---
title: "Zwarte omzet, Verkeerd tarief btw · Rechtbank van eerste aanleg, 3 april 2026"
description: "Zwarte omzet, Verkeerd tarief btw, aangegeven omzet Btw, toepassing van een verkeerd Btw-tarief. Rechtbank van eerste aanleg (België), 3 april 2026."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/zwarte-omzet-verkeerd-tarief-btw-rechtbank-2026-04-03-8bcc"
lang: "nl"
---

# Zwarte omzet, Verkeerd tarief btw, aangegeven omzet Btw

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

3 april 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

812 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 03.04.2026 (24A004471)

FIN 65385161/01

*Zwarte omzet - Verkeerd tarief btw*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen**

**Afdeling Antwerpen**

**Kamer AC5**

**Vonnis**

**03.04.2026**

## 24A004471

In de zaak van het openbaar ministerie

BURGERLIJKE PARTIJ(EN) :

de **BELGISCHE STAAT**, de Federale Overheidsdienst Financiën, KBO‑nummer 0308.357.159, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te Wetstraat 12, 1000 Brussel, in naam van de Adviseur-generaal van de AABBI Gewestelijke directie Antwerpen, die woonplaats kiest ten kantore van zijn raadsman;

vrijwillig tussenkomende partij, vertegenwoordigd door Meester Maenhout Koenraad, advocaat te Antwerpen

tegen:

BEKLAAGDE(N) :

1.**J.P.**, RRN ...

geboren te ... op ...

van Nederlandse nationaliteit

ingeschreven te ...

met woonstkeuze te ...

beklaagde, vertegenwoordigd door Meester Arnou Luc, advocaat te Zedelgem en Meester Breban Jentl, advocaat te Genk en Meester Engelbos David, advocaat te Genk.

## 2. Cie1

met maatschappelijke zetel gevestigd te ..., KBO ...

in faling, failliet verklaard bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen van 25 april 2024, waarbij Mter. Iwein Moorkens, kantoor houdende te Mechelsesteenweg 271/8.1, 2018 Antwerpen, aangesteld werd als curator

beklaagde, die verstek laat gaan.

3.**M.V.**, RRN ...

geboren te ... op ...

van Belgische nationaliteit

ingeschreven te ...

beklaagde, bijgestaan door Meester Boon Eric, advocaat te Antwerpen.

4.…

5.…

6.…

7.**M.L.**, RRN ...

geboren te ... op ...

van Belgische nationaliteit

ingeschreven te ...

beklaagde, bijgestaan door Meester Sweldens Laurence, advocaat te Antwerpen.

8.**E.H.**, RRN ...

geboren te ... op ...

van Belgische nationaliteit

ingeschreven te ...

beklaagde, vertegenwoordigd door Meester Peterfreund Daniël, advocaat te Antwerpen.

### TENLASTELEGGING(EN)

als dader of mededader in de zin artikel 66 van het Strafwetboek:

door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering rechtstreeks te hebben meegewerkt;

door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder zijn bijstand niet had kunnen worden gepleegd,

door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, de misdaad of het wanbedrijf rechtstreeks te hebben uitgelokt;

of, door het plegen van de feiten rechtstreeks te hebben uitgelokt door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gesproken dan wel door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of zinnebeeld aangeplakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld.

**A...**

### B valsheid in handels- of bankgeschriften of in private geschriften, en gebruik ervan

(art. 193, 196, 213 en 214 Sw.)

met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in handels- of bankgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk op te maken of achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen of vast te stellen, en met hetzelfde bedrieglijk opzet of met hetzelfde oogmerk om te schaden, van de hiervoren vermelde valse akte of van het hiervoren vermelde valse stuk gebruik te hebben gemaakt,

**1** te Antwerpen, tussen 31/12/2015 (datum voor inkomstenjaar 2016) en 01/01/2023 (datum na inkomstenjaar 2022), meermaals, op niet nader te bepalen data, het misdrijf voortgezet zijnde door het gebruik en/of nuttig gevolg van dit gebruik van het vals stuk tot minstens 15/05/2024 (beschikking tot mededeling),

door **J.P.**, Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**,

door het valselijk (laten) voeren met betrekking tot Cie1 (KBO‑nummer ...) van een boekhouding die systematisch werd vervalst en bijgevolg geen correcte, volledige en betrouwbare weergave vormde van de reële financiële toestand (activa/passiva) en van de reële inkomsten en uitgaven van de vennootschap,

meer bepaald in de boekjaren 2016‑2022 een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 EUR niet te hebben vermeld in de dagontvangstenboeken (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001; PV NR2024/004),

met het bedrieglijk opzet de werkelijke omvang van de contante handelsinkomsten van de Cie1 verborgen te houden en om een frauduleuze, concurrentievervalsende en marktverstorende handelswijze tot stand te brengen en/of illegaal vermogen te creëren en ten persoonlijke titel toe te eigenen,

de boekhouding als van valsheid beticht niet neergelegd zijnde ter griffie, maar zich deels in kopie bevinden in het strafdossier (dagontvangstenboeken in bijlagen 2.1 t.e.m. 2.103 bij PV NR2024/004, kaft 6, stuk 1),

**2** te Antwerpen, tussen 16/12/2019 (datum voor beslissing BAV) en 29/01/2020 (datum na neerlegging ter griffie), op niet nader te bepalen datum, het gebruik te Antwerpen, het misdrijf voortgezet zijnde door het gebruik/nuttig effect van het vals stuk tot minstens 25/04/2024 (opening faillissement), onder meer op 28/01/2020 (neerlegging ter griffie),

door **J.P.**, Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**,

door het valselijk (laten) opstellen van de hierna vermelde processen‑verbaal van buitengewone algemene vergadering van Cie1 (KBO‑nummer ...), en overeenstemmend(e) uittreksel(s) en wijzigingsformulier(en) met betrekking tot de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, waarvan de inhoud niet overeenstemde met de werkelijkheid en waarin onder meer werd voorgehouden:

Buitengewone algemene vergadering dd. 17/12/2019 (uittreksel neergelegd ter griffie op 28/01/2020), ondertekend door (enig) bestuurder J.P.:

•de verplaatsing per 01/01/2020 van de maatschappelijke zetel van ... naar ..., terwijl in werkelijkheid de maatschappelijke zetel, reële bedrijfsvoering, boekhoudkundige en administratieve documentatie van deze vennootschap nooit werden verplaatst noch enige intentie bestond tot vestiging van de vennootschap op dat adres;

met bedrieglijk opzet via deze fictieve zetelverplaatsing publieke of private schuldeisers van de vennootschap dan wel inspectie‑ of politiediensten te misleiden, gedwongen uitvoeringshandelingen met betrekking tot het werkelijk vermogen van de vennootschap en/of handelingen van de curator te bemoeilijken,

en met hetzelfde vermelde bedrieglijk opzet van deze valse documenten gebruik te hebben gemaakt door de neerlegging ter griffie met het oog op publicatie in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad,

de documenten van valsheid beticht niet neergelegd zijnde ter griffie van de overtuigingsstukken, maar het gepubliceerd document van het uittreksel zich in kopie bevindende in het strafdossier (bijlage 9 bij PV 38817‑23, kaft 1.1, stuk 4);

### C fiscale valsheid en gebruik - WIB

bij inbreuk op de artikelen 449 en 450, lid 1 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1192 (W1B1992), met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd en/of met hetzelfde oogmerk van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt,

door valselijk met betrekking tot Cie1 (KBO‑nummer ...) een boekhouding te hebben gevoerd die systematisch werd vervalst en bijgevolg geen correcte, volledige en betrouwbare weergave vormde van de reële financiële toestand (activa/passiva) en van de reële inkomsten en uitgaven van de vennootschap,

meer bepaald in de boekjaren 2016‑2022 een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 EUR niet te hebben vermeld in de dagontvangstenboeken (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001; PV NR2024/004);

met het bedrieglijk opzet de werkelijke omvang van de contante handelsinkomsten van Cie1 voor de Belgische fiscale overheden verborgen te houden, en zodoende met betrekking tot de verschuldigde inkomstenbelasting de feiten omschreven onder tenlastelegging E te kunnen plegen en/of verhullen,

de boekhouding als van valsheid beticht niet neergelegd zijnde ter griffie, maar zich deels in kopie bevinden in het strafdossier (dagontvangstenboeken in bijlagen 2.1 t.e.m. 2.103 bij PV NR2024/004, kaft 6, stuk 1),

te Antwerpen, tussen 31/12/2015 (datum voor inkomstenjaar 2016) en 01/01/2023 (datum na inkomstenjaar 2022), meermaals, op niet nader te bepalen data, het misdrijf voortgezet zijnde door het gebruik en/of nuttig gevolg van dit gebruik van het vals stuk tot minstens 15/05/2024 (beschikking tot mededeling),

door **J.P.**, Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**,

### D fiscale valsheid en gebruik - WBTW

bij inbreuk op de artikelen [73](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73) en [73 bis eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis) van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (WBTW), met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van het wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te overtreden, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd en/of met hetzelfde oogmerk van een zodanig vals geschrift gebruik te hebben gemaakt,

door valselijk met betrekking tot Cie1 (KBO‑nummer ...) een boekhouding te hebben gevoerd die systematisch werd vervalst en bijgevolg geen correcte, volledige en betrouwbare weergave vormde van de reële financiële toestand (activa/passiva) en van de reële inkomsten en uitgaven van de vennootschap,

meer bepaald in de boekjaren 2016‑2022 een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 EUR niet te hebben vermeld in de dagontvangstenboeken (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001; PV NR2024/004), en in de boekjaren 2019‑2022 minstens 50% aan verrichte restaurantdiensten niet correct te hebben vermeld, zijnde onjuiste omzetbedragen als maatstaf van heffing onderworpen aan de verschillende BTW‑aangiften van 6% (leveringen/afhaal), 12% (verbruik ter plaatse van maaltijden - frieten, snacks en sauzen) en 21% (verkoop alcoholische dranken, verkoop frisdranken bij verbruik ter plaatse),

met het bedrieglijk opzet de werkelijke omvang van de contante handelsinkomsten van Cie1 en verhouding tussen omzetbedragen onder verschillende BTW‑aangiften voor de Belgische fiscale overheden verborgen te houden, en zodoende met betrekking tot de verschuldigde BTW de feiten omschreven onder tenlastelegging F1 en F2 te kunnen plegen en/of verhullen,

de boekhouding als van valsheid beticht niet neergelegd zijnde ter griffie, maar zich deels in kopie bevinden in het strafdossier (dagontvangstenboeken in bijlagen 2.1 t.e.m. 2.103 bij PV NR2024/004, kaft 6, stuk 1),

te Antwerpen, tussen 20/04/2016 (aangifte eerste BTW‑kwartaal) en 21/04/2023 (datum na aangifte laatste BTW‑kwartaal), meermaals, op niet nader te bepalen data, het misdrijf voortgezet zijnde door het gebruik en/of nuttig gevolg van dit gebruik van het vals stuk tot minstens 15/05/2024 (beschikking tot mededeling),

door **J.P.**, Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**,

### E geen of onjuiste aangifte - WIB

bij inbreuk op de artikelen 305 tot en met 310, 413 en 449 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB1992), met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, als belastingplichtige die aan de personenbelasting, aan de vennootschapsbelasting of aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, een aangifte hebben overgelegd middels een formulier dat niet ingevuld was overeenkomstig de daarin voorkomende aanduidingen, en de ter zake verschuldigde inkomstenbelasting niet te hebben voldaan,

met betrekking tot Cie1 (KBO‑nummer ...) geen of onjuiste aangifte in de vennootschapsbelasting te hebben gedaan en de verschuldigde inkomstenbelasting niet of niet volledig te hebben voldaan aan de Belgische Staat, met het bedrieglijk opzet de hierop verschuldigde inkomstenbelasting te ontduiken,

door voor hierna vermelde inkomstenjaren op basis van een niet-aangegeven omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 EUR de overeenstemmende meerwinst (incl. BTW) voor een totaalbedrag van 1.248.817,94 EUR niet te hebben aangegeven, en de verschuldigde inkomstenbelasting niet te hebben voldaan (zie o.a. PV 126022‑23; PV BB2024/008; PV BB2024/010),

|  | Aangiftetermijn | Inkomstenjaar | Niet-aangegeven omzet (EUR) | Meerwinst (excl. BTW) EUR) |
| --- | --- | --- | --- | --- |
| 1. | 29/09/2017 | 2016 | 225.959,61 | 167.210,11 |
| 2. | 01/10/2018 | 2017 | 222.110,06 | 153.255,95 |
| 3. | 14/10/2019 | 2018 | 192.332,59 | 130.786,15 |
| 4. | 30/11/2020 | 2019 | 224.534,54 | 161.664,87 |
| 5. | 28/10/2021 | 2020 | 190.499,75 | 140.969,82 |
| 6. | 17/10/2022 | 2021 | 207.779,95 | 162.068,36 |
| 7. | 10/10/2023 | 2022 | 304.490,97 | 213.143,68 |
|  | TOTAAL : |  | 1.567.707,47 | 1.129.098,94 |

te Antwerpen, tussen 01/01/2016 en 11/10/2023, telkenmale op de dag na hierboven vermelde aangiftetermiin,

door **J.P.**, Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**, **M.V.**,

### F geen of onjuiste aangifte - WBTW

bij inbreuk op de artikelen 53, 2° en 3° en [artikel 73 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73), met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden als belastingplichtige niet iedere maand, desgevallend niet om de drie maand, aangifte te hebben gedaan van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand of drie maanden in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheden zijn verricht, en van alle gegevens die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en van de toe te passen aftrek, en niet de verschuldigd geworden belasting te hebben voldaan binnen de termijn van indiening van de aangifte van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand desgevallend drie vorige maanden in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid zijn verricht, d.i. binnen de daarop volgende maanden,

met betrekking tot Cie1 (KBO‑nummer ...) geen of onjuiste BTW-aangiften te hebben ingediend en/of geen BTW te hebben voldaan aan de Belgische Staat, met het bedrieglijk opzet de hierop verschuldigde indirecte belasting te ontduiken,

**1** Te Antwerpen, tussen 01/01/2016 en 21/01/2023 (datum na laatste periodieke aangiftetermiin), meermaals, op niet nader bepaalde data,

door J.P., Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**, **M.V.**,

door voor hierna vermelde boekjaren een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 EUR niet te hebben aangegeven, en de verschuldigde BTW van minstens 141.555,44 EUR niet te hebben voldaan (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001),

|  | Jaar | Niet-aangegeven omzet (EUR) |
| --- | --- | --- |
| a) | 2016 | 225.959,61 |
| b) | 2017 | 222.110,06 |
| c) | 2018 | 192.332,59 |
| d) | 2019 | 224.534,54 |
| e) | 2020 | 190.499,75 |
| f) | 2021 | 207.779,95 |
| g) | 2022 | 304.490,97 |
| TOTAAL: |  | 1.567.707,47 |

**2** Te Antwerpen, tussen 01/01/2019 en 21/01/2023 (datum na laatste periodieke aangiftetermijn), meermaals, op niet nader bepaalde data,

door **J.P.**, Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**, **M.V.**,

door voor hierna vermelde boekjaren minstens 50% aan verrichte restaurantdiensten niet correct te hebben aangegeven, meer bepaald onjuiste omzetbedragen als maatstaf van heffing onderworpen aan de verschillende BTW‑tarieven van 6% (leveringen/afhaal), 12% (verbruik ter plaatse van maaltijden - frieten, snacks en sauzen) en 21% (verkoop alcoholische dranken, verkoop frisdranken bij verbruik ter plaatse) te hebben aangegeven, en de (bijkomend) verschuldigde BTW van minstens 42.401,70 EUR niet te hebben voldaan (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001),

|  | Jaar | MVH (12% BTW) (EUR) | MVH (21% BTW) (EUR) |
| --- | --- | --- | --- |
| h) | 2019 | 238.760,78 | 19.080,23 |
| i) | 2020 | 117.888,15 | 9.420,87 |
| j) | 2021 | 55.466,54 | 4.432,53 |
| k) | 2022 | 324.431,31 | 25.926,48 |

### G eerste / tweede / derde witwasmisdrijf

(art. 505, 2° / 3° / 4° Sw.)

zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw., namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben gekocht, te hebben geruild of om niet te hebben ontvangen, te hebben bezeten, bewaard of beheerd, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, en/of te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, en/of de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3° Sw. bedoelde zaken te hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen,

**1** Tussen 01/01/2016 en 01/01/2023, meermaals, op niet nader bepaalde data, onder meer "begin 2020, net voor corona" en/of "ongeveer zes maanden voor Cie2 werd opgericht",

door **M.V.**,

een niet nader bepaald totaalbedrag, minstens 13.000 EUR (= 10.000 + 3.000) ("éénmalig 10.000 euro aan W.S.", PV 123609‑23; "1 of 2x gelden doorgegeven naar Spanje naar J.P. toe", "dit \[welke\] elke keer 3000 á 4000 euro", PV 114736‑23), deel van de vennootschapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N°1 te Antwerpen, waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is, door deze te ontvangen, (internationaal) te transporteren en al dan niet via derde(n) over te (laten) dragen aan J.P.

(zie verhoor M.V., PV 114690‑23, p. 5; verhoor M.L., PV 123609‑23, p. 3; verhoor W.S., PV 114736‑23)

**2** Tussen 01/01/2016 en 01/01/2023, meermaals, op niet nader bepaalde data,

door **M.V.**, **M.L.**,

een niet nader bepaald totaalbedrag, deel van de vennootschapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N°1 te Antwerpen, waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is, door deze herhaaldelijk en periodiek te ontvangen, 'uit te splitsen' ten aanzien van de boekhoudkundig te verwerken contante handelsinkomsten, (internationaal) te transporteren en al dan niet via derde(n) over te (laten) dragen aan J.P.

(zie verhoor M.V., PV 114690‑23, p. 3‑5)

**3** Tussen 01/01/2016 en 01/01/2023, meermaals, op niet nader bepaalde data,

door **E.H.**,

een niet nader bepaald totaalbedrag, deel van de vennootschapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N°1 te Antwerpen, waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is, door deze te ontvangen, (internationaal) te transporteren en al dan niet via derde(n) over te (laten) dragen aan J.P.

(zie verhoor M.V., PV 114690‑23, p. 3)

### H misbruik van vertrouwen

(art. 491 lid 1 Sw.)

ten nadele van een ander, goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhielden of teweegbrachten en die hem overhandigd waren onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk te hebben verduisterd of verspild,

*De feiten ingevolge de inwerkingtreding van artikel 15 van de wet van 12 juli 2023 tot omzetting van Richtlijn (EU) 2019/713 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/J8Z van de Raad vanaf 18 september 2023 omschreven zijnde als volgt:*

ten nadele van een ander een roerend goed met economische waarde dat hem overhandigd is onder verplichting om het terug te geven of het voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk te hebben verduisterd of verspild,

meer bepaald een totaalbedrag van minstens 1.567.707,47 EUR (minstens 30% van de omzet), zijnde vennootschapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N°1 te Antwerpen, die systematisch werden onttrokken aan het vermogen van de vennootschap Cie1, zonder objectieve verantwoording in het vennootschapsbelang en/of zonder dat deze opnames werden verwerkt in de boekhouding van deze vennootschap,

te Antwerpen, tussen 31/12/2015 (datum voor inkomstenjaar 2016) en 01/01/2023 (datum na inkomstenjaar 2022), meermaals, op niet nader te bepalen data,

door **J.P.**, **M.V.**,

### I geen passende boekhouding - WER

bij inbreuk op de artikelen I.1.1°, I.5, III.82, III.83, III.84, III.89 en III.90 van het Wetboek van Economische Recht, strafbaar gesteld bij de artikelen XV.69, XV.70 en XV.75 van hetzelfde wetboek, als bestuurder, zaakvoerder, directeur of procuratiehouder van een rechtspersoon, bedrieglijk niet een voor de aard en de omvang van het bedrijf van de onderneming passende boekhouding te hebben gevoerd en/of niet de bijzondere wetsvoorschriften betreffende dat bedrijf in acht genomen te hebben,

met betrekking tot Cie1 (KBO‑nummer ...) en de boekjaren eindigend per 31/12/2016, 31/12/2017, 31/12/2018, 31/12/2019, 31/12/2020, 31/12/2021 en 31/12/2022, geen volledige, conforme en betrouwbare boekhouding te hebben bijgehouden of laten bijhouden, door onder meer:

•geen kasboek bij te houden;

•in de boekjaren 2016‑2022 een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 EUR niet te hebben vermeld of laten vermelden in de dagontvangstenboeken (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001; PV NR2024/004);

•in de boekjaren 2019‑2022 minstens 50% aan verrichte restaurantdiensten niet correct te hebben vermeld of laten vermelden in de dagontvangstenboeken en verkoopjournalen, meer bepaald onjuiste omzetbedragen onderworpen aan de verschillende BTW‑aangiften van 6% (leveringen/afhaal), 12% (verbruik ter plaatse van maaltijden - frieten, snacks en sauzen) en 21% (verkoop alcoholische dranken, verkoop frisdranken bij verbruik ter plaatse) (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001; PV NR 2024/004),

te Antwerpen, tussen 31/12/2015 (datum voor gebrekkig boekjaar) en 25/04/2024 (opening faillissement), meermaals, op niet nader bepaalde data,

door **J.P.**,

**Wat betreft J.P.**

**herhaling wanbedrijf op wanbedrijf**

(art. 56 lid 1 en 2 Sw.)

met de omstandigheid dat de inverdenkinggestelde **J.P.** het misdrijf heeft gepleegd sedert hij veroordeeld werd bij arrest van het Hof van beroep te Antwerpen dd. 02/03/2023 tot onder meer een hoofdgevangenisstraf van één jaar (volledig met uitstel van tenuitvoerlegging voor een periode van vijf jaar), arrest in kracht van gewijsde gegaan op het ogenblik van de nieuwe feiten, en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds hij zijn straf heeft ondergaan of sinds zijn straf verjaard is.

### PROCEDURE

De rechtbank neemt kennis van de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank van 6 maart 2025 waarin verzachtende omstandigheden werden aangenomen.

De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.

De rechtspleging verliep in de ... taal.

De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige partijen.

Beklaagde Cie1 is niet verschenen hoewel zij rechtsgeldig werd gedagvaard.

**1.** **De onregelmatigheid van verkregen bewijsmiddelen: schending van art. 333 WIB 1992.**

Cie1 (hierna: *Cie1*) werd bij notariële akte van 1 augustus 2012 opgericht met als maatschappelijke zetel ... en had als oprichters J.P. (eerste beklaagde, hierna *J.P.*), M.L., C.V., K.H. en M.V. (derde beklaagde, hierna *M.V.*). Als zaakvoerder werd J.P. aangesteld, de overige oprichters waren 'werkende vennoten'. Het adres van de maatschappelijke zetel was ook het verblijfadres van M.V. op het moment van de oprichting.

Op 17 december 2019 werd bij akte door de algemene vergadering en onder voorzitterschap van J.P. beslist om de maatschappelijke zetel van Cie1 vanaf 1 januari 2020 te verplaatsen naar .... Dit op verzoek van M.V. die de aangetekende brieven en deurwaarders aan haar deur niet langer wenste.

**\***

Eerste beklaagde J.P. meent dat er sprake is van onregelmatig verkregen bewijsmiddelen (in het kader van het fiscaal onderzoek) wegens schending van art. 333 WIB 1992. De uitbreiding van de onderzoektermijn zou immers op 9 maart 2022 ter hand gesteld zijn aan M.V. op haar verblijfadres (...) en deze zou niet de nodige hoedanigheid hebben om dit te ontvangen namens Cie1. Enkel J.P. als zaakvoerder zou dergelijke kennisgeving kunnen ontvangen.

De verkregen bewijsmiddelen uit het fiscaal onderzoek zouden volgens J.P. dan ook nietig zijn overeenkomstig art. 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T.Sv.) en ook uit het strafonderzoek moeten geweerd worden.

**\***

De rechtbank wijst er vooreerst op dat art. 333, derde lid WIB 1992 enkel van toepassing is inzake de inkomstenbelastingen en dus niet van toepassing is op het onderzoek inzake btw. In de tenlasteleggingen in deze zaak worden zowel inbreuken inzake inkomstenbelastingen als inzake btw geviseerd. De vermeende schending inzake inkomstenbelastingen kan dan ook niet gelden voor de inbreuken inzake btw. Daarenboven geldt dit enkel voor de onderzoeksdaden gesteld vóór een geldige kennisgeving van uitbreiding van onderzoekstermijn.

Art. 333 WIB 1992 stelt: "*Deze voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag*".

De voorafgaande kennisgeving is dus voorgeschreven op straffe van nietigheid van de aanslag. Bij een eventuele schending van art. 333 WIB 1992 betekent dit dan ook alleen maar dat een reeds gevestigde aanslag in de inkomstenbelasting nietig zou zijn en dat er ook geen aanslagen in de inkomstenbelastingen meer kunnen gevestigd worden op de voor de kennisgeving verkregen gegevens. Dit impliceert geenszins dat de bewijsmiddelen zelf die zouden verkregen zijn met schending van deze fiscale bepalingen ook onrechtmatig zouden verkregen zijn, ze mogen enkel niet aangewend worden met oog op een taxatie in de inkomstenbelastingen. Er is dan ook geen sprake onregelmatig verkregen bewijselementen in de zin van art. 32 V.T.Sv.

Daarenboven is de rechtbank van oordeel dat er in casu zelfs geen sprake is van een schending van art. 333 WIB 1992.

Op 9 maart 2022 omstreeks 11.15 uur was de BBI ter plaatse op de exploitatiezetel van Cie1 in de ... in …. Ter plaatse troffen de verbalisanten S.C. aan, werkneemster van Cie1. Op de vraag van de verbalisanten om de verantwoordelijke te spreken en wie de verantwoordelijke is, antwoordde S.C.: "*Als ik iets moet weten dan bel ik M.V.*". S.C. verwees ook naar M.V. als de persoon die de uren bepaald, aan wie ziekte moet gemeld worden en als de persoon die werknemers aanwerft.

Uit het strafdossier blijkt duidelijk dat het net was omdat er niemand aanwezig was op de (vermeende) maatschappelijke zetel (...) om de kennisgeving te ontvangen, dat de kennisgeving 'per drager' werd gebracht naar de enige contactpersoon in België aanwezig om dergelijke kennisgeving te ontvangen. Volgens de eigen conclusies van J.P. zou hij immers niet meer in België zijn sinds 30 oktober 2015.

Omstreeks 11.45 was I.D., Fiscaal deskundige, ambtenaar van de Federale Overheidsdienst Financiën, verbonden aan de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Gewestelijke Directie BBI Antwerpen 2, dan naar de ... (verblijfadres van M.V. en maatschappelijke zetel vóór de zetelverplaatsing) gewandeld om de uitbreiding van de onderzoekstermijn inzake directe belastingen te overhandigen aan M.V..

Dit werd ook bevestigd in het proces‑verbaal van vaststelling opgesteld door K.S. en L.A.. Op 9 maart 2022 omstreeks 11.50 uur werd de uitbreiding van onderzoekstermijn inzake Directe Belastingen door I.D., fiscaal deskundige verbonden aan de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, Directie Antwerpen – Inspectie 2, aan M.V. voorgelegd ter ondertekening voor ontvangst waarna ze een kopie overhandigde. Deze overhandiging gebeurde in de .... Dit was voorheen de maatschappelijke zetel van Cie1 en het verblijfadres van M.V..

Artikel 333 WIB 1992 vereist dat de administratie de belastingplichtige voorafgaandelijk schriftelijk en nauwkeurig kennis gegeven heeft van de aanwijzingen inzake belastingontduiking, die wat hem betreft bestaan, voor de betreffende periode. De wet vereist geenszins dat dit gebeurt op het adres van de belastingplichtige zelf, ook een kennisgeving per drager aan de belastingplichtige (of zijn vertegenwoordiger) op een ander adres dan de maatschappelijke zetel of vestigingsadres is in overeenstemming met de vereiste van een voorafgaandelijke kennisgeving. De rechtbank wijst er ten overvloede op dat de zetelverplaatsing zelf het voorwerp uitmaakt van tenlastelegging B.2.

De BBI was naar dit adres gegaan met machtiging van de politierechter. Het PV van vaststellingen stelt dat M.V. hen op het adres ... ontvangt "*in haar hoedanigheid van medevennoot en dagdagelijks beheerder van Cie1*".

Op de vraag van de verbalisanten om haar taak te omschrijven ("*Beschrijf uw werk in Cie1, als medevennoot, bedrijfsleider en in de dagelijkse uitbating van Frituur N° 1*") verklaarde M.V. "*ik ben geen bedrijfsleider, maar meewerkende vennoot. De lopende zaken, zoals je ziet dit en meewerken in de frituur. lk doe ook de kasafsluitingen.*" Zij verklaarde tevens dat zij de bestellingen deed, de werkroosters opstelde en dat ziekten aan haar moesten gemeld worden. Ze haalde ook de post uit de brievenbus van de maatschappelijke zetel van de vennootschap, zij deed die open en stuurde deze door naar de advocaat, de boekhouder of privé. Ze had ook een bankkaart van de vennootschap om gelden te storten op de rekening van de vennootschap. Ze bevestigde dan ook dat zij de dagdagelijkse uitbatingsverantwoordelijke was van Cie1. Op geen enkel ogenblik heeft M.V. opgeworpen dat zij niet bevoegd, niet gemachtigd of niet in staat was om mee te werken aan de fiscale controle lastens Cie1. Ook S.C. deelde tijdens het gesprek met de fiscale ambtenaar niet mee dat M.V. geen bevoegdheid had om Cie1 te vertegenwoordigen tijdens de fiscale controle.

Dat er een verregaande delegatie was van verantwoordelijkheden voor de dagdagelijkse werking van Cie1 aan M.V. wordt ook meermaals bevestigd door andere elementen uit het strafdossier:

•de verklaringen die allen bevestigden dat M.V. instond voor de dagdagelijkse werking van Cie1, nl. de verklaringen van M.V. zelf, W.S., M.P., M.L. en van de werknemers S.C., F.B. en T.T.;

•J.P. had daarenboven ook een beperkte volmacht op de rekening gegeven aan M.V. en hij liet haar regelmatig in zijn naam documenten ondertekenen (zoals bleek uit meerdere stukken aangetroffen bij de huiszoeking bij W.S., zoals bijvoorbeeld overdracht personeel of aanwerving werknemers).

De rechtbank stelt bovendien vast dat M.V. wat betreft de door de ambtenaren gestelde informaticahandelingen geen opmerkingen had en de ambtenaren vrije toegang gaf tot haar woning alsook zich niet verzette tegen de toegang tot de beroepslokalen. Uit niets blijkt dat M.V. als vertegenwoordiger van Cie1 hiertoe geen toestemming heeft gegeven.

Dat M.V. niet in staat zou zijn geweest om Cie1 te vertegenwoordigen gelet op het feit dat zij niet vertrouwd zou zijn met de administratie, blijkt uit niets. Uit de verklaringen van M.V. blijkt integendeel dat zij goed op de hoogte was van de activiteiten en de werking van Cie1, en dat zij hierin zelf verantwoordelijkheid opnam. Zij heeft de processen‑verbaal van bepaalde onderzoekshandelingen verricht op 9 maart 2022 zonder opmerkingen ondertekend.

In deze concrete omstandigheden mochten de ambtenaren er redelijkerwijze van uitgaan dat M.V., die ook oprichter en werkend vennoot was van Cie1, bevoegd was om deze vennootschap te vertegenwoordigen tijdens de fiscale controle van Cie1 en hiertoe, als vertegenwoordiger van Cie1, haar toestemming gaf.

Gelet op de bevestiging van M.V. dat zij handelde in de hoedanigheid van verantwoordelijke en (werkend) vennoot van Cie1 is het evenmin relevant dat de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn haar niet ter kennis werd gebracht op de maatschappelijke zetel of uitbatingszetel van Cie1.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de kennisgeving tot uitbreiding van de onderzoekstermijn op rechtsgeldige wijze gebeurde aan M.V. als vertegenwoordiger van de belastingplichtige Cie1.

Ten overvloede wijst de rechtbank er ook op dat door beklaagde J.P. niet aannemelijk wordt gemaakt dat er vóór deze kennisgeving, in de korte tijdspanne tussen 11.15 uur en 11.50 uur, reeds onderzoeksdaden inzake de inkomstenbelastingen werden gesteld buiten de driejarige onderzoekstermijn. Dit werd overigens zelf impliciet bevestigd door J.P. vermits de stukken waarnaar expliciet werd verwezen in de syntheseconclusies op pagina 9 allemaal verkregen werden zonder enige twijfel na deze kennisgeving. Tevens wijst de rechtbank er op dat er zelfs nergens uit de processen‑verbaal van vaststellingen blijkt dat er tijdens de visitatie in de ... en tijdens de controle in de ... op 9 februari 2022 gegevens werden verzameld buiten de driejarige onderzoekstermijn. Het is pas bij Cie3 om 14.50 uur op 9 februari 2022 dat er ook boekhouding tot en met 2015 werd opgevraagd.

Bij gebreke aan schending van art. 333 WIB 1992 is er dan ook geen sprake van onregelmatig verkregen bewijsmiddelen ten gevolge hiervan, zodat er ook geen stukken uit het dossier moeten verwijderd worden op basis van art. 32 V.T.Sv.

Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat, zelfs indien de kennisgeving niet rechtsgeldig zou zijn gebeurd – *quod non* –, er gelet op de werkwijze van de administratie zeker al geen sprake is van enige 'grove nalatigheid' zoals J.P. ten onrechte stelt in conclusies.

**2.** **De onregelmatigheid van verkregen bewijsmiddelen: schending van** [**art. 63 WBTW**](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63)**.**

J.P. stelt dat er bij de toegang tot de bedrijfslokalen (de frituur) op 9 maart 2022 een schending zou hebben plaats gevonden van [art. 63 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63). Uit de processen‑verbaal van 9 maart 2022 zou blijken dat de toegang tot de bedrijfslokalen zou verleend zijn door een werkneemster, nl. S.C., die niet de vereiste hoedanigheid heeft om deze toestemming te verstrekken.

J.P. zelf stelt in zijn conclusies dat die toestemming zou moeten gegeven worden door de belastingplichtige zelf, door een gemandateerde of door een persoon van wie de ambtenaren redelijkerwijze mochten veronderstellen dat hij hiertoe bevoegd was.

Voormelde toestemming is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar J.P. stelt dat de verkregen toegang strijdig zou zijn met het recht op een eerlijk proces en als dusdanig zouden de resultaten ervan moeten uitgesloten worden op basis van art. 32 V.T.Sv.

**\***

Op 9 maart 2022 omstreeks 11.15 uur was de BBI ter plaatse op de exploitatiezetel van Cie1 in de .... Ter plaatse troffen de verbalisanten enkel S.C. aan, werkneemster van Cie1. De ambtenaren mochten redelijkerwijze veronderstellen dat deze werknemer bevoegd was om toegang te verlenen aangezien zij als eerste toegang had genomen tot de bedrijfsgebouwen.

Maar daarenboven werd op de vraag van de verbalisanten om de verantwoordelijke te spreken en wie de verantwoordelijke is, door S.C. geantwoord: "*Als ik iets moet weten dan bel ik M.V.*". S.C. verwees ook naar M.V. als de persoon die de uren bepaalt, aan wie ziekte moet gemeld worden en als de persoon die werknemers aanwerft. Hieruit blijkt dat de ambtenaren ter plekke getracht hebben een persoon aan te treffen die de nodige bevoegdheid had of waarvan zij konden veronderstellen dat deze de nodige bevoegdheid had. Er is dan ook geen sprake van een opzettelijke onregelmatigheid of een met opzet gelijk te stellen onachtzaamheid.

Zoals hoger vermeld, vond op het zelfde ogenblik ook een huisvisitatie plaats op het verblijfadres van M.V. (waar korte tijd nadien aan M.V. de kennisgeving van uitbreiding van de onderzoekstermijn ter kennis werd gebracht). In het proces‑verbaal van vaststellingen werd vermeld – kort na de ondertekening ter ontvangst ter machtiging van de huisvisitatie – "*Hierop deelt L.A. mee dat er ook een BBI-team aanwezig is in deze frituur die aldaar tevens de gepaste vaststellingen zal doen*". M.V. heeft zich tegen dit bezoek van de lokalen van de frituur niet verzet.

De rechtbank verwijst naar de hoedanigheid van M.V. hierboven (met betrekking tot de kennisgeving van de uitbreiding van de onderzoekstermijn), waardoor de ambtenaren er redelijkerwijze van mochten uitgaan dat M.V. voldoende gemandateerd was om namens Cie1 toestemming te geven tot de visitatie van de beroepslokalen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen schending voorligt van [artikel 63 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63), zodat er ook geen reden is om op deze basis over te gaan tot het uitsluiten van enige bewijsmiddelen.

Ten overvloede wijst de rechtbank er op dat, zelfs indien de toestemming niet rechtsgeldig zou zijn gebeurd – *quod non* –, er gelet op de werkwijze van de administratie zeker al geen sprake is van enige 'grove nalatigheid' zoals J.P. ten onrechte stelt in conclusies.

De rechtbank wijst er tevens ten overvloede op dat in de visie van J.P. – dat enkel de enige zaakvoerder die al jaren in het buitenland verblijft en die bovendien zeer moeilijk bereikbaar is (zoals blijkt uit het strafdossier) – toestemming kan verlenen tot een visitatie, het een Belgische vennootschap zou mogelijk maken om elke onderzoeksdaad volstrekt onmogelijk te maken. Deze stelling dat een delegatie voor al de dagdagelijkse werking wel mogelijk is, maar met uitsluiting van toestemming tot enige fiscale onderzoeksdaad, kan *in casu* niet aanvaard worden.

**3.** **De onregelmatigheid van verkregen bewijsmiddelen: schending van beroepsgeheim.**

J.P. stelt dat er ook een onregelmatigheid van de bewijsgaring zou bestaan in de verklaring van G.D. van 4 december 2023 over het gebrek aan gebruik van een geregistreerde kassa in de frituur. Gelet op de schending van zijn beroepsgeheim zou dit gegeven moeten verwijderd worden uit het strafdossier.

Niettegenstaande J.P. verder in zijn conclusie dan een onderscheid maakt tussen het horen van G.D. als gemandateerde in het fiscaal onderzoek (waar de vraagstelling zou moeten beschouwd worden als een vraag aan de belastingplichtige) en als getuige in het strafonderzoek (waar het beroepsgeheim zou gelden), vraagt hij niettemin alsnog om alle verklaringen en stukken overgemaakt door G.D. uit het strafdossier te weren ten gevolge van een vermeende schending van het beroepsgeheim van accountants.

**\***

Niettengestaande door J.P. klaarblijkelijk niet betwist wordt dat Cie3 de boekhouding deed voor Cie1, de aangiften inzake inkomstenbelastingen en btw deed, de jaarrekeningen opstelde en zelfs bijna alle betalingen deed met de bankkaart die bezorgd werd door J.P., lijkt J.P. nu in vraag te stellen of Cie3 en haar vertegenwoordiger G.D. wel door de vennootschap gemandateerd was.

De rechtbank acht deze stelling van J.P. volstrekt ongeloofwaardig. Uit het strafdossier zelf en uit het feit dat de klantenrelatie reeds bestond met de vorige uitbater/vennootschap Cie4 die ook aan J.P. toebehoorde, blijkt duidelijk dat Cie3 steeds optrad als gemandateerde van Cie1.

Het strafdossier bevat daarenboven ook nog een opdrachtbrief tussen Cie1 (vertegenwoordigd door J.P.) en Cie3, ondertekend te Antwerpen op 21 oktober 2021 door J.P. zelf, waarin het mandaat wordt bevestigd en waarin deze op fiscaal vlak als volgt wordt omschreven, opdracht om:

•het vervullen van de administratieve formaliteiten betreffende de fiscale verplichtingen;

•het opstellen en indienen van de maand‑ of kwartaal‑btw‑aangiftes, alsook het opstellen en indienen van de overige verplichte aangiftes inzake btw (bvb. intracommunautaire opgave, jaarlijkse klantenlisting, …);

•het opstellen en indienen van de belastingaangiftes: Personenbelasting / Vennootschapsbelasting;

•…

•bijstand te verlenen betreffende het fiscaal recht;

•het verdedigen van de belangen van de cliënt bij de fiscale administratie;

•eventuele andere opdrachten.

Uit de berekening van de erelonen en de aanbesteding op basis van uurtarief voor bijkomende prestaties van deze opdrachtbrief (art. 7.3), blijkt dat dit ook omvat: bijstand in het kader van een AOIF‑controle; bijstand in het kader van een fiscale controle m.b.t. directe belastingen; bijstand in het kader van een fiscale controle m.b.t. indirecte belastingen, waaronder btw.

Het gegeven dat G.D. van Cie3 werd gemandateerd om gegevens te bezorgen (als gemandateerde van de belastingplichtige) blijkt bovendien ook uit de e‑mails van de toenmalige raadsman, F.J., aan de FOD Financiën van 25 april 2022 die zich ook in het strafdossier bevinden en waarin er gecommuniceerd werd over de te verschaffen inlichtingen van bankrekeningen.

Het kan dan ook niet betwijfeld worden dat in het kader van het fiscaal onderzoek G.D. optrad als gemandateerde van Cie1 en dan ook gemandateerd was om alle boekhoudkundige gegevens en verdere toelichting te verstrekken.

Boekhoudkundige stukken die door Cie3 werden verschaft in het kader van het fiscaal onderzoek (J.P. verwijst in zijn conclusies naar de bijlagen 3H, 31; 3J, en 6C) vallen uiteraard niet onder het beroepsgeheim van de accountant.

Alle informatie die door G.D. van Cie3 werd verschaft aan de FOD Financiën (o.a. op 9 maart 2022 en 25 maart 2022) werd dan ook op regelmatige wijze verkregen

**\***

De rechtbank wijst er tevens op dat het gebrek aan de aanwezigheid van een geregistreerd kassasys-teem bij de uitbating van de frituur meermaals werd vastgesteld voorafgaand aan de door J.P. geviseerde verklaring van G.D., dit blijkt uit volgende stukken die gevoegd werden aan het strafdossier:

•proces‑verbaal van vaststelling van 26 augustus 2016 van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Nationaal Centrum Opsporingen – Antwerpen Opsporingen 1: "*Ik heb vastgesteld dat er geen GKS aanwezig is. Er is slechts een gewoon kassaregister aanwezig van het merk UNIWELL, mode! HX‑4500 met serienummer A50900973*";

•proces‑verbaal van vaststelling van 11 april 2018 van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Administratie Particulieren – Nationaal Centrum Opsporingen: "Ik heb vastgesteld dat er geen geregistreerde kassa (GKS) aanwezig is op het adres van de bovengenoemde vestigingseenheid";

•proces‑verbaal van vaststelling van 3 oktober 2018 van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Administratie Particulieren – Nationaal Centrum Opsporingen: "*Ik heb vastgesteld dat er geen geregistreerde kassa (GKS) aanwezig is op het adres van de bovengenoemde vestigingseenheid*";

•proces‑verbaal van vaststelling van 16 mei 2019 van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Administratie Particulieren – Nationaal Centrum Opsporingen: "I*k heb vastgesteld dat er geen geregistreerde kassa (GKS) aanwezig is op het adres van de bovengenoemde vestigingseenheid*";

•proces‑verbaal van vaststelling van 28 augustus 2019 van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Administratie Particulieren – Nationaal Centrum Opsporingen – Team Opsporingen Antwerpen 1: "*Ik heb vastgesteld dat het uitgereikte kasticket niet werd aangemaakt door een geregistreerd kassasysteem (GKS)*";

•btw‑verificatieverslag van 14 oktober 2019: "*De zaakvoerder weigert hardnekkig (ook tijdens deze controle via zijn advocaat) om een witte kassa te installeren.*";

•proces‑verbaal van vaststelling van 15 januari 2020 van de Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Administratie Particulieren – Nationaal Centrum Opsporingen – Team Opsporingen Antwerpen 1: "*De bovengenoemde uitbatingsvestiging is bij de FOD Financiën niet geregistreerd als gebruiker van een geregistreerd kassasysteem (GKS).*";

•proces‑verbaal van informaticahandelingen van 9 maart 2022 van de Algemene Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie – Directie Antwerpen – Cel informatica BBI Antwerpen: "*De uitbating gebruikt de kassa Tx870 en geen HX4500 zoals verwacht volgens eerdere proces‑verbalen. Deze is volgens verklaringen van M.V. stuk gegaan. Zij hebben daarom de oude kassa gewoon terug in gebruik genomen..*".

De beperkte verklaringen die G.D. aflegde over de weigering tot het gebruik van een geregistreerd kassasysteem bevatte dan ook geen gegevens die gedekt waren door het beroepsgeheim. Het gegeven dat J.P. weigerde een geregistreerd kassasysteem te hanteren was meermaals vastgesteld en werd zelfs uitdrukkelijk door zijn advocaat gemeld tijdens een eerdere btw-controle (zie boven inspectieverslag).

Er is dan ook geen enkele reden om de verhoren van G.D. of de door hem overhandigde boekhoudkundige stukken uit de debatten te weren.

## 4. De ontvankelijkheid van de strafvordering met betrekking tot tenlastelegging B.1

Als vierde (ondergeschikte) middel stelt eerste beklaagde J.P. dat dezelfde feiten vervolgd worden als gemeenrechtelijke valsheid en als fiscale valsheid. Omdat beide valsheden met elkaar niet gecombineerd kunnen worden – behoudens in uitzonderlijke omstandigheden – zou het adagium "*lex specialis derogat generalibus*" tot gevolg moeten hebben dat enkel het fiscaal oogmerk kan behouden blijven. Hierdoor zou de tenlastelegging inzake de gemeenrechtelijke valsheid onontvankelijk zijn.

De rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van het oogmerk van de beklaagde (en de bijhorende kwalificatie van de valsheid) behoort tot de beoordeling ten gronde. Hierna zal de rechtbank dit dan ook beoordelen.

### OP STRAFGEBIED

Eerste beklaagde J.P. en tweede beklaagde Cie1 moeten zich verantwoorden voor feiten van valsheid in handels‑ of bankgeschriften of in private geschriften en het gebruik ervan (tenl. B.1 en B.2), fiscale valsheid en/of gebruik ervan (tenl. C en D), fraude inzake inkomstenbelastingen (tenl. E), fraude inzake BTW (tenl. F.1 en F.2).

Eerste beklaagde J.P. moet zich ook bijkomend verantwoorden voor misbruik van vertrouwen (tenl. H) en het niet voeren van een passende boekhouding (tenl. I).

Ook derde beklaagde M.V. moet zich verantwoorden voor fraude inzake inkomstenbelastingen (tenl. E), fraude inzake BTW (tenl. F.1 en F.2) en misbruik van vertrouwen (tenl. H). Zij moet zich ook bijkomend verantwoorden voor witwassen (tenl. G.1 en G.2).

Zevende beklaagde M.L. (hierna: *M.L.*) en achtste beklaagde E.H. (hierna: *E.H.*) moeten zich verantwoorden voor feiten van witwassen (respectievelijk tenl. G.2 en G.3).

## 1. Feiten en verloop van het onderzoek

J.P. startte met de uitbating van Frituur N° 1 in 1982. Sinds juni 1994 gebeurde de uitbating via de vennootschap Cie4 met als enige aandeelhouder en zaakvoerder J.P.. Sinds 2007 was de enige uitbatingslocatie de frituur gevestigd in de .... Voorheen waren er meerdere locaties.

Cie1, met als zaakvoerder J.P., startte op haar beurt met de uitbating van Frituur N° 1 op 3 augustus 2012 nadat er in maart van datzelfde jaar een BBI-controle van Cie4 (de toenmalige uitbater van Frituur N° 1) werd uitgevoerd. Die controle mondde uit in een strafdossier waarin deze rechtbank en deze kamer een vonnis velde op 2 juni 2022 (dat bevestigd werd bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 maart 2023) en dit met betrekking tot de periode 2002‑2015 en waarbij (o.a.) grootschalige fraude werd vastgesteld.

Cie1 werd bij notariële akte van 1 augustus 2012 opgericht met als maatschappelijke zetel ... en had als oprichters J.P., M.L., C.V., K.H. en M.V.. Als zaakvoerder werd J.P. aangesteld. Op 17 december 2019 werd bij akte door de algemene vergadering en onder voorzitterschap van J.P. beslist om de maatschappelijke zetel van Cie1 vanaf 1 januari 2020 te verplaatsen naar ....

**\***

Uit meerdere fiscale controles in de periode van 25 augustus 2016 tot 13 januari 2020 bleek dat Cie1 geen geregistreerd kassasysteem hanteerde en dat er geen kasticket werd uitgereikt aan de klanten.

Er werden vijf processen‑verbaal van vaststelling opgesteld waarbij de afwezigheid van een geregistreerd kassasysteem werd vastgesteld en er vragen werden gesteld bij de omvang van het verbruik ter plaatse.

Hiervoor werden er in totaal tien forfaitaire administratieve boetes opgelegd voor een totaal bedrag van 30.200 euro, die bijna allemaal betaald werden door Cie1. Daarenboven waren er geen onderliggende stukken voorhanden om de dagontvangsten te staven. Voor de jaren 2016 tot en met 2018 werd daarenboven de omzet aangegeven aan 6% belast aan 12% omdat niet het bewijs werd geleverd dat het lagere tarief van toepassing was.

De btw‑administratie stelde bovendien vast dat de omzet van Cie1 in de lijn lag van de omzet die was aangegeven door Cie4 in de jaren voordien. Vermits bij Cie4 een aanzienlijke omzet niet werd aangegeven in de jaren 2002‑2012, ontstond het vermoeden dat de werkwijze ook werd gehanteerd door Cie1 vanaf 2012. Hierop startte een fiscaal onderzoek van Cie1.

Door het Nationaal Centrum Opsporingen van de FOD Financiën werden er meerdere observaties uitgevoerd tussen 24 september 2021 en 26 november 2021. Er werden acht processen‑verbaal van observatie omtrent de uitbating van de frituur N° 1 opgesteld , waarbij werd gekeken naar de verhouding verbruik ter plaatse en afhaal. Uit deze observaties bleek dat van de 845 bestellingen die gebeurden, er 52% (443/845) ter plaatse werden verbruikt.

Hierop vond er een fiscale controleactie plaats op 9 maart 2022 en dit gelijktijdig op het vestigingsadres van Cie1 (Frituur N° 1) in de ... en op het privéadres van M.V. (voorheen de maatschappelijke zetel van Cie1).

Er werd een proces‑verbaal van 9 maart 2022 opgesteld over de controle die werd uitgeoefend op het vestigingsadres van frituur N° 1 (...) waarbij toegang werd verleend door S.C. in haar hoedanigheid van medewerker van de onderneming en nadien bevestigd door M.V.. In de kelder van de frituur bevonden zich personeelslockers. In de linkse, onderste locker werden onder meer alle dagontvangstenboeken gevonden (vanaf augustus 2012) en het lopende dagontvangstenboek van 2022, ingevuld tot en met 5 maart 2022. Tevens trof de Administratie een schoendoos aan waarin Z‑totalen werden bewaard. De aangetroffen dagontvangstenboeken t/m 2021 werden meegenomen, net zoals de schoendoos met daarin alle bijgehouden Z‑totalen wat vermeld werd in een proces‑verbaal van retentie. De meest rechtse locker onderaan werd vervolgens omstreeks 12.10 uur opengedaan. Hierin bevonden zich onder meer twee bruine enveloppen met opschrift "maandag week 10" en "dinsdag week 10". Deze bruine enveloppen bevatten telkens de bankbiljetten cashgeld van de kassa van een dag, een berekeningsblad en twee Z‑totalen.

Er werd tevens en proces‑verbaal van 9 maart 2022 opgesteld waarbij er een controle werd uitgeoefend op het domicilie‑adres van M.V. (...), in haar hoedanigheid van medevennoot en dagdagelijkse beheerder van Cie1, met machtiging van de politierechter, waarbij de gsm van M.V. werd onderzocht en de aldaar aanwezige WhatsApp‑communicatie over de uitbating van de frituur en waarbij zeven enveloppen met cash‑geld en Z‑totalen werden overhandigd, evenals een bankkaart voor de rekening eindigend op '‑5803' die M.V. gebruikte om wekelijks de stortingen van cash geld te doen op rekening van cie6.

M.V. verklaarde op 9 maart 2022 aan de ambtenaren van FOD Financiën dat zij meewerkend vennoot was en geen bedrijfsleider. Zij deed wel alle stortingen van cashgelden op de bank met de bankkaart van J.P.. Alle andere betalingen gebeurden door de boekhouder. Zij stond in voor dagelijkse uitbating, deed de bestellingen, stelde het uurrooster op, deed de rekrutering en aan haar moesten de personeelsleden melden als ze ziek waren. Ook de werkneemster S.C. verklaarde dat M.V. de verantwoordelijke was.

G.D., van het boekhoudkantoor Cie3, verklaarde op 9 maart 2022 aan de ambtenaren van FOD Financiën dat zij de boekhouding deden (boekhouding verwerken, balans opstellen en btw‑aangiftes indienen) en de betalingen aan de leveranciers (met een bankkaart op naam van J.P.). De stukken werden hen bezorgd via M.V. of via de broer van J.P., R.P.. Het contact met de zaakvoerder J.P. verliep via diens advocaat Guy VAN HOUCKE.

Op 8 april 2022 werd er opnieuw een controle ter plaatse in het frituur uitgevoerd waarbij M.V. de rapporten uit de aanwezige kassa toonde aan de ambtenaren.

Er vond tevens een controle en bespreking plaatse bij de externe boekhouder, G.D., op 22 februari 2023. Hij bevestigde dat bij het inboeken van de omzet aan 12% (voor verbruik van maaltijden ter plaatse) een louter forfaitaire berekening werd gemaakt op volgende manier: elke maand werd forfaitair slechts 10% van de totaal ingeschreven dagontvangsten inclusief btw aangegeven als maatstaf van heffing onderworpen aan het btw‑tarief van 12%. Hij verklaarde niet op de hoogte te zijn dat er bij een vorige controle de afspraak was gemaakt om minstens 25% van de totale omzet aan te geven als verbruikt ter plaatste.

Nadien volgden er nog drie opvolgingscontroles bij Cie1 en gebeurde er een uitgebreide analyse van de aangetroffen gegevens, waarna de administratie overging tot een gedetailleerde herberekening van de omzet en de verdeling over de respectievelijke btw‑tarieven, bij gebreke aan bewijskrachtige boekhouding. Dit werd gedetailleerd opgenomen in een proces‑verbaal van taxatie van 19 oktober 2023.

**\***

Op 17 maart 2023 werd er door de FOD FINANCIËN een vraag tot overleg *una via* gericht aan het openbaar ministerie. Er was immers gebleken dat Cie1 reeds sinds 1 juli 2016 weigerde te werken met een geregistreerd kassasysteem en dit ondanks herhaaldelijke aanmaningen en boetes. Tijdens een btw‑controle voor de jaren 2016‑2018 was gebleken dat Cie1 geen onderliggende bewijsstukken kon voorleggen (zoals kassatickets en Z‑totalen) ter staving van de aangegeven omzet. Bij de controleactie die op 9 maart 2022 plaatsvond, enerzijds in de frituur zelf en anderzijds in de woonplaats van M.V., stelde de FOD vast dat er blijkbaar dagelijks twee Z‑totalen werden getrokken, waarbij enkel de Z‑totalen geprint bij de afsluiting van de kassa werden bewaard in de frituur. Deze werkwijze werd vooral duidelijk na analyse van de aangetroffen Z‑totalen in de frituur met datum vanaf 9 september 2020. Zelfs na ingebruikname van een geregistreerd kassasysteem op 15 december 2022 werd er door FOD FINANCIËN tijdens een controle op 3 maart 2023 vastgesteld dat dezelfde werkwijze klaarblijkelijk verder werd gebruikt. De FOD FINANCIËN stelde tevens vast dat de verhouding verbruik ter plaatse en afhaal en het bijhorende btw‑tarief niet op correcte wijze werd gehanteerd.

Op het *una via* – overleg werd op 3 april 2023 beslist tot de strafrechtelijke afhandeling van de indicaties van fiscale fraude inzake inkomstenbelastingen en btw in hoofde van Cie1 voor de inkomstenjaren 2020‑2022. Hierop werd een opsporingsonderzoek opgestart.

In een proces‑verbaal opgesteld op 4 april 2023 werden de juridische personalia van (o.a.) Cie1 weergegeven. Hieruit bleek dat J.P. zaakvoerder was van Cie1 sedert 1 augustus 2012. M.V. was vennoot en oprichter van Cie1 sedert 1 augustus 2012 (samen met vier andere personen waaronder J.P.).

Het fiscaal dossier van Cie1 werd opgevraagd bij de FOD FINANCIËN en geanalyseerd in een proces‑verbaal van 2 mei 2023. Ook de boekhoudkundige gegevens in bezit van de FOD FINANCIËN werden gevoegd aan het dossier. Er volgde tevens een bankonderzoek op de gekende bankrekeningen (waaruit bleek dat M.V. een volmacht had op de bankrekening van Cie1 beperkt tot een bedrag van 1.000 euro) en een Europees Onderzoeksbevel naar Nederland met betrekking tot de broer van J.P. die ook contact had met de boekhouder van Cie1.

**\***

Op 7 september 2023 vorderde het openbaar ministerie het inleiden van een gerechtelijk onderzoek wegens valsheid in authentieke geschriften en gebruik van valse stukken, fiscale fraude inzake WIB, fiscale fraude inzake WBTW, witwassen en misbruik van vertrouwen.

Hierop volgde nog een uitgebreid gerechtelijk onderzoek.

De meest relevante onderzoeksdaden met betrekking tot de tenlasteleggingen waarvoor beklaagden zich dienen te verantwoorden, zullen hierna kort worden weergegeven.

**\***

In haar verhoor op 16 oktober 2023 verklaarde M.V.:

•sinds de frituur door Cie2 wordt uitgebaat, wordt iedereen in het 'wit' betaald; toen de frituur werd uitgebaat door Cie1 kreeg ze 450 euro als aandeelhouder en ontving zij 1.500 á 2.000 euro in het zwart als inkomen;

•zij was beginnen werken in frituur N° 1 in 1983 en sinds 1990 had zij zich meer bezig gehouden met de dagelijkse activiteiten omdat J.P. vaak in Spanje zat;

•zij moest uitvoeren wat J.P. commandeerde;

•al sinds de jaren negentig werd het systeem van de twee omslagen gebruikt, de omzet van de dag (9‑19u) of de nacht (19u‑einde) werd hier ingestoken, op het einde werd er ongeveer 35% op de rekening gezet en 65% cash in een omslag;

•met die gelden had J.P. zeker panden in Spanje gekocht en hij had ook een deel gere¬gulariseerd;

•na de BBI‑controle in 2012 was de frituur enkele maanden gesloten geweest en daarna was de uitbating overgenomen door Cie1;

•zij was door J.P. vennoot gemaakt, maar ze had geweigerd zaakvoerder te worden; op haar vraag was de maatschappelijke zetel verplaatst naar de … omdat ze in paniek sloeg bij elke bel na de eerdere huiszoekingen;

•het systeem met de enveloppen was hetzelfde gebleven tot eind 2022; alleen de tussenpersonen waren gewijzigd geweest;

•'P.' kwam aanvankelijk het geld tellen en deed het officiële gedeelte naar de bank; het andere cash geld werd naar een derde persoon gebracht die het op een of andere manier naar J.P. in Spanje bracht;

•na enige tijd was M.L. in beeld gekomen en hij bekommerde zich om de centen; hij telde de gelden en gaf het officiële gedeelte aan haar om het naar de bank te brengen en M.L. gaf het overige geld aan anderen om het naar J.P. te brengen; ze wist dat ene 'E.H.', zoon van een kruidenier vroeger in de ... er ook bij betrokken was en geld naar Spanje bracht;

•J.P. gaf nooit rechtstreeks opdracht aan haar;

•het geld dat overdag tot 17 uur werd verdiend werd niet aangegeven; de inkomsten na de eerste kas afsluiting werden wel aangegeven en op de bank gestort; het overige geld werd in blikken dozen in de kelder bewaard;

•het was J.P. die opdracht gaf aan M.L. opdat zij een bepaalde som geld zou geven "*zeg aan M.V. dat ik zoveel wil hebben*"; zij beheerde het geld in de blikken dozen en gebruikte dit ook om het personeel en de broer van J.P. in het zwart te betalen;

•op de overzichten staat 'B' voor 'in den boek' dus officieel, het andere gedeelte (zonder vermelding) is het zwarte gedeelte;

•sinds Cie2 de uitbating overnam verloopt alles correct; J.P. heeft niets meer met die vennootschap te maken;

•dit in tegenstelling tot de overname van de uitbating door Cie1 van Cie4, toen was het systeem van de enveloppen gewoon behouden;

•alle instructies waren altijd door J.P. gegeven, maar ze had hem niet meer zelf gezien sinds 2014‑2015 en daarna nog maar enkele telefoontjes van hem gekregen;

•de gelden werden doorgesluisd naar Spanje, maar ze wist niet hoe;

•in het dagontvangstenboek werd enkel het bedrag vermeld op de blaadjes met 'B';

•ze had de oude kassa terug in gebruik laten nemen in 2020 omdat de andere kassa defect was;

•de broer van J.P. was enkel klusjesman en kwam de cash gelden niet ophalen;

•het kan kloppen dat 52% ter plaatste wordt verbruikt, al hangt dit af van de jaargetijden;

•alles werd evenwel aan het tarief van 6% verkocht, met uitzondering van het bier dat aan 21% werd verkocht;

•ze kon geld storten op de rekening van Cie1 en beperkt geld afhalen voor bestellingen.

W.S., bestuurder van Cie2, die de uitbating overnam in 2022, verklaarde dat J.P. de leiding had van Cie1 en dat M.V. als vennoot meer instond voor de dagdagelijkse activiteit. Hij had een of twee keer geld meegenomen naar Spanje op vraag van J.P., maar hij wist niet dat dit zwarte inkomsten waren. Er was geen overname van het handelsfonds van Cie1 gebeurd, Cie2 had enkel de uitbating verder gezet. Dit was geregeld geweest via de advocaat van J.P., Guy VAN HOUCKE. Cie2 had onmiddellijk een witte kassa laten plaatsen op 9 december 2012. Ze betaalden twee facturen, één voor de huur van de gebouwen en één voor de uitbating aan Cie5 (een vennootschap van J.P.). Op de nieuwe kassa was een knop aanwezig voor take‑out of ter plaatse en het personeel moet dit ook elke keer vragen.

Op 16 oktober 2023 vond er ook een huiszoeking plaats op het uitbatingsadres van frituur N° 1 in de .... Op aangeven van M.V. vonden de verbalisanten in de kelder in een niet slotvaste locker in een vuilnisbak een afgesloten bruine omslag met vermelding "*zondag week 41*" klaarblijkelijk inhoudende de dagontvangsten van de zondag voordien. M.V. opende tevens een in de kelder aanwezige kluis. De kluis werd geopend door middel van een cijfercode. In deze kluis troffen de verbalisanten in een schoendoos twee afgesloten bruine omslagen met vermelding "*vrijdag en zaterdag week 41*" waarin klaarblijkelijk de dagontvangsten van de vrijdag en zaterdag voordien zijn gestoken.

De broer van J.P., M.P., werd verhoord op 13 november 2023. Hij verklaarde:

•zijn broer J.P. was de zaakvoerder van Cie1; bij de oprichting waren er nog enkele vennoten, C.V. en M.L. maar die zijn vroegtijdig uitgestapt; M.V. was ook vennoot en zij regelde alles op vraag van zijn broer; zijn broer delegeerde enkel op de achtergrond; zijn broer had de feitelijke leiding op de achtergrond en M.V. deed de dagelijkse taken;

•hij deed klusjes in opdracht van M.V. en werd hiervoor betaald met geld van frituur N° 1;

•er was ook een tijd geweest dat M.L. administratieve handelingen deed; hij wist niet wat deze juist allemaal had gedaan; M.L. handelde op vraag van zijn broer want ze hadden wel contact;

•eindverantwoordelijke en zaakvoerder was zijn broer; vanop afstand delegeerde hij; hij gaf rechtstreeks opdrachten of via tussenpersoon M.L.;

•hij vermoedde dat de zwarte omzet wel naar zijn broer was gegaan, maar hij wist niet in welke mate of hoe hij dat had geregeld;

•hij kreeg een grote enveloppe met boekhoudkundige stukken van M.V. die hij naar de boekhouder moest brengen;

•hij ontkende ooit cash geld naar Spanje te hebben overgemaakt aan zijn broer.

Na te zijn uitgenodigd voor verhoor bij brief van 7 november 2023, maakte M.L. al op 15 november 2023 een nota op die hij overhandigde aan de verbalisanten bij zijn verhoor op 27 november 2023. Hierin stelde hij dat hij J.P. kende via de uitbating van een ijssalon samen met zijn echtgenote. J.P. kwam daar af en toe en zo hadden zijn elkaar leren kennen. M.L. was ook verzekeringsmakelaar en hij mocht de onroerende goederen van J.P. verzekeren. Hij was nadien een pand gaan huren van J.P. voor de uitbating van een ijssalon. Dit verliep niet vlot waardoor er ook regelmatig een verstoorde relatie was met J.P.. In 2013 had M.L. de boeken neergelegd van het ijssalon. In 2019 had J.P. hem terug gecontacteerd met het verzoek om hem te helpen om het personeel te controleren. J.P. was immers naar Spanje verhuisd en zijn vriendin was ernstig ziek. Hierop ging M.L. wekelijks de ontvangsten en 'dagstaten' ophalen en moest hij de gelden natellen en nazien of deze overeenstemde met de dagstaten, waarna hij dit terug bezorgde aan M.V.. Hij wou stoppen maar "dat moest met de baas geregeld worden". Hij was de ontvangsten blijven tellen tot 15 mei 2021.

In zijn verhoor op 27 november 2023 verklaarde M.L.:

•M.V. deed de dagdagelijkse dingen, J.P. zat altijd in Spanje;

•als er iets was, zoals een brief met betalingen, dan zei J.P. hem dat hij dit moest doorsturen naar advocaat VAN HOUCKE;

•in zijn ogen trad J.P. op achter de schermen toen M.L. en C.V. de frituur terug openden in 2012 onder de naam Cie1; hij had zijn broer horen zeggen "*ze dachten dat ze baas waren, maar dat was tegen hun gat*" maar het was duidelijk dat J.P. de beslis¬singen nam; daarna had M.V. het terug moeten overnemen;

•hij ging bij M.V. steeds een grote enveloppe ophalen; hierin zaten steeds twee kassa‑tickets ('dag' en 'nacht'), de contante gelden en een voorgedrukt document waarop het aantal bankbiljetten stond; hij telde na of de bedragen klopten; hij bezorgde dit erna weer terug aan M.V. opgesplitst tussen wat naar de bank moest en wat er cash werd gehouden;

•de opdrachten van het geld kwamen van J.P.; de instructies kwamen van M.V.;

•hij had altijd al wel vermoed dat er zwarte gelden waren binnen Cie1;

•hij had nooit cash gelden overgemaakt aan J.P.; hij had alle gelden steeds terug aan M.V. gegeven.

G.D., van boekhoudkantoor Cie3, werd verhoord op 4 december 2023. Hij verklaarde:

•J.P. was klant geworden in 2008 met zijn vorige vennootschap Cie4; hij had J.P. nog enkele maanden ervoor gezien omdat deze onroerende goederen wou verkopen;

•hij bevestigde dat zij betalingen deden voor Cie1 met een bankkaart die ze ontvangen hadden van de advocaat Guy VAN HOUCKE;

•hij bevestigde dat Cie3 de eindverantwoordelijke was voor het indienen van de aangiften inkomstenbelastingen en btw;

•hij ontving de documenten in de bus, maar wist niet wie deze bracht;

•zij deden de betalingen voor Cie1, M.V. kon enkel cash geld storten met haar bankkaart;

•hij had nooit kastickets gezien; de dagontvangsten die hen werden overgemaakt stemden overeen met de cash stortingen op de rekeningen van Cie1; ze waren niet op de hoogte van de systematiek met dag‑ en nachtontvangsten.

•zijn medewerkers hadden de overdracht begeleidt van Cie4 naar Cie1; dit was niet echt een overdracht, het waren gewoon andere partijen die de uitbating deden;

•J.P. had beslist niet aan een geregistreerd kassasysteem deel te nemen; J.P. nam de fundamentele beslissingen over de werking van de frituur, dit tot de laatste dag van Cie1 op 8 december 2023; achter de schermen was hij de patron; de dagontvangsten werden geboekt op basis van een geschreven blad per maand; ze hadden nooit kassatickets gezien;

•voor J.P. was alles afhaal; bij Cie2 was dit wel correct gebeurd.

Ook de werknemers van Cie1 werden verhoord:

•S.C. verklaarde op 21 november 2023 o.a.:

•ze had J.P. enkel gezien bij de opening in 2012; nadien was M.V. altijd haar aanspraakpunt geweest, deze gaf haar opdrachten en was ook het aanspreekpunt voor de leveranciers en had de dagdagelijkse leiding;

•zij had enkele keren de kassa moeten afsluiten 's avonds en dan moest zij het geld in een enveloppe steken samen met een papier waar een overzicht opstond van de ontvangen biljetten en munten, op die enveloppe werd dag en week geschreven; zij moest dat bewaren in haar persoonlijke locker en M.V. haalde er dit dan uit;

•er kon bij Cie1 niet met de kaart betaald worden, enkel cash;

•er werd rond 15 uur – 16 uur een tussentotaal getrokken uit de kassa en dat tussentotaal moest zij onder de kassa leggen in een kistje;

•F.B. verklaarde op 28 november o.a.:

•hij werkte reeds acht à negen jaar in de frituur;

•M.V. deed de dagdagelijkse activiteiten; J.P. was wel de zaakvoerder, maar kwam niet meer zoveel; M.V. deed de laatste jaren de bestellingen, personeel aannemen en deed de cash gelden naar de bank;

•M.V. was zijn contactpersoon, maar hij beschouwde wel J.P. als zijn werkgever;

•het was voornamelijk M.V. die optrad namens Cie1, J.P. trad bijna nooit op de voorgrond want hij was er toch nooit;

•J.P. had de feitelijke leiding, M.V. deed de dagelijkse taken;

•hij had de indruk dat M.L. de go‑between was tussen M.V. en de baas, J.P. dus; hij vermoedde dat J.P. (na het vertrek van C.V.) nadien alles delegeerde naar M.L., die dan de info doorgaf aan M.V.;

•M.V. deed de interne boekhouding, telde het geld en stak het weg;

•eerst had hij geen contract gekregen, nadien wel, maar J.P. mocht hier niets van weten, J.P. wou geen contract geven, daar kan maar één reden voor zijn, dat J.P. dat liever "*in 't zwart deed*";

•bij Cie1 kon enkel cash betaald worden;

•als een klant cash betaalde kwam er standaard geen ticket uit de kassa; als de klant dit toch wou moest er op een knop de kassa gedrukt worden en zo kreeg je een ticket van de bestelling; er werd toen gevraagd of het ter plaatse of mee te nemen was, toen maakte dit voor de kassa geen verschil onder Cie1;

•op het einde van de shift werd de kassa afgesloten met een Z‑totaal; uit de printer kwam er een overzicht van frieten, snacks en drank; dit was de totale verkoop; de cash‑gelden in de kassa werden geteld; dit ging samen in een enveloppe met een ticket van het totaal; er was ook een document waar de gewerkte uren opstonden; dit werd ook gevoegd aan de enveloppe; dit was de gewoonte sinds hij er beginnen werken was;

•hij had wel gezien dat er iets niet klopte, omdat de kassa 2 keer per dag werd afgesloten; na de eerste shift tot 19 uur werd er een tussentotaal gemaakt en werd de kassa afgesloten; als de avondshift begon werd er een nieuwe startkassa gebruikt; de kassa stond dan terug op 0; op het einde van de nacht bij afsluit werd opnieuw een totaal gemaakt; er werd maar één regel ingeschreven in het kasregister en dat was het bedrag dat op het laatste totaal stond; de twee totalen werd niet samengevoegd; hij vond het toen al raar dat er maar één bedrag was aangegeven; het kasboek heeft lang achter slot gelegen tot er eens iets is gebeurd en het kasboek toch in een losse kast lag; aangezien hij curieus was, is hij er wel een in gaan 'snollen' toen het boek binnen handbereik lag;

•de persoon die om 19 uur stopte na het eerste tussentotaal nam de enveloppe geld en de wisseldoos/startkassa en zette die in zijn of haar locker in de kleedkamer in de kelder; dit gebeurde ook op het einde van de dag; dus per dag waren er twee dozen met inkomsten; er waren twee enveloppen met elk als inhoud: cashgeld van de shift, Z‑totaal en ingevuld kasticket/document;

•hij had dit geleerd van M.V.; J.P. zal wel van deze systematiek op de hoogte zijn geweest; hij zou anders niet weten waarom dit zo werd gedaan;

•hij veronderstelde dat de eerste enveloppe en Z‑totaal van de dagshift naar J.P. in z'n zakken ging; het geld van de nachtshift, het tweede Z‑totaal, werd naar de bank gedaan door M.V. of tussenpersoon M.L.; hij had dit echter nooit gezien;

•er was geen kassa of geregistreerd kassasysteem (tot aan de overname door Cie2);

•de werkwijze met de twee dagelijkse Z‑totalen had hij steeds gekend bij Cie1, tijdens de coronaperiode had hij de twee totalen ook doorgestuurd naar M.V. via WhatsApp onder de gebruikersnaam '...';

•sinds de uitbating door Cie2 was alles tot op de punt en de komma juist;

•T.T. verklaarde op 5 december 2023 o.a.:

•hij werkte er sinds 4 september 2020;

•J.P. is de baas, niemand anders, maar hij had hem nooit gezien;

•de contactpersoon was M.V., zij was een soort manager die er alles dagdagelijks regelde;

•hij had nooit de kassa afgesloten en wist niet wat er met het geld gebeurde;

•hij dacht wel dat er twee kassa's waren: een dagkassa en een nachtkassa; hij had wel gezien dat de medewerkers bij de shiftwissel een kassaticket afdrukten; dit was altijd zo geweest onder Cie1.

E.H. werd verhoord op 6 december 2023. Hij verklaarde dat hij J.P. wel kende en dacht dat deze de zaakvoerder en eigenaar was van Cie1 die frituur N° 1 uitbaatte. Hij had ook een huis in Spanje en had daar regelmatig contact met J.P.. Hij ontkende ooit cash gelden te zijn gaan ophalen in de frituur en wist niets van gelden die naar Spanje zouden zijn gebracht.

Het proces‑verbaal van taxatie inzake btw en het bericht van wijziging inzake de vennootschapsbelasting (inkomsten 2016 tot en met 2021) werd gevoegd bij het strafdossier.

**\***

Op 22 februari 2024 volgde er nog een vordering tot uitbreiding van het gerechtelijk onderzoek.

Op 15 mei 2024 volgde de beschikking tot mededeling aan de procureur des Konings. Op 9 september 2024 vorderde het openbaar ministerie de verwijzing van beklaagden naar de correctionele rechtbank. Na een verruimde minnelijke schikking met twee beklaagden, kon de regeling van de rechtspleging gebeuren op de zitting van 6 maart 2025.

Cie1 werd op 25 april 2024 failliet verklaard.

## 2. Vordering van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting achtte het openbaar ministerie de feiten van alle tenlasteleggingen bewezen in hoofde van alle beklaagden.

Het openbaar ministerie vorderde volgende bestraffing lastens :

•eerste beklaagde J.P.: een gevangenisstraf van 3 jaar, eventueel deels met uitstel, een geldboete van 2.000 euro en een beroepsverbod voor een periode van 20 jaar (wegens wettelijke herhaling);

•tweede beklaagde Cie1: een geldboete van 1.000 euro, eventueel met uitstel;

•derde beklaagde M.V.: een gevangenisstraf van 1 jaar, eventueel met uitstel, een geldboete van 1.000 euro, eventueel deels met uitstel, en een beroepsverbod voor een periode van 8 jaar;

•zevende beklaagde M.L.: een geldboete van 2.000 euro, eventueel voor de helft met uitstel;

•achtste beklaagde E.H.: een geldboete van 2.000 euro, eventueel voor de helft met uitstel.

## 3. Standpunt van de beklaagden op de terechtzitting

In besluiten en op de terechtzitting stelt eerste beklaagde J.P. (naast de hierboven reeds aangehaalde procedure-argumenten) dat:

•hij moet worden vrijgesproken voor de tenlasteleggingen B.1, C en D (met betrekking tot de gemeenrechtelijke en de fiscale valsheid), I (niet voeren gepaste boekhouding) en E en F (fiscale fraude), dit bij gebreke aan het vereiste opzet in zijnen hoofde;

•hij moet vrijgesproken worden voor tenlastelegging H (misbruik van vertrouwen) omdat er geen voorafgaande afgifte en precair bezit in zijnen hoofde zou bewezen zijn;

•hij moet worden vrijgesproken voor de tenlastelegging B.2 (met betrekking tot de gemeenrechtelijke valsheid), dit bij gebreke aan het vereiste opzet in zijnen hoofde;

•er sprake is van schending van de redelijke termijn waardoor er sprake moet zijn van een meetbare strafvermindering;

•er sprake zou zijn van eenheid van opzet met het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 2 maart 2023 en dat er geen bijkomende bestraffing zou moeten worden opgelegd, minstens deze te beperken tot een geldboete;

•de zelfstandige burgerlijke vordering van de Belgische Staat, FOD Financiën af te wijzen, minstens te herleiden.

Tweede beklaagde Cie1 was versteklatend zodat de rechtbank niet kon peilen naar haar actuele standpunten ter zake.

In besluiten en op de terechtzitting verzoekt derde beklaagde M.V. (naast de hierboven reeds aangehaalde procedure-argumenten) dat:

•haar vrij te spreken voor de tenlasteleggingen E en F (fiscale fraude) omdat zij geen systeem zou hebben opgezet en ook de kwestieuze aangiften niet zou hebben ingediend en dat zij alleszins niet de begunstigde was;

•haar vrij te spreken voor de tenlastelegging G (witwassen) omdat zij geen fraudesysteem of constructie had opgezet; dat zij geconfronteerd werd met 'gedane zaken'; dat ook zij diende vast te stellen dat dan weer de ene, dan weer de andere zich over de gelden ontfermde; dat zij alleszins nooit de overbrenging van gelden naar het buitenland heeft georganiseerd, en dit ook

•nooit of te nimmer zelf heeft gedaan; dat zij alleszins nooit de bestemmeling of de begunstigde van de gelden was;

•haar vrij te spreken voor de tenlastelegging H (misbruik van vertrouwen) omdat de constitutieve bestanddelen van dit misdrijf in haren hoofde niet zouden vervuld zijn;

•er sprake is van schending van de redelijke termijn waardoor er sprake moet zijn van een meetbare strafvermindering;

•uiterst ondergeschikt, milde toepassing te maken van de strafwet;

•de zelfstandige burgerlijke vordering van de Belgische Staat, FOD Financiën af te wijzen als ongegrond, ondergeschikt om deze minstens te herleiden;

•haar vrij te stellen van de hoofdelijkheid, minstens wat betreft de gerechtskosten.

In besluiten en op de terechtzitting stelt (zevende) beklaagde M.L. dat:

•hij moet worden vrijgesproken voor de tenlastelegging G.2 (witwassen), dit bij gebreke aan het vereiste van kennis van illegale oorsprong van de gelden en het feit dat hij niet zou geweten hebben dat alle gelden niet op de bankrekening werden gestort, zodat het moreel element in zijnen hoofde niet zou bewezen zijn;

•minstens dient de incriminatieperiode te worden beperkt van 1 maart 2020 tot 12 mei 2021;

•uiterst ondergeschikt, hem de gunst van de opschorting te verlenen.

Ter terechtzitting verzocht (achtste) beklaagde E.H.:

•hem vrij te spreken voor de tenlastelegging G.3 omdat hij nooit geld zou gebracht hebben naar Spanje; hij kende enkel J.P. omdat hij ook een huis in Spanje had;

•ondergeschikt verzocht hij om de gunst van de opschorting dan wel een straf met uitstel.

## 4. Beoordeling van de schuld

\- ***De rol van eerste beklaagde***

J.P. stelt dat de loutere hoedanigheid als zaalvoerder van Cie1 niet volstaat om hem te veroordelen voor de verschillende tenlasteleggingen. Er zou geen enkele concrete en feitelijke handeling, beslissing of instructie in zijnen hoofde zijn aangetoond door het strafdossier. Hij zou zich sinds 30 oktober 2015 in Spanje bevonden hebben om zich te bekommeren om zijn zieke levenspartner en zou niet meer actief betrokken zijn bij Cie1.

Uit zijn conclusies blijkt dat hij alle fouten op boekhoudkundig en fiscaal vlak verwijt aan M.V. en het boekhoudkantoor Cie3 en zelfs W.S. verdenkt van onttrekking van gelden aan Cie1 voor de opbouw van een onroerend patrimonium.

**\***

Uit het strafdossier blijkt inderdaad dat J.P. zich hoofdzakelijk in Spanje bevond vanaf eind 2015 (vrijwel gelijklopend met het tijdstip van de huiszoeking in zijn woning op 26 oktober 2015 in het vorige strafdossier) en dat hij Cie1 had opgericht in 2012 (net na de uitgebreide fiscale controle die aan de oorsprong lag van het vorige strafdossier).

De rechtbank wijst er op dat J.P. in het vonnis van 2 juni 2022 van deze rechtbank en deze kamer en bevestigd door het arrest van 2 maart 2023 van het hof van beroep te Antwerpen reeds (definitief) werd veroordeeld voor valsheid in authentieke akte met betrekking tot de oprichting van Cie1. Dit omdat bleek dat beklaagde J.P. steeds ononderbroken en exclusief de controle over deze vennootschap had gehad en dat er op de maatschappelijke zetel geen enkele activiteit was. Mevrouw C.V. werd als het ware als stroman gebruikt bij de oprichting van Cie1. Het gebruik van andere 'oprichters' was dan ook louter ingegeven met als enige doel via het aanhouden van dit fictieve zeteladres publieke en/of private schuldeisers van de vennootschap te misleiden (waaronder ook fiscale controlediensten gelet op de hangende controle), gedwongen uitvoeringshandelingen en/of handelingen met betrekking tot het werkelijk vermogen van de vennootschap te bemoeilijken, alsook de werkelijke financierende en initiatiefnemende rol van J.P. te verdoezelen en hem aldus (gedeeltelijk) in staat te stellen te ontsnappen aan zijn vennootschapsrechtelijke en/of strafrechtelijke verantwoordelijkheid. Zijn huidige stelling is dan ook in strijd met deze eerdere gerechtelijke uitspraken die kracht van gewijsde hebben.

In tegenstelling tot wat hij zelf voorhoudt, is het niet zo dat beklaagde na 2015 zich nooit in België heeft opgehouden. W.S. maakt gewag van meerdere kortstondige verblijven in België en dit niet alleen met oog op de overname in 2023.

**\***

Dat ook na 2015 J.P. nog wel degelijk de sturende hand was achter de uitbating van frituur N° 1 via de vennootschap Cie1 blijkt uit de volgende elementen:

•alle bankkaarten van Cie1 stonden op naam van J.P. die enkel deze kaarten doorgaf aan de boekhouder en M.V. en enkel aan deze laatste een zeer beperkte volmacht gaf op de rekening;

•de verklaring van M.V. op 9 maart 2022 aan de ambtenaren van de FOD Financiën dat zij meewerkend vennoot was en niet de bedrijfsleider;

•de verklaring van G.D. dat hij weliswaar vrijwel geen rechtstreeks contact had met J.P., maar dat de communicatie en instructies verliepen via diens raadsman Guy VAN HOUCKE (waarnaar ook W.S. en M.V. verwijzen als contactpersoon van J.P.);

•het verhoor van M.V. van 16 oktober 2023 waarin zij stelde dat zij moest uitvoeren wat J.P. commandeerde, dat dezelfde werkwijze werd gehanteerd als bij Cie4 (en dat deze werkwijze pas stopte na de overname door Cie2) maar dat enkel de tussenpersoon wijzigde in de loop van de jaren en dat ze enkel nog telefoontjes kreeg van J.P. of instructies via M.L.;

•de verklaring van W.S. die verklaarde dat J.P. de leiding had van Cie1 en dat M.V. als vennoot meer instond voor de dagdagelijkse activiteit;

•de verklaring van M.P. van 13 november 2023 die verklaarde dat zijn broer J.P. de zaakvoerder was; bij de oprichting waren er nog enkele vennoten, C.V. en M.L. maar die waren vroegtijdig uitgestapt; M.V. was ook vennoot en zij regelde alles op vraag van zijn broer J.P.; zijn broer delegeerde enkel op de achtergrond; zijn broer had de feitelijke leiding op de achtergrond en M.V. deed de dagelijkse taken; M.L. handelde op vraag van zijn broer J.P. want ze hadden wel contact; eindverantwoordelijke en zaakvoerder was J.P., vanop afstand delegeerde hij; hij gaf rechtstreeks opdrachten of via tussenpersoon M.L.; hij vermoedde dat de zwarte omzet wel naar J.P. was gegaan, maar hij wist niet in welke mate of hoe hij dat had geregeld;

•de verklaring van M.L. op 7 november 2023 dat J.P. hem in 2019 terug had gecontacteerd met het verzoek om hem te helpen om het personeel te controleren; hij wou stoppen maar "dat moest met de baas geregeld worden"; hij was de ontvangsten blijven tellen tot 15 mei 2021;

•de verklaring van G.D. van 4 december 2023 die stelde dat J.P. beslist had niet aan een geregistreerd kassasysteem deel te nemen; J.P. nam de fundamentele beslissingen over de werking van de frituur, dit tot de laatste dag van Cie1 op 8 december 2023; achter de schermen was hij de 'patron';

•de verklaring van F.B. van 28 november 2023 die ook stelde dat hij J.P. niet veel zag, maar dat hij de baas was die alles delegeerde naar M.L. die het dan doorgaf aan M.V.;

•de verklaring van T.T. van 5 december 2023 die stelde dat J.P. de baas was, niemand anders, maar dat hij hem nooit gezien had.

De rechtbank is van oordeel dat uit bovenstaande elementen duidelijk blijkt dat de uitbating nog steeds werd aangestuurd door J.P., die dezelfde werkwijze bleef hanteren als voorheen bij Cie4, maar hiervoor nu wel tussenpersonen inschakelden (M.L., VAN HOUCKE, W.S., ...) en de dagdagelijkse taken uitbesteedde aan M.V.. De bewering dat hij zich niet meer bekommerde om de uitbating van Cie1 acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank wijst er overigens op dat J.P. een tussenpersoon (M.L.) inschakelde om het personeel te controleren om alzo de volledige omzet (de enveloppen met dagstaten en dus beide Z‑totalen) te controleren, alhoewel hij een controle als zaakvoerder op de omzet ook perfect had kunnen uitvoeren door middel van een geregistreerd kassasysteem. In die hypothese was 'zwarte' omzet door middel van twee kassaafsluitingen evenwel niet meer mogelijk geweest.

De rechtbank acht J.P. geenszins in 'zijn loutere hoedanigheid van zaakvoerder' van Cie1 schuldig aan de feiten, maar wel degelijk op basis van zijn concreet handelen in dit dossier.

De rechtbank wenst er overigens op te wijzen dat hoewel J.P. stelt dat hij zich niet bezig hield met Cie1, dezelfde J.P. in conclusies stelt dat hij van de fiscale controle op 9 maart 2022 natuurlijk op de hoogte werd gebracht en klaarblijkelijk vrijwel onmiddellijk omdat hij deze datum wenst te hanteren als de vermeende datum waarop hij zou verontrust zijn. Dit toont aan dat hij wel degelijk nog steeds nauw betrokken was bij de werking van Cie1.

\- ***Tenlastelegging E voor eerste, tweede en derde beklaagde : fiscale fraude (vennootschapsbelasting)***

\- ***Tenlasteleggingen F.1 en F.2 voor eerste, tweede en derde beklaagde: fiscale fraude (btw)***

J.P., Cie1 en M.V. worden vervolgd voor het indienen van geen of onjuiste aangifte in de vennootschapsbelasting en de verschuldigde inkomstenbelasting niet of niet volledig te hebben voldaan aan de Belgische Staat, met betrekking tot 1.567.707,47 euro, zijnde netto-vennootschapsinkomsten gegenereerd bij de uitbating van frituur N° 1 te Antwerpen die niet werden aangegeven. Dit alles met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. (tenl F.)

J.P., Cie1 en M.V. worden vervolgd voor het niet aangeven van omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 euro, en de verschuldigde btw van minstens 141.555,44 euro niet te hebben voldaan (tenl. F.1) en minstens 50% aan verrichte restaurantdiensten niet correct te hebben aangegeven, meer bepaald onjuiste omzetbedragen als maatstaf van heffing onderworpen aan de verschillende btw‑tarieven van 6% (leveringen/afhaal), 12% (verbruik ter plaatse van maaltijden – frieten, snacks en sauzen) en 21 % (verkoop alcoholische dranken, verkoop frisdranken bij verbruik ter plaatse) te hebben aangegeven, en de (bijkomend) verschuldigde btw van minstens 42.401,70 euro niet te hebben voldaan (tenl. F.2). Dit alles met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden.

**\***

In besluiten werpt J.P. op dat hij de aangiften niet indiende, de boekhouding niet verzorgde, hij zich niet bezig hield met het beheer van Cie1 en de boekhoudkundige stukken niet bezorgde aan de boekhouder. Hij zou dus niet verantwoordelijk kunnen gesteld worden.

De rechtbank verwijst naar de uitzetting hierboven over de rol van J.P. waaruit het tegendeel blijkt.

**\***

Uit het strafdossier blijkt duidelijk dat er bewust inkomsten werden verzwegen door het gebruik van uitsluitend cash betalingen, het bewust weigeren van het gebruik van een geregistreerd kassasysteem, het werken met twee kassa‑afsluitingen (Z‑totalen waarbij slechts één totaal werd opgenomen in de dagontvangsten) en het storten van slechts één van beide totalen op de bankrekening van de vennootschap.

Bovendien werd er vrijwel geen onderscheid gemaakt in btw‑tarief tussen afhaal en verbruik ter plaatse (met uitzondering van de verkoop van alcoholische dranken aan 21%) (waarbij de boekhouder forfaitair 10% beschouwde als verbruikt ter plaatse). Uit observaties en het strafdossier bleek dat de verhouding ruimschoots onderschat werd en dat dit bewust gebeurde.

De rechtbank verwijst ter zake naar:

•het verslag ter voorbereiding van het *una via* overleg (met zijn bijlagen) van 17 maart 2023;

•het uitgebreid proces‑verbaal nr. AN.78.LB.049491/2023 van 2 mei 2023 en zijn verschillende bijlagen, waarbij in bijzonder:

•de zes processen‑verbaal waarbij het gebrek aan het verplicht geregistreerd kassa-systeem (GKS) werd vastgesteld en kopieën van het dagontvangstenboek (bijlagen 1.A t/m 1.E en bijlage 3.N);

•de acht processen‑verbaal van observatie waarbij de toepassing van verkeerde btw‑tarieven werd vastgesteld (vrijwel steeds 6% ook bij maaltijden gebruikt ter plaatse) (bijlagen 2.A t/m 2.H);

•het proces‑verbaal van vaststellingen in de handelszaak frituur n° 1 van 9 maart 2022 (Bijlage 3.A);

•het proces‑verbaal van informaticahandelingen op de uitbatingszetel in de ... van Cie1 van 9 maart 2022 (Bijlage 3.B);

•het proces‑verbaal van informaticahandelingen met betrekking op de gsm van M.V. (WhatsApp-berichten van '...') van 9 maart 2022 (Bijlage 3.C);

•het proces‑verbaal van retentie van de boekhouding aangetroffen bij Cie3 (stukken 2015‑2022) van 9 maart 2022 (Bijlage 3.D);

•het proces‑verbaal van vaststellingen van de visitatie in de woning van M.V. (o.a. zeven aangetroffen enveloppen met cash gelden en totalen, de bankkaart op naam van J.P., overzichtsbladen inkomsten en Z‑tickets) van 9 maart 2022 (Bijlage 3.E);

•het proces‑verbaal van verklaringen van M.V. van 9 maart 2022 (Bijlage 3.F);

•het proces‑verbaal van verklaringen van S.C. (werkneemster) van 9 maart 2022 (Bijlage 3.G);

•het proces‑verbaal van verklaringen van de boekhouder G.D. van 9 maart 2022 (Bijlage 3.H);

•het proces‑verbaal van vaststellingen bij Cie3 (met o.a. de bankkaart op naam van J.P.) van 9 maart 2022 (Bijlage 3.1);

•het proces‑verbaal van vaststellingen bij Cie3 (bankrekeningnummer van de kaart van J.P.) van 25 maart 2022 (Bijlage 3.J);

•het proces‑verbaal van vaststellingen op de exploitatiezetel (o.a. de werking van de Z‑rapporten) van 8 april 2022 (Bijlage 3.M);

•het proces‑verbaal van retentie (Z‑totalen) van 3 maart 2023 (Bijlage 4.A);

•het proces‑verbaal van vaststellingen (o.a. Z‑totalen) van 3 maart 2023 (Bijlage 4.B);

•het Verificatieverslag btw van 14 oktober 2019 (Bijlage 6.B);

•het proces‑verbaal met betrekking tot regularisatie van de btw voor de jaren 2016 tot 2018 van 14 oktober 2019 (Bijlage 6.C);

•het proces‑verbaal van taxatie inzake btw voor de jaren 2016‑2022 van 19 oktober 2023 (bijlage bij PV nr. AN.78.LB.124804/2023);

•het bericht van wijziging voor de inkomsten 2016‑2022 van 17 oktober 2023 (bijlage bij PV nr. AN.78.LB.126022/2023);

•het navolgend proces‑verbaal nr. 2024/003 van 15 januari 2024 inzake rechtzettingen inzake de vennootschapsbelasting in hoofde van Cie1;

•het navolgend proces‑verbaal nr. 2024/004 van 23 januari 2024 inzake de valsheden inzake de dagontvangstenboeken en aangiften BTW van Cie1;

•het navolgend proces‑verbaal nr. 2024/0008 van 9 februari 2024 inzake de valsheden inzake de raming van het illegale vermogensvoordeel in hoofde van Cie1 voortkomende uit fiscale fraude –Vennootschapsbelasting;

•het navolgend proces‑verbaal nr. 2024/0010 van 14 februari 2024 inzake de valsheden inzake de raming van het illegale vermogensvoordeel in hoofde van Cie1 voortkomende uit fiscale fraude –Vennootschapsbelasting voor 2021‑2022.

Deze frauduleuze werkwijze werd bovendien ook bevestigd door de verklaringen van M.V., M.P., M.L., S.C., F.B. en T.T..

M.V. deed het dagdagelijkse voor de verwerking van de cash gelden, de twee verschillende kassa-afsluitingen en de vermelding in het dagontvangstenboek van slechts één totaal en de storting op de bankrekening van slechts één totaal. Indien zij zelf niet aanwezig was in de frituur werden de geviseerde enveloppen bijgehouden in de persoonlijke lockers van de medewerkers en/of de totalen doorgestuurd via WhatsApp. M.V. deed dit op instructie van J.P. en werd hierbij door verschillende tussenpersonen gecontroleerd (o.a. 'P.' en M.L.).

Deze werkwijze bestond reeds sinds de jaren '90 en werd gewoon verdergezet door Cie1 op dezelfde wijze als dit voorheen was gehanteerd bij Cie4, wat verklaard werd zowel door M.V. als door F.B.. Het is dus niet louter omdat er voorheen fraude werd gepleegd door J.P. via Cie4 dat i*n casu* het openbaar ministerie er van uit gaat dat er opnieuw fraude werd gepleegd, maar wel door het feit dat uit meerdere verklaringen en uit de gelijkblijvende omzetten na de overname van uitbating door Cie1 blijkt dat dezelfde fraudemechanismen gewoon verder werden gezet op instructie en onder controle (via tussenpersonen) van J.P..

**\***

De feiten uit de voormelde tenlasteleggingen E., F.1 en F.2 kunnen aan eerste en tweede beklaagde, d.i. zowel de vennootschap als diens zaakvoerder, worden toegerekend.

De feiten werden wetens en willens gepleegd en dit binnen het kader van de rechtspersoon waarbij de weerhouden feiten intrinsiek verband houden met de verwezenlijking en het doel van de vennootschap en de waarneming van de belangen van de rechtspersoon.

Door de uitbating op frauduleuze wijze, genoten zowel eerste beklaagde als zijn vennootschap zwarte inkomsten.

Aan de rechtspersoon kan een gebrekkige interne organisatie worden verweten waardoor de voorwaarden worden gecreëerd die de misdrijven mogelijk maken. Door niet op te treden heeft zij wetens en willens een misdrijf gedoogd en wordt zij als mededader van de misdrijven beschouwd.

Het blijkt niet dat de rechtspersoon zich tegen het optreden van de verantwoordelijke binnen de vennootschap heeft verzet of maatregelen heeft genomen om bepaalde handelingen en inbreuken te vermijden.

Op die manier hanteert de rechtspersoon een uitbatingsstrategie waarbij de feiten werden gepleegd en waardoor de mogelijkheid tot valsheid en fiscale fraude wordt vergemakkelijkt. De vennootschap heeft geprofiteerd van de fiscale besparing, minstens van de concurrentievervalsing en de marktverstoring.

De rechtspersoon handelt de facto noodzakelijkerwijze via natuurlijke personen die voor haar rekening optreden, zodat het gedrag van die personen bij de beoordeling van het moreel bestanddeel van de rechtspersoon mee in aanmerking kan genomen worden. Als het strafbaar feit door een vennootschap is gepleegd, is het opzet genoegzaam bewezen door de vaststelling dat de leidinggevende organen kennis hadden van het opzet om de schuldige handeling te stellen en daarmee hebben ingestemd. Het opzet van de rechtspersoon kan ook worden afgeleid uit zijn kennis van eerder vastgestelde inbreuken op dezelfde regelgeving. Zodra de rechtspersoon weet heeft van een inbreuk, moet hij er alles aan doen om herhaling van deze inbreuk in de toekomst te voorkomen.

**\***

Uit de verhoren van M.V. blijkt duidelijk dat zij het systeem van fraude dat was uitgedacht door J.P. steeds verder is blijven toepassen en dit onder zijn controle. Zij stond in voor de dagdagelijkse activiteiten en bezorgde meermaals ook stukken aan de boekhouder.

M.V. heeft dan ook bewust meegewerkt aan de fraude waarop twee kassa‑afsluitingen gebeurden en slecht één hiervan werd ingeschreven in het dagontvangstenboek en dat ook enkel dit bedrag werd gestort op de rekening van de vennootschap door haar met de bankkaart. Ook zij was zich terdege bewust van het feit dat er geen geregistreerd kassasysteem werd gebruikt, er geen geldig kassaticket werd gegeven aan de klanten en dat de btw‑tarieven bewust verkeerd werden gehanteerd. Zij stond immers in voor de dagdagelijkse werking waardoor ze de activiteit in detail kende en stond in voor het tellen van de cashgelden en het opvolgen van de omzetten (rechtstreeks of via communicatie via WhatsApp of door de overhandiging van de enveloppen via de lockers van het personeel).

Het bedrieglijk opzet bestaat zodra de (mede)dader enig voordeel – materieel of moreel, privaat of publiek, ongeacht de aard ervan – beoogt voor zichzelf of voor een derde, waarvan de dader weet dat de wijze waarop dit voordeel bekomen wordt niet gerechtvaardigd is.

Uit de stukken van het strafdossier blijkt dan ook duidelijk dat M.V. op de hoogte was van de fraude en hieraan actief medewerkte. Het feit dat de voordelen die hierdoor beoogd werden hoofdzakelijk toekwamen aan een 'derde' (zijnde J.P.) sluit niet uit dat het bedrieglijk opzet ook in haar hoofde aanwezig is. Het feit dat zij bij de start van Cie1 bewust weigerde bestuurder te worden en ook aandrong dat de maatschappelijke zetel (fictief) werd verplaatst vanuit haar privé-woonst toont voldoende aan dat zij zeer bewust was van de frauduleuze handelswijze.

**\***

De fiscale fraude is naar het oordeel van de rechtbank bewezen voor beklaagden op basis van de samenlezing van de voormelde stukken van het strafdossier.

De feiten van de tenlastelegging E, F.1 en F.2 zijn dan ook bewezen voor J.P., Cie1 en M.V..

\- ***Tenlastelegging H voor eerste beklaagde en derde beklaagde: misbruik van vertrouwen***

J.P. en M.V. worden vervolgd voor het systematisch onttrekken aan het vermogen van de vennootschap Cie1 van een totaalbedrag van 1.567.707,47 euro (minstens 30% van de omzet, zijnde vennootschapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N° 1 te Antwerpen), zonder objectieve verantwoording in het vennootschapsbelang en/of zonder dat deze opnames werden verwerkt in de boekhouding van deze vennootschap.

**\***

In besluiten en op de terechtzitting werpt beklaagde J.P. op dat er geen misbruik van vertrouwen zou zijn in zijnen hoofde omdat J.P. nooit over het precair bezit van deze gelden zou hebben beschikt, daar niet werd aangetoond dat deze gelden hem werden overhandigd.

**\***

Misbruik van vertrouwen vereist als materieel bestanddeel een verduistering of verspilling; een verduistering is een wederrechtelijke toe-eigening van hetgeen ter bede is toevertrouwd. Er is sprake van verspilling of verduistering in de zin van artikel 491 Sw. zodra de dader de goederen die hem door de eigenaar of rechtmatige gebruiker zijn overhandigd onder de verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken, onttrekt aan het eigendomsrecht van die derde en erover beschikt.

Het moreel bestanddeel van het misdrijf misbruik van vertrouwen bestaat in het opzet van de dader zich de hem toevertrouwde zaak toe te eigenen of ze aan de eigenaar te ontnemen en aldus als eigenaar erover te beschikken. Degene die als bestuurder met volmacht op de rekeningen beschikt over het precaire bezit van gelden die behoren tot het vermogen van een vennootschap, is krachtens de wet ertoe gehouden deze gelden aan te wenden in het belang van de vennootschap, dit is in functie van haar economische bedrijvigheid.

Het misdrijf misbruik van vertrouwen vereist, naast een bedrieglijk opzet, dat het precair bezit van een in artikel 491 Strafwetboek bedoelde zaak door of namens de eigenaar vrijwillig, dit wil zeggen zonder enige vorm van dwang of misleiding, wordt toevertrouwd aan de dader. Dat toevertrouwen moet niet steeds bestaan in een tussen partijen overeengekomen afgifte van de zaak, maar kan ook voortspruiten uit de rechtsgevolgen die de wet verbindt aan een bepaalde hoedanigheid van degene die andermans zaak beheert, zoals de verplichting voor de bestuurder van een vennootschap om het afgescheiden vermogen van die vennootschap in haar belang te beheren.

Uit meerdere verklaring uit het strafdossier blijkt dat de gelden wel degelijk bestemd waren voor J.P.. De rechtbank verwijst hiervoor naar o.a. de verklaringen van M.V., M.P. en F.B..

Beklaagde J.P. was de enige zaakvoerder en ontving in die hoedanigheid de gelden (via Cie1) met het doel om ze ten goede te laten komen van Cie1, die de frituur uitbaatte. Het betreft derhalve in zijnen hoofde een bezit met een bepaald doel. Hij mocht de gelden dus niet beschouwen als zijn eigendom. Door de gelden niet te (laten) verwerken in de boekhouding en er over te beschikken en zich dus deze sommen stelselmatig toe te eigenen, heeft hij deze geldsommen, ten nadele van Cie1, bedrieglijk verduisterd. Derhalve is er voor beklaagde J.P. sprake van het misdrijf van misbruik van vertrouwen met betrekking tot deze geldsommen.

De wijze waarop J.P. handelde met gelden die hem niet toebehoorden, doch enkel ter beschikking werden gesteld (cash bezorgd) om ze aan te wenden in het belang van Cie1, dit naar eigen goeddunken, niet gehinderd door boekhoudkundige regels en dergelijke meer, toont aan dat J.P. over de gelden heeft beschikt alsof hij er eigenaar van was.

De rechtbank stelt louter ten overvloede vast dat een verduistering een wederrechtelijke toe‑eigening is van hetgeen ter bede is toevertrouwd en dus ook kan bestaan in het feit dat de bestuurder van een vennootschap zich persoonlijk gelden van die vennootschap toe‑eigent of betaalt aan derden.

Het misbruik van vertrouwen is naar het oordeel van de rechtbank bewezen voor beklaagde J.P. op basis van de samenlezing van de stukken van het strafdossier, aangezien:

•eerste beklaagde eigenaar was van de meeste aandelen van tweede beklaagde en tevens enige zaakvoerder;

•er vanzelfsprekend een onderscheid is tussen de natuurlijke persoon, zijnde eerste beklaagde, en de rechtspersoon, zijnde tweede beklaagde;

•dat wanneer één van de personen zich bedrieglijk een vermogen van een ander toe‑eigent, waarvan hij het precair bezit had, er wel degelijk kan sprake zijn van het misdrijf van misbruik van vertrouwen;

•het gegeven dat de rechtspersoon mede aansprakelijk is voor het genereren van zwarte inkomsten en het niet opnemen van deze inkomsten in de boekhouding en de belastingaangiftes, geenszins inhoudt dat de natuurlijke persoon deze gelden niet bedrieglijk zou kunnen verduisteren of verspillen;

•dat *in casu* blijkt dat dit voor de zwarte inkomsten het geval was;

•dat ook vóór de incriminatieperiode gebleken is dat eerste beklaagde zich steeds de zwarte inkomsten toe-eigende (EBA en regularisaties gebeurden steeds in persoonlijke naam van gelden afkomstig van zwarte inkomsten en tevens de uitspraken in de vorige strafzaak).

Een werkwijze die J.P. reeds van bij de aanvang van de uitbating hanteerde zoals bleek uit het vorige strafdossier en gestaag had verder gezet bij Cie4, en volgens de verklaringen van M.V. en F.B., ook bij Cie1.

Het staat vast dat er door J.P. ten belope van minstens 1.567.707,47 euro geen verantwoording kan gegeven worden voor de aanwending van de voor hem bestemde cash gelden die gestaafd wordt door stukken.

Uit het strafdossier blijkt evenwel dat dit door J.P. opgezette fraudesysteem ertoe strekte, mogelijk niet enkel om inkomsten te onttrekken aan Cie1 en zichzelf te bevoordelen, maar ook minstens deels om structureel een parallel circuit van cash geld te creëren dat Cie1 toeliet lonen aan medewerkers deels in het zwart te betalen en hierop minder (para)fiscale inhoudingen ten doen. De rechtbank verwijst hiervoor opnieuw naar o.a. de verklaringen van M.V., M.P. en F.B..

De cashafhalingen hadden dan ook deels een bedrijfsmatige finaliteit die bijdroeg aan de werking van Cie1. Gelet op het beperkt aantal werknemers van Cie1, acht de rechtbank dat deze aangewende bedragen maximaal 20% zullen bedragen van het voormeld bedrag (waarbij dan geen rekening wordt gehouden met de zwarte lonen voor M.V. van 1.500 á 2.000 euro per maand).

Het misbruik van vertrouwen zal dan ook in het voordeel van beklaagden beperkt worden tot een bedrag van 1.254.165,97 euro.

Het feit dat de financiële toestand van Cie1 diende ondersteund te worden via bijkomende stortingen uit het privévermogen van J.P. toont volgens de rechtbank geenszins aan dat de omzet van Cie1 dermate achteruit ging zodat misbruik van vertrouwen niet aanneembaar zou zijn, maar eerder dat door de werkwijze onvoldoende omzet tot uiting kon gebracht worden bij Cie1 zelf waardoor J.P. de parallelle geldstromen (zogenaamd afkomstig uit het privévermogen) diende terug in te brengen in Cie1 om de vennootschap draaiende te houden.

**\***

Uit de stukken van het strafdossier, en vooral de eigen verklaringen van M.V., blijkt dat M.V. op de hoogte was dat de gelden uiteindelijke terecht kwamen bij J.P. en dus niet in het voordeel van de vennootschap werden gebruikt. Zij is dan ook mededader aan het misbruik van vertrouwen door J.P.. Zij wist ook dat een deel van het personeel, inclusief zijzelf, deels in het zwart werden betaald met deze gelden. De zwarte lonen die haar zelf werden uitbetaald, met goedkeuring van J.P., maken uiteraard ook misbruik van vertrouwen uit in haar eigen voordeel.

**\***

De feiten van de tenlastelegging H zijn dan ook bewezen voor beklaagde J.P. en M.V., maar worden in hun voordeel beperkt tot 1.254.165,97 euro.

\- ***Tenlasteleggingen B.1, C en D voor eerste en tweede beklaagde: valsheid en fiscale valsheid (WIB en BTW)***

Onder tenlastelegging B.1 moeten J.P. en Cie1 zich als (mede)daders verantwoorden voor feiten van valsheid in geschriften, door het valselijk (laten) voeren met betrekking tot Cie1 van een boekhouding die systematisch werd vervalst en bijgevolg geen correcte, volledige en betrouwbare weergave vormde van de reële financiële toestand (activa/passiva) en van de reële inkomsten en uitgaven van de vennootschap, meer bepaald in de boekjaren 2016‑2022 een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 euro niet te hebben vermeld in de dagontvangstenboeken (zie o.a. PV 124804‑23; PV NR2024/001; PV NR2024/004), met het bedrieglijk opzet de werkelijke omvang van de contante handelsinkomsten van de Cie1 verborgen te houden en om een frauduleuze, concurrentievervalsende en marktverstorende handelswijze tot stand te brengen en/of illegaal vermogen te creëren en ten persoonlijke titel toe te eigenen, en met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt van de stukken.

Onder tenlastelegging C moeten J.P. en Cie1 zich als (mede)daders verantwoorden voor feiten van valsheid in geschriften, door valselijk met betrekking tot Cie1 een boekhouding te hebben gevoerd die systematisch werd vervalst en bijgevolg geen correcte, volledige en betrouwbare weergave vormde van de reële financiële toestand (activa/passiva) en van de reële inkomsten en uitgaven van de vennootschap, meer bepaald in de boekjaren 2016‑2022 een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 euro niet te hebben vermeld in de dagontvangstenboeken, met het bedrieglijk opzet de werkelijke omvang van de contante handelsinkomsten van Cie1 voor de Belgische fiscale overheden verborgen te houden, en zodoende met betrekking tot de verschuldigde inkomstenbelasting de feiten omschreven onder tenlastelegging E te kunnen plegen en/of verhullen, en met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt van de stukken.

Onder tenlastelegging D moeten J.P. en Cie1 zich als (mede)daders verantwoorden voor feiten van valsheid in geschriften, door valselijk een omzet van minstens 30% voor een totaalbedrag van 1.567.707,47 euro niet te hebben vermeld in de dagontvangstenboeken, en in de boekjaren 2019‑2022 minstens 50% aan verrichte restaurantdiensten niet correct te hebben vermeld, zijnde onjuiste omzetbedragen ais maatstaf van heffing onderworpen aan de verschillende btw‑tarieven van 6% (leveringen/afhaal), 12% (verbruik ter plaatse van maaltijden – frieten, snacks en sauzen) en 21% (verkoop alcoholische dranken, verkoop frisdranken bij verbruik ter plaatse), met het bedrieglijk opzet de werkelijke omvang van de contante handelsinkomsten van Cie1 en verhouding tussen omzetbedragen onder verschillende btw‑tarieven voor de Belgische fiscale overheden verborgen te houden, en zodoende met betrekking tot de verschuldigde btw de feiten omschreven onder tenlastelegging F.1 en F.2 te kunnen plegen en/of verhullen, en met hetzelfde bedrieglijk opzet gebruik te hebben gemaakt van de stukken.

Uit bovenstaande blijkt dat dezelfde valsheid werd beoogd, maar dat hierbij twee oogmerken worden geviseerd, enerzijds, het zich toe‑eigenen van deze gelden (onttrekken aan de vennootschap) (tenl. B.1) en, anderzijds, het ontduiken van inkomstenbelasting en btw op deze ontvangsten (tenl C en tel. D).

**\***

Met artikel 450 WIB 1992 bestraft de wetgever de valsheid die tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de inkomstenbelastingen, deze te ontwijken en de verplichting tot betaling ervan uit te stellen. (zie ook Cass. 26 februari 2013 P.11.1665.N.) Deze valsheid vereist dus een fiscaal bijzonder opzet en houdt dus een verbijzondering – met ander woorden een inperking – in van het gemeenrechtelijke bijzonder opzet.

Met [artikel 73bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis) bestraft de wetgever de valsheid die tot doel heeft de belastingadministratie te misleiden met het oog op de berekening van de btw, deze te ontwijken en de verplichting tot betaling ervan uit te stellen. Deze valsheid vereist dus een fiscaal bijzonder opzet en houdt dus een verbijzondering – met ander woorden een inperking – in van het gemeenrechtelijke bijzonder opzet.

Hetzelfde feit kan tegelijkertijd een gemeenrechtelijke en een fiscale valsheid uitmaken waarbij er, zoals te dezen, eendaadse samenloop kan ontstaan tussen de gemeenrechtelijke valsheid (tenl. B.1) en de fiscale valsheid (tenl. C (inbreuk op artikel 450 WIB 1992) en tenl. D (inbreuk op [artikel 73bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis))) en toepassing kan worden gemaakt van artikel 65, eerste lid van het Strafwetboek.

Het bedrieglijk opzet bestaat zodra de dader enig voordeel – materieel of moreel, privaat of publiek, ongeacht de aard ervan – beoogt voor zichzelf of voor een derde, waarvan de dader weet dat de wijze waarop dit voordeel bekomen wordt niet gerechtvaardigd is.

Als de dader van het valsheidsmisdrijf uitsluitend fiscale fraude wil plegen, heeft de bijzondere fiscale valsheidsbepaling voorrang op de gemeenrechtelijke valsheidsbepaling van artikel 196 Sw. en wordt de toepassing van deze laatste uitgesloten. Het welbepaalde oogmerk van de dader (exclusief fiscaal, exclusief gemeenrechtelijk, dan wel tweevoudig) vormt aldus het beslissende criterium om uit te maken of de valsheid en het gebruik gemeenrechtelijk dan wel fiscaal is of de beide kenmerken vertoont.

In de tenlasteleggingen wordt zowel het gemeenrechtelijk als het fiscaal oogmerk weerhouden.

**\***

Een door de wet beschermd geschrift in de zin van die bepalingen is een geschrift dat in een zekere mate tot bewijs kan strekken, dit is zich aan het openbare vertrouwen opdringt, zodat de overheid of particulieren die ervan kennis nemen of aan wie het wordt voorgelegd, kunnen overtuigd zijn van de waarachtigheid van de rechtshandeling of van het rechtsfeit in dat geschrift vastgelegd of kunnen gerechtigd zijn daaraan geloof te hechten. De wetgeving inzake valsheid beschermt elk privégeschrift dat bestemd is om een ander van het bestaan van een recht, een verplichting of van de werkelijkheid van een feit te overtuigen.

Intellectuele valsheid veronderstelt dat de feiten en rechtshandelingen die werden opgenomen in het geschrift van meet af aan werden vastgesteld in strijd met de waarheid, wat ertoe leidt dat het vertrouwen in de waarachtigheid van het geschrift wordt geschonden.

Een verzuim of onvolledige vermeldingen in een geschrift kunnen ertoe leiden leugenachtige feiten als echt voor te stellen of essentiële gegevens te verzwijgen, waardoor bepaalde omissies een intellectuele valsheid kunnen uitmaken. Beklaagden worden beticht van het voeren van een valse boekhouding door het niet-vermelden van essentiële gegevens. Hierdoor zou er een vertekend beeld worden weergegeven van de werkelijke toestand van de vennootschap, zodat er sprake is van een intellectuele valsheid.

**\***

Uit de feitelijke gegevens van het gevoerde onderzoek blijkt dat J.P., wat de hem voormelde ten laste gelegde feiten betreft, niet enkel een fiscaal doel had, zowel wat de ontduiking van btw als wat de ontduiking van vennootschapsbelasting betreft, maar tevens tezelfdertijd handelde met een ander bedrieglijk opzet, namelijk met de bedoeling zichzelf of derden wederrechtelijk te verrijken en zijn concurrentiepositie of deze van zijn vennootschap in de betrokken sector te handhaven of te verstevigen

Bij fraude met het opzet om vennootschapsbelasting en btw te ontduiken en een gemeenrechtelijk opzet wel degelijk, zoals te dezen, gelijktijdig en in dezelfde determinerende mate, een doel als dusdanig kan vormen en zij niet ipso facto noodzakelijk gevolg uitmaken van het opzet om enkel belastingen te ontduiken.

Op basis van de feitelijke gegevens van het gevoerde onderzoek staat het vast dat eerste beklaagde, wat de hem ten laste gelegde feiten van valsheid in geschriften en/of gebruik van valse stukken betreft, niet enkel een fiscaal doel had, wat de ontduiking van inkomstenbelastingen betreft, doch tevens tezelfdertijd handelde met een ander bedrieglijk opzet, namelijk met de bedoeling zichzelf en/of derden wederrechtelijk te verrijken. De rechtbank verwijst hiervoor naar de weerhouden tenlasteleggingen E, F.1, F.2 en H voor beklaagde J.P. hierboven.

De rechtbank wijst er op dat het feit dat de cashafhalingen die steunden op deze stukken ook deels een bedrijfsmatige finaliteit hadden gekregen die bijdroeg aan de werking van Cie1 (door middel van het zogenaamde parallel systeem van zwarte lonen) *(zie hoger)* en dus dat het ten onrechte door J.P. voor zichzelf of derden onttrokken bedrag mogelijk nog meer zou moeten beperkt worden dan het bedrag van minsten 1.254.165,97 euro geen afbreuk doet aan de valsheid van deze aangewende stukken voor het totale bedrag van 1.567.707,47 euro vermits ook deze zwarte lonen niet op de gepaste wijze werden verwerkt in de boekhouding.

De tenlastelegging D is nog ruimer in zijn omvang. Niet alleen werd 30% van de dagontvangsten niet opgenomen en dus de btw hierop niet betaald, maar bij de ontvangsten die wel werden aangegeven werden deze bovendien bewust aan een verkeerd (te laag) btw‑tarief verwerkt.

Zoals blijkt uit de beoordeling van tenlastelegging E, F.1, F.2 en H werden op instructie van J.P. willens en wetens de dagontvangsten maar deels opgenomen in de boekhouding, werde, er verkeerde tarieven gehanteerd en werden slechts een deel van de ontvangsten gestort op de bankrekening. Op zijn instructie werden de onvolledige gegevens bezorgd aan de boekhouder en hij wist dat de gelden naar hem toestroomden en niet (volledig) voor de vennootschap werden aangewend.

De feiten van de tenlasteleggingen B.1, C en D zijn dan ook bewezen voor J.P..

**\***

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de samenlezing van de stukken van het strafdossier, duidelijk blijkt dat de vervalsing van de boekhouding voor tweede beklaagde Cie1 enkel is ingegeven door fiscale doeleinden (ontduiking vennootschapsbelasting en btw).

Rekening houdende met het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 450 WIB 1992 en [artikel 73bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis) de toepassing van artikel 196 Sw uitsluit, waardoor Cie1 wordt vrijgesproken voor de feiten van de tenlastelegging B.1.

De feiten van de tenlasteleggingen C en D zijn bewezen voor beklaagde Cie1.

\- ***Tenlastelegging I voor eerste beklaagde : geen passende boekhouding***

Onder tenlastelegging 1 moet eerste beklaagde J.P. zich als (mede)daders verantwoorden voor inbreuken m.b.t. het houden van een boekhouding en jaarrekeningen van ondernemingen, door met betrekking tot Cie1 geen volledige, conforme en betrouwbare boekhouding te hebben bijgehouden of laten bijhouden en dit met bedrieglijk opzet (art. I.1.1°, I.5, III.82, III.83, III.84, III.89, III.90, XV.69, XV.70 en XV.75 WER).

**\***

In besluiten en op de terechtzitting werpt J.P. op dat (1) hij in de overtuiging was dat het dagontvangstenboek correct werd bijgehouden; (2) hij een accountant had aangesteld om de boekhouding correct te voeren en (3) deze accountant wel degelijk het mandaat had om aanpassingen door te voeren, om alles zo correct mogelijk te boeken.

**\***

De rechtbank verwijst hiervoor naar de weerhouden tenlasteleggingen B.1, C en D voor beklaagde J.P. hierboven.

De boekhouding van de vennootschap werd hiervoor systematisch vervalst en vormde geen betrouwbare weergave van de reële financiële toestand van de vennootschap, om zo de werkelijke omvang van de handelsactiviteiten ten aanzien van de fiscus verborgen te houden.

Dat deze boekhouding niet correct was wist J.P. niet alleen door het feit dat hij bewust weigerde een geregistreerd kassasysteem te hanteren, maar vooral door het feit dat hij de dagontvangsten liet controleren via tussenpersonen en zodoende op de hoogte was van de werkelijke omzetten van de frituur.

**\***

Voor de schuldigverklaring en veroordeling van beklaagde aan de feiten vervat in tenlastelegging I is niet een bedrieglijk opzet vereist. Het wetens en willens handelen is hiertoe voldoende. Artikel XV.75 WER voorziet alleen in een strafverzwaring – nl. sanctie van niveau 4 i.p.v. niveau 2 – indien dit bedrieglijk opzet wordt aangetoond.

Het bedrieglijk opzet voor de feiten voorzien onder tenlastelegging I bestaat in de bedoeling aan zichzelf of aan anderen een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Dit onrechtmatig voordeel kan een voordeel van eender welke aard zijn dat men niet zou hebben verkregen indien de waarheid of de integriteit van de stukken zouden gerespecteerd zijn. De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak het bedrieglijk opzet aanwezig is, wat kan afgeleid worden uit de omstandigheid dat de beklaagde door onder andere na te laten ontvangsten in de boekhouding van de vennootschap in te schrijven of onder het verkeerde btw‑tarief, het opzet had concurrentievervalsend en marktverstorend op te treden en deze bedragen aan het actief van de vennootschap te onttrekken.

De rechtbank oordeelt de feiten van de tenlastelegging I bewezen voor eerste beklaagde op basis van de samenlezing van de voorliggende elementen van het strafdossier waaruit blijkt dat beklaagde wetens en met bedrieglijk opzet niet alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw en naar tijdsorde heeft laten inschrijven in de boekhouding.

**\***

De tussenkomst van een accountant bij het voeren van de boekhouding doet niet noodzakelijk afbreuk aan het bestaan van het bedrieglijk opzet in hoofde van beklaagde. Deze boekhouder handelde op verzoek en instructies van de beklaagde en op basis van de verschafte informatie. Het is de beklaagde die de noodzakelijke informatie voor het voeren van de boekhouding diende aan te leveren.

J.P. nam ook nadien bewust geen enkel initiatief om de boekhouding te verbeteren of recht te zetten, zodat er geen reden is om de incriminatieperiode te beperken tot het einde van het boekjaar 2022.

**\***

De feiten van de tenlastelegging I zijn bewezen voor beklaagde J.P..

\- ***Tenlastelegging 8.2 voor eerste en tweede beklaagde: valsheid in geschrifte – zetelverplaatsing Cie1***

Beklaagde J.P. en beklaagde Cie1 worden vervolgd voor het valselijk (laten) opstellen van een proces‑verbaal van buitengewone algemene vergadering van Cie1 van 17 december 2019, en overeenstemmende wijzigingsformulieren met betrekking tot de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, waarin de maatschappelijk zetel werd gevestigd op een adres terwijl in werkelijkheid deze vennootschap op dit adres geen belangen aanhield.

**\***

In besluiten en op de terechtzitting werpt beklaagde J.P. ook op dat deze tenlastelegging niet bewezen zou zijn en dat er geen mogelijk nadeel zou zijn.

**\***

De valsheid in geschrifte en het gebruik ervan is naar het oordeel van de rechtbank bewezen voor beklaagden op basis van de samenlezing van de stukken van het strafdossier, meer bepaald:

•de aan het strafdossier gevoegde kopieën van de betreffende stukken (bijlage 9 bij PV 38817/23);

•de huiszoeking op de vermeende maatschappelijke zetel op 16 oktober 2023 (PV nr. 115353/23) waaruit bleek dat het een leegstaande woning was.

Uit het voorgaande blijkt dat er op de maatschappelijke zetel geen enkele activiteit was (in hetzelfde hoekgebouw bevindt zich enkel op de gelijkvloerse verdieping de verbruikszaal van frituur N° 1 maar dit vormt een geheel met ...). Het gebruik van een fictief zeteladres was dan ook louter ingegeven met als enige doel publieke en/of private schuldeisers van de vennootschap te misleiden (waaronder ook fiscale controlediensten) en gedwongen uitvoeringshandelingen en/of handelingen met betrekking tot het werkelijk vermogen van de vennootschap te bemoeilijken.

De stelling van eerste beklaagde dat hij niet wist dat het pand niet zou gebruikt worden als maatschappelijke zetel acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig.

De feiten van tenlastelegging B.2 zijn dan ook bewezen voor beklaagde J.P. en beklaagde Cie1.

\- ***Tenlasteleggingen G.1 t/m G.3 voor eerste, zevende en achtste beklaagde : witwassen***

Beklaagden M.V., M.L. en E.H. worden vervolgd voor zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw, namelijk vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen, goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld en inkomsten uit de belegde voordelen, te hebben gekocht, te hebben geruild of om niet te hebben ontvangen, te hebben bezeten, bewaard of beheerd, ofschoon hij op het ogenblik van de aanvang van deze handelingen, de oorsprong van die zaken kende of moest kennen, en/of te hebben omgezet of overgedragen met de bedoeling de illegale herkomst ervan te verbergen of te verdoezelen of een persoon die betrokken is bij een misdrijf waaruit deze zaken voortkomen, te helpen ontkomen aan de rechtsgevolgen van zijn daden, en/of de aard, oorsprong, vindplaats, vervreemding, verplaatsing of eigendom van de in artikel 42, 3° Sw. bedoelde zaken te hebben verheeld of verhuld, ofschoon zij de oorsprong ervan kenden of moesten kennen, te hebben verheeld of verhuld, te weten:

•(G.1 in hoofde van M.V.) een niet nader bepaald totaalbedrag, minstens 13.000 euro, door deze te ontvangen, (internationaal) te transporteren en al dan niet via derde(n) over te (laten) dragen aan J.P.;

•(G.2 in hoofde van M.V. en M.L.) een niet nader bepaald totaalbedrag, deel van de vennootschapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N° 1 te Antwerpen, waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is, door deze herhaaldelijk en periodiek te ontvangen, 'uit te splitsen' ten aanzien van de boekhoudkundig te verwerken contante handelsinkomsten, (internationaal) te transporteren en al dan niet via derde(n) over te (laten) dragen aan J.P.;

•(G.3 in hoofde van E.H.) een niet nader bepaald totaalbedrag, deel van de vennoot-schapsinkomsten in contanten gegenereerd bij de uitbating van frituur N° 1 te Antwerpen, waarvan elke legale oorsprong uitgesloten is, door deze te ontvangen, (internationaal) te transporteren en al dan niet via derde(n) over te (laten) dragen aan J.P.

**\***

In besluiten en ter terechtzitting betwistte M.L. niet dat hij vanaf 1 maart 2020 op verzoek van J.P. de gelden en de 'dagstaten' had nageteld ter controle van het personeel van Cie1. Hij ontkende wel op de hoogte zijn geweest van de illegale herkomst van een deel van deze ontvangsten. Hij was hiermee gestopt op 12 mei 2021.

Ter terechtzitting werpt beklaagde E.H. op dat hij nooit gelden heeft getransporteerd naar Spanje.

**\***

Voor de schuldigverklaring en veroordeling van de dader aan de witwasmisdrijven van artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4° Sw. volstaat het dat de illegale herkomst of oorsprong van de zaken bedoeld in artikel 42, 3° Sw. en de door hem vereiste kennis daarvan bewezen zijn, zonder dat vereist is dat de strafrechter preciseert uit welk misdrijf de witgewassen vermogensvoordelen voortspruiten en op voorwaarde dat hij op grond van feitelijke gegevens elke legale herkomst of oorsprong kan uitsluiten. De rechter kan de illegale oorsprong ook afleiden uit de omstandigheid dat uit geen enkel geloofwaardig gegeven blijkt dat die oorsprong legaal kan zijn.

Wanneer de wet, zoals hier, geen bijzonder bewijsmiddel voorschrijft, beoordeelt de rechter in strafzaken onaantastbaar de bewijswaarde van de hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de partijen tegenspraak hebben kunnen voeren. Geen enkele wets‑ of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verbiedt de rechter om de omvang van het bij hem aanhangig gemaakte witwassen van vermogensvoordelen te bepalen aan de hand van een gemiddelde dat hij op grond van een feitelijk vermoeden afleidt uit de bekende gegevens van het strafdossier en waarvan hij oordeelt dat dit het meest overeenstemt met de werkelijkheid.

Het bezit, de bewaring of het beheer van de hier bedoelde zaken kan een gedraging uitmaken waarmee de dader van het witwasmisdrijf de oorsprong of de verplaatsing van die zaken verheelt of verhult. Dat kan blijken uit de omstandigheden die de rechter vaststelt, waaronder de heimelijke aard van het bezit. (zie ook Cass. 13 oktober 2020, *R.W.* 2021‑'22, 466.)

De rechtbank stelt vast dat de contanten gelden werden opgesplitst in een deel dat werd aangegeven en een deel dat uit de boekhouding werd gehouden. Dit blijkt uit de verhoren van M.V. en werd bevestigd in de verhoren van M.L.. M.V. splitste de gelden op in twee gedeelten en M.L. controleerde dit en telde dit na. Het andere cash geld werd naar een derde persoon gedaan waarvan M.V. de naam niet wist en deze persoon bracht op een of andere manier het geld naar J.P. in Spanje. Volgens M.V. zijn de tussenpersonen steeds gewijzigd. Ze verklaarde ook dat M.L. in beeld was gekomen en dat het zwarte geld door M.L. aan anderen gegeven werd om aan J.P. te bezorgen. Het was J.P. die opdracht gaf aan M.L. om een bepaalde som te geven. M.L. ontkende zelf geld te hebben gegeven aan J.P., maar gaf wel toe dat hij vermoedde dat het juist was dat de gelden werden doorgesluisd naar Spanje. (PV nr. 114690/23 en PV nr. 123609/23) Volgens M.V. was M.L. er wel mee gestopt toen zijn vrouw werd geopereerd. M.L. zelf verwijst naar een ontvangstbewijs van 12 mei 2021 waarbij al het nodige overhandigde aan M.V.. (bijlage 3 aan PV 123609/23)

Uit voormelde verklaringen en uit de samenlezing van de stukken van het strafdossier, is de rechtbank van oordeel dat de feiten van de tenlastelegging G.2 bewezen zijn in hoofde van M.V. en M.L.. Zij hebben bewust de gelden opgesplitst en nageteld en deze uit de boekhouding gehouden. Ze waren er beiden van op de hoogte dat deze zwarte gelden werden doorgesluisd naar J.P. in Spanje.

De rechtbank verwijst naar het gegeven dat het bewijs van het morele bestanddeel van het witwasmisdrijf wordt afgeleid uit alle feitelijke omstandigheden die noodzakelijkerwijs het wantrouwen moeten opwekken van degene die de zaken in bezit neemt en die voldoende ernstige, duidelijke en met elkaar overeenstemmende vermoedens uitmaken die het besluit wettigen dat het bestanddeel kennis wel degelijk aanwezig is (zie ook Cass. 29 september 2010, AR P.10.0566.F).

De feiten van de tenlastelegging G.2 zijn dan ook bewezen voor M.V. en M.L.. Wat betreft M.L. wordt de incriminatieperiode wel beperkt tot de periode tussen 1 maart 2020 en 12 mei 2021.

**\***

De rechtbank acht dat het strafdossier evenwel onvoldoende elementen bevat om boven elke redelijke twijfel vast te stellen dat de M.V. (G.1) en E.H. (G.3) zelf bepaalde gelden hebben getransporteerd of laten transporteren naar Spanje en zich dus schuldig hebben gemaakt aan de hen ten laste gelegde feiten onder voormelde tenlasteleggingen. Zij worden dan ook respectievelijk vrijgesproken voor de feiten van tenlasteleggingen G.1 en G.3.

## 5. Straftoemeting

De feiten van de bewezen verklaarde tenlasteleggingen vermengen zich voor elke respectievelijke beklaagde als zijnde gepleegd met éénzelfde strafbaar opzet, zodat in toepassing van artikel 65, lid 1 van het Strafwetboek maar één straf wordt opgelegd, met name de zwaarste.

De feiten zijn bijzonder ernstig. Aan beklaagden moet het signaal worden gegeven dat de lastens hen bewezen verklaarde feiten niet getolereerd kunnen worden.

De handelingen van beklaagden wijzen op een sterk verminderd normbesef en een jarenlange frauduleuze ingesteldheid en dit louter met het oog op snel en makkelijk geldgewin waarbij de rechten van de Belgische Schatkist ernstig worden beknot. Hierbij deinsden beklaagden er niet voor terug om stukken te vervalsen en te gebruiken.

De rechtbank zal bij het bepalen van de straf en de strafmaat rekening houden met de aard en de ernst van de feiten, de schaal ervan, de eventuele overschrijding van de redelijke termijn en het verloop van tijd sinds de feiten, de rol en bijdrage van beklaagden bij de feiten, de rol en bijdrage van beklaagden bij de feiten, hun persoonlijkheid zoals deze is gebleken uit de pleidooien op de terechtzitting en/of het strafdossier, hun strafrechtelijk verleden en de boetes gevorderd in het kader van de burgerlijke vordering van de FOD Financiën.

\- ***Redelijke termijn***

In besluiten en ter terechtzitting werpen beklaagden J.P. en M.V. op dat in deze de redelijke termijn, waarbinnen zij mogen verwachten dat de strafvordering wordt uitgeoefend, overschreden is. Dit heeft volgens deze beklaagden tot gevolg dat de rechtbank met deze overschrijding van de redelijke termijn dient rekening te houden, wat volgens meerdere beklaagden betekent dat er bij de straftoemeting rekening moet worden gehouden, dan wel een eenvoudige schuldigverklaring zou moeten uitgesproken worden.

**\***

Artikel 6.1 EVRM stelt dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hen ingestelde strafvervolging, iedereen recht heeft op een behandeling van hun zaak binnen een redelijke termijn. Een gelijkaardige bepaling is artikel 14 IVBPR.

De rechtsgevolgen van een mogelijke overschrijding waren voorzien in artikel 21*ter* voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering (V.T.Sv.). Deze wettekst werd gewijzigd door de Wet van 9 april 2024 en hernummerd in artikel 27 V.T.Sv.

De Wet van 9 april 2024 strafprocesrecht I is op 28 april 2024 in werking getreden. De bepalingen van die wet die de verjaring betreffen, zijn onmiddellijk van toepassing op de strafvordering die op die datum nog niet was verjaard.

Dat is het geval in deze zaak.

Artikel 27 V.T.Sv. stelt dat indien de duur van de strafvervolging de redelijke termijn overschrijdt, de rechter de veroordeling bij eenvoudige schuldigverklaring kan uitspreken, of een straf kan uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of, bij een zeer zwaarwichtige miskenning van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering kan uitspreken.

De rechter beoordeelt, in het licht van de omstandigheden van de zaak en het belang van de overschrijding van de redelijke termijn, welke van de in hiervoor bedoelde gevolgen moet worden uitgesproken.

De wetgever verwees daarbij naar de klassieke criteria ter beoordeling van de redelijke termijn zoals uitgelegd door het EHRM (MvT wetsontwerp strafprocesrecht I, *Parl.St.* , Kamer, 2022‑2023, nr. 3514/001, 46). De wetgever dacht hier ook aan ernstige gevallen van overschrijding waarbij de overschrijding "*dermate flagrant is dat straffen niet langer verantwoord is*". (Verslag namens de commissie voor Justitie uitgebracht door de heer Philippe Goffin, *Parl.St.* Kamer 2022‑23, DOC 55, nr. 3514/003, 43‑44)

**\***

De feiten waarvoor meeste beklaagden worden vervolgd dateren van de periode 31 december 2015 tot 1 januari 2023.

De zaak werd opgestart na een verzoek tot overleg *una via* van 17 maart 2023. Na het overleg en de keuze voor de strafrechtelijke weg, vatte een opsporingsonderzoek aan op 3 april 2023 en werd het inleiden van een gerechtelijk onderzoek gevorderd op 7 september 2023.

Dat de feiten die aan de oorsprong liggen van deze zaak dateren van een hele tijd geleden en dat het gerechtelijk onderzoek gestart is bijna drie jaar geleden betekent op zich niet dat de redelijke termijn overschreden is.

Pas op 16 oktober 2023 werd er een huiszoeking uitgevoerd op het inschrijvingsadres van J.P. in .... Hier was niemand aanwezig en dit pand was reeds geruime tijd onbewoond.

Op dezelfde dag werd er ook een huiszoeking uitgevoerd bij M.V. en werd zij van haar vrijheid beroofd, zodat voor M.V. de redelijke termijn op die dag een aanvang nam.

Pas bij kantschrift van 18 november 2023 werd de opdracht gegeven om over te gaan tot uitnodiging tot verhoor van J.P.. Omdat er geen enkele reactie kwam van J.P., werd J.P. gesignaleerd voor verhoor op 4 januari 2024. Op 22 februari 2024 werd hem op zijn inschrijvingsadres een kennisgeving van inverdenkingstelling toegestuurd.

De vraag of de redelijke termijn waarbinnen de strafvordering moet worden uitgeoefend, overschreden is, dient *in concreto* beantwoord te worden. Bij deze beoordeling dient de rechtbank o.a. rekening te houden met de complexiteit van de onderzochte zaak en de houding die de beklaagde hierbij aannam, doch ook met de houding van de gerechtelijke overheid en meer bepaald met het gegeven of er tijdens de strafvervolging periodes zijn voorgekomen waarbinnen het onderzoek onverantwoord stil lag.

De redelijke termijn neemt een aanvang op het moment van de verontrusting van de beklaagde, dit is het moment waarop de beklaagde op officiële, maar daarom niet formele wijze, kennis krijgt van een tegen hem gerichte strafvervolging of opsporing, hetzij dus vanaf het moment waarop hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft.

Het vertrekpunt van de redelijke termijn is niet de dag van de feiten of van de eerste onderzoeksdaad in het fiscaal onderzoek bij Cie1 en ook niet de dag van de start van het gerechtelijk onderzoek, maar wel het ogenblik waarop de betrokkenen verplicht zijn geweest bepaalde maatregelen te nemen om zich te verdedigen, m.a.w. wanneer de betrokkene door een officiële kennisgeving of op een andere wijze kennis krijgt van een tegen hem gerichte strafvervolging of opsporing, hetzij dus vanaf het moment waarop hij onder de dreiging van een strafvervolging leeft. De periode voorafgaand aan de verontrusting van de beklaagde is dan ook niet relevant voor de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn.

De door J.P. vooropgestelde datum van 9 maart 2022 is enkel de start van een fiscaal onderzoek en betreft geen uitdrukkelijk aanvangspunt voor de beoordeling van de redelijke termijn, aangezien de FOD Financiën over een controleopdracht beschikt ten aanzien van de belastingplichtigen zoals Cie1 en de controle voor beklaagden (en dus ook voor J.P. die zelf niet gecontroleerd werd) zelf niet inhield dat ze vanaf dan met zekerheid dienden te weten dat ze het voorwerp uitmaakten van een strafrechtelijk onderzoek en vervolging. Daarenboven toont J.P. op geen enkele wijze aan op welke datum hij op de hoogte zou zijn gebracht van de fiscale controle.

De rechtbank stelt vast dat J.P. (en zijn vennootschappen) (ten vroegste) duidelijk werd geviseerd en dus verontrust op 16 oktober 2023 toen er een huiszoeking bij hem plaatsvond in ... op zijn inschrijvingsadres (hoewel niemand aanwezig was) en op de uitbatingszetel en maatschappelijke zetel van Cie1 te Antwerpen.

Wat betreft derde beklaagde M.V. is de eerste verontrusting hier ook 16 oktober 2023 toen er een huiszoeking bij haar plaatsvond in de ... en toen zij dezelfde dag voor de eerste maal werd verhoord door de politiediensten.

De rechtbank is van oordeel dat huidig onderzoek een complex onderzoek was waarbij een uitvoerig bankonderzoek bij meerdere banken werd gedaan, onderzoek van informaticamateriaal, onderzoek naar de boekhoudkundige verwerking, verhoren en herverhoren van zowel beklaagden als getuigen en de steeds aanhoudende pogingen om J.P. te kunnen verhoren.

Het onderzoek kende een normaal verloop en reeds op 15 mei 2024 (nauwelijks acht maanden na de start van het gerechtelijk onderzoek) volgde er reeds een beschikking tot mededeling, waarna de eindvordering reeds volgde op 9 september 2024.

Na een verzoek tot uitstel de raadsman van de oorspronkelijk vierde en vijfde inverdenkinggestelde voor eventuele minnelijke regeling met het openbaar ministerie in het kader van regeling van de rechtspleging werd de zaak op de zitting van raadkamer van 7 november 2024 uitgesteld naar de zitting van 30 januari 2025. Na het tot stand komen van een minnelijke schikking volgde er een nieuwe eindvordering op 15 januari 2025. Op de zitting van 30 januari 2025 verzocht de raadsman van J.P. uitstel omdat hij nog maar recent geraadpleegd werd, waarop de zaal werd uitgesteld naar de zitting van 6 maart 2025 (naar dit verzoek tot uitstel verwijst J.P. evenwel niet in zijn conclusies).

De raadkamer ging over tot de regeling van de rechtspleging bij beschikking van 6 maart 2025 en de (overblijvende) beklaagden werden verwezen naar de correctionele rechtbank.

De dagvaarding volgde op 10 april 2025 en de zaak werd ingeleid op 3 juni 2025. Op die zitting werden op verzoek van partijen conclusietermijnen bepaald.

De zaak werd door huidige rechtbank ten gronde behandeld op 11 december 2025, oftewel iets meer dan 2 jaar na de start van het gerechtelijk onderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

\- ***In hoofde van eerste beklaagde J.P.***

Eerste beklaagde J.P. is 70 jaar, was bestuurder van de betrokken vennootschap Cie1 (zoals van al de vorige uitbaters van frituur N° 1). Hij was duidelijk de initiatiefnemer van de diverse fraudemechanismen waarbij op grote schaal gelden werden onttrokken aan het oog van de fiscus en aan Cie1, waarbij hij zich trachtte te verschuilen achter tussenpersonen.

Beklaagde J.P. is niet aan zijn proefstuk toe. Hij werd reeds zesmaal politioneel en viermaal correctioneel veroordeeld (voor o.a. valsheid in geschriften, fiscale fraude, belaging, sociale inbreuken), doch hij trok daar duidelijk geen lering uit.

De raadsman van eerste beklaagde verzocht de rechtbank om toepassing te willen maken van artikel 65, tweede lid van het Strafwetboek, zonder een bijkomende straf op te leggen. Bij arrest van 2 maart 2023 van het hof van beroep te Antwerpen werd derde beklaagde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 1 jaar en een geldboete van 1.000 euro, beide met uitstel voor een termijn van respectievelijk 5 en 3 jaar ingevolge feiten van o.a. valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken, fiscale valsheid, fiscale fraude, misbruik van vertrouwen. Het afschrift van het arrest werd gevoegd, door het openbaar ministerie en er wordt niet betwist dat dit arrest in kracht van gewijsde is.

De feiten *in casu* en de feiten bestraft in het arrest van 2 maart 2023 zijn evenwel niet met eenheid van opzet verbonden. Het is de feitenrechter namelijk toegestaan bij zijn soevereine feitenappreciatie te oordelen dat verschillende feiten niet de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde opzet maar daarentegen een herval in de criminaliteit uitmaken indien de verschillende feiten gescheiden worden door bijvoorbeeld een gerechtelijke tussenkomst. De gerechtelijke tussenkomst zoals weergegeven in het aangehaalde arrest door middel van o.a. de uitnodiging tot verhoor van 26 maart 2015, de huiszoeking bij eerste beklaagde op 26 oktober 2015 en op de maatschappelijke zetel van Cie4 op 27 oktober 2015, vormde een duidelijk signaal dat van aard was de eenheid van misdadig opzet te doorbreken. Bovendien heeft eerste beklaagde zeer bewust de uitbating in 2012 overgenomen via Cie1 nadat er lastens Cie4 een fiscaal onderzoek gestart was dat uitmondde in voormeld arrest. Vanaf 27 oktober 2015 heeft eerste beklaagde de fiscale fraude hervat en daarbij lering getrokken uit de vorige strafzaak en zich hierbij meer op de achtergrond geplaatst en tussenpersonen gebruikt.

De fiscale controle in 2012 en de uitnodiging tot verhoor en huiszoekingen in 2015 in het vorige dossier zijn een breuklijn in het handelingspatroon van J.P., een *momentum* waarop hij gedwongen werd om zijn gedrag te evalueren en de kans kreeg om te corrigeren. J.P. heeft er alsnog telkens opnieuw voor geopteerd om nieuwe misdrijven te plegen in andere omstandigheden en op andere tijdstippen, de enige evaluatie die hij blijkbaar deed was rond de werkwijze om de fraude beter te organiseren en zelf minder op de voorgrond te verschijnen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat huidige feiten dan ook te aanzien zijn als de uiting, niet van hetzelfde opzet, doch wel van een herval in de criminaliteit en van een hernieuwd misdadig opzet om eenzelfde soort misdrijven te blijven plegen, niettegenstaande gerechtelijke tussenkomsten en waarschuwingen.

Er wordt derhalve niet ingegaan op het verzoek van J.P. om toepassing te maken van art. 65, tweede lid Sw.

Een deel van de hem ten laste gelegde feiten (waarvan de rechtbank hierboven reeds oordeelde dat ze de uiting zijn van eenzelfde opzet zodat overeenkomstig art. 65, eerste lid Sw slechts een straf moet worden opgelegd) hebben voortgeduurd na het in kracht van gewijsde gaan van het arrest (uitgesproken bij verstek) van 2 maart 2023 op 3 april 2023, zodat J.P. zich bovendien bevindt in staat van wettelijke herhaling ingevolge het arrest van het hof van beroep van Antwerpen van 2 maart 2023 waarbij hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van 1 jaar (met uitstel voor 5 jaar) en tot een geldboete van 1.000 euro, wegens feiten van valsheid in geschriften en gebruikmaking van deze valsheid (meermaals), fiscale valsheid, witwassen, misbruik van vertrouwen, fiscale fraude en het niet houden van een gepaste boekhouding. Dit arrest had kracht van gewijsde op het ogenblik dat (een deel van) huidige feiten werden gepleegd die bovendien werden gepleegd binnen de vijf jaar voordat zijn straf is ondergaan of zijn straf verjaard is. Een eensluidend verklaard afschrift van dit arrest met bewijs van kracht van gewijsde bevindt zich in het strafdossier.

De rechtbank is van oordeel dat aan eerste beklaagde een ernstig signaal moet gegeven worden. In hoofde van beklaagde is de hierna bepaalde gevangenisstraf en geldboete de enige gepaste bestraffing om hem te wijzen op de ernst van zijn handelingen en hem het besef bij te brengen dat hij voortaan de regels moet naleven.

De geldboetes hebben tot doel de beklaagden te raken in hun vermogen en dienen de beklaagden te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. De duur van de vervangende gevangenisstraffen is aangepast aan de omvang van de opgelegde geldboetes.

De rechtbank acht in zijnen hoofde tevens een beroepsverbod gepast in toepassing van artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 voor een periode van 20 jaar (gelet op de wettelijke herhaling) en dit nu de handelingen van beklaagde werden gesteld binnen het kader van vennootschappen en resulteerden in aanzienlijke economische schade en zijn handelingen het reguliere handelsverkeer ernstig belemmerden en het vertrouwen van derden beschadigde.

Een dergelijke bestraffing beantwoordt het best aan de preventieve en repressieve doeleinden van de straf.

\- ***Voor tweede beklaagde Cie1***

Beklaagde is niet ter terechtzitting verschenen, zodat de rechtbank niet kan peilen naar haar huidige situatie en intenties.

De rechtbank acht de hierna bepaalde geldboete noodzakelijk om beklaagde te wijzen op de ernst van haar handelingen en om haar ervan te weerhouden in de toekomst nog dergelijke laakbare feiten te plegen.

Gelet op het ontradende karakter van een uitgestelde bestraffing en nu beklaagde hiervoor nog in aanmerking komt, kan voor de geldboete volledig uitstel van tenuitvoerlegging worden toegestaan.

Met het oog op de maximalisatie van het ontradend karakter van dergelijke uitgestelde bestraffing koppelt de rechtbank de uitsteltermijn aan de maximaal voorziene duur.

\- ***Voor derde beklaagde M.V.***

Ter terechtzitting verzoekt M.V. om haar de gunst van de opschorting van de veroordeling toe te staan. Zij wijst hierbij aan haar volledige medewerking, haar leeftijd en haar volledige loopbaan waar zijn onvermoeibaar instond voor de dagdagelijkse werking van de frituur en hierdoor de tewerkstelling kon vrijwaren voor meerdere personen.

Hoewel zij bewust meewerkte aan de fiscale fraude en het misbruik van vertrouwen, was zij duidelijk niet de initatiefneemster of organisator en was zij er ook niet de hoofdbegunstigde van.

Hoewel zij in hoofdorde de feiten blijft betwisten, blijkt niettemin uit haar medewerking aan het strafonderzoek dat er sprake is van enig schuldinzicht voor de gang van zaken.

M.V. is 76 jaar oud en van Belgische nationaliteit. M.V. beschikt over een gunstig strafregister, zij werd enkel twee keer door de politierechtbank veroordeeld. M.V. bevindt zich alsnog in de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de gunst van de opschorting van de veroordeling.

Opschorting van de uitspraak van de veroordeling is een buitengewone gunst, die er onder mee toe strekt te voorkomen dat een veroordelende maatregel, buiten haar normalerwijze te voorziene gevolgen en onder andere door de eraan verbonden publiciteit, voor de beklaagde een onevenwichtige sociaal‑economische declassering zou meebrengen.

Gelet op het beperkt strafregister van M.V., de verlopen tijd sinds de feiten, haar gevorderde leeftijd en de hierna bepaalde fiscale gevolgen, verleent de rechtbank haar hierna de gunst van de opschorting voor een termijn van drie jaar.

M.V. dient te beseffen dat bij nieuwe feiten gedurende de proeftijd de verleende gunst van de opschorting kan worden herroepen onder de voorwaarden van artikelen 13 en volgende van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie.

\- ***Voor zevende beklaagde M.L.***

M.L. is 75 jaar oud en van Belgische nationaliteit en beschikt over een blanco strafregister.

M.L. heeft bewust mee gewerkt aan het witwassen van gelden uit de fiscale fraude en diende hierbij controle uit te oefenen op M.V. als tussenpersoon voor J.P.. Hij deed dit voor eigen geldgewin (namelijk makelaar kunnen zijn over de verzekeringsportefeuille van J.P.).

Ter terechtzitting verzoekt M.L. – in ondergeschikte orde – om hem de gunst van de opschorting van de veroordeling toe te staan. Hij wijst hierbij op zijn hoge leeftijd en dat hij dit enkel deed op verzoek van J.P. en voor een beperkte periode.

Gelet op de ernst en omvang van de feiten en de cruciale rol van M.L. bij de feiten (weliswaar beperkt tot de periode 1 maart 2020 en 15 mei 2021), meent de rechtbank dat een opschorting beklaagde onvoldoende bewust zou maken van het ontoelaatbaar karakter van zijn gedrag.

De rechtbank acht de hierna bepaalde geldboete noodzakelijk om beklaagde te wijzen op de ernst van zijn handelingen en om hem ervan te weerhouden in de toekomst nog dergelijke laakbare feiten te plegen.

Gelet op het ontradende karakter van een uitgestelde bestraffing en nu beklaagde hiervoor nog in aanmerking komt, kan voor de geldboete deels uitstel van tenuitvoerlegging worden toegestaan.

Met het oog op de maximalisatie van het ontradend karakter van dergelijke uitgestelde bestraffing koppelt de rechtbank de uitsteltermijn aan de maximaal voorziene duur.

### OP BURGERRECHTELIJK GEBIED

\- ***Zelfstandige burgerlijke vordering van de Belgische Staat, FOD FINANCIËN***

In besluiten en op de terechtzitting vordert de Belgische Staat, FOD Financiën, de veroordeling tot betaling van J.P., Cie1 en M.V. van de btw, met betrekking tot de periode 2016 – 2022, voor een bedrag van 183.957,14 euro, een geldboete van 367.910 euro en de nalatigheidsinteresten vanaf 21 januari 2023. De berekening van de verschuldigde bedragen wordt uitvoerig toegelicht in de besluiten van tussenkomende partij en steunt op de gegevens van het strafdossier.

De zelfstandige vordering beperkt zich tot de ontdoken btw (voor de jaren die nog niet verjaard zijn) omdat de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de betrokken aanslagjaren al definitief werden gevestigd.

*In casu* werden er immers zes aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd en werd en geen bezwaar ingediend, zodat al deze aanslagen in hoofde van Cie1 reeds definitief zijn en niet meer kunnen vernietigd worden. Reden waarom de tussenkomende partij ook geen zelfstandige fiscale vordering stelt inzake inkomstenbelastingen.

De FOD Financiën vordert de betaling van de betreffende btw, de administratieve geldboeten en bijbehoren. Zij stelt haar vordering in hoofde van J.P., Cie1 en M.V..

**\***

In besluiten en op de terechtzitting stelt beklaagde J.P. dat de zelfstandige vordering van de Belgische Staat zou moeten afgewezen worden omdat hij geen misdrijven in de zin van [art. 73](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73) en [73bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis) WBTW zou hebben begaan. Minstens zou de vordering moeten worden afgewezen omdat er geen sprake zou zijn van geldige feitelijke vermoedens waardoor de berekende bedragen willekeurig en onredelijk zouden zijn.

J.P. stelt tevens dat de proportionele geldboete niet door hem verschuldigd zou kunnen zijn, enerzijds, op basis van het ne bis in idem-beginsel, en anderzijds, op basis van [art. 73sexies WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73sexies).

Uiterst ondergeschikt verzoekt J.P. om de rechtsplegingsvergoeding te herleiden.

**\***

Art. 4bis VT Sv bepaalt dat in geval de strafvordering wordt ingesteld wegens de feiten bedoeld in de artikelen 29, §§ 2 en 3 en 29*bis* van het Wetboek van strafvordering de strafrechter benevens van de strafvordering tevens kennis neemt van de burgerlijke vordering tot betaling van de betreffende belastingen, de opcentiemen en opdeciemen, de verhogingen, de administratieve en fiscale geldboeten en bijbehoren. Deze burgerlijke vordering betreft een zelfstandige vordering waarbij de bevoegde belastingadministratie tussenkomt in de strafzaak.

Uit dit wetsartikel ("*benevens van de strafvordering tevens kennis van de burgerlijke vordering*") blijkt dat de bevoegdheid van de strafrechter om uitspraak te doen over de zelfstandige vordering van de belastingadministratie wordt bepaald door de saisine op strafrechtelijk vlak. In casu werd de rechtbank ook gevat voor fiscale fraude inzake btw ([art. 73 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73) 1992) (tenl. F.1 en F.2) voor de periode 1 januari 2016 tot 21 januari 2023. De rechtbank is dan ook bevoegd om uitspraak te doen over de betreffende belastingen, de verhogingen en bijbehoren.

**\***

De vordering van de FOD Financiën steunt op de gegevens verkregen uit het strafdossier zodat de verjaringstermijn van [art. 81bis, § 1, 2° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) van toepassing is. De vordering van de FOD is bijgevolg ook niet verjaard.

De rechtbank verwijst naar haar beoordeling op strafgebied, zodat de vordering van FOD Financiën wel degelijk ontvankelijk is en ook niet steunt op onrechtmatig bewijs.

De vordering van de FOD Financiën werd uitvoerig toegelicht in besluiten en ter terechtzitting en steunt op de gegevens van het strafdossier (zie o.a. het uitgebreid proces‑verbaal nr. AN.78.LB.049491/2023 van 2 mei 2023 en zijn verschillende bijlagen; het proces‑verbaal van taxatie inzake btw voor de jaren 2016‑2022 van 19 oktober 2023 (bijlage bij PV nr. AN.78.LB.124804/2023); het navolgend proces‑verbaal nr. 2024/004 van 23 januari 2024 inzake de valsheden inzake de dagontvangstenboeken en aangiften btw van Cie1 evenals de beoordeling op strafgebied hierboven).

De feitelijke vermoedens worden geregeld door de artikelen 8.1, 9° (voorheen art. 1349 Oud BW) en 8.29 (voorheen art. 1353 Oud BW) Burgerlijk Wetboek. Overeenkomstig artikel 8.1, 9° BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Artikel 8.29 BW bepaalt dat vermoedens die niet bij de wet zijn ingesteld, overgelaten worden aan het oordeel van de rechter.

De administratie baseerde zich op aangetroffen enveloppen, de WhatsApp-berichten, de verklaringen uit het strafdossier, de PLU‑rapporten, de gebruikte niet-geregistreerde kassasystemen, het onvolledig dagontvangstenboek, de observaties, enz. Daarnaast ging de administratie uit van een redelijke verhouding tussen verbruik ter plaatse en meeneemgerechten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de administratie gedetailleerd en zorgvuldig te werk is gegaan om tot een redelijke en realistische heffing te komen, zonder willekeur in de btw-heffing (en waarbij in het voordeel van de betrokkenen de verhoudingen steeds naar beneden werd herleid).

De berekening van de verschuldigde btw en de spreiding over de diverse jaren is dan ook gebaseerd op een waaier van gewichtige, duidelijke en met elkaar overeenstemmende vermoedens. De forfaitaire berekening van de niet aangegeven ontvangsten en de foutieve hantering van het btw‑tarief op basis van de gegevens van het strafdossier en geruggesteund op de door M.V. en F.B. afgelegde verklaringen waaruit blijkt dat het gehanteerde fraudesysteem consequent en steeds op gelijke aardige wijze werd toegepast, is niet willekeurig en volkomen gerechtvaardigd.

Wanneer de aanslag gevestigd is op grond van feitelijke vermoedens, berust het tegenbewijs bij de belastingplichtige. Dergelijk tegenbewijs wordt door de beklaagden niet geleverd.

**\***

J.P. stelt in zijn besluiten dat er geen proportionele geldboeten zouden kunnen gevorderd worden door de administratie omdat dit strijdig zou zijn met het una via-principe en het ne bis in idem-principe.

Het feit dat een proportionele geldboete een strafrechtelijk karakter zou hebben op basis van de criteria van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maakt deze sanctie nog geen onderdeel van de strafvordering. Indien de criteria vervuld zijn, zullen wel de bijhorende garanties van het EVRM van toepassing zijn.

De administratie is dan ook wel degelijk bevoegd om proportionele geldboeten op te nemen in haar burgerlijke vordering.

Het ne *bis in idem*‑beginsel is niet van toepassing. De toegekende vordering van de fiscale administratie, die onder meer strekt tot het opleggen van fiscale boeten (ook al kunnen die als strafrechtelijke sancties worden aangemerkt) en de beslissing van de strafrechter tot het opleggen van straffen, kunnen immers binnen dezelfde procedure worden gesitueerd. Wel wordt van de strafrechter verwacht dat hij bij het opleggen van straffen rekening houdt met de zwaarte van de administratieve sancties. De strafrechter moet immers rekening houden met de verschuldigde administratieve geldboeten, zodat een onredelijk zware bestraffing wordt vermeden ([art. 73bis/1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis-1)).

Bij de straftoemeting zelf (zie boven) heeft de rechtbank reeds rekening gehouden met de beperkte overschrijding van de redelijke termijn en de gevorderde proportionele boetes, zodat proportionele boetes kunnen toegekend worden gelet op de ernst en de omvang van de feiten.

De administratie vordert 200% geldboete op de ontdoken btw.

De rechter die een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter beoordeelt, doet met volle rechtsmacht de redelijkheids- en evenredigheidstoets. Gelet op de redelijke verhouding die moet bestaan, tussen de aard en de ernst van de inbreuk enerzijds en het doel van de sanctie, acht de rechtbank de gevorderde sanctie van 200% geldboete overdreven zwaar.

De omstandigheden billijken nochtans geen volledige kwijtschelding van de geldboete, vermits er bij de straftoemeting reeds rekening werd gehouden met de proportionele geldboete.

Om het doel van de administratieve boete te bereiken, namelijk in gepaste verhouding tot de aard en omvang van de begane inbreuk een sanctie uit te maken die zowel straft, maatschappelijke vergoedt, als afschrikt om herhaling te vermijden, moet in het concrete geval de geldboete bepaald worden op 50%. Deze vermindering van de boete heeft enkel gevolgen in hoofde van Cie1 (de btw‑plichtige) zoals hierna blijkt.

Het bedrag van de gevorderde rechtsplegingsvergoeding wordt in die zin dan ook aangepast.

**\***

[Art. 73sexies WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73sexies) voorziet dat de personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting en nalatigheidsinteresten verschuldigd door de oorspronkelijke schuldenaar van de belasting.

Zoals J.P. terecht opmerkt in conclusies, is hij niet gehouden tot de proportionele geldboete. De proportionele geldboete is dan ook enkel verschuldigd in hoofde van de belastingplichtige zelf, zijnde Cie1.

M.V. is ook hoofdelijk gehouden tot betaling van de door Cie1 ontdoken btw en nalatigheidsinteresten. Deze hoofdelijkheid omvat hier ook niet de administratieve geldboete, zodat er ook geen reden of mogelijkheid is om de boetes in haar hoofde te matigen (zoals in ondergeschikte orde gevraagd door M.V.).

### KOSTEN EN BIJDRAGEN

Gelet op de strafrechtelijke veroordeling van beklaagden dienen zij ook veroordeeld te worden tot de kosten van de strafvordering in de hierna bepaalde mate.

De forfaitaire bijdrage in de beheerskosten van de rechtsbedeling veroorzaakt door het misdrijf moet worden opgelegd in elke beslissing waarbij de aan een beklaagde ten laste gelegde feiten bewezen worden verklaard. Deze bijdrage wordt derhalve opgelegd aan alle beklaagden.

De bijdrage tot financiering van het Fonds tot hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders moet worden opgelegd bij iedere veroordeling tot een criminele of correctionele hoofdstraf. Deze wordt dan ook niet opgelegd aan derde beklaagde M.V..

De bijdrage voor de financiering van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand moet worden opgelegd bij iedere veroordeling door een strafgerecht van een beklaagde die niet van juridische tweedelijnsbijstand geniet.

Vermits voor de beklaagden niet werd opgeworpen dat zij genieten van juridische tweedelijnsbijstand, worden zij veroordeeld tot betaling van deze bijdrage.

### TOEGEPASTE WETTEN

De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:

art. 1, 2, 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 37, 41 wet van 15 juni 1935;

art. 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 25, 38, 40, 41bis, 56, 65, 66, 79, 80, 84 en 99bis strafwetboek

art. 4 V.T.Sv, artikel 8 van de wet van 29 juni 1964

art. 191 Sv art. 186 Sv

alsook de wetsbepalingen aangehaald in de inleidende akte en in het vonnis

**De rechtbank:**

op tegenspraak ten aanzien van **J.P.**, **M.V.**, **M.L.**, **E.H.**, **DE BELGISCHE STAAT**,

bij verstek ten aanzien van Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid **Cie1**,

### Op strafgebied

### Ten aanzien van J.P., eerste beklaagde

Veroordeelt J.P., zich bevindende in staat van wettelijke herhaling, voor de vermengde feiten onder tenlasteleggingen B.1, B.2, C, D, E, F.1, F.2, H (beperkt tot 1.254.165,97 euro) en I:

tot een **gevangenisstraf** van **3 jaar** en tot een **geldboete** van **80.000,00 EUR**, zijnde **10.000,00 EUR** verhoogd met 70 opdeciemen.

Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden.

Legt aan beklaagde J.P. in toepassing van artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 een beroepsverbod voor een periode van **20 jaar** op.

Veroordeelt J.P. tot betaling van:

•een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 90 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders

•een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand

•een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR

•de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 682,43 = 136,49 EUR

### Ten aanzien van Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cie1, tweede beklaagde

SPREEKT Cie1 VRIJ voor de tenlastelegging B.1.

Veroordeelt Cie1 voor de vermengde feiten onder tenlasteleggingen B.2, C, D, E, F.1 en F.2:

tot een **geldboete** van **8.000,00 EUR**, zijnde **1.000,00 EUR** verhoogd met 70 opdeciemen.

*Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar.*

Veroordeelt Besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Cie1 tot betaling van:

•een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 90 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders

•een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand

•een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR

•de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 682,43 = 136,49 EUR

### Ten aanzien van M.V., derde beklaagde

SPREEKT M.V. VRIJ voor de tenlastelegging G.1.

De rechtbank verklaart derde beklaagde M.V. schuldig voor de vermengde feiten onder de tenlasteleggingen E, F.1, F.2, G.2 en H (beperkt tot 1.254.165,97 euro) en gelast in haren hoofde de **opschorting** van de veroordeling voor een termijn van **3 jaar**.

Veroordeelt M.V. tot betaling van:

•een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand

•een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR

•de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 682,43 = 136,49 EUR

### Ten aanzien van M.L., zevende beklaagde

Veroordeelt M.L. voor de tenlastelegging G.2, maar beperkt tot een incriminatieperiode van 1 maart 2020 tot 12 mei 2021:

tot een **geldboete** van **16.000,00 EUR**, zijnde **2.000,00 EUR** verhoogd met 70 opdeciemen.

Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden.

*Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de helft van deze geldboete voor een termijn van 3 jaar.*

Veroordeelt M.L. tot betaling van:

•een bijdrage van 1 maal 250,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 90 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders

•een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand

•een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 62,37 EUR

•de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 1/5 x 682,43 = 136,49 EUR

### Ten aanzien van E.H., achtste beklaagde

SPREEKT E.H. VRIJ voor de tenlastelegging G.3 en stelt hem buiten zaken zonder kosten.

### Op burgerlijk gebied

•*Burgerlijke vordering van* ***Belgische Staat, FOD Financiën***

Verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de Belgische Staat, FOD Financiën, tegen eerste beklaagde J.P., tweede beklaagde Cie1 en derde beklaagde M.V. ontvankelijk en als volgt gegrond:

•veroordeelt **tweede beklaagde Cie1** in betaling voor de periode 2016‑2022:

•btw: 183.957,14 EUR;

•geldboete: 91.970,00 EUR;

•te verhogen met wettelijke fiscale nalatigheidsinterest vanaf 21 januari 2023.

•verklaart **eerste beklaagde J.P. en derde beklaagde M.V.** hoofdelijk gehouden tot betaling voor de periode 2016‑2022:

•btw: 183.957,14 EUR;

•te verhogen met wettelijke fiscale nalatigheidsinterest vanaf 21 januari 2023.

Veroordeelt eerste beklaagde J.P., tweede beklaagde Cie1 en derde beklaagde M.V. hoofdelijk tot de kosten van het geding, voor de tussenkomende partij begroot en door de rechtbank vastgesteld op een rechtsplegingsvergoeding van **10.988,37 EUR**, in hoofde van eerste beklaagde J.P. en derde beklaagde M.V. is deze gehoudenheid beperkt tot **7.848,84 EUR**.

Wijst het meergevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, kamer AC5.

\- A. Claes, rechter-voorzitter

\- T. Callebaut, rechter

\- P. Borms, rechter

en uitgesproken in openbare terechtzitting op **3 april 2026** door de voorzitter, in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces‑verbaal van de terechtzitting, met bijstand van griffier J. Soete.

…

## Aangehaalde teksten

6

[WBTW art. 73bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis) 5 voorkomens

[WBTW art. 73](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73) 4 voorkomens

[WBTW art. 63](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-63) 3 voorkomens

[WBTW art. 73sexies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73sexies) 2 voorkomens

[WBTW art. 73bis/1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-73bis-1) 1 voorkomen

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bewijs, Ontvankelijkheid van het bewijs, Regelmatigheid van het bewijs](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-ontvankelijkheid-regelmatigheid-intracommunautaire-levering-cassatie-brussel-2015-05-22-bd5e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Sekwester, domiciliefraude, huisvisitatie, dringende en voorlopige maatregelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/sekwester-domiciliefraude-huisvisitatie-dringende-voorlopige-rechtbank-gent-2024-10-02-1e0d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Art 4bis VtSv, Margeregeling, Bedrieglijk opzet, Vertrouwensbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/art-4bis-vtsv-margeregeling-bedrieglijk-hof-van-beroep-antwerpen-2026-08-31-7168) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Misdrijven, Strafsancties](https://juriel.be/nl/rechtspraak/misdrijven-strafsancties-hoofdelijke-grondwettelijk-hof-brussel-2009-07-09-105-2009) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Misdrijven, Strafsancties](https://juriel.be/nl/rechtspraak/misdrijven-strafsancties-hoofdelijke-grondwettelijk-hof-brussel-2009-07-16-117-2009) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Misdrijven, Strafsancties](https://juriel.be/nl/rechtspraak/misdrijven-strafsancties-hoofdelijke-grondwettelijk-hof-brussel-2009-10-20-159-2009) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-fraude, Openbare orde, Ongeoorloofde oorzaak](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-fraude-openbare-orde-ongeoorloofde-cassatie-brussel-2007-03-22-2d79) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, strafrechtelijke sanctie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-strafrechtelijke-sanctie-rechtbank-antwerpen-2001-06-27-72b8) 3 gemeenschappelijke bepalingen
