Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 1 maand- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen18.12.2006
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen05.02.2008
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 05.02.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, 6e bis KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :
inzake : 2007/AR/754
F. C. D., bestuurder van vennootschappen, geboren te Wilrijk op 30 december 1950,
wonende te …, …;
APPELLANT
tegen een vonnis gewezen door de 4e F kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 18 december 2006, aldaar gekend onder nr. A.R 03/5914/A;
vertegenwoordigd door Mr. G. G. loco Mr. L. D. B., advocaat, kantoor houdende te …, … (ref. : …);
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijk directeur van de administratie van de Btw, registratie en domeinen, in de persoon van de rekenplichtige van het derde Btw-ontvangkantoor te Antwerpen, wiens kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;
2. DE BELGISCHE STAAT, federale overheidsdienst Financiën, administratie van de Btw, registratie en domeinen, in de persoon van de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
GEINTIMEERDEN
beide vertegenwoordigd door Mr. M. B. loco Mr. M. V., advocaat, kantoor houdende te …, … (ref. : …);
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 18 december 2006, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 maart 2007, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
In augustus 1999 verrichtten 3mbtonaren van AOIF een Btw-controle over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 december 1997 ten aanzien van de BVBA T. H.
1.2.
Zij beschikten bij hun komst ook over inlichtingen uit ZWEDEN en FINLAND.
1.2.1.
Gebleken was dat in de loop van het derde kwartaal 1996 aankopen waren gedaan in FINLAND onder opgave van het Btw-nummer van voormelde BVBA T. H..
1.2.2.
Hetzelfde was het geval voor aankopen in de loop van het tweede en vierde kwartaal 1996 en in de loop van het vierde kwartaal 1997, telkens in ZWEDEN, ook onder opgave van het Btw-nummer van de voormelde BVBA T. H..
1.2.3.
Deze aankopen konden niet worden aangetroffen in haar boekhouding.
1.3.
Appellant, die zaakvoerder is van de BVBA T. H., verklaarde bij de controle dat hij de aankopen had gedaan voor persoonlijk gebruik (klein materiaal in FINLAND naast paarden in ZWEDEN), onder opgave, aan de diverse leveranciers, van het Btwnummer der vennootschap "omdat zij naar een Btw-nummer vroegen” (proces-verbaal van 5 april 2000, stuk 4 geïntimeerde, p. 3).
1.4.
De fiscale administratie deed navordering ten laste van de huidige appellant persoonlijk, zich baserende op het vermoeden van levering in België geformuleerd door artikel 15 §7 W.BTW dat luidt als volgt :
“Behoudens tegenbewijs wordt de levering van een roerend goed geacht in België plaats te vinden, wanneer, op het tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats."
1.5.
De navordering betreft de rechten. een proportionele boete van 200%, evenals een forfaitaire boete per niet-verrichte aangifte, meer intresten op de rechten (overeenkomstig artikel 91 §1 W.BTW) vanaf 1 januari 1998.
1.6
Uit het dossier blijkt dat na voormelde controle eerst aan de BVBA T. H. een correctieopgave werd gestuurd, en dat de gevolmachtigde van de BVBA T. H. daarop heeft gereageerd met de melding dat de vennootschap niets te maken had met de aankopen van huidige appellant ten behoeve van zijn privépatrimonium (stuk 5 geïntimeerde).
1.7.
Op 5 april 2000 werd proces-verbaal opgesteld.
1.8.
De ontvanger Btw Antwerpen 3 vaardigde op 30 januari 2001 een dwangbevel uit tot invordering, en dit dwangbevel werd op 1 februari 2001 uitvoerbaar verklaard en middels exploot van 13 maart 2001 betekend aan appellant, met bevel tot betalen.
1.9.
Onafhankelijk van voormelde betwisting in rechte, verzocht de raadsman voor appellant bij schrijven van 20 augustus 2003 aan de minister van Financiën om kwijtschelding minstens gevoelige vermindering der boete op grond van het Regentbesluit van 18 maart 1831.
De minister heeft, onder verwijzing naar het hangende geding, gesteld dat het hem daardoor onmogelijk was geworden over dat verzoek te beslissen.
1.10.
De eerste rechter verklaarde de vordering van appellant ontvankelijk doch ongegrond.
1.11.
De vordering in graad van hoger beroep van appellant, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :
"Het hoger beroep van appellant ontvankelijk en integraal gegrond te verklaren;
In die mate het vonnis d.d. 18 december 2006 gewezen door de 4F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, te vernietigen c.q. te hervormen.
- In hoofdorde :
De vordering ontvankelijk te verklaren en te zeggen voor recht dat het onderliggende dwangbevel d.d. 30 januari 2001 nietig is omdat zij niet gegrond is;
- In ondergeschikte orde :
De opgelegde belastingverhoging substantieel te verminderen tot een redelijk niveau rekening houdend met de materiële misslag van concluant;
De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding;
Het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal of hoger beroep en met uitsluiting van het kantonnement;
Onder uitdrukkelijk voorbehoud van alle rechten van eiseres en zonder enige nadelige erkenning."
2. Bespreking
2.1. de factuur van 12 april 1996 van K. T. AB (vennootscnap naar Zweeds recht gevestigd in Zweden) (stuk 6 geïntimeerde)
2.1.1.
Appellant betwist niet dat hij destijds van K. T. AB een paard aankocht voor loutere privédoeleinden.
Hij stelt evenwel dat hij daarop de inclusieve Zweedse Btw betaalde aan de verkoper en dat die Btw daardoor "logischerwijze" werd afgedragen aan de Zweedse staat.
2.1.2.
De Zweedse verkoper blijkt voorts alvast op de factuur zelf geen verwijzing te hebben gedaan naar enige vrijstelling voor intracommunautaire levering, vanuit diens standpunt.
De factuur vermeldt wel dat het gekochte paard dadelijk zal worden uitgevoerd door de koper, en op diens kosten.
2.1.3.
Appellant kan niet ernstig worden genomen waar hij stelt dat de koopprijs inclusief Btw zou zijn bepaald.
Hij onderbouwt deze stelling niet met enig tastbaar gegeven dat er in ZWEDEN facturatie kan geschieden "inclusief BTW", zelfs aan particulieren (vgl. art. 22 der Zesde Richtlijn), waarbij te dezen ook niet uit het oog mag worden verloren dat appellant bewust een Btwnummer opgaf dat de verkoper moest doen geloven dat de bestemmeling wel Btw-belastingplichtig was.
Zijn stelling van Zweedse binnenlandse levering wordt bovendien tegengesproken door niet alleen de factuurvermelding dat hij de zorg moest dragen voor onmiddellijke export (met de vervoerkost te zijnen laste), maar ook door de latere opgave door de Zweedse verkoper (aan de Zweedse staat) als intracommunautaire levering (stuk 7 geïntimeerde).
Terecht stelt geïntimeerde dat de aan appellant opgelegde plicht tot onmiddellijke export (lees hier : overbrenging naar het buitenland binnen de EG) op eigen kosten, zinloos ware geweest indien het in Zweden louter had gegaan om een binnenlandse levering.
De factuur blijkt bovendien te zijn opgesteld te Brussel, nog op de dag van de betaling.
2.1.4.
Er dient te worden besloten dat het in realiteit niet ging om een intracommunautaire levering door de Zweedse leverancier aan een Belgische Btw-belastingplichtige, maar om een levering aan een Belgische particulier, waarop krachtens artikel 15 § 7 W.BTW een vermoeden van levering in België blijft gelden bij gebrek aan tegenbewijs.
2.2. De andere facturen (ZWEDEN en FINLAND) (stuk 1 appellant p. 10)
2.2.1.
Appellant stelt dat hij persoonlijk met deze aankopen niets te maken heeft, maar dat ze wel door de vennootschap zijn gebeurd, en dat het door deze laatste niet opnemen daarvan zou berusten op een materiële vergissing.
2.2.2.
Zulke materiële vergissing wordt enkel beweerd, maar niet onderbouwd met gegevens.
Aldus blijkt dat het enige aanknopingspunt met de vennootschap is gelegen in de opgave door huidig appellant, maar dan in hoedanigheid van zaakvoerder van de vennootschap, van haar Btw-nummer aan de Zweedse respectievelijk Finse leveranciers, die uit die oorzaak die leveringen hebben beschouwd als intracommunautaire leveringen aan de immers Btw-belastingplichtige vennootschap.
De gevolmachtigde van de vennootschap heeft eerder bovendien verklaard dat het wel degelijk ging om privéaankopen door huidig appellant (stuk 5 geïntimeerde).
2 3. De (evenredige) boete
2 3.1. De motivering van de boete
In casu is artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 van toepassing.
Appellant werpt op dat daaraan niet is voldaan in hel proces-verbaal dat de basis vormt tot de latere invordering bij dwangbevel.
De motivering dient uitdrukkelijk te zijn en te beantwoorden aan de vereisten van het voormelde artikel 109, zelfs al bepaalt artikel 70 § 1 W.BTW dat de boete tegen 200 % van rechtswege wordt opgelopen.
Het proces-verbaal omschrijft de feiten die de overtreding opleveren, verwijst naar art. 70 § 1 W.BTW voor de toepassing van de boete en geeft voorts ook de motieven op die hebben gediend om het bedrag van de boete vast te stellen.
De opgegeven motieven bestaan erin dat de leveranciers in hun respectieve landen de litigieuze leveringen bestempelden als intracommunautaire leveringen omdat appellant door het opgeven van het Btw-nummer van de vennootschap deed geloven dat het daarbij ging om aankopen door een Btw-belastingplichtige.
Het proces-verbaal omschrijft deze handelwijze van appellant als misbruik van vrijstelling inzake intracommunautaire leveringen en verwervingen, vermits zij bestemd waren voor particuliere doeleinden.
De boete is wel degelijk correct gemotiveerd.
2.3.2. Hoogte van de boete
Ten gronde blijkt dat appellant, gebruik makend van zowel zijn hoedanigheid van privépersoon als zijn hoedanigheid van zaakvoerder, verwarring heeft veroorzaakt tussen hemzelf en "zijn" vennootschap, en aldus de leveranciers heeft gemanipuleerd ter ontduiking door hem van de betaling van Btw ter zake zijn privéaankopen (waarvoor hij aldus geen recht op aftrek bezit).
Met de eerste rechter kan worden gesteld dat de evenredige boete terecht werd toegepast conform artikel 1 laatste lid van het KB nummer 41 inzake Btw, waarnaar het proces-verbaal ook met zoveel woorden verwijst.
2.4. De forfaitaire boetes wegens niet-aangiftes
Hierover afzonderlijk en/of in combinatie met de evenredige boete blijkt geen betwisting te lopen.
2.5.
Het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN :
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak;
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellant tot de rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep aan de zijde van geïntimeerden begroot op … EUR.
Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van VIJF FEBRUARI TWEEDUIZEND EN ACHT, waar aanwezig waren :
M. V. D. B., alleenzetelend raadsheer
G. V., griffier
G. V. M. V. D. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.