete-verschuldigd-bedrag-hof-van-beroep-gent-2020-09-22-baad"
lang: "nl"
---

# Zwartverkoop, verschuldigd bedrag

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2019/AR/688

**Datum**

22 september 2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

145 paragrafen

### Hoofding van de beslissing

*BTW – zwartverkoop – boete – verschuldigd bedrag*

**Volledige tekst**:

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent d.d. 22.09.2020 (2019/AR/688)**

2019/AR/688 - In de zaak van:

**cie1,** ON ...,

met maatschappelijke zetel te ..., BELGIË,

*appellante,*

*hebbende als raadsman mr. VANDEBERGH Henri, advocaat te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Pater Beckersstraat 12*

tegen

**BELGISCHE STAAT / FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,** ON 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, vertegenwoordigd door de Bijzondere Belastinginspectie te Gent, met burelen te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6 bus 801, BELGIË,

*geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mevr. Marlies Brouwer, attaché*

wijst het hof het volgend arrest:

## 1 De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 15 april 2019 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zesde kamer, op 25 maart 2019 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 16/2994/A.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 30 juni 2020, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad. Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2 De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is een leverancier van vleesproducten en charcuterie aan handelaars en beenhouwers

Op 21 november 2013 werd er een onaangekondigde btw-controle uitgevoerd. Naar aanleiding van de controle werd vastgesteld dat de appellante enerzijds zwarte verkopen verrichtte en anderzijds fictieve facturen uitreikte. Op 16 september 2016 werd een proces-verbaal opgesteld waarin de appellante hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de zogenaamde zwarte verkopen aan afnemers (slagers).

Daarvoor wordt van de appellante een verschuldigde bedrag aan btw gevorderd ten bedrage van € 101.603,34. In het proces-verbaal worden ook twee boetes opgelegd, die als volgt worden toegelicht :

 een boete van 189.240,00 € wegens het uitreiken van verkeerde facturen (art. 70, §2 W.btw); de appellante reikte aan een aantal klanten facturen uit waar méér leveringen van goederen op vermeld werden, dan in werkelijkheid werden geleverd. Die klanten ontvingen dus te hoge facturen.

 een boete van 203.200,00 € als hoofdelijk aansprakelijke voor het verschuldigd btw-bedrag door de ('zwarte') afnemers (art.70, §1, lid 2 W.btw). Deze boete werd opgelegd omdat de appellante bepaalde goederen leverde aan afnemers, zonder dat hiervoor een factuur werd opgesteld, zodat de appellante volgens de administratie belastingontduiking mogelijk heeft gemaakt. Deze leveringen werden in plaats daarvan (over)gefactureerd aan andere klanten (zie vorige alinea).

Met een verzoekschrift van 28 september 2016 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 25 maart 2019 heeft de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de eis toelaatbaar en gegrond in volgende mate.

*Vernietigt het proces-verbaal d.d. 16 september 2016 in de mate dat een boete werd opgelegd hoger dan 188.706,80 (artikel 70 §2 W.BTW), in de mate dat de hoofdelijke aansprakelijkheid hoger is dan 101.257,44 EUR (artikel 51bis §4 W.BTW) en in de mate dat een boete werd opgelegd hoger dan 202.496,21 EUR (artikel 70 §1 W.BTW). Verklaart de eis voor het overige ongegrond.*

*Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3 De vorderingen van de partijen

### 3.1 De vordering van de appellante

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

** *Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

** *De bestreden beslissing te vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering toe te wijzen;*

** *de vordering gesteld in het proces-verbaal van 16 september 2016 nietig te verklaren;*

** *minstens de heffing van de twee boetes ten bedrage van 189.240,00 € en 203.200,00 € in het genoemde proces-verbaal d.d. 16/09/2016 nietig te verklaren;*

** *minstens te zeggen voor recht dat concluante niet hoofdelijk aansprakelijk is voor de btw ten bedrage van 101.603,34 € in toepassing van* [*art. 51bis, §4 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51bis)*;*

** *minstens te zeggen voor recht dat de boete ten bedrage van 203.200,00 € in toepassing van art. 70, § WBTW vervalt, wanneer de boete van* [*art. 70, §2 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) *van toepassing is;*

** *minstens te zeggen voor recht dat de boete ten bedrage van 203.200,00 € in toepassing van* [*art. 70, §1 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) *een schending uitmaakt van het non bis in idem-beginsel en om deze reden nietig is;*

** *minstens de twee boetes ten bedrage van 189.240,00 € en 203.200,00 € te vernietigen wegens gebrek aan motivering of wegens schending van het evenredigheidsbeginsel;*

** *minstens vast te stellen dat de wet niet toelaat een boete met uitstel uit te spreken en dus art.*[*70*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) *WBTW ongrondwettelijk te verklaren en dienvolgens de boetes ten bedrage van 189.240,00 € en 203.200,00 € niet toepasbaar te verklaren;*

** *minstens de boetes ten bedrage van 189.240,00 € en 203.200,00 € te herleiden tot een evenredig bedrag;*

** *de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces-verbaal werden geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten sedert de datum van betaling;*

** *De volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof :*

*1)* *"Schendt* [*artikel 70 §1 en §2 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) *het evenredigheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel door een zelfde straf te bepalen voor het geval iemand btw niet betaalt als voor de degene die wel de btw betaalt maar verkeerde facturen opstelt ?"*

*2)* *"Schendt* [*artikel 51bis, §4 WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51bis) *het evenredigheidsbeginsel doordat de hoofdelijke aansprakelijkheid tevens zou gelden voor leveranciers voor iedere verdere doorverkoop door één van haar afnemers en niet louter voor afnemers in het kader van de bevoorradingsketen?*

** *In ondergeschikte orde, indien het Hof dit nodig acht, de debatten te heropenen in verband met de taak van de rechter bij vernietiging van het proces-verbaal.*

** *De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen, rechtsplegingsvergoeding (16.800,00 € eerste aanleg, 16.800,00 € hoger beroep, maximumbedrag voor de schijf tot 500.000 €), rolrechten en bijdrage ten bedrage van 20€.*

### 3.2 De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het verzoekschrift van eiser ongegrond te verklaren en in al zijn eisen af te wijzen. Eiser te veroordelen tot alle kosten van het geding.*

## 4 De betwistingen en hun beoordeling

De grieven en middelen van de appellante kunnen als volgt schematisch weergegeven worden.

1\. De boete van 189.240.00 € (art. 70. §2 W.btw).

1.1 De boete is verkeerd berekend; de Administratie maakt fouten in de berekening van de fictieve facturen. De boete kan alleen berekend worden op het fictieve gedeelte van de facturen.

1.2. De boete is niet gemotiveerd.

1.3. De overtreding moet beschouwd worden als louter toevallig in de zin van art. 70, §2 W.btw en dus is deze bepaling niet van toepassing.

1.4. De boete is strijdig met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel.

1.5. De boete is onevenredig hoog en mag zeker met uitstel uitgesproken worden. Minstens moet ze verminderd worden tot een evenredig bedrag.

2\. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor de afnemers en de boete van 203.200,00 € (art. 70. §1 lid 2 W.btw).

2.1. Geen hoofdelijke gehoudenheid in toepassing van art 51bis, §4 W.btw, want de belastingschuld wordt niet bewezen door de administratie.

2.2. Er mag geen onvoorwaardelijke hoofdelijke aansprakelijkheid voor de leveranciers bestaan in toepassing van art. 51bis, §4 W.btw.

2.3. De berekening van de ontdoken btw is foutief. De administratie bewijst haar vordering niet.

2.4. De toepassing van de winstmarge voor beenhouwers is willekeurig.

2.5. De boete is niet gemotiveerd.

2.6. De boete van art. 70, §1 W.btw vervalt als de boete van art.70, §2 W.btw van toepassing

is.

2.7. Non bis in idem = art.[70, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW en art. 70, §2 W.btw vormt twee keer een bestraffing van dezelfde feiten.

2.8. De boete is strijdig met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel.

2.9. De boete is onevenredig hoog en mag zeker met uitstel uitgesproken worden. Minstens moet ze verminderd worden tot een evenredig bedrag.

3\. De taak van de rechter bij vernietiging van het proces-verbaal.

Dit laatste middel wordt niet ontmoet omdat het niet toepasselijk is.

4.1 Met betrekking tot de boete van 189.240 € (artikel 70, § 2 W.btw).

Toepassing van artikel 70, §2 W.btw (middel 1.1 en 1.3)

Artikel 70, §2 W.btw bepaalt het volgende:

> *“ §2. Wanneer de factuur of het als zodanig geldend stuk, waarvan de uitreiking is voorgeschreven door de artikelen 53, 53decies en 54, of door de ter uitvoering ervan genomen besluiten, niet is uitgereikt of onjuiste vermeldingen bevat ten aanzien van het identificatienummer, de naam of het adres van de bij de handeling betrokken partijen, de aard of de hoeveelheid van de geleverde goederen of verstrekte diensten, de prijs of het toebehoren ervan, wordt een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro.*
>
> *Die geldboete is verschuldigd individueel door de leverancier of de dienstverrichter en door zijn medecontractant. Ze is evenwel niet verschuldigd wanneer de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt, inzonderheid op grond van het aantal en het belang van de handelingen waarvoor geen regelmatig stuk is uitgereikt, vergeleken met het aantal en het belang van de handelingen waarvoor wel een regelmatig stuk is uitgereikt of wanneer de leverancier of de dienstverrichter geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant.”*

Uit deze bepaling volgt dat de boete van 200% wegens het uitreiken van facturen met onjuiste vermeldingen *enkel* niet verschuldigd is:

 wanneer de overtreding toevallig is,

 of op grond van de relativiteit van het aantal en belang van de onregelmatige stukken in vergelijking met de regelmatige stukken,

 of indien de btw-belastingplichtige geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant.

[Artikel 1, laatste lid van het Koninklijk Besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 (KB nr. 41) bepaalt het volgende:

> *“De in de tabellen A tot J van de bijlage bij dit besluit opgenomen schaal is echter niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken”*

Uit deze bepaling volgt dat er geen vermindering van een boete mogelijk is wanneer de overtreding begaan is om de ontduiking van de belasting mogelijk te maken. De belastingplichtige die door zijn overtreding van de btw-regels het zijn medecontractant mogelijk maakt om de belasting te ontduiken kan geen aanspraak maken op een vermindering van de boete.

Er kan geen twijfel over bestaan dat het hier geen facturen betreffen die slechts louter toevallig onjuiste vermeldingen bevatten (middel 1.3). Het woord 'toevallig' houdt volgens de appellante een proportionaliteitstoets is. Die interpretatie van het woord 'toevallig' kan het hof niet volgen. In het dagdagelijkse gebruik betekent toevallig 'willekeurig, onverwachts, onvoorzien, onopzettelijk'. De appellante heeft een bedrag van 1.237.954,40 € op basis van een 600-tal fictieve facturen bevestigd. Het op zich reeds grote aantal van onregelmatigheden maakt dat hier geen sprake kan zijn van toevallige inbreuken, evenmin kan op grond van de relativiteit van het aantal en belang van de onregelmatige stukken in vergelijking met de regelmatige stukken worden besloten dat de boete niet verschuldigd is. De fraude gebeurde opzettelijk en niet toevallig (zie verder).

De appellante had evenmin een reden om te twijfelen aan de niet-belastingplichtigheid van de medecontractant. De ontvangers van de fictieve facturen waren handelszaken (kleine supermarkten).

Artikel 70, §2 W.btw voorziet geen andere wijze van vermindering of 'het niet verschuldigd zijn' van de boete. De boete wordt berekend op basis van de fictieve facturen. De appellante heeft wetens en willens fictieve facturen uitgereikt met het oogmerk om de ontduiking van de belasting door anderen mogelijk te maken (middel 1.3). De facturen bevatten goederen die niet werden geleverd bij de ontvangers van die facturen. De boete wordt in toepassing van de voormelde bepalingen berekend op basis van het bedrag van de volledige fictieve factuur. De fictieve leveringen zijn opgenomen in de fictieve facturen. De facturen beantwoorden niet aan de realiteit en zijn om die reden volledig fictief. De appellante gebruikte een systeem van codes en fictieve klantennamen om de fictieve leveringen bij te houden. De facturen vermelden niet enkel verkeerde hoeveelheden, maar alle vermeldingen waarnaartoe in artikel 70,§2 W.btw wordt verwezen zijn onjuist:

 het identificatienummer van de betrokken partijen;

 de naam van de betrokken partijen;

 het adres van betrokken partijen;

 de aard van de geleverde goederen;

 de hoeveelheid van de geleverde goederen;

 de prijs van de geleverde goederen.

De fictieve vermeldingen tasten de volledige factuur aan. De boete moet worden berekend op het volledige btw-bedrag van de fictieve facturen.

De appellante betwist de door de administratie aangenomen bedragen van de fictieve leveringen, maar bewijst zijn stelling niet aan de hand van objectieve en verifieerbare stukken. De eenzijdige beweringen van de appellante worden niet bewezen, terwijl de berekening van de administratie gesteund is op basis van de gegevens verzameld bij de ontvangers van de fictieve facturen. Zoals de eerste rechter terecht oordeelde, was er voor deze ontvangers van de facturen geen enkele reden om meer fictieve leveringen aan te duiden dan er in werkelijkheid werden gefactureerd. De mate waarin met de opmerkingen van de appellante na onderzoek rekening kon gehouden worden, leidde tot een vermindering van de boete zoals door de eerste rechter vastgesteld (€ 188.706,80).

De motivering van de boete (middel 1.2)

Het middel van de appellante dat het proces-verbaal van 16 september 2016 onvoldoende gemotiveerd is, kan niet worden aangenomen. Het proces-verbaal geeft een goed en duidelijk overzicht weer van de onderzoekdaden, de controles en de akkoorden met klanten van de appellante. Vervolgens vermeldt het proces-verbaal de wijze waarop het bedrag aan fictieve facturen en/of leveringen werd vastgesteld, in het bijzonder op basis van de aanduidingen van de ontvangers van de facturen. De administratie heeft op basis van deze feitelijke vaststellingen terecht geoordeeld dat de facturen fictief zijn en vervolgens een correcte toepassing gemaakt van artikel 70, §2 W.btw, zoals vermeld in het proces-verbaal. De motivering is draagkrachtig en geeft een verklaring aan de beslissing die de appellante goed heeft kunnen begrijpen. Het betoog van de appellante betreft klaarblijkelijk de inhoud van de beslissing zelf om niet enkel de boete toe te passen op het fictieve gedeelte van de facturen. Over dit geschilpunt werd hierboven geoordeeld dat de administratie een correcte toepassing gemaakt heeft van artikel 70, §2 W.btw. en er geen rechtsgrond is om een vermindering van de boete toe te passen (zie ook verder).

Het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel (middel 1.4 en 2.8)

De appellante voert de strijdigheid aan van de boete met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. De ongelijkheid zou erin bestaan dat btw-belastingplichtigen die zich in een verschillende situatie bevinden, toch op een zelfde wijze behandeld worden. De onverantwoorde gelijke behandeling zou meer bepaald de belastingplichtigen betreffen die zich hetzij in de situatie bevinden van artikel 70, §1 W.btw, hetzij in de situatie van artikel 70, §2 W.btw. In beide gevallen wordt een boete opgelegd van 200%, maar in de situatie van artikel 70, §1 W.btw is de btw niet betaald, terwijl in de situatie waarin de appellante zich bevindt, namelijk artikel 70, §2 W.btw., is (volgens de appellante) de btw wel betaald.

De overtredingen voorzien in de artikel, 70, §1 en in artikel 70, §2 W.btw zijn verschillende overtredingen waarvoor de wetgever een zelfde boete heeft voorzien. De door de wetgever bepaalde omvang van de boete is in beginsel een prerogatief dat toekomt aan de wetgever. Klaarblijkelijk achtte de wetgever het nodig om voor deze verschillende situaties een zelfde boete te voorzien. Die keuze is niet als manifest onredelijk aan te merken. Het is niet manifest onredelijk om ook bij het uitreiken van valse facturen een boete te voorzien die zeer hoog is om leveranciers voldoende af te schrikken, de verleiding te vermijden en te voorkomen dat elke ondernemer zou afwegen dat zijn frauduleus gedrag niet zo zwaar is omdat hij zelf niet de belastingen ontduikt. De drempel om valse facturen uit te reiken zou veel te laag zijn. De werkwijze van de valse facturen heeft de ontvangers ervan toegelaten een onrechtmatige aftrek van btw te realiseren. De stelling van de appellante als zou in de situatie van artikel 70, §2 W.btw steeds de btw betaald zijn, kan evenmin gevolgd worden. Er zijn ook situaties denkbaar waarin artikel 70, §2 W.btw toepasselijk is zonder dat de btw betaald is.

Daarnaast staat vast dat de hier opgelegde boete van 200% (gecorrigeerd naar een bedrag) van € 188.706,80 een repressief karakter heeft waardoor de rechter de bevoegdheid heeft om de evenredigheid van de boete te appreciëren en deze desgevallend op een gemotiveerde wijze aan te passen (zie verder).

Op grond van de voormelde redenen acht het hof het niet noodzakelijk noch nuttig om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

4.2 Met betrekking tot de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de btw en de boete van 203.20Q00 €.

De stelling van de appellante dat ze geen kennis heeft van de gegevens op basis waarvan de administratie de verschuldigde belasting en de boeten berekend heeft, is niet verzoenbaar met het niet betwiste feitenrelaas van de administratie. De administratie verklaart daarover dat aan de appellante nog voor het opstellen van het proces-verbaal van 16 september 2016 en in de onderhandelingsfase duidelijk kenbaar gemaakt werd op welke gegevens de cijfers gebaseerd waren, namelijk de akkoorden met de ontvangers van de fictieve facturen. Deze ontvangers hebben het systeem uiteengezet waardoor de fictieve leveringen/facturen duidelijk werden. Dit werd uiteengezet in het proces-verbaal van 16 september 2016, waarbij 3 perioden in het fraudesysteem te onderscheiden waren. Voor de laatste 2 perioden was het voor de administratie mogelijk om op eigen houtje de fictieve leveringen/facturen te selecteren. De administratie heeft medewerking verkregen van de betrokken belastingplichtigen die alle fictieve facturen/leveringen specifiek hebben aangeduid. Voor de eerste periode waarbij de fictieve leveringen niet makkelijk herkenbaar waren, verklaart de administratie dat ze heeft vertrouwd op de selectie fictieve facturen/leveringen zoals aangeduid door de betrokken belastingplichtige. Gelet op het feit dit enkel geldt voor facturen die dateren van voor januari 2011 heeft dit slechts betrekking op 3 (cie2, cie3 en cie4) van de 10 ontvangers van fictieve facturen voor een beperkte periode. De aanduidingen door betrokken belastingplichtigen zijn aldus niet het enige bewijselement waarop de bestreden taxatie gesteund is. Bovendien heeft de administratie verscheidene vergaderingen gehad met de raadsman van de appellante om de vaststellingen van de administratie te bespreken. Er werden door de administratie voorstellen opgemaakt om een minnelijke regeling te bereiken. Ook deze cijfers waren gebaseerd op de bewijselementen die in het proces-verbaal werden gebruikt. Er is ook samen met het FAVV een vergadering geweest omtrent de door administratie verzamelde gegevens bij de ontvangers van de fictieve facturen (stuk 2 + 3 van de administratie). De appellante is verschillende malen gehoord geweest met betrekking tot deze gegevens.

De onderzoeksdaden en de oorsprong van de gegevens zijn duidelijk opgenomen in het proces-verbaal, zoals onder meer blijkt uit het volgende citaat :

> *“Zoals hierboven reeds vermeld werden alle klanten/ontvangers van de fictieve facturen aan een fiscale controle onderworpen. Alle ontvangers van fictieve facturen het systeem van fictieve facturatie bevestigd. Dit kom tot uiting door de correctieopgaven die met onze diensten werden afgesloten. De processen-verbaal van vaststellingen dd. 25 november 2014 (bijlage 2 en 3) bevestigen eveneens het systeem van fictieve facturatie georganiseerd door de belastingplichtige, alsook het bestaan van de 3 onderscheiden periode. De ontvangers van de fictieve facturen hebben de facturen aangeduid die als fictief moeten worden gekwalificeerd.”*

In die omstandigheden kan de appellante niet ernstig voorhouden geen of onvoldoende kennis te hebben gehad over de grondslag van de taxatie en de boeten, noch dat dienaangaande haar recht van verdediging miskend werd of het proces-verbaal onvoldoende gemotiveerd is. Deze niet betwiste gegevens en de vermeldingen in het proces-verbaal laten toe aan te nemen dat de appellante reeds vooraf voldoende concreet en volledig kennis heeft kunnen nemen van de verklaringen van de ontvangers van de facturen en alle gegevens waarop het proces-verbaal gesteund is. Daarbij moet ook opgemerkt worden dat de appellante volgens de administratie nooit inzage heeft genomen van het administratief dossier van het onderzoek. De appellante heeft aldus niet enkel kennis gekregen van alle gegevens maar bovendien ook kennis kunnen nemen van alle onderliggende gegevens waarop de bestreden taxatie gesteund is.

In een verslag van een vergadering met de BBI en het FAVV (Federaal Agentschap voor Veiligheid in de Voedselketen) en de appellante werd het volgende geacteerd:

> "*De heer Vandenbergh* \[raadsman van de appellante\] *deelt mee dat de heer A.S. zegt dat het illegaal vlees geleverd werd aan beenhouwers en vleeswinkels, geen restaurant of frituren. Er is geen traceringssysteem voor de illegale geleverde hoeveelheid vlees.*"

Het zogenaamde "*illegaal vlees*" betreft de zwarte verkopen. Het fraudesysteem bestond erin dat de zwarte verkopen aan beenhouwers en traiteurs werden toegedekt door fictieve facturen aan supermarkten. Dit systeem werd na de confrontatie met de verklaringen van de afnemers van de fictieve facturen, door de appellante erkend. De appellante heeft dit nadien en ook thans nog in haar conclusies herhaaldelijk erkend, waardoor de betwisting die ze hier en daar in haar conclusie alsnog over de omvang van de zwarte verkopen voert, niet kan gevolgd worden. Het bedrag aan fictieve leveringen bedraagt volgens het proces-verbaal 1.257.522,33. Van dit bedrag verklaarde de appellante zich akkoord met een bedrag van 1.237.954,40. In de conclusies van de administratie werd een bedrag € 1.253.069,79 weerhouden. Zoals reeds hoger vastgesteld, bewijst de appellante het verschil van 15.115,39 niet op basis van objectieve en verifieerbare gegevens.

Het proces-verbaal levert het bewijs van de fictieve facturen en de zwarte verkopen.

Het is het recht en de vrije keuze van de appellante om zich tegen deze taxatie te verzetten en de verdediging te voeren die ze verkiest. De appellante heeft gedurende het fiscaal onderzoek geweigerd om haar medewerking te verlenen en de namen van de werkelijke afnemers van de zwarte goederen mee te delen. De verschuldigde btw over de zwarte verkopen kan om die reden niet verhaald worden bij de afnemers van de zwarte verkopen op basis van artikel 51 W.btw.

Artikel 51bis, §4 W.btw bepaalt het volgende :

> "§ *4. Elke belastingplichtige is hoofdelijk gehouden de belasting te voldoen met de persoon die er krachtens artikel 51, §§ 1 en 2, schuldenaar van is, als hij op het tijdstip waarop hij een handeling heeft verricht, wist of moest weten dat de betaling van de belasting, in de ketting van de handelingen, niet werd gedaan of zal worden gedaan met de bedoeling de belasting te ontduiken.”*

De stelling van de appellante dat iemand maar hoofdelijk gehouden kan zijn wanneer de schuldenaar van de btw geïdentificeerd is, kan niet gevolgd worden. De bepaling voorziet in het principe van de hoofdelijke gehoudenheid van de belastingplichtige, niet in het principe of de vereiste dat als voorwaarde van de hoofdelijke gehoudenheid geldt dat de schuldenaar (krachtens artikel 51, §§ 1 en 2) geïdentificeerd moet zijn. Uit de lezing van deze bepaling kan niet besloten worden dat de wetgever dit als een voorwaarde heeft opgelegd voor de toepassing van de bepaling. De voorbereidende werken wijzen uit dat artikel 51bis, §4 W.btw werd ingevoerd als een maatregel ter bestrijding van misbruiken bij niet betaling van de belasting en ter bescherming tegen risico's van fiscale verliezen die voortvloeien uit de onmogelijkheid om de belasting in te vorderen bij de normale schuldenaar van de belastingen.

8

Het staat vast dat niet nader gekende beenhouwers en traiteurs zwarte aankopen hebben verricht bij de appellante. Het is niet mogelijk om de btw die deze afnemers hebben gerealiseerd op de verkoop van die zwarte aankopen bij die afnemers te recupereren. Artikel 51bis, §4 W.btw laat precies in deze situaties toe om de btw door middel van de hoofdelijke gehoudenheid alsnog te verhalen bij de appellante. Deze bepaling is in deze zaak toepasselijk aangezien de appellante wist dat de betaling van de belasting niet werd gedaan door de (ongekende) afnemers van de zwarte verkopen met de bedoeling de belasting te ontduiken. De appellante kan in het door haar opgezette fraudesysteem niet aangemerkt worden als zijnde te goeder trouw. Het proces-verbaal vermeldt alle elementen die bewijzen dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 51bis, §4 W.btw. (middelen 2.1 en 2.2).

De administratie heeft vervolgens op een zeer redelijke en behoorlijke wijze de maatstaf van heffing en de verschuldigde btw berekend van de gerealiseerde zwarte verkopen op basis van de gegevens waarover ze beschikte. Op basis van de eigen verklaringen van de appellante tijdens het onderzoek, kon de administratie met reden aannemen dat de afnemers van de zwarte verkopen hoofdzakelijk slagers zijn. Dit vindt ook zijn bevestiging in het klantenbestand van de appellante en de vaststelling dat de fictieve leveringen betrekking hebben op charcuterie. De stelling van de appellante dat de afnemers mogelijks verlies hebben geleden waardoor nooit btw zou moeten zijn afgedragen op de gerealiseerde zwarte aankopen, kan niet gevolgd worden. Enerzijds zou in die hypothese de btw op de verkopen wel mede in rekening genomen zijn, anderzijds heeft de administratie toepassing gemaakt van het forfaitaire systeem waarin verliezen van vlees geacht moeten worden in rekening te zijn gebracht. De door de administratie toegepaste winstmarge is de laagste winstmarge voor vleeswaren. Het toegepast forfait is de normale minimumomzet die binnen een bepaalde sector kan worden aanvaard. Deze winstmarge is de enige variabele die door de administratie werd toegepast. De administratie licht toe dat precies omdat het een variabele element is, bewust ervoor gekozen is om de laagste winstmarge voor vleeswaren toe te passen. Dit leidde tot onderbouwde minimumberekening waarvan met voldoende zekerheid aangenomen kan worden dat deze werkelijk gerealiseerd werd. Deze berekeningswijze kan niet worden beschouwd als zijnde willekeurig. De belastingschuld is correct vastgesteld. Evenmin weerlegt de appellante deze berekening aan de hand van eigen objectieve en verifieerbare gegevens (middel 2.3 en 2.4).

De administratie heeft met betrekking tot deze zwarte verkopen een boete opgelegd. Het proces-verbaal geeft ook wat betreft deze boete van 200% duidelijk de feiten en rechtsgrond weer, namelijk artikel 70, §1, 2° W.btw. Ook deze boete is in het proces-verbaal afdoende gemotiveerd en de appellante heeft alle redenen ervan kunnen begrijpen en er zich kunnen tegen verweren met respect van al haar rechten (middel 2.5).

4.3 Met betrekking tot de opgelegde boeten (middelen 1.4,1.5, 2.6-2.9).

Volgens de appellante vervalt de boete van artikel 70, §1 W.btw als de boete van artikel 70, §2 W.btw van toepassing is. Daarenboven meent de appellante dat artikel 70, §1 W.btw en artikel 70, §2 W.btw twee keer een bestraffing is van dezelfde feiten (non bis in idem). De boeten zijn volgens de appellante bovendien strijdig met het gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. Minstens zijn de boeten volgens de appellante onevenredig hoog en dienen deze zeker met uitstel uitgesproken te worden, hetzij verminderd te worden tot een evenredig bedrag.

Artikel 70, §2, 3e lid W.btw bepaalt dat ingeval een persoon wegens eenzelfde overtreding zowel in §1 als de in §2 bepaalde geldboete oploopt, alleen de laatste verschuldigd is. Waar dit artikel bepaalt dat het eenzelfde overtreding moet betreffen, is deze hier niet toepasselijk. Het uitschrijven van valse facturen enerzijds en het verrichten van zwarte verkopen (zonder factuur) anderzijds, zijn twee afzonderlijke overtredingen en niet "*eenzelfde overtreding*" zoals bepaald in artikel 70, §2, 3e lid W.btw.

Wat betreft de concrete toepassing van het evenredigheidsbeginsel op de twee opgelegde boeten, blijkt enerzijds dat deze wel degelijk wegens twee afzonderlijke overtredingen zijn opgelegd, maar anderzijds dat deze beide overtredingen door de administratie zelf duidelijk aanzien worden als zijnde begaan binnen één zelfde fraudesysteem. De appellante leverde in het zwart goederen aan beenhouwers en factureerde die zwarte verkopen anderzijds wel aan kleine superettes.

Deze beide overtredingen zijn begaan binnen eenzelfde frauduleus opzet.

Het fraudesysteem gaat om feiten die in wezen dezelfde zijn, die een aantal concrete feitelijke omstandigheden met betrekking tot de appellante vormen en onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en ruimte, die om die reden een geheel vormen waarvoor één straf kan worden opgelegd. Voor dit fraudesysteem, dat in zijn geheel als één kan worden aangemerkt, past het om één straf op te leggen, namelijk de zwaarste. De zwaarste straf is deze voorzien voor de zwarte verkopen, namelijk deze ten bedrage van € 202.496,21 (zoals correct gecorrigeerd door de eerste rechter en overname van de gronden en motieven ervan). Deze boete bevindt zich in een evenredige verhouding met de aard, de ernst en de omvang van de overtredingen. Er zijn geen redenen om die belastingverhoging te verminderen of kwijt te schelden, evenmin om een uitstel toe te kennen. Een uitstel zou overigens het beoogde effect van de boete teniet doen.

## 5 De gerechtskosten

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Indien de partijen elk voor een deel in het ongelijk gesteld worden, wordt aan elk van hen een rechtsplegingsvergoeding toegekend en wordt deze onderling tussen hen verdeeld volgens de vastgestelde verhouding. Gelet op de mate waarin de beide partijen in het ongelijk werden gesteld past het om de appellante te veroordelen tot 3/5 en de geïntimeerde te veroordelen tot 2/5 van de kosten van het geding.

De Belgische Staat werd niet vertegenwoordigd door een advocaat en maakt daarom geen aanspraak op een rechtsplegingsvergoeding.

De appellante vraagt de toepassing van het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoedingen, maar motiveert die vordering niet. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 250.000,01 tot 500.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 8.400,00 euro toepasselijk voor de eerste aanleg en het hoger beroep.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

 het hoger beroep is ontvankelijk en deels gegrond, zoals hierna wordt bepaald;

 bevestigt het bestreden vonnis behoudens wat betreft de (gecorrigeerde) boete van € 188.706,801 en de beoordeling over de gerechtskosten,

 vernietigt deze boete van € 188.706,801;

 veroordeelt de appellante tot het betalen van 3/5 en de geïntimeerde tot het betalen van 2/5 van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

 aan de kant van de appellante:

 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 8.400,00 EUR

 bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 8.400,00 EUR

 aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, **VIJFDE KAMER,** recht doende in fiscale zaken, op **22 september 2020.**

Aanwezig:

Stijn Ravyse, raadsheer, wn. voorzitter, alleenrechtsprekend

Jenny Dammekens, griffier

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 5 voorkomens

[WBTW art. 51bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-51bis) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Verlaagd tarief, Nieuw gebouw, Werken in onroerende staat, Bouwwerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuw-gebouw-werken-rechtbank-brussel-2023-05-31-57ac) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Administratieve geldboeten, Beginsel non bis in idem](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-geldboeten-beginsel-non-bis-grondwettelijk-hof-brussel-2021-10-07-dcab) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar, Hoofdelijke aansprakelijkheid, Verlegging van de heffing, Medecontractant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-hoofdelijke-aansprakelijkheid-verlegging-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-e77d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoofdelijke aansprakelijkheid tot voldoening van de belasting, Tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoofdelijke-aansprakelijkheid-voldoening-belasting-tarief-cassatie-brussel-2024-11-29-08ff) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aard van de verrichte werken in onroerende staat, Nieuwbouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aard-verrichte-werken-in-onroerende-rechtbank-bergen-2024-01-09-1785) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Gebouw, Renovatie, BTW-tarief 6%, gebouwd onroerend goed, verlaagd Btw-tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebouw-renovatie-btw-tarief-gebouwd-rechtbank-bergen-2025-12-18-2c8b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Belasting over de toegevoegde waarde -plaats van de levering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-plaats-levering-hof-van-beroep-antwerpen-2016-11-08-9f67) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Onderscheid tussen verbouwingswerken en nieuwbouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-btw-werk-rechtbank-brussel-2025-12-03-6b53) 2 gemeenschappelijke bepalingen
