---
title: "31 mei 2011 · Werkingssfeer, levering van goederen · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 31 mei 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-brussel-2011-05-31-a2cc"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

31 mei 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

92 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 31.05.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **Kamer**

**AR 2007/423/A**

*-* *BTW*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eindvonnis*

In zake van :

**De BVBA V.**, met zetel te …, …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **J. H.** loco Mr. **D. M.**, advocaat met kantoor te …, …

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Halle, met kantoren te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat nr. 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **A. H.** loco Mr. **P. D.**, advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 8/04/2011, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

\- de dagvaarding betekend op 5/01/07;

\- de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 23/08/10;

\- de conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op respectievelijk 31/07/09 en op 30/10/10;

\- de conclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 2/11/10;

\- de pleitnota voor eisende partij neergelegd op 8/04/11;

\- het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter griffie 31/07/09;

\- het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter griffie op 7/04/11;

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 8/04/2011 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW.

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/2003-31/12/2004 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van art. 12, § 1, 3° en 4° W.BTW betreffende de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van een roerend goed evenals op de bepalingen van art. 45, § 2 W.BTW (aftrekregeling).

Er werd een correctieopgave opgesteld die op 20/06/06 en op 31/08/06 (in gewijzigde vorm) voor akkoord aan de belastingplichtige werd verzonden.

Bij schrijven d.d. 15/09/06 verklaarde eisende partij zich niet akkoord met de correctieopgave en liet ze haar grieven m.b.t. die regularisatieopgave geworden.

Omdat er geen akkoord tussen eisende partij en verweerder tot stand kwam stelden de diensten van verweerder een proces-verbaal op aangaande de overtredingen van de BTW wetgeving en een proces-verbaal van vaststelling op 14/11/06.

Vervolgens werd op 30/11/06 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie dat op 5/12/06 uitvoerbaar werd verklaard en op 7/12/06 werd betekend aan eisende partij.

Volgens dit dwangbevel zou eisende partij volgende BTW schuld hebben bij verweerder :

BTW : € 64.111,25

Geldboeten : € 12 560,00

Interesten : p.m.

D.m.v. dagvaarding betekend op 5/01/07 stelde eisende partij een vordering in rechte in en tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

Voor de behandeling van dit geschil is voorts nog relevant dat eisende partij als verdeler van wagens van het merk Citroën actief is in … (verkoop + onderhoud en herstelling : erkend verdeler).

De diensten van verweerder stelden vast dat eisende partij uit haar voorraad autovoertuigen onttrekt voor de terbeschikkingstelling ervan aan bestuursorganen of aan andere aangestelden voor privé-doeleinden. Verder stelden de diensten van verweerder vast dat deze wagens naast privé te worden gebruikt ook als bedrijfsmiddel ten behoeve van de onderneming als demonstratiewagen en/of vervangwagen voor klanten werden gebruikt. Deze wagens werden bij de D.I.V. ingeschreven onder een gewoon kenteken.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel (op 30/11/06 uitgevaardigd door de Fiscale Administratie, op 5/12/06 uitvoerbaar verklaard en op 7/12/06 betekend) te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

In ondergeschikte orde vordert eisende partij akte te nemen van de afstand door verwerende partij gedaan in conclusies van haar vordering opgenomen onder punt 2 van het PV d.d. 14/11/06.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de terugbetaling van alle op grond van voormeld dwangbevel reeds uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van BTW, boetes of interesten meer wettelijke en gerechtelijke interesten en tot de betaling van de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

### 3.2. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat :

\- de beginselen van behoorlijk bestuur inzake door de fiscale administratie zouden zijn geschonden;

\- het bestreden dwangbevel gebrekkig zou zijn gemotiveerd;

\- de fiscale administratie zich op een verkeerde rechtsgrond zou hebben gebaseerd;

*M.b.t het argument dat de beginselen van behoorlijk bestuur inzake zouden zijn geschonden*

Eisende partij argumenteert dat de diensten van verwerende partij de beginselen van behoorlijk bestuur zouden hebben geschonden nu in de correctieopgave d.d. 20/06/06 niets werd vermeld aangaande een inbreuk of inbreuken op art. 12, § 1, 3° en 4° W.BTW waarvan uiteindelijk wel melding werd gemaakt in het dwangbevel. Daardoor vaardigde verwerende partij een dwangbevel uit op grond van motieven waarvan de belastingplichtige nooit eerder in kennis werd gesteld, hetgeen miskenning van de elementaire beginselen van behoorlijk bestuur uitmaakt (hoorplicht en fair play beginsel) waardoor het nietig zou zijn.

Verwerende partij antwoordt op dit argument dat het hoorrecht niet in het BTW-wetboek voorzien is, zodat 'er geen sprake kan zijn van de schending van een wetsbepaling door verweerder'.

Het feit dat een bepaalde inbreuk aanvankelijk niet in de correctieopgave ter sprake kwam maar enige tijd later wel in een PV en vervolgens in het dwangbevel maakt geen schending uit van de beginselen van behoorlijk bestuur : n.a.v. het opstellen van een correctieopgave is geen hoorrecht voorzien; eenmaal een correctieopgave ontvangen kan de belastingplichtige zo nodig opmerkingen formuleren. Ook het fair play beginsel is niet geschonden doordat na het opstellen van een correctieopgave nog een PV wordt opgesteld waarin een inbreuk op de aftrekregeling wordt vastgesteld waarvan in de eerder opgestelde correctieopgave (nog) geen sprake was.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

*M.b.t het argument dat hel dwangbevel gebrekkig zou zijn gemotiveerd*

Eisende partij voert aan dat het dwangbevel gebrekkig zou zijn gemotiveerd, meer bepaald zou het niet duidelijk zijn op welke rechtsgrond de Fiscale Administratie zich baseert. Bovendien zou de Fiscale Administratie zich tegelijk beroepen op art. 12, § 1, 3° als op art. 12, § 1, 4° W.BTW.

Het dwangbevel is niet onderworpen aan wettelijke vormvereisten, maar is geldig zodra het de belastingplichtige in staat stelt "het voorwerp en de oorzaak van de eis van de Belgische Staat te laten kennen, om de gegrondheid ervan na te gaan" (VANDEBERGH, H., "De geschillenprocedure inzake BTW", Larcier, Brussel, 2005, blz. 19).

Wanneer in het dwangbevel voor wat betreft de motivering naar een proces­verbaal wordt verwezen, dan vormen het dwangbevel en het PV een onafscheidelijk geheel en is het noodzakelijk dat het PV waarnaar verwezen wordt mee wordt betekend, zoniet kan de belastingplichtige zich geen rekenschap geven van het voorwerp en de oorzaak van de vordering van de Fiscale Administratie (VANDEBERGH, H., "De geschillenprocedure inzake BTW", Larcier, Brussel, 2005, blz. 21 nr. 27).

In principe dient het dwangbevel op zich te volstaan om het voorwerp en de oorzaak van de eis van de Fiscale Administratie te onderzoeken.

Nu een dwangbevel, in toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van bestuurshandelingen zowel in rechte als in feite gemotiveerd dient te zijn, zoniet zal het nietig worden verklaard, is het absoluut vereist dat wanneer in een dwangbevel, zoals in casu het geval is, naar een proces-verbaal wordt verwezen dat dit proces-verbaal dat een onafscheidelijk geheel met het dwangbevel vormt tegelijkertijd met het dwangbevel aan de belastingplichtige wordt betekend zoniet is het dwangbevel nietig.

In casu stelt de rechtbank vast dat er niet betwist wordt dat het proces-verbaal tesamen met het dwangbevel werd betekend.

De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere besturen, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : *"De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; Zij moet afdoende zijn"*.

Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld. Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen', die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld. In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen". De tekstwijziging, en vooral het gebruik van het woord 'afdoende', was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij echter -terecht- vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet ter zake dienende uitleg is uit den boze, en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen. De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vormvereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (VAN ORSHOVEN, P., "Uitdrukkelijke motivering van "fiscale bestuurshandelingen", *De Fiscale Koerier*, 91/506).

Het bestreden dwangbevel (met inbegrip van het bijgevoegde en meebetekende PV d.d. 17/12/06 vermeld in casu duidelijk het belastbaar feit (nl. het feit dat inzake inbreuken voorhanden waren op art. 12, § 1, 3° en 4° W.BTW betreffende de onttrekking door een belastingplichtige aan zijn bedrijf van een roerend goed en het onjuist toepassen van de bepalingen van art. 45, § 2 W.BTW (inbreuken op de aftrekregeling t.a.v. levering intracommunautaire verwerving en invoer van personenwagens en van goederen en diensten m.b.t. die voertuigen.

De motivering is in casu voldoende om de vordering gestand te houden.

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

*M.b.t. het argument dat de Fiscale Administratie zich op een verkeerde rechtsgrond zou hebben gebaseerd*

Volgens eisende partij beroept verweerder zich op een verkeerde rechtsgrond omdat de onttrekking van artikel 12, § 1, 3° en 4° W.BTW slechts van toepassing zou zijn wanneer de onttrekking van het goed definitief is.

Eisende partij kan op dit punt niet worden gevolgd. Inzake is het gebruik van de wagens door de bestuurders voor privé-doeleinden en als demonstratiewagens niet te kwalificeren als ‘uitzonderlijk en voor korte duur gebruikt worden voor proefritten met het oog op de verkoop van het voertuig’ (zie beslissing ET 107.150 d.d. 15/05/2006).

Dit middel van eisende partij is ongegrond.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg ongegrond te worden verklaard.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is maar ongegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eisende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van het geschil zich situeert tussen € 60.000,01 en € 100.000,00.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007 begroot worden op € 3300,00. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder begroot op € 3.300 rechtsplegingsvergoeding;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter buitengewone openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **31 mei 2011**

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. L.**, rechter;

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. L.**
