---
title: "Zonder factuur · Rechtbank van eerste aanleg te Leuven, 6 oktober 2000"
description: "Zonder factuur, bewijs vrijstelling intracommunautaire levering. Rechtbank van eerste aanleg te Leuven (België), 6 oktober 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/zonder-factuur-bewijs-vrijstelling-intracommunautaire-rechtbank-leuven-2000-10-06-f711"
lang: "nl"
---

# Zonder factuur, bewijs vrijstelling intracommunautaire levering · zonder factuur - bewijs vrijstelling intracommunautaire levering

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Leuven

**Datum**

6 oktober 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

233 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Leuven dd. 06.10.2000**

*Zonder factuur*

*Bewijs vrijstelling intracommunautaire levering*

## Samenvatting

Tijdens een B.T.W.-controle werden bij een B.T.W.-belastingplichtige een aantal overtredingen vastgesteld, voornamelijk m.b.t. de aftrekregeling en de bewijslevering voor vrijstelde intracommunautaire leveringen van goederen en uitvoeren van goederen. Inzake het recht op aftrek wenst de B.T.W.-belastingplichtige aftrek uit te oefenen zonder enig stuk, met als argumentatie dat voldoende andere bewijsmiddelen voorhanden zijn om de echtheid van de transactie te bewijzen. De rechtbank aanvaardt deze motivatie niet door duidelijk te stellen dat om het recht op aftrek uit te oefenen, men in het bezit moet zijn van een originele en correcte factuur. De geciteerde rechtspraak van het Hof van Justitie (Reisdorf, zaak [C-85/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-95-arrest)). Voor het niet kunnen voorleggen van het voldoende bewijs om de vrijstelling voor intracommunautaire leveringen aan te tonen haalt de Belgische B.T.W.-belastingplichtige aan dat de Belgische wetgeving strijdig is met de Zesde B.T.W.-Richtlijn, omdat deze in artikel 28quater stelt dat de lidstaten de voorwaarden mogen vaststellen ?om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen?. Deze voorwaarden zijn in België tweeërlei, nl. bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn naar een andere lidstaat en dat de koper een B.T.W.-belastingplichtige is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bewijs eenvoudig te leveren is en derhalve de Belgische wetgeving niet strijdig is met de Zesde B.T.W.-Richtlijn.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**12e kamer**

Alleensprekend rechter: *Mevr. K. Deconinck*

Griffier: *Mevr. M. Claes*

Partij: Faron B.v.b.a. t. De Belgische Staat

Rolnr.: A.R. 98/2097/A

De rechter doet uitspraak in deze zaak die in beraad werd genomen op de zitting van 12.05.2000, op tegenspraak en waarvan de uitspraak van het vonnis vastgesteld werd op de zitting van 9 juni 2000.

De uitspraak van het vonnis werd echter wegens bijzondere omstandigheden verdaagd naar de zitting van 1 september 2000 en vervolgens naar de zitting van heden, 6 oktober 2000.

Gelet op de artikelen 2-9-34-36-37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Gehoord partijen in hun middelen bij monde van hun raadsman op de zitting van 12.05.2000 en gelet op de conclusies neergelegd voor partijen en op de voor partijen neergelegde bewijsstukken.

Gezien de inleidende dagvaarding, van 17.09.1998, ertoe strekkende:

\- het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- in hoofdorde: het dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van B.T.W., geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn;

\- in ondergeschikte orde: de opgelegde B.T.W.-boeten kwijt te schelden, minstens te verminderen;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling aan eiseres van alle bedragen ten titel van boeten en interesten, die reeds door eiseres werden betaald of door de Belgische Staat werden ingehouden ter delging van de beweerde B.T.W.-schuld, te verhogen met de wettelijke en gerechtelijke interesten;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ten bedrage van 1.000.000 Belgische frank;

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten;

\- het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement;

---

I

Feiten

De B.V.B.A. *Faron* is actief als groothandelaar van electro apparatuur en staat in die hoedanigheid als B.T.W. belastingplichtige geregistreerd onder het B.T.W.-nummer BE 448.718.139.

De B.V.B.A. factureert de intracommunautaire leveringen met vrijstelling van B. T. W. op grond van artikel 39 bis , 1° W.B.T.W.

In de loop van de jaren 96-97 worden door de Inspecteur Hubert *Eerdekens* , verbonden aan de administratie van de B.B.I. 2de inspectie Antwerpen, diverse controles uitgevoerd op de zetel van eiseres met betrekking tot de toepassing van de B.T.W. over de periode 1.01.1994 tot 31.12.1996.

Ingevolge deze controles werd een correctie-opgave opgesteld op 16.05.1997 waarin vastgesteld werd dat er ingevolge de vastgestelde "onregelmatigheden" en "overtredingen" van de B.T.W. wetgeving en reglementering een bedrag van 36.203.626 frank aan B.T.W. verschuldigd zou zijn, het grootste deel van dit bedrag, namelijk 33.152.495 frank heeft betrekking op inbreuken op de reglementering met betrekking tot de intracommunautaire leveringen.

Tevens werd in dezelfde correctie-opgave een bedrag van 72.564.784 frank in het vooruitzicht gesteld ten titel van administratieve boeten.

Op 16.05.1997 wordt een termijn van 20 dagen vooropgesteld om de opgave voor akkoord te ondertekenen of om de bezwaren te laten kennen.

Op 23.05.1997 werd een eerste P.V. opgesteld (niet neergelegd door verweerder en slechts gedeeltelijk door eiseres, enkel blad 1 van 10 blz.) op grond waarvan een inhouding werd verricht van het voor teruggaaf vatbare bedrag van 2.043.296 Bef. dat blijkt uit de rekening-courant B.T.W. op 30.04.1997. Deze inhouding werd aan de belastingplichtige betekend op 23.05.1997.

Uit stuk 24 van verweerder blijkt dat eiseres op 6.06.1997 liet weten dat zij niet akkoord ging met de correctie-opgave en een verlenging vroeg van de antwoordtermijn evenals een ontmoeting.

Op 16.04.1998, kennelijk na het voorleggen van nieuwe stukken door eiseres, werd een P.V. opgesteld door inspecteur Hubert *Eerdekens* waarin vastgesteld wordt dat 31.871.419 Bef. verschuldigd is aan B.T.W. en een boete wordt gevorderd van 63.900.370 Bef., voor de intresten wordt voorbehoud geformuleerd.

Op 15.07.1998 werd een dwangbevel betekend aan eiseres voor volgende bedragen:

| - B.T.W. | 31.871.419 Bef. |
| --- | --- |
| - Geldboete | 63.900.000 Bef. |
| - Intresten | PM. |

Tegen dit dwangbevel werd huidig verzet aangetekend door eiseres.

In besluiten neergelegd op 4.03.1999 aanvaardt verweerder de vordering te verminderen met 575.022 Bef. aan verschuldigde B.T.W. en 1.150.044 aan boeten.

II

Beoordeling

A

Nietigheid van het dwangbevel

Eiseres roept de nietigheid van het dwangbevel in op grond van schendingen van de motiveringsplicht.

Eiseres verwijt verweerder pas in de besluiten melding te hebben gemaakt van inlichtingen die krachtens artikel 93 ter decies W.B.T.W. verkregen waren van buitenlandse zusterinformaties. Eiseres verwijst ook naar de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.

Uit de stukken blijkt dat het dwangbevel uitvoerig gemotiveerd is in het aangehecht P.V. van 16.04.1998 en onder meer de vaststelling inhoudt van een gebrek aan bewijs van de echtheid van de intracommunautaire leveringen, die per factuur waarvoor de vrijstelling van B.T.W. wordt betwist, worden opgesomd, met vermelding van het ontbrekend bewijs (meestal vervoerbewijs, soms betalingsbewijs, soms beiden).

Nu is staande de procedure gebleken dat verweerder bovendien na de eerste vaststellingen navraag deed bij de buitenlandse zusterdiensten of de buitenlandse vennootschappen de intracommunautaire verwervingen die door haar worden betwist ook geboekt hadden. Het zijn de antwoorden van deze diensten (althans uittreksels en vertalingen ervan) die werden neergelegd in huidige procedure en waarnaar in besluiten wordt verwezen.

De vaststellingen op grond waarvan het dwangbevel werd gemotiveerd zijn op zich voldoende en stelden eiseres in de gelegenheid haar verweer te voeren en de gevraagde bewijzen te leveren, onafhankelijk van de bijkomende bewijsmiddelen die verweerder nog trachtte te bekomen of bekwam vanwege de buitenlandse belastingsdiensten.

De bijkomende inlichtingen, die niet in het dwangbevel werden opgenomen, tasten de motivering van het dwangbevel niet aan: zij vormen een aanvulling op de vaststellingen die van aard zijn hetzij deze te ondersteunen (indien er geen aangifte gebeurde van een intracommunautaire verwerving) hetzij te ontkrachten (indien de intracommunautaire verwerving werd aangegeven door de buitenlandse vennootschap).

Eiseres was in staat haar verzet in te stellen op gemotiveerde wijze op grond van de motivering van het dwangbevel zodat zij zich ten onrechte beroept op een nietigheid op grond van een motiveringsgebrek.

B

De inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en diensten die volledig bestemd zijn voor privé of andere doeleinden dan de economische activiteit

De vaststelling in verband met deze inbreuken wordt als volgt gemotiveerd: "Op grond van art. 93 quaterdecies W.B.T.W., inzage te hebben genomen van het dossier inzake directe belastingen, op naam van voornoemde"

De administratie van de directe belastingen had de betwiste geviseerde handelingen geweerd als beroepskosten zodat verweerder op grond van artikel 45, § 1 W.B.T.W. de aftrek van de B.T.W. verwierp voor de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997.

In de besluiten en aanvullende besluiten aanvaardt verweerder, gezien het??? inzake de beroepskosten van deze jaren op te schorten tot na de beslissingen van de bevoegde Gewestelijke Directeur op deze bezwaarschriften. Dit werd ook gevraagd door eiseres in haar besluiten dd. 31.12.1999, zodat een akkoord van partijen hierover kan vastgesteld worden.

C

Inbreuken op de aftrekregeling: De verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur of een regelmatig invoerdocument

De rechtbank neemt er akte van dat verweerder afziet van het verwerpen van het recht op aftrek van de B.T.W. ten bedrage van 12.300 Bef. en 4920 Bef. voor de facturen uitgereikt door respectievelijk de Groupe Daici en de Sv. Int.

Eiseres stelt het recht op aftrek uit te kunnen oefenen wat factuur nr. 411/95 van 14.07.1995 van Nabilco Business betreft, niettegenstaande zij noch de factuur noch een duplicaat kan voorleggen, op grond van het bewijs van de werkelijkheid van de handeling door de bewijzen van betaling voor een totaal bedrag van 6.143.693 Bef. aan Nabilco Business op 14.07.1995, de opname van deze factuur in de historiek crediteuren en de verkoop van de gekochte toestellen aan haar klanten. Deze redenering kan niet worden aanvaard. Om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig [art. 2 K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art2); de tekst van dit artikel is overigens bijna identiek aan artikel 18, 1° van de Zesde E.E.G. richtlijn.

Zie ook Cass. 4.12.1989, Arr. Cass., 1989, 462.

In het arrest Reisdorf (dd. 5.12.1996, zaak [C-85/95](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-95-arrest)), waarnaar eiseres verwijst, stelt het Hof juist dat onder "factuur" dient, te worden verstaan "niet enkel het origineel, maar ook elk ander document dat aan de door die Lid-Staten vastgestelde criteria beantwoordt"; het Hof bevestigt dat de Lid-Staten de bevoegdheid hebben te verlangen dat ten bewijze van het recht op aftrek het origineel van de factuur wordt overgelegd, en toe te staan de belastingplichtige die niet meer in het bezit daarvan is, met andere middelen bewijst dat de handeling waarop het verzoek om aftrek betrekking heeft, daadwerkelijk heeft plaats gevonden.

Eiseres beroept zich niet op overmacht.

Zoals door verweerder gesteld kan nog steeds een duplicaat worden voorgelegd in de voorwaarden van [aanschrijving nr. 10 van 9.08.1974](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/10-1974-aanschrijving-verlies-vernietiging-facturen-deduction-953e) en het recht op aftrek worden uitgeoefend voor zover er nog geen verjaring ingetreden is.

Op grond van de stukken die heden worden voorgelegd kan het recht op aftrek niet worden toegestaan en wordt dit recht terecht verworpen door verweerder.

Van de factuur 75/96 van Hifinesse van 27.03.1996 wordt een duplicaat voorgelegd doch dit duplicaat beantwoordt niet aan de vereisten van de aanschrijving nr. 10 hierboven aangehaald: de nummering is niet overeenstemmend met het verworpen origineel en de datum waarop het duplicaat werd opgesteld wordt niet vermeld.

Ook hier beroept eiseres zich niet op overmacht.

Zoals door verweerder gesteld kan nog steeds een duplicaat worden voorgelegd in de voorwaarden van [aanschrijving nr. 10 van 9.08.1974](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/10-1974-aanschrijving-verlies-vernietiging-facturen-deduction-953e) en het recht op aftrek worden uitgeoefend voor zover er nog geen verjaring ingetreden is.

Op grond van de stukken die heden worden voorgelegd kan het recht op aftrek niet worden toegestaan en wordt dit recht terecht verworpen door verweerder.

D

Inbreuken op de verplichting de echtheid te bewijzen van de intracommunautaire leveringen van goederen waarvan de levering op grond van artikel 39 bis , 1° W.B.T.W. met vrijstelling van B.T.W. werd gefactureerd

D.1

Strijdigheid van de Belgische wetgeving met de Zesde Europese B.T.W. richtlijn

Volgens verweerder is er geen veroordeling van de Belgische Staat voor deze beweerde strijdigheid, wat niet wordt tegengesproken door eiseres.

Het arrest Reisdorf, aangehaald door eiseres heeft betrekking op [art. 22 van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) en is niet relevant voor huidige zaak.

Artikel 28 quater van de Zesde B.T.W. richtlijn voorziet dat de Lid-Staten de voorwaarden mogen vaststellen "om een juiste en eenvoudige toepassing van de hierna genoemde vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen".

De voorwaarden zijn de volgende:

\- bewijs de de goederen verzonden of vervoerd werden naar een andere Lid-Staat

\- bewijs dat de levering geschiedde aan een belastingplichtige of een niet belastbare rechtspersoon die in de andere Lid-Staat is geïdentificeerd voor de B.T.W. ([art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) en [2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art2) K.B. nr. 52 dd. 29.12.1992)

Dit K.B. regelt de bewijsvoering in artikel 3 dat luidt als volgt: "De verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

Door of vanwege de Minister van Financiën kan eveneens het uitreiken van andere stukken worden voorgeschreven, inzonderheid indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen."

Van deze laatste mogelijkheid heeft de Minister geen gebruik gemaakt.

De toepassing van de artikelen 2 en 15 W.B.T.W., zoals ingeroepen door verweerder in aanvullende besluiten, is niet juist daar deze casus uitdrukkelijk beantwoordt aan de casus voorwerp van het K.B. nr. 52 dd. 29.12.1992 zoals uit het bovenvermelde citaat blijkt "indien de goederen door de koper of voor zijn rekening worden meegenomen".

Dit K.B. werd vervolgens toegelicht in de Aanschrijvingen van de B.T.W. Administratie en de Mededeling van 20.02.1993, B.S. 20.02.1993, van het Ministerie van Financiën.

De mededeling stelt in verband met het bewijs van de uitvoer "voorbeelden van zo'n documenten zijn: bestelbons, factuur van de vervoerder, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten enz. Dit bewijs moet dus voortkomen uit handelsdocumenten die het bestaan van het vervoer vaststellen. Wij herinneren eraan dat elk bewijsmiddel toegelaten is, maar dat geen enkel bijzonder document voldoende doch onmisbaar is. In ieder geval kunnen de betalingsberichten die door de financiële instellingen worden afgeleverd een belangrijk bewijsmiddel uitmaken en het wordt de ondernemingen bijgevolg aangeraden om, tenzij uitzonderlijk, geen contante betalingen te aanvaarden. De aandacht van de belastingplichtigen wordt erop gevestigd dat het vervoer dient te worden verricht door de verkoper, de afnemer of voor hun rekening. (...) In het geval dat het vervoer door de koper verricht wordt kan het voor de verkoper moeilijker zijn om dit te bewijzen."

Het bewijs van de hoedanigheid van de verwerver is eenvoudig te leveren: de Belgische verkopers kunnen te allen tijde de bevestiging van een identificatienummer vragen aan de B.T.W. administratie; volgens bovenvermelde mededeling maakt een dergelijke bevestiging "deel uit van de bewijselementen die de toepassing van de vrijstelling van B.T.W. rechtvaardigen met betrekking

Uit het bovenstaande blijkt dat de gevraagde bewijslevering eenvoudig is: bewijs van de uitvoer en van de hoedanigheid van de verwerver door alle middelen. Het gevraagde bewijs stemt overeen met de voorwaarden van de richtlijn, ten onrechte stelt eiseres dat de vrijstelling wordt onderworpen aan de effectieve aangifte van de intracommunautaire verwerving door de koper. Dat verweerder dit inroept in casu is correct, doch dit argument berust op interpretatie.

De wijze waarop het gevraagde bewijs beoordeeld wordt valt onder de toepassing van de regelgeving en houdt niet in dat de regelgeving op zich strijdig is met de richtlijn.

D.2

Bewijslevering van de intracommunautaire levering

Uit de verschillende artikelen verschenen in rechtsleer ( *Vandenberghe L.* "B.T.W. perikelen van de intracommunautaire levering", A.F.T. 1998, 377-378; *Charon T.* , "Vrijstellingen voor intracommunautaire leveringen: (on)mogelijke bewijsvoering", Fiscaal Praktijkboek 98-99 Indirecte belastingen, Ced. Samsom) en uit de mededeling van Financiën zelf blijkt dat er een "probleem van de bewijsmiddelen op gebied van vrijstelling" is.

Het probleem bestaat in de interpretatie van de bewijsmiddelen die door de belastingplichtige worden aangebracht. Deze interpretatie dient in alle redelijkheid te gebeuren in die zin dat enkel het bewijs kan worden gevraagd aan de belastingplichtige van de feitelijke gegevens die hij in redelijkheid kan bewijzen. Bovendien dient rekening gehouden te worden met het gegeven dat de bewijslast het moeilijkst is in de gevallen waarin de koper zelf het vervoer behartigt en dat de overheid het nagelaten heeft nader te bepalen hoe het bewijs concreet in dat geval dient geleverd te worden. Van de belastingplichtige (verkoper) kan niet verwacht worden dat hij in dat geval de B.T.W. in België zou voldoen en vervolgens terugvragen "indien hij bewijst dat er een belaste intracommunautaire verwerving in de Lid-Staat van aankomst heeft plaatsgevonden" zoals gesuggereerd in de mededeling dd. 20.02.1993. Dit zou een bijkomende voorwaarde vormen die bestaat in de belasting in de Lid-Staat van aankomst terwijl deze voorwaarde niet in de Richtlijn is voorzien en strijdig zou zijn met het vrij goederenverkeer daar dit een belemmering hiervan zou vormen. Contante betaling dient ook door de administratie te worden aanvaard. Deze betaling is wettelijk en dient erkend te worden. (Zie Het B.T.W. Handboek 1999 *H. Vandebergh* , p. 319 en verwijzingen) Uit de verschillende betalingen die vanuit het buitenland worden bewezen blijkt dat dergelijke betalingen niet onaanzienlijke kosten met zich meebrengen zodat de belastingplichtige ook een belang heeft bij het aanvaarden van betaling in contanten. In de praktijk wordt betaling in contanten op het ogenblik van de levering ook als de zekerste manier aanzien om betaling van een buitenlander te bekomen. Dat daardoor het bewijs van uitvoering bemoeilijkt is (en fraude mogelijk) kan niet verweten worden aan de belastingplichtige die niet a priori van fraude kan verdacht worden. Het is dan aan de overheid om een sluitende bewijsvoering op te leggen waaraan de belastingplichtige kan voldoen en die hem de nodige rechtszekerheid biedt.

Om deze redenen dient het bewijs aangebracht door de belastingplichtige als oprecht te worden aanvaard, behoudens bewijs van het tegendeel door de administratie. De administratie heeft hiervoor middelen ter beschikking zoals het neerleggen van een klacht waaruit de valsheid van geschrifte zou kunnen blijken of de valsheid van gegevens (bijvoorbeeld wat de opgegeven nummerplaten betreft.)

In dit dossier werd kennelijk geen strafklacht neergelegd.

Hieronder onderzoekt de rechtbank de bewijsvoering geleverd door eiseres in het licht van bovenvermelde principes.

1)

BH Trading (B.T.W. nr. FR 06 388 828 766)

Het bewijs van de hoedanigheid van BH Trading wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 3.11.1994.

Verweerder stelt in besluiten dat hij afziet van de vordering van de B.T.W. op factuur nr. 187/95 (bedoeld wordt 94) dd. 9.11.1994, zij doet dit enkel omdat gebleken is dat BH Trading deze verwerving ook aangaf als communautaire verwerving. Nochtans geeft eiseres voor deze intracommunautaire verwerving enkel het betalingsbewijs volgens verweerder die het geleverde vervoerbewijs verwierp.

Blijven betwist: factuur nr. 177/94 dd. 2.11.1994, nr. 77/95 dd. 15.03.1995, nr. 81/95 dd. 20.03.1995, nr. 86/95 dd. 22.03.1995.

Volgens verweerder levert eiseres een onvoldoende bewijs van uitvoer, verweerder steunt zich hierbij voornamelijk op het feit dat de Franse administratie zou melden dat er voor deze facturen geen boekingen zouden gebeurd zijn. Hierbij dient opgemerkt dat uit het neergelegd stuk niet blijkt over welke periode vragen zijn gesteld (enkel over 1.10.1994 tot 31.12.1994?) en over welke facturen. Noch het verzoek noch het antwoord van de Franse administratie worden neergelegd.

Eiseres geeft als bewijs van de uitvoer volgende stukken:

\- de factuur nr. 177/94 dd. 2.11.1994; de bestelbon fax dd. 31.10.1994 met vermelding "enlèvement si possible cette semaine" een "lettre de voiture" dd. 2.11.1994 met stempel voor ontvangst onderaan door N.R.J. 93300 Auberbilliers.

\- factuur nr. 77/95 dd. 15.03.1995 met vermelding "Livraison: départ Belgique le 16.03 via Frans Maas pour N.R.J./Aubervilliers", een lettre de voiture dd. 15.03.95, een creditering van een bedrag van 2.139.000 Bef. op de rekening courant van een buitenlandse cheque met de mededeling fact 071/95 en 077/95 FB 930000 (bedrag dat overeenstemt met het gefactureerd bedrag van 930.000 Bef. op factuur 077/95).

Door deze betaling door de buitenlandse firma bij de levering mocht eiseres ervan uitgaan dat deze de uitvoer zoals contractueel bepaald zou uitvoeren. Indien het transport door de verwerver gebeurt is geen exacte bewijsvoering voorgeschreven (hoewel deze mogelijkheid was voorzien) zodat niet duidelijk is welke verdere bewijsvoering vanwege eiseres verwacht zou kunnen worden. Bij gebreke aan wettelijke bepaling terzake voldoet de belastingplichtige aan zijn bewijslast door overlegging van de overeenkomst en de betaling door de buitenlandse verwerver. Het feit dat deze laatste vervolgens niet aan zijn boekhoudkundige verplichtingen voldoet kan niet ten laste gelegd worden van eiseres die hierop geen controle heeft.

\- factuur nr. 81/95 dd. 20.03.1995,

\- factuur nr. 86/95 dd. 22-03.1995 een creditering van een bedrag van 1.063.000 Bef. op de rekening courant van een buitenlandse cheque met de mededeling fact 081/95, een creditering van een bedrag van 4.174.200 Bef, op de rekening courant van een buitenlandse cheque met de mededeling fact. 086/95 plus D-131 volgens eiseres verwijzend naar het onbetaald saldo van factuur nr. 086/95. Bij optelling van de twee gefactureerde bedragen van factuur nr. 81/95 en 86/95 bekomt men 5.237.200 Bef. wat overeenstemt met het totaal van de twee buitenlandse cheques namelijk 1.063.000 Bef. en 4.174.200 Bef. zodat eiseres betaling bewijst door de buitenlandse verwerver. Door deze betaling door de buitenlandse firma bij de levering mocht eiseres ervan uitgaan dat deze de uitvoer zoals contractueel bepaald zou uitvoeren. Indien het transport door de verwerver gebeurt is geen exacte bewijsvoering voorgeschreven (hoewel deze mogelijkheid was voorzien) zodat niet duidelijk is welke verdere bewijsvoering vanwege eiseres verwacht zou kunnen worden. Bij gebreke aan wettelijke bepaling terzake voldoet de belastingplichtige aan zijn bewijslast door overlegging van de overeenkomst en de betaling door de buitenlandse verwerver. Het feit dat deze laatste vervolgens niet aan zijn boekhoudkundige verplichtingen voldoet kan niet ten laste gelegd worden van eiseres die hierop geen controle heeft.

Voor factuur nr. 177/94 dd. 2.11.1994 stelt de rechtbank vast dat geen bewijs van betaling wordt geleverd zodat eiseres niet voldoet aan haar bewijslast. Voor factuur nr. 77/95 dd. 15.03.1995 is er een bewijs van bestelling door de buitenlandse verwerver en een bewijs van betaling. Door deze betaling door de buitenlandse firma bij de levering mocht eiseres ervan uitgaan dat deze de uitvoer zoals contractueel bepaald zou uitvoeren. Indien het transport door de verwerver gebeurt is geen exacte bewijsvoering voorgeschreven (hoewel deze mogelijkheid was voorzien) zodat niet duidelijk is welke verdere bewijsvoering vanwege eiseres verwacht zou kunnen worden. Bij gebreke aan wettelijke bepaling terzake voldoet de belastingplichtige van zijn bewijslast door overlegging van de overeenkomst en de betaling door de buitenlandse verwerver. Het feit dat deze laatste vervolgens niet aan zijn boekhoudkundige verplichtingen voldoet kan niet ten laste gelegd worden van eiseres die hierop geen controle heeft. De bewijslast dient in abstracto beoordeeld te worden en kan niet onderworpen worden aan de voorwaarde van voorafgaande betaling van de belasting door de verwerver.

Verweerder aanvaardde de intracommunautaire levering voor factuur nr. 187/95 (bedoeld wordt 94) dd. 9.11.1994, enkel omdat gebleken is dat BH Trading deze verwerving ook aangaf als communautaire verwerving hoewel het geleverde bewijs door eiseres identiek is. Hieruit blijkt duidelijk dat verweerder de bewijslast lastens eiseres onderwerpt aan een onwettelijke voorwaarde.

Voor de facturen nr. 81/95 dd. 20.03.1995 en nr. 86/95 dd. 22.03.1995 wordt het bewijs van uitvoer op voldoende wijze bewezen.

Bij optelling van de twee gefactureerde bedragen van factuur nr. 81/95 en 86/95 bekomt men 5.237.200 Bef. wat overeenstemt met het totaal van de twee buitenlandse cheques, namelijk 1.063.000 Bef. en 4.174.200 Bef. zodat eiseres betaling bewijst door de buitenlandse verwerver. Om de hierboven aangehaalde redenen wordt het bewijs aanvaard.

Voor factuur nr. 117/94 dd 2.11.1994 stelt de rechtbank vast dat geen bewijs van betaling wordt geleverd zodat eiseres niet voldoet aan haar bewijslast.

2)

Overstyle Ltd (B.T.W. nr. NL 802424867B01)

Het bewijs van de hoedanigheid van Overstyle Ltd wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 24.03.1994.

Verweerder steunt de weigering van de facturen op het ontbreken van of vervoerbewijs of betalingbewijs of beiden. Tevens wordt verwezen naar de mededeling van de Nederlandse administratie van 5.08.1996 waaruit blijkt dat Overstyle Ltd als einddatum OB-plicht 29.05.1995 beeft terwijl de zaakvoerder Van 'T Hof met de noorderzon zou verdwenen zijn.

Terecht antwoordt eiseres hierop dat alle facturen betrekking hebben op het jaar 1994 en januari 1995 en zij niet verantwoordelijk gesteld kan worden of in verband gebracht kan worden met de handelingen van Van't Hof.

Factuur nr. 079/94: volgens verweerder ontbreekt het vervoerbewijs (welk wordt niet gepreciseerd). De buitenlandse betaling wordt bewezen. Ook de ondertekening voor ontvangst van de goederen op 21.06.1994 met melding van het kenteken van de wagen dient aanvaard te worden. Verweerder legde geen klacht neer en bewijst niet dat de gegevens verstrekt door eiseres vals of onjuist zouden zijn.

Factuur nr. 036/94: volgens verweerder ontbreekt het vervoerbewiis en het betalingsbewijs. De heer Van 't Hof ondertekende voor ontvangst en het kenteken van de wagen werd genoteerd. Bewijs van betaling wordt geleverd door betaling in contanten. Deze betaling is wettelijk en dient erkend te worden. (Zie Het B.T.W. Handboek 1999 *H. Vandebergh* , p. 319 en verwijzingen). Verder gelden de motieven hierboven vermeld.

Factuur nr. 220/94: verweerder roept een gebrek aan betalingsbewijs in. Uit een copie van het kasboek blijkt dat het bedrag van 4.198.100 Bef. geboekt werd terwijl een vrachtbrief met bestemming Eindhoven en afgetekend voor ontvangst wordt neergelegd. Eiseres voldoet aan haar bewijslast.

Factuur nr. 217/94: idem als voor factuur nr. 220/94.

Factuur nr. 210/94: kenteken van de wagen wordt gegeven evenals het bewijs van de boeking van de contante betaling van het bedrag dat overeenstemt met de levering worden gegeven. Verweerder bewijst niet dat de gegevens door eiseres gegeven vals zijn; er werd geen klacht neergelegd.

Dezelfde redenering geldt voor de overige facturen Overstyle waarvoor steeds een betalingsbewijs wordt voorgelegd (in kontanten of door storting vanuit buitenland) evenals een ondertekening voor ontvangst bij afhaling door de verwerver met vermelding van nummerplaat of een vrachtbrief.

Voor volgende twee facturen wordt het geleverde bewijs niet aanvaard: Factuur nr. 083/94 er is geen bewijs van betaling enerzijds terwijl anderzijds de vrachtbrief die ingeroepen wordt voor factuur nr. 082/94 niet nog eens voor deze levering in aanmerking kan worden genomen.

Factuur nr. 180/94 er is geen bewijs van betaling.

Volgende facturen worden aldus terecht in België onderworpen aan de B.T.W. Factuur nr. 083/94 Factuur nr. 180/94.

3)

Alba Italië (B.T.W. nr. IT 01283840179)

Het bewijs van de hoedanigheid van Alba SRL wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 21.09.1995.

De informatie van de Italiaanse administratie waarop verweerder zich beroept heeft betrekking op een onderneming "Alba Immobiliaire SRL" Verder worden noch het origineel van de aanvraag (zodat nagegaan zou kunnen worden over welke vennootschap aanvraag werd gedaan) noch het origineel van het antwoord meegedeeld.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat eiseres voor alle verworpen facturen voorlegt:

\- een betalingsbewijs door storting of door betaling in contanten gedeponeerd op haar rekening met vermelding van het factuurnummer;

\- de vermelding van de persoon die de goederen afhaalde Amato Sergio met vermelding van de nummerplaat T03771ZN.

Eiseres voldoet aan haar bewijslast en verweerder bewijst niet dat de gegeven bewijzen vals of onjuist zijn.

4)

Minerva di Genesio Roberto (B.T.W. IT 06972120015)

Het bewijs van de hoedanigheid van Minerva di Genesio Roberto wordt geleverd door de bevestiging van het identificafienummer door de B.T.W. administratie op 28.12.1995 en 7.11.1996. Deze belastingplichtige is in Italië geregistreerd als groothandel in electriciteitswaren. (tipo attivita 5143A Comm. ingrosso despecializzato elettrodom., materiali elettr.)

De informatie van de Italiaanse administratie waarop verweerder zich beroept blijkt niet correct te zijn daar eiseres een document van de Italiaanse fiscus neerlegt waaruit het bestaan van de onderneming op 7.09.1995 wordt bevestigd. Eens te meer worden noch bet origineel van de aanvraag (zodat nagegaan zou kunnen worden over welke vennootschap aanvraag werd gedaan) noch het origineel van het antwoord meegedeeld. Hier wordt nog verder onderzoek aangekondigd doch geen verdere stukken dienaangaanden worden neergelegd voorlegt:

\- een betalingsbewijs door storting of door betaling in contanten gedeponeerd op haar rekening met vermelding van het factuurnummer;

\- de vermelding van de persoon die de goederen afhaalde Minerva di genesio Roberto met vermelding van de nummerplaat TOX38917 of TO X05966 of T008430V of TR321552.

\- de bevestiging door Minerva di Genesio Roberto dat de betrokken goederen geleverd werden en uitgevoerd naar Italië. (dd. 17.10.1997)

Eiseres voldoet aan haar bewijslast en verweerder bewijst niet dat de gegeven bewijzen vals of onjuist zijn.

5)

IMEXCO Duitsland (B.T.W. nr. DE163.357.525)

Het bewijs van de hoedanigheid van Imexco Duitsland wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 21.09.1995.

De informatie van de Duitse administratie waarop verweerder zich beroept dateert van 1996. Eens te meer worden noch het origineel van de aanvraag (zodat nagegaan zou kunnen worden voor welke vennootschap aanvraag werd gedaan) noch het origineel van het antwoord meegedeeld. Nogmaals dient gesteld dat de aanvaarding van het bewijs in België niet kan afhangen van de voorwaarde van effectieve aangifte van de verwerving in het buitenland, indien niet bewezen wordt dat er sprake is van medeplichtigheid.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat eiseres voor alle verworpen facturen voorlegt:

\- een betalingsbewijs door storting of door betaling in contanten gedeponeerd op haar rekening met vermelding van het factuurnummer;

\- de bestelbonnen vanwege Imexco

\- de vrachtbrieven voor verzending naar Dusseldorf, ondertekend voor ontvangst.

Eiseres voldoet aan haar bewijslast.

6)

B.V. *J.P. Den Hertog* (B.T.W. nr. NL 800721305 B03)

Het bewijs van de hoedanigheid van B.V. *J.P. Den Hertog* (B.T.W. nr. NL 800721305 B03) wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 12.04.1996.

Voor deze onderneming werd blijkbaar geen navraag gedaan in Nederland, althans verweerder geeft hierover geen informatie door.

Uit de neergelegde stukken blijkt dat eiseres voor alle verworpen facturen voorlegt:

\- een betalingsbewijs door storting of door betaling in contanten gedeponeerd op haar rekening met vermelding van het factuurnummer;

\- de vrachtbrieven waarop voor ontvangst van de goederen wordt getekend door een zekere *R. Hooge*- *Doonen* met vermelding van de nummerplaten VHNJ68 of VBSB36.

Eiseres voldoet aan haar bewijslast.

Verweerder erkent dat zij per vergissing een factuur nr. 155/96 op naam van Sabra toegschreef aan BV *JP Den Hertog*, zij aanvaardt dit recht te zetten.

7)

Frot Diffusion Electronic (B.T.W. nr. RP,30313150344)

Het bewijs van de hoedanigheid van Frot Diffusion Electronic (B.T.W. nr FR30313150344) wordt niet geleverd door eiseres doch ook niet betwist door verweerder.

Verweerder stelt dat voor de betwiste facturen het vervoerbewijs ontbreekt, enkel voor factuur nr. 20/94 wordt ook het betalingsbewijs gevraagd. (P.V. dd. 16.04.1998)

Voor factuur 20/94 legt eiseres een attest voor van de Banque Worms waarbij een??? marchandise". Uit het stortingsbewijs blijkt dat de betaling voldaan werd op 17.02.1994 zodat er vanuit kan gegaan worden dat geleverd werd; 2.225.000 Bef. (aftrek kosten 2213 Bef.) Ook een kopie van een afhaalopdracht van Van Gend & Loos wordt meegedeeld.

Wat de gevraagde vervoerbewijzen betreft stelt de rechtbank vast dat het transport steeds op kosten van Frot Diffusion Electronic gebeurde zodat het vervoer zelf betaald werd door deze laatste. Uit de stukken: instructies en bevestigingen en betalingen vanuit het buitenland blijkt het transport naar het buitenland wel degelijk.

8)

T. GRUYS SPECIAL TRADING (B.T.W. nr. NL 006627870B05)

Het bewijs van de hoedanigheid van T. GRUYS SPECIAL TRADING (B.T.W. nr. NL 006627870B05) wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 14.07.1994.

In besluiten betwist verweerder enkel nog het vervoerbewijs. De betaling (door compensatie) wordt bewezen door eiseres aan de hand van de bankuittreksels en bijgaande briefwisseling.

Het vervoer wordt bewezen door de ondertekende vrachtbrief met vermelding van de firma Traffic BV Amsterdam en het kenteken van de afhalende wagen BBBN92. Verweerder toont niet aan dat deze gegevens niet correct zijn.

9)

T.S. Trading (B.T.W. nr. NL800731025 BOI)

Het bewijs van de hoedanigheid van T.S. Trading (B.T.W. nr. NL800731025 BOI) wordt niet geleverd door eiseres doch ook niet betwist door verweerder.

Eiseres levert het betalingsbewijs van de factuur in contanten door inschrijving in kas in januari 1996. De afhaling door At Snijder wordt bewezen door de ondertekening voor ontvangst door deze persoon met vermelding van nummerplaat AEH100.

Verweerder stelt dat deze nummerplaat werd gecontroleerd en toebehoort aan een zekere N.V. CALCO dat noch een vervoeronderneming noch een verhuurbedrijf zou zijn doch legt hiervan niet het minste bewijs voor. Verweerder toont aldus niet aan dat de gegevens verstrekt door eiseres niet correct zijn.

10)

HSA Trading (B.T.W. nr. NL008832341 BO1)

Het bewijs van de hoedanigheid van HSA Trading (B.T.W. nr. NL008832341 B01) wordt geleverd door de bevestiging van het identificatienummer door de B.T.W. administratie op 11.10.1993.

\- een betalingsbewijs door storting of door betaling in contanten gedeponeerd op haar rekening met vermelding van het factuurnummer voor factuur nr. 037/94 wordt tevens een ontvangstbevestiging van de bank gegeven;

\- de vrachtbrieven waarop voor ontvangst van de goederen wordt getekend door een zekere *A.A. Klee* met vermelding van de nummerplaat LX2185. Verweerder mont niet aan dat deze gegevens niet correct zijn.

E

Inbreuken op de verplichting de echtheid te bewijzen van de uitvoer van goederen waarvan de levering op grond van art. 39 § 1, 1° W.B.T.W. werd gefactureerd

Eiseres stelt dat het gaat om dienstverrichtingen "publicitaire interventie", volgens verweerder gaat het om het drukken van handleidingen en of folders voor de afnemer Daewoo. Deze laatste steunt zijn redenering op vergelijking met andere inkomende facturen en de boeking van factuur nr. 381/95 onder "verkopen import export".

Verweerder stelt dat het om een dienst gaat doch blijft zeer vaag op dat vlak. Eiseres geeft geen uitleg voor het feit dat een dienst met nummers van toestellen wordt aangeduid. Ook betaling wordt niet bewezen.

Eiseres bewijst noch dat het gaat om een levering van diensten noch enige betaling van haar factuurbedrag.

De B.T.W. wordt terecht gevorderd door verweerder.

F

Inbreuk op artikel 51bis , § 13° W.B.T.W.

Uit de factuur van Damco Maritime blijkt op afdoende wijze dat de batterijen, voorwerp van factuur 489/95 geleverd werden in Rotterdam en dat een bedrag van 163746.10 HFL werden aangerekend als "import duties". Tevens wordt een document van de Nederlandse douane voorgelegd waarin de berekening van dit laatste bedrag terug te vinden is en de wijze van indiening van bezwaar wordt verduidelijkt. Verder bewijst eiseres betaling van dit bedrag aan Damco maritime.

Verweerder stelt ten onrechte dat er geen invoerdocument van de nederlandse douane wordt neergelegd en vordert ten onrechte nogmaals 996.273 Bef. aan B.T.W. op deze verrichting.

G

De administratieve geldboeten

Administratieve geldboeten zijn strafsancties in de zin van artikel 6 van het E.V.R.M. De rechtspraak aangehaald door verweerder is niet meer actueel, zeker niet rekening houdend met het arrest van het Arbitragehof dd. 24.02.1999 en het arrest van het Hof van Cassatie van 5.02.1999.

De rechtbank heeft wel degelijk de mogelijkheid de geldboete te verminderen. Bovendien dient de rechtbank de toepassing van K.B. nr. 41 na te gaan gezien dit wordt ingeroepen door eiseres.

Verweerder paste een boete van 200% van de "ontdoken en verschuldigde belasting" toe en weigerde de vermindering voorzien in [art. 1 van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30.01.87 toe te staan "gezien uit de aard en de omvang van de vastgestelde overtredingen duidelijk blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken."

Deze motivering is onvoldoende daar deze een niet specifieke gemotiveerde overname is van de wettekst en beschouwd moet worden als een stijlformule. De overheid dient haar beslissing in concreto te motiveren: de aard van de overtreding wordt niet gepreciseerd noch wordt de omvang in het perspectief gesteld van de globale omzet van de onderneming.

Het opleggen van een geldboete in geval de belastingplichtige aan zijn verplichtingen te kort komt is geoorloofd en beantwoordt aan het doel van de overheid: een correcte en op de boekhouding gesteunde aangifte bekomen. De toepassing van een geldboete van 200% van de ontdoken belasting is wel degelijk een strafsanctie en voorbehouden voor gevallen van ontduiking en fraude.

Het past in deze zaak de geldboete te beperken tot 10% van de verschuldigde belasting zoals deze blijkt uit huidige beslissing. Dit beantwoordt ook aan het tarief bepaald in K.B. nr 41 Tabel G Eerste afdeling, VII, 2.

H

De vordering tot schadevergoeding

Volgens eiseres nam verweerder een tergende houding aan, sleepte de procedure aan en kon zij hierdoor het geschil niet aan een onpartijdig rechter voorleggen. Zij stelt dat zij hierdoor één van haar belangrijkste leveranciers verloor waardoor zij belangrijke klanten (o.a. Makro) niet kon bevoorraden.

Verder stelt zij dat door de wettelijke??? kredietlijnen opzegde.

De schade (winstderving) wordt onder voorbehoud van latere uitbreiding op 1.000.000 Bef. geraamd, doch de vordering werd niet uitgebreid.

Alvorens aanspraak te kunnen maken op schadevergoeding moeten een fout en het oorzakelijk verband tussen de beweerde schade en deze fout bewezen worden. Aan de administratie moet de tijd gegeven worden om haar vaak complexe dossiers te kunnen controleren.

Het P.V. waarop het dwangbevel steunt werd opgesteld op 16.04.1998, het dwangbevel werd betekend op 15.07.1998 en de dagvaarding werd betekend op 17.09.1998.

Uit dit tijdsverloop blijkt geen fout van de administratie.

Ook uit het feit dat de rechtbank de ingeroepen bewijsmiddelen anders beoordeelt blijkt op zich geen fout van verweerder.

Gezien er geen fout wordt bewezen hoeven de schade en het oorzakelijk verband niet meer verder onderzocht te worden.

### Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTER,

Beslissend in eerste, aanleg en op tegenspraak;

Verklaart de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Verleent akte aan het akkoord van partijen om, gezien het bezwaar ingediend voor de aanslagjaren 1995, 1996 en 1997, de vorderingen inzake de beroepskosten van deze jaren op te schorten tot na de beslissingen van de bevoegde Gewestelijke Directeur op deze bezwaarschriften;

Schort de gevolgen van het dwangbevel betekend op 15.07.1998 op voor wat betreft deze vorderingen;

Het betwiste dwangbevel wordt enkel gehandhaafd voor de navordering van de B.T.W. op volgende facturen:

factuur nr. 411/95 van Nabilco Business van 14.07.1995

factuur 75/96 van Hifinesse van 27.03.1996

factuur nr. 177/94 dd. 2.11.1994 aan BH Trading

Factuur nr. 083/94 dd. 29.06.1994 aan Overstyle Ltd

Factuur nr. 180/94 dd. 7.11.1994 aan Overstyle Ltd

factuur nr. 381/95 dd. 20.12.1995 aan Daewoo Nederland

De opgelegde geldboete wordt beperkt en verminderd tot 10% van de verschuldigde belasting op bovenvermelde facturen;

Vernietigt het dwangbevel voor het overige en veroordeelt verweerder tot de teruggave van de bedragen die reeds werden geïnd op grond van het dwangbevel en die op grond van huidige beslissing niet verschuldigd zijn, verhoogd met de wettelijke en gerechtelijke intresten op deze bedragen;

Verklaart de vordering tot schadevergoeding ontvankelijk doch ongegrond;

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding als volgt begroot:

voor eiseres:

dagvaarding: 4303 frank,

rechtsplegingsvergoeding: 12.900 frank,

voor verweerder:

rechtsplegingsvergoeding: 12.900 frank.

voor verweerder:

rechtsplegingsvergoeding: 12.900 frank.

## Aangehaalde teksten

6

[KB nr. 1 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 22](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-22) 1 voorkomen

[C-85/95, arrest van 5 december 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-85-95-arrest) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Materiële voorwaarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, factuur, valse factuur, fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-factuur-fraude-rechtbank-luik-2019-12-16-60c7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Boete 200%, Vennootschapsbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-vennootschapsbelasting-rechtbank-2025-10-13-34a8) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vordering tot teruggaaf, Gestelde formaliteiten en voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vordering-teruggaaf-gestelde-formaliteiten-voorwaarden-cassatie-brussel-2014-10-31-5e44) 1 gemeenschappelijke bepalingen
