Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 6 oktober 2008

Zoeken

Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-brugge-2008-10-06-2ff4

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
6 oktober 2008

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

99 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 06.10.2008

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 07/2103/A Rep. nr. 2008/131505

de NV I., (ondernemingsnr. …), voorheen met maatschappelijke zetel te …, …, thans te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester N. M. (balie …) loco Meester W. H., advocaat met kantoor te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

EN

In de zaak 07/3972/A

de NV I., (ondernemingsnr. …), voorheen met maatschappelijke zetel te …, …, thans te …, …,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester N. M. (balie …) loco Meester W. H., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIËN, Belastingen en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

verweerder,

voor wie optreedt Meester L. D. S., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

1. In de zaak met AR nr. 07/2103/A

Gelet op de dagvaarding d.d. 5 juli 2007.

2. In de zaak met AR nr. 07/3972/A

Gelet op de dagvaarding d.d. 20 december 2007.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtsplegingen van de door partijen overlegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 8 september 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van bouwpromotor. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 15 juli 2005 werd door R. G., fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum Oostende, een controle uitgevoerd over de periode van 1 januari 2002 tot 31 maart 2004. Er werd vastgesteld dat de BTW m.b.t. bepaalde kosten volledig werd afgetrokken, terwijl de aftrek volgens de administratie moest beperkt worden op grond van artikel 46 W.BTW

Eiseres ondertekende op 17 november 2005 een akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring t.b.v. 24.534,01 EUR BTW, 2.450,00 EUR administratieve geldboete, en intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW vanaf 21 januari 2003, dit alles m.b.t. vaststellingen gedaan over de periode 21 januari 2002 tot 31 december 2002.

Eiseres ondertekende op 20 februari 2006 een akte van verzaking aan de gelopen termijn van verjaring t.b.v. 25.732,91 EUR BTW, 2.570,OO EUR administratieve geldboete, en intresten overeenkomstig artikel 91, § 1 W.BTW vanaf 21 januari 2004, dit alles m.b.t. vaststellingen gedaan over de periode 1 januari 2003 tot 31 december 2003.

Op 20 november 2006 werden de overtredingen en vaststellingen m.b.t. de periode 2002 en 2003 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar.

Op 22 november 2006 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Oostende, een dwangbevel uitgevaardigd, voor een bedrag van 64.918,18 EUR BTW, 6.490,00 EUR geldboete, en intresten vanaf 21 april 2004.

Voormeld dwangbevel werd op 27 november 2006 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. L., waarnemend gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge. Het dwangbevel werd op 29 november 2006 per aangetekend schrijven overgemaakt aan eiseres.

Op 5 december 2006 heeft eiseres een bedrag van 88.025,14 EUR betaald.

Op 16 april 2007 werd door A. B., fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, controlecentrum Veurne, een controle uitgevoerd over de periode van 1 januari 2004 tot 31 maart 2006. Er werd vastgesteld dat de BTW m.b.t. bepaalde kosten volledig werd afgetrokken, terwijl de aftrek volgens de administratie moest beperkt worden op grond van artikel 46 W.BTW.

Op 24 oktober 2007 werden de overtredingen en vaststellingen m.b.t. de periode 2004 en 2005 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar.

Op 19 november 2007 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van ,het BTW-ontvangkantoor te Oostende een dwangbevel uitgevaardigd, voor een bedrag van 27.918,05 EUR BTW, 2.790,00 EUR geldboete, en intresten vanaf 21 april 2006.

Voormeld dwangbevel werd op 21 november 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door B. D. B., eerstaanwezend inspecteur a.i., aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge. Het dwangbevel werd op 22 november 2007 per aangetekend schrijven overgemaakt aan eiseres.

Op 7 december 2007 heeft eiseres 34.950,37 EUR betaald.

Op 5 juli 2007 en 20 december 2007 heeft eiseres dagvaardingen uitgebracht.

2. Eiseres vraagt dat :

- de vorderingen ontvankelijk en gegrond worden verklaard;

- de dwangbevelen d.d. 22 november 2006 en d.d. 19 november 2007 nietig worden verklaarden wordt gezegd voor recht dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;

- verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen, meer de intresten overeenkomstig artikel 91, § 1, 4° W.BTW;

- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v., het basis bedrag, minstens tot betaling van de dagvaardingskosten t.b.v. 257,21 EUR en 301,68 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. het basisbedrag.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de samenvoeging

De partijen zijn dezelfde en de betwisting is gelijklopend. De zaken zijn samenhangend in de zin van artikel 30 Ger. W en worden dan ook gevoegd, zoals gevraagd door partijen.

B. Betreffende de toelaatbaarheid

1. Verweerder stelt in de zaak met AR nr. 07/2103/A dat indien de vordering ingeleid dient te worden bij dagvaarding conform de oude artikelen 6 en 14 KB nr. 4, de vordering niet ontvankelijk is omdat de vordering dient ingesteld te worden bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat, aan het hoofd van het controlekantoor van de BTW waaronder eiseres ressorteert.

Artikel 90 W.BTW, in voege voor de wetten van 15 en 23 maart 1999 m.b.t. de beslechting en de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, bepaalde dat de vordering tot teruggaaf van.ge BTW, de intresten en de geldboeten moest ingesteld worden bij exploot met dagvaarding, betekend aan de Staat, aan de door de Koning aangewezen ambtenaar.

Artikel 60 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (in werking getreden op 6 april 1999) bepaalt dat artikel 90 W.BTW wordt opgeheven.

Met betrekking tot de inwerkingtreding van de procedureregels stelt artikel 97, derde lid van voormelde wet van 15 maart 1999 dat voormeld artikel 60 van toepassing is op de belastingen, intresten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999.

De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (in werking getreden op 6 april 1999) stelt in artikel 9 het volgende : "in boek IV van het vierde deel van hetzelfde wetboek wordt een hoofdstuk XXIV met de artikelen 1385decies en 1385undecies ingevoegd, luidend als volgt : Hoofdstuk XXIV - geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Artikel 1385decies - Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32° ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak".

In voormelde wet van 23 maart 1999 wordt de overgangsbepaling van artikel 97 van de wet van 15 maart 1999 niet afgeschaft.

Gelet op het voorgaande dient besloten te worden dat de nieuwe regels met betrekking tot de wijze waarop het fiscaal geding wordt ingeleid (verzoekschrift in plaats van dagvaarding) slechts van toepassing zijn op de geschillen inzake BTW die betrekking hebben op vorderingen of teruggaven waarvan de oorzaak van opeisbaarheid of teruggave zich vanaf 1 januari 1999 heeft voorgedaan.

De twaalfde fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent kwam in haar vonnis d.d. 9 november 2000 in zaak C. C. vs. BELGISCHE STAAT tot dezelfde conclusie.

Uit de door verweerder voorgelegde stukken blijkt dat de oorzaak van opeisbaarheid van de hier betwiste sommen zich heeft voorgedaan in de periode van 1 januari 2002 tot 31 december 2005.

Bij KB van 16 juni 2003 (inwerking getreden op 7 juli 2003) werden de artikelen 6 en 14 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 m.b.t. de teruggaven inzake BTW gewijzigd. Ingevolge deze wijziging dient de vordering tot teruggaaf van BTW, intresten en geldboeten te worden ingesteld bij de rechtbank bepaald in artikel 632 Ger. W. en bij een verzoekschrift op tegenspraak opgesteld overeenkomstig artikel 1385decies Ger. W..

De vordering tot teruggaaf van BTW, intresten en geldboeten voldaan op verzoek van de administratie, ontstaat op de datum waarop die sommen betaald zijn, zijnde 5 december 2006 en 7 december 2007.

Een rechtsbepaling volgens de welke een inleiding van een bepaald geding bij verzoekschrift plaatsvindt, maakt de inleiding van zulk geding bij dagvaarding niet ongeldig. Dagvaarding is de algemene regel (zie ook Cass. 1 oktober 1990, Arr. Cass., 1990-1991, 111).

Eiseres kon haar eis dus inleiden door middel van een dagvaarding en deze dagvaarding diende niet te voldoen aan de voorwaarden van het oude artikel 14 van het KB nr. 4 van 29 december 1969.

2. Verweerder voert geen andere redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

C. Betreffende de grond

1. Eiseres richt ingevolge haar economische activiteit appartementsgebouwen op om ze met toepassing van BTW te verkopen.

Eiseres sluit met NV I. O. een overeenkomst tot vereniging in deelneming (thans stille handelsvennootschap) met als doel de realisatie van te bouwen of in aanbouw zijnde vastgoedprojecten. Hiertoe zal NV I. O. de vrije beschikking over gronden verlenen aan eiseres. Eiseres neemt de volledige technische administratieve en commerciële uitvoering op zich.

Bij notariële overeenkomst d.d. 27 maart 2003 sluit eiseres (genaamd comparant sub 2°) een overeenkomst met NV I. O. (genaamd comparant sub 1°) waarbij m.b.t. een perceel grond gelegen te …, vierde afdeling …, tweede afdeling, … en eigendom van NV I. O., het volgende is bepaald; “[...] de naamloze vennootschap I. O. verklaart bij deze te verzaken aan het recht van natrekking, ten voordele van de comparant sub 2°, met betrekking op het op te richten appartementsgebouw alsmede aan de eraan verbonden gemene delen. De comparant sub 1° verleent bij deze eveneens toelating aan de comparant sub 2°, om op de voorgeschreven grond te bouwen, het hierna beschreven appartementsgebouw, volgens de plannen en bouwvergunning die aan onderhavige akte zullen gehecht blijven. Er wordt alhier nader gepreciseerd dat de naamloze vennootschap I. O. hier alleen handelt in haar hoedanigheid van eigenaar van de grond en dat zij geen enkele verantwoordelijkheid op zich neemt voor wat betreft de constructie, de promotie en de verkoop van de gebouwen [...]”.

2. Volgens verweerder moet ten aanzien van stille handelsvennootschappen voor wat betreft BTW toepassing gemaakt worden van het commissionairsprincipe bedoeld in de artikelen 13 en 20 W.BTW. Eiseres dient beschouwd te worden als beheerder van de stille handelsvennootschap en dit heeft tot gevolg dat voor wat betreft de BTW eiseres ten opzichte van derden wordt geacht te handelen als verkoper van gebouwen en gronden of onverdeelde aandelen in gronden. Eiseres verkrijgt hierdoor de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige. Het recht op aftrek moet, volgens verweerder, dan ook uitgeoefend worden overeenkomstig artikel 46 W.BTW.

3. Volgens eiseres heeft NV I. O. de gronden niet ingebracht in de stille handelsvennootschap met eiseres. De gronden zijn eigendom gebleven van NV I. O. en heeft alleen een recht van opstal, zijnde een vrije ter beschikkingstelling, verleend aan eiseres. Eiseres heeft dus geen gronden verkocht en heeft-zodoende rechtop de volledige aftrek van de voorbelasting.

4. Niet betwist wordt dat eiseres een vereniging in deelneming (of thans stille handelsvennootschap) heeft gesloten met NV I. O..

Evenmin betwist is het feit dat NV I. O. m.b.t. de gronden afstand van recht van natrekking heeft gedaan en een recht tot bouwen heeft verleend ten voordele van eiseres. Niet betwist wordt dat NV I. O. juridisch eigenaar blijft van de betreffende gronden.

Ook niet betwist wordt het feit dat bij verkoop van, een gebouw of deel van een gebouw de verkoopscommissies volledig aan eiseres worden gefactureerd zowel wat betreft de verkoop van het gebouw als de verkoop van de grond of een grondaandeel.

5. Volgens artikel 48 W.venn, is een stille handelsvennootschap een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid waarbij één of meer personen een belang nemen in de verrichtingen van één of meer anderen die in eigen naam optreden.

Volgens artikel 13 W.BTW wordt als commissionair aangemerkt niet alleen hij die op eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt, maar ook de tussenpersoon "bij de inkoop of de tussenpersoon bij verkoop, die in enigerlei hoedanigheid een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt. De inkoopcommissionair wordt daarbij aangemerkt als koper en, ten opzichte van zijn lastgever, als verkoper van het goed dat door zijn toedoen wordt gekocht, en de verkoopcommissionair wordt aangemerkt·als verkoper en, ten opzichte van zijn lastgever, als koper van het goed dat door zijn toedoen wordt verkocht. Er hoeft hierbij niet te worden nagegaan of de inkoop- of verkoopcombinaties zijn opgericht in de vorm van een vennootschap of vereniging met rechtspersoonlijkheid.

Volgens artikel 20 W.BTW wordt ook een commissionair of een ander tussenpersoon, die tussenkomst verleent bij diensten, geacht die diensten zelf te hebben ontvangen en zelf te hebben verstrekt.

6. Uit de stukken in het dossier blijkt duidelijk dat eiseres t.o.v. derden instond voor de volledige technische, administratieve en commerciële uitvoering van de projecten welke de stille handelsvennootschap tot doel had. De taak van eiseres had zowel betrekking op het gebouw als op de grond. Dit blijkt o.a. uit het feit dat bij verkoop van een gebouw of deel van een gebouw de verkoopscommissies volledig aan eiseres worden gefactureerd zowel wat betreft de verkoop van het gebouw als de verkoop van de grond of een grondaandeel.

De fictie voorzien in de artikelen 13 en 20 W.BTW is dan ook van toepassing, gezien eiseres duidelijk tussenpersoon of commissionair is bij de verkoop van de gronden (samen met het gebouw). Eiseres dient voor toepassing van de BTW dan ook beschouwd te worden als verkoper van de gronden. Dat de gronden juridisch eigendom zijn van NV I. O. is hierbij niet van belang.

7. Cijfermatig betwist eiseres de bedragen die opgenomen zijn in de dwangbevelen d.d. 22 november 2006 en d.d. 19 november 2007 niet.

8. De eis is dan ook ongegrond.

D. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk gesteld wordt, dient zij overeenkomstig artikel 1017, eerste lid Ger. W. de gerechtskosten te dragen.

De waarde van de eis situeert zich in totaal tussen de 100.000 EUR en 250.000 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober2007 een bedrag van·5.000,00 EUR bedraagt, zoals gevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Voegt de zaken met AR nrs. 07/2103/A en 07/3972/A samen.

Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de. gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag zes oktober tweeduizend en acht.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 4 art. 143 voorkomens
KB nr. 4 art. 62 voorkomens