---
title: "5 november 2012 · Werkingssfeer, levering van goederen · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, voldoening van de belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 5 november 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-gent-2012-11-05-464b"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

5 november 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

101 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 05.11.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 05 NOVEMBER 2012

Rolnummer **03/395/A**

In de zaak van :

**D. S. L.**, wonende te …, …, voorheen geïmmatriculeerd als belastingplichtige onder het BTW­nummer …,

**eiseres,**

voor wie optreedt mr. **J. R.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, van wie het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, in de persoon van de met de invordering belaste ambtenaar van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **E. V. A.**, advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden op de terechtzitting van 8 oktober 2012 gehoord in hun middelen en conclusies, waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder de akte van verzet van 28 januari 2003, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.

## 2. DE VORDERING

Eiseres verhaalt zich tegen het lastens haar op 9 december 2002 uitgevaardigde dwangbevel, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 10 december 2002 door de eerstaanwezend inspecteur bij de FOD Financiën, BTW-Controle Aalst II, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur te Gent, op 17 december 2002 aan eiseres betekend, met als bijlage het proces-verbaal van 5 december 2002.

De vordering strekt er achtereenvolgens toe :

\- Het dwangbevel ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het erin vermelde bedrag ten titel van rechten, boeten, kosten en interesten niet verschuldigd is;

\- Verweerder te veroordelen tot het terugbetalen van de door hem tijdens de procedure opgevorderde sommen;

\- Verweerder te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding;

dit alles bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van de mogelijkheid van borgstelling of kantonnement.

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiseres licht toe gedurende jaren een boetiek te hebben uitgebaat, met vestigingen te Ternat en Roosdaal. In elk filiaal zou één verkoopster tewerkgesteld zijn geweest en de boekhouding voor beide handelszaken zou door haar echtgenoot (de heer **V. L.**) zijn bijgehouden.

De heer **V. L.** zou op heden nog steeds het voorwerp zijn van een strafdossier, opgestart naar aanleiding van een klacht van zijn toenmalige werkgever, de NV **E. L.**. Eiseres stelt in het kader van dit onderzoek evenwel niet in het vizier te zijn gekomen.

Op 3 mei 2002 werd eiseres aan een BTW-controle onderworpen voor de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 2001.

De vastgestelde overtredingen werden opgenomen in een proces-verbaal van 5 december 2002, gehecht aan een dwangbevel dat op 17 december 2002 aan eiseres werd betekend.

Een herhaald bevel werd bij daaropvolgend exploot van 9 januari 2003 betekend.

Op 28 januari 2003 diende eiseres vervolgens een akte van verzet in, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.

## 4. BEOORDELING

*4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiseres ontvankelijk.

*4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak*

\- Voor wat betreft de vermeende schending van de motiveringsplicht

4.2.1. Eiseres argumenteert dat het dwangbevel slechts als rechtsgeldig kan worden beschouwd op voorwaarde dat dit behoorlijk werd gemotiveerd. Dit zou immers noodzakelijk zijn om de belastingplichtige op zijn beurt toe te laten zijn verzet tegen het dwangbevel met redenen te omkleden.

In dit geval zou het dwangbevel geenszins toelaten vast te stellen op grond van welke concrete juridische en materiële grondslagen verweerder gemeend heeft tot de invordering te moeten overgaan.

De eenvoudige vermelding van of het citeren van wetsartikelen zou het gebrek aan motivering niet verhelpen.

Eiseres voegt daar nog aan toe dat de bewijskracht van het proces-verbaal sterk genuanceerd moet worden, nu dit enkel een bewijs zou kunnen inhouden van de persoonlijk vastgestelde materiële feiten, doch niet van de feitelijke of juridische appreciatie ervan.

Het proces-verbaal zou niet op vaststaande feiten steunen maar enkel op vermoedens.

Noch de lectuur van het dwangbevel, noch de lectuur van het proces-verbaal zou toelaten na te gaan waarom juist een BTW-boete werd opgelegd.

Volledigheidshalve voegt eiseres hier nog aan toe dat de handelwijze van verweerder tevens een schending oplevert van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.

4.2.2. Verweerder stelt hier tegenover dat het dwangbevel aan geen sacramentele vorm onderworpen is en als regelmatig moet worden beschouwd wanneer het. door zijn inhoud of door het proces-verbaal waar het naar verwijst, het voorwerp van de eis doet kennen en de belastingplichtige toelaat de gegrondheid ervan te beoordelen.

Het dwangbevel zou in dit geval expliciet verwijzen naar het bijgevoegd proces­verbaal.

Dit proces-verbaal vermeldt volgens verweerder niet enkel de wetteksten en reglementeringen waartegen de inbreuken werden begaan, doch ook de concrete vaststellingen.

Alle gegevens nodig om de belastingplichtige in te lichten over de gepleegde inbreuk en de bedragen die daaruit voortvloeien waren dan ook voorhanden, aldus verweerder, zodat eiseres perfect in staat zou zijn geweest om de gegrondheid ervan te beoordelen.

Ook van enige schending van de wet inzake de motivering van bestuurshandelingen zou derhalve geen sprake kunnen zijn.

4.2.3. Een dwangbevel inzake belasting op toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de Wet Motivering Bestuurshandelingen van toepassing is zodat de administratie de juridische grondslagen en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de grondslag liggen van de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (cf. Cass. (1 e k) AR [C.03.0354.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-dwangbevel-bestuurshandeling-betaling-cassatie-brussel-2005-12-01-11ea), 1 december 2005 (Belgische Staat/Fidelity Electronics Int., Q.B.) FJF 2007, afl. 3, 202 en http://www.monkey.be (1 september 2008)).

Als taxatietitel, waarin de belastingschuld geconcretiseerd wordt, dient het dwangbevel behalve het belastbaar feit tevens het bedrag en de identiteit van de schuldenaar weer te geven.

De belastingplichtige moet aldus in de mogelijkheid worden geplaatst te onderzoeken op welke gegevens het dwangbevel berust en op welke wijze de gevorderde bedragen werden berekend. Het geheel van deze gegevens moet de belastingplichtige aldus toelaten met kennis van zaken een gemotiveerd verzet aan te tekenen. Zodra blijkt dat de inhoud van het dwangbevel daartoe volstond, kan het bestuur geacht worden aan de motiveringsplicht te hebben voldaan.

De vordering van de administratie krijgt definitief gestalte bij het opmaken van het dwangbevel met aangehecht proces-verbaal (cf. Rb. Gent (6 e k.) 24 oktober 2002, FJF 2003, afl. 4, 544 en http://www.monkey.be (1 september 2008) en http://tfrnet.larcier.be (12 mei 2003). Bij de redactie van het dwangbevel moet de administratie derhalve enkel die gegevens vermelden die haar vordering in rechte en in feite ondersteunen, zonder er op dat ogenblik reeds toe gehouden te zijn de eventueel reeds door de belastingplichtige aangevoerde grieven te weerleggen.

Het dwangbevel maakt alvast melding van de wetsbepalingen waarop een inbreuk door eiseres werd vastgesteld, alsook het op grond hiervan verschuldigde bedrag aan BTW, geldboete en interesten.

Wat de verdere toelichting van de·grondslagen betreft, verwijst het dwangbevel reeds in de aanhef met zoveel woorden naar het bijgevoegde proces-verbaal van 5 december 2002. Van de zijde van eiseres wordt alvast niet betwist dat dit proces-verbaal haar als bijlage bij het dwangbevel in één exploot werd betekend.

Beide stukken zijn derhalve als één onlosmakelijk geheel te beschouwen en te lezen, zodat voor het toetsen van de motiveringsplicht naar de inhoud van deze beide stukken moet worden gekeken.

In het aangehecht proces-verbaal wordt op een correcte en zeer gedetailleerde wijze melding gemaakt van de feitelijke gegevens waaruit de inbreuk werd afgeleid, alsook van de geschonden wetsbepalingen, de op grond hiervan verschuldigde achterstallige BTW en boete en de wijze waarop deze bedragen werden begroot.

Al deze gegevens zijn ten andere ruimschoots voldoende gebleken om eiseres toe te laten een verweer op te bouwen. Het volstaat daartoe te verwijzen naar de inhoud van de akte van verzet die bij deze rechtbank werd ingediend en de besluiten die daarop zijn gevolgd.

Eiseres faalt derhalve in het bewijs van een gebrekkige motivering.

\- Voor wat de vermeende inbeuken op artikel 53, eerste lid, 3° en 4° W.BTW betreft

4.2.4. Eiseres licht toe dat er op dit punt thans geen discussie meer bestaat, nu verweerder, na kennis te hebben genomen van het standpunt van eiseres, thans aangeeft deze inbreuk niet langer te weerhouden en zich als gevolg hiervan akkoord verklaart om de BTW-vordering te verminderen met 50.870,06 EUR. inclusief de boete die er betrekking op heeft.

Verweerder bevestigt op zijn beurt in conclusies dat hij akkoord gaat met de vermindering voor een bedrag van 50.870,06 EUR, meer de erop betrekking hebbende weerhouden verminderde fiscale geldboeten.

Het past dat de partijen akte wordt verleend van het tussen hen bereikte akkoord omtrent deze vermeende inbreuk, hetgeen in rechte en in feite als juist voorkomt.

\- Voor wat de vermeende- inbreuken op [artikel 10, 5° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10) betreft

4.2.5. Eiseres is van oordeel dat er geen stopzetting in de zin van dit artikel heeft plaatsgevonden nu de stopzetting haar in wezen werd opgelegd, gezien het beslag dat door het gerecht op haar goederen werd gelegd en waardoor elke verdere activiteit onmogelijk werd gemaakt.

Bovendien betwist eiseres dat de voorwaarden aanwezig waren om overeenkomstig [artikel 10, 5° van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10) de aftrek te herzien.

4.2.6. Verweerder antwoordt dat eiseres de administratie bij aangetekende brief van 3 oktober 2001 in kennis stelde van de volledige stopzetting van haar zelfstandige activiteit per 30 september 2001, met als bijlage een kopie van het getuigschrift van schrapping van haar inschrijving in het handelsregister.

Betreffende het beweerde beslag op haar goederen, zou eiseres zich beperken tot de eigen beweringen.

De schuldenaar wiens goederen bij uitvoerend beslag worden verkocht, zou ten andere de hoedanigheid van belastingplichtige niet verliezen, aldus verweerder.

Samengevat besluit verweerder dat eiseres faalt in het tegenbewijs.

4.2.7. De stelling van de administratie vindt steun in haar stuk nr. 5 en wordt in geen geval ontzenuwd door eiseres.

Eiseres schetst weliswaar een relaas over het beslag op haar goederen en de daaruit voortvloeiende onmogelijkheid om haar activiteiten nog verder te zetten, doch hiervan worden geen stavingsstukken voorgelegd. De eigen beweringen van eiseres kunnen evident niet volstaan als bewijs in rechte.

Waar eiseres verder "ten gronde" betwist dat de voorwaarden aanwezig waren om de aftrek te herzien, is eiseres uiterst vaag in haar argumentatie en is het de rechtbank geheel onduidelijk welke omstandigheid, andere dan de beweerde ''onvrijwillige" stopzetting van activiteiten, dan wel zou aantonen dat geen sprake kan zijn van enige inbreuk op [artikel 10, 5° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10).

Bijgevolg dient ook deze grief als ongegrond te worden afgewezen.

\- Voor wat betreft de vermeende inbreuk op artikel 12, § 1, 5° W.BTW

4.2.8. Opnieuw verwijst eiseres naar het feit dat de stopzetting enkel zou zijn ingegeven door de houding van het gerecht. Nu de goederen in beslag waren genomen, zou zij naar eigen zeggen geen goederen meer onder zich hebben gehad bij het stopzetten van haar handelsactiviteit.

4.2.9. Verweerder merkt op dat eiseres zich opnieuw tot een loutere bewering beperkt en eiseres geen overtuigend tegenbewijs aanreikt.

4.2.10. De rechtbank meent voor de beoordeling van deze grief te kunnen volstaan met de verwijzing naar wat hierboven reeds werd uiteengezet bij de beoordeling van de vermeende inbreuk op [artikel 10, 5° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art10). Ook deze grief wordt immers enkel onderbouwd met de eigen, niet door objectieve en bewijskrachtige stukken onderbouwde beweringen van eiseres zelf.

\- Voor wat betreft de vermeende inbreuk op de aftrekregeling

4.2.11. In haar laatste conclusie stelt eiseres deze inbreuk te betwisten en later nog te zullen aantonen dat geen sprake was van een overdreven aftrek.

4.2.12. Verweerder besluit opnieuw dat eiseres zich tot vage en oncontroleerbare beweringen beperkt.

4.2.13. Ook wat deze laatste grief betreft kan de rechtbank het enkel volmondig eens zijn met verweerder en diens kritiek dat de eigen, vage en niet met stukken gestaafde beweringen van eiseres onvoldoende zijn als overtuigend tegenbewijs.

Voor wat de kosten betreft

4.2.14. Wanneer de partijen wederzijds lastens elkaar in het ongelijk werden gesteld kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

Ter terechtzitting van 8 oktober 2012 drong de raadsman van eiseres er op aan dat de rechtbank minstens het in het voordeel van eiseres bereikte deelakkoord zou laten doorwerken bij de beoordeling van de kosten. De raadsman van verweerder stelde op zijn beurt hier geen bezwaar tegen te hebben.

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de gevorderde BTW, vermeerderd met de boete en de interesten, in de schijf van 100.000,01 tot 250.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg 5.500,00 EUR (geïndexeerd).

Gelet op het bereikte akkoord over een bedrag van 50.870.06 EUR aan verschuldigde BTW, op een aanvankelijk totaal van 144.068,36 EUR en de vermindering van de verschuldigde boete tot een bedrag van 18.220,00 EUR, daar waar aanvankelijk 28.400,00 EUR werd gevorderd, komt het passend voor de aan verweerder verschuldigde rechtsplegingsvergoeding te herleiden tot 3.500,00 EUR.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Verleent akte aan de partijen van het door hen bereikte akkoord omtrent de vermeende inbreuk op [artikel 53, eerste lid, 3° en 4° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) en [artikel 18 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05).

Verklaart dienvolgens het verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk doch ongegrond, doch enkel voor zover dit betrekking heeft op een verschuldigd bedrag aan BTW van 93.198,30 EUR voor de periode van 1 januari 1999 tot 30 september 2001, te vermeerderen met de verminderde boete die conform [artikel 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) en [4, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art4) KB nr. 41 van 30 januari 1987 dient te worden bepaald op 18.220,00 EUR, te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsinteresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding

Begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van verweerder : de herleide rechtsplegingsvergoeding : 3.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **vijf november tweeduizend en twaalf**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. D. C.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.,** griffier.

**G. L.** **A. D. C.**

## Aangehaalde teksten

5

[KB nr. 3 art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 4 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscale controle, Adreswijziging, Fiscale geldboete, Faillissement, Stilzwijgende verzaking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-adreswijziging-geldboete-faillissement-hof-van-beroep-brussel-2023-05-31-39d3) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboeten, Kwartaalaangifte, Laattijdige indiening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboeten-kwartaalaangifte-laattijdige-indiening-rechtbank-brussel-2023-02-08-4ac4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Tarief dat van toepassing is voor werken in onroerende staat -Voorwaarden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-toepassing-werken-in-onroerende-rechtbank-2022-07-01-5ebe) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskrachtige boekhouding, Betaling in contanten, Kasboek, Geregistreerd kassasysteem, Omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-betaling-in-contanten-rechtbank-brussel-2020-09-10-a51d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-rechtbank-hasselt-2023-04-20-b8af) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboeten-macht-rechter-verminderen-rechtbank-2023-01-18-bb2e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
