---
title: "c545ab86 · 6 september 2011 · Werkingssfeer, levering van goederen · Hof van beroep te Antwerpen"
description: "Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, maatstaf van heffing, vrijstelling, uitvoer. Hof van beroep te Antwerpen (België), 6 september 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2011-09-06-c545"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, maatstaf van heffing · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

6 september 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

129 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 06.09.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER**

Recht doende in burgerlijke zaken,

heeft het volgende arrest uitgesproken :

**In zake : 2010/AR/957**

**MTV N. B. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …,

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen op 15 februari 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen,

vertegenwoordigd door Mr. **V. B. D.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

1\. **BELGISCHE STAAT**, Minister van Financiën, te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,

2\. **BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, Gewestelijk, Directeur Controlecentrum Mechelen - Lier, 2800 MECHELEN, Zwartzustersvest 24 bus 35,

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Mr. **S. P.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 15 februari 2010 door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 maart 2010;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer in hoger beroep :

**1.1.** De BVBA MTV **N. B.**, appellante, is uit hoofde van haar economische activiteit van muziekzender onderworpen aan de BTW-wetgeving en aan de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.

Zij is als dusdanig geregistreerd onder nummer BE ….

Appellante verrichtte in de periode 1999-2001 belangrijke aankopen van vrijetijdskledij waarvan de BTW in aftrek werd gebracht. Het gaat om T­shirts, pulls, jackets, petten, rugzakken en handdoeken. Deze goederen worden :

1° hetzij te koop aangeboden op de administratieve zetel van appellante en op muziekfestivals; hiervan werd geen dagboek van ontvangsten noch een inventarisboek bijgehouden;

2° een belangrijk gedeelte van de goederen wordt uiteindelijk gebruikt om ter gelegenheid van de T.M.F. Awards te dienen als relatiegeschenk voor de speciaal genodigden en de verschillende externe medewerkers. De goederen worden niet aan de betalende bezoekers geschonken.

De huidige betwisting betreft alleen de goederen hiervoor genoemd onder 2°, die gratis geschonken zijn aan de genodigde VIP's en externe medewerkers als relatiegeschenk ter gelegenheid van de T.M.F. Awards.

**1.2.** Op 5 maart 2002 werd door de heer **J. T.**, eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, sector BTW, in samenwerking met **L. V.**, eerstaanwezend inspecteur bij de Administratie van de Directe Belastingen, beiden ter beschikking gesteld van de Administratie van de ondernemings- en inkomstenfiscaliteit, controlecentrum Mechelen-Lier, een controle aangevangen bij appellante met betrekking tot de periode van 1 oktober 1998 tot 31 december 2001.

Bij het nazicht van de voorgelegde boeken en stukken werden een aantal inbreuken vastgesteld op de BTW-wetgeving. Deze werden door de heer **J. T.** op 28 maart 2002 verwerkt in een ontwerp van proces-verbaal. De in dit ontwerp van proces-verbaal gevorderde bedragen beliepen :

1\. als BTW : … BEF (… EUR)

2\. als wettelijke geldboete : het dubbel van de BTW op grond van artikel 70, § 1, verminderd tot … BEF (… EUR), zoals bepaald in het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987, artikel 1, tabel G, 1° afdeling, rubriek V, tabel H

3\. interesten à 0,8 % per maand over … BEF (… EUR) vanaf 21 januari 2002.

Bij brief van. 6 mei 2002 deelde appellante aan de controleambtenaar mee dat zij slechts gedeeltelijk akkoord kon gaan met de inhoud van het door de heer **J. T.** opgestelde ontwerp van proces-verbaal. Appellante kon niet volledig akkoord gaan met de vastgestelde inbreuken op [artikel 12, § 1, 2° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12).

De overtredingen waarmee appellante zich wel akkoord verklaarde stemmen overeen met een verschuldigd bedrag van … BEF of … EUR aan BTW, … BEF of … EUR aan boeten en wettelijke interesten vanaf 21 januari 2002. Deze bedragen werden ingevorderd en volledig betaald.

De ambtenaren van de BTW-administratie stelden op 17 juni 2002 een proces-verbaal op, waarvan de inhoud betrekking heeft op de blijvende betwisting betreffende de inbreuken op [artikel 12, § 1, 2° van het BTW­Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12). Volgens dit proces-verbaal zouden volgende bedragen nog verschuldigd zijn door appellante :

\- als BTW : … EUR (… BEF)

\- als wettelijke geldboete bij toepassing van [artikel 70, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) tweemaal de verschuldigde rechten, op grond van de artikelen [1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) en [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art4) van het Koninklijk besluit nr. 41 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW, overeenkomstig tabel G, eerste afdeling rubriek V, verminderd tot … EUR

\- als interesten overeenkomstig [artikel 91, § 1, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) : 0,8 % per maand vanaf 21 januari 2002 over … EUR.

Bij aangetekend schrijven van 19 augustus 2002 werd appellante in kennis gesteld van dit proces-verbaal.

**1.3.** Op 4 september 2002 werd door de heer **L. V. d. B.** van het BTW-kantoor te Mechelen een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 9 september 2002 geviseerd en uitvoerbaar werd verklaard door de heer **D. V.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW te Mechelen 2, aangewezen door de gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen.

Het dwangbevel werd op 17 september 2002, samen met het proces­verbaal van 17 juni 2002, aan appellante betekend bij exploot van gerechtsdeurwaarder **F. B.**, met standplaats te ….

**1.4.** Bij dagvaarding betekend op 8 oktober 2002 vordert appellante het van nul en generlei waarde verklaren van het dwangbevel met nummer Reg. 127/2863 d.d. 4 september 2002, uitgevaardigd door de heer **L. V. D. B.**, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 september 2002 door **D. V.**, eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Mechelen II, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen, het ontslaan van appellante van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen, in ondergeschikte orde de kwijtschelding of minstens de vermindering van de BTW-boete, en de veroordeling van de BELGISCHE STAAT, geïntimeerde, tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering van de moratoire interesten, overeenkomstig artikel 41 W.BTW, en de kosten van het geding.

**1.5.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Vierde F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen op 15 februari 2010 oordeelt vooreerst dat het proces-verbaal afdoende gemotiveerd is nu het bij lezing volkomen duidelijk is wat de feiten en de rechtstoepassing erop behelzen. De eerste rechter stelt verder vast dat de personen die de geschonken zaken (T-shirts, fleeces, jackets, petten, handdoeken, rugzakken) droegen op het evenement, ze na afloop mochten houden en meenemen. Er wordt slechts vaag verklaard waarom enkel "de crew, de deelnemende artiesten en de VIP's" de zaken toebedeeld kregen. Het reclamemotief wordt hier dan ook door appellante oneigenlijk gebruikt om de schenking aan een geselecteerd publiek weg te moffelen. Het ondergeschikt argument van geschenken van geringe waarde gaat niet op. De gecombineerde waarde beloopt immers per persoon honderden euro's. Het toegepaste bedrag van de boete stemt overeen met de norm van KB 41 inzake BTW (te dezen Tabel G, Eerste Afdeling, Rubriek V). De vordering wordt derhalve toelaatbaar maar ongegrond verklaard en appellante wordt tot de kosten van het geding veroordeeld, begroot op … EUR bij wijze van rechtsplegingsvergoeding.

**1.6.** Tegen dit vonnis heeft appellante hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 23 maart 2010.

**1.7.** In dit verzoekschrift en in haar op 31 januari 2011 neergelegde syntheseconclusie voert appellante aan dat het proces-verbaal van 17 juni 2002 nauwelijks meer bevat dan de vermelding dat een aantal door appellante aangekochte goederen gratis zouden geschonken zijn en ten onrechte niet werden opgenomen in de aangifte. Bijgevolg kon appellante niet achterhalen op welke feitelijke elementen de beslissing van geïntimeerde gesteund was. Op het tijdstip van het uitvaardigen van het dwangbevel d.d. 4 september 2002 bestond geen afdoende motivering voor het uitvaardigen ervan. Voormeld dwangbevel dient als volstrekt onvoldoende gemotiveerd te worden beschouwd. Appellante kan niet achterhalen hoe geïntimeerde er in de feiten toe komt te beweren dat er sprake is van geschenken. Waarom er volgens geïntimeerde sprake is van geschenken, blijft met andere woorden onduidelijk. Dat er een opsomming wordt gegeven van de goederen en facturen en dat de boekhoudkundige gebreken worden opgesomd, ondersteunt het standpunt van geïntimeerde als dusdanig niet. Ook de aangehaalde wanverhouding tussen de goederen bestemd om te verkopen en de gerealiseerde omzet of de bewering dat de goederen niet werden geschonken aan betalende bezoekers, kan aan het voorgaande geen afbreuk doen. Appellante stelt voorts dat geïntimeerde slecht gekomen is om maar pas voor het Hof haar boekhouding in twijfel te trekken en zet uiteen dat het voor de happening van de TMF-Awards verstrekken van kledij met soms zeer grote logo's van appellante aan welbepaalde personen niet paste in een betrachting van het bedrijf relatiegeschenken te verstrekken, noch de individuele tevredenheid van deze personen op te wekken. De bedoeling van dergelijke handelingen was om de toeschouwers ter plaatse en de televisiekijkers overal in de uitzending het logo te laten opmerken. De enige doelstelling was derhalve . van 'publicitaire' aard. De betreffende producten werden aan eender wie uitgedeeld. Aan de crew werd kledij toegekend met het merk TMF met de bedoeling zoveel mogelijk reclame te maken voor de zender. Op die manier wordt reclame gemaakt tijdens de TMF-awards maar eveneens tijdens andere evenementen (concerten, festivals, etc.) waar de crew aanwezig is. Ook aan de artiesten zelf en de VIP's wordt kledij toegekend. Door de bewuste kledij te laten dragen door bekende mensen - waarnaar wordt opgekeken - wordt een bijzonder 'cool' imago gecreëerd voor het merk TMF. Het verstrekken van goederen met het logo van appellante betreft in geen geval een onttrekking van bedrijfsgoederen om ze gratis of om niet weg te schenken. Evenmin betreft het relatiegeschenken of zelfs gewoon geschenken aan specifieke personen.

In geen geval beoogt appellante immers de genodigden - eender welke genodigden - individueel gunstig te stemmen of bestaande en toekomstige handelsrelaties, samenwerking of onderhandelingen vlotter te laten verlopen. Appellante voert reclame voor haar eigen zender, en plaatst die reclame, weliswaar atypisch niet op een reclamebord, maar wel op allerlei gadgets (truitjes, petjes, fleeces, ....) en tooit er een aantal personen mee. Die personen fungeren als het ware als 'reclamedragers'. Appellante voert op deze manier publiciteit voor zichzelf. De goederen die door appellante aan.de genodigden en medewerkers werden bezorgd, passen binnen het algemene kostenplaatje dat aan de TMF-Awards verbonden is. De aankoop van deze goederen is vergelijkbaar met de kosten van de huur van de zaal, de verlichting, de versiering, ... van de zaal waarin de TMF-Awards plaatsvonden. Het maakt deel uit van het decor. Het bewijst hoe succesvol de zender wel is in het medialandschap. Tevens is het de bedoeling toekomstige inkomsten te verwerven voor de zender. In die omstandigheden kan geen onderscheid bestaan tussen de BTW op de huur van de zaal, de versieringen, verlichting,... en de BTW op het promotiemateriaal. In casu is er helemaal geen sprake van een relatiegeschenk. Artikel 12, § 1, 2° W.BTW kan in casu bijgevolg niet toepasselijk zijn aangezien het geenszins de bedoeling is van appellante om de genodigden en de medewerkers gratis van kledij te voorzien om deze individuele personen tevreden te stellen. Het is louter de bedoeling om reclame te maken. De in artikel 12 W.BTW opgelegde gelijkstelling van leveringen onder bezwarende titel streeft sinds 1 januari 1993 als doelstelling na door de heffing van een niet-aftrekbare BTW een oorspronkelijk terecht en juist gedane aftrek recht te zetten wanneer een belastingplichtige het goed waarvoor die aftrek werd gedaan, gaat gebruiken voor andere doelstellingen dan dewelke hij bij de aanschaffing op het oog had, en die andere doelstellingen geen recht op aftrek hadden doen ontstaan. De aangekochte goederen werden in casu van in den beginne aangeschaft voor publicitaire doeleinden. Een andere doelstelling was er niet. Het onttrekken van goederen om ze in of voor het bedrijf te gebruiken is geen onttrekking "aan het bedrijf'. Dergelijke onttrekking valt niet onder de toepassing van artikel 12 W.BTW. In casu wendt appellante de aangekochte goederen van bij het begin en ook nadien uitsluitend aan voor doelstellingen die het recht op aftrek van de betaalde voorbelasting volledig intact laten: met name het voeren van reclame, waarbij de betrokken personen die de pulls, petten, enz. dragen slechts als reclamedragers fungeren.

Indien het werkelijk om relatiegeschenken zou gaan, quod non, kan men niet omheen het feit dat het geschenken betreft met een zeer beperkte waarde. Het valt in casu sterk te betwijfelen dat een VIP of een BV buiten het spektakel van de TMF-Awards en dus in het dagelijks leven nog een jas of T-shirt zullen dragen waar in het groot reclame wordt gemaakt voor TMF. [Artikel 5, lid 6 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5) houdt dezelfde gelijkstellingen met leveringen in, namelijk het aan het bedrijf onttrekken van een goed :

\- voor privé-doeleinden of voor doeleinden van het personeel;

\- om het gratis weg te schenken;

\- of, "meer in het algemeen" om het voor andere dan beroepsdoeleinden te bestemmen.

[Artikel 5, lid 6 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5) heeft tot doel te verzekeren dat een belastingplichtige die een goed aan zijn bedrijf onttrekt, en een gewone consument die eenzelfde soort goederen koopt, gelijk worden behandeld. Overeenkomstig de Zesde Richtlijn moet het goed voor andere doeleinden dan bedrijfsdoeleinden worden aangewend vooraleer er sprake kan zijn van enige onttrekking. Er kan enkel een onttrekking zijn indien het goed de fase van het eindverbruik bereikt zonder heffing van de belasting. In casu worden de gadgets niet bestemd voor andere dan bedrijfsdoeleinden. Zij hebben uitsluitend een publicitair doel : reclame maken voor appellante. Van een 'onttrekking' in de zin van [artikel 5, lid 6 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5) (thans [artikel 16 van de BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-16)) kan derhalve geen sprake zijn. Het volstaat dat een promotieactie de overdracht behelst van een boodschap die tot doel heeft het publiek op de hoogte te brengen van het bestaan of de kwaliteiten van een product of van een dienst waarop de actie betrekking heeft, om van een reclamewerkzaamheid te kunnen spreken. Het geheel van de organisatie van de TMF-Awards, en alles wat daarmee onlosmakelijk verbonden is, inbegrepen het uitreiken van de gadgets (petten, fleeces, ... ) met het logo van appellante, is te beschouwen als 'diensten op het gebied van reclame'. De conclusie luidt dan ook dat de BTW betaald bij de aankoop van de T-shirts, pulls, fleecen, petten, enz. als BTW op publiciteitskosten moet worden aangemerkt, en derhalve onder meer volledig aftrekbaar is. Onthaal- en ontvangstkosten die ondergeschikt zijn aan het publicitaire doel van een evenement, worden inzake BTW voortaan als uitgaven met een strikt professioneel karakter aangemerkt en komen onder de noemer 'publiciteitskosten' voor BTW-aftrek in aanmerking.

De TMF-Awards zijn in hun geheel bedoeld als een publicitaire activiteit, waaruit volgt dat alles wat onlosmakelijk met deze manifestatie verbonden is, inclusief het uitreiken van gadgets met het logo van appellante, ook als een publicitair gebeuren moet worden aangemerkt. Algemene onkosten waarvan de kostprijs voor de belastingplichtige in een latere fase een onderdeel uitmaakt van de door hem verkochte goederen of van de door hem verrichte diensten, vertonen in principe een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang met het geheel van de bedrijfsactiviteit van de belastingplichtige. Indien deze bedrijfsactiviteit binnen het toepassingsgebied van de BTW valt, is de BTW betaald over deze algemene onkosten aftrekbaar. In casu kan geen betwisting bestaan over het feit dat de onkosten, gemaakt door appellante voor de organisatie van de TMF-Awards, algemene onkosten betreffen die passen binnen haar bedrijfsactiviteit. Aangezien de kwestieuze gadgets deel uitmaken van de algemene onkosten voor de organisatie van de TMF­Awards en de kostprijs hiervan uiteindelijk gereflecteerd wordt als een BTW-belast onderdeel van de prijs van de reclamediensten aan de adverteerders, worden deze kosten geacht een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang te vertonen met de bedrijfsactiviteit van appellante. De BTW op deze kosten is bijgevolg principieel aftrekbaar. Er is dan ook geen aanleiding voor het belasten van een onttrekking. Zelfs indien appellante akkoord is gegaan met de kwalificatie als relatiegeschenk inzake directe belastingen, betekent dit geenszins dat deze kwalificatie ook moet gelden inzake BTW. De draagwijdte van deze kwalificatie inzake BTW en inzake directe belastingen is alleszins niet dezelfde. Een relatiegeschenk is en blijft een kost met een professioneel karakter. Een relatiegeschenk inzake directe belastingen blijft een volwaardige beroepskost, doch deze beroepskost kan slechts voor 50 % in aftrek worden genomen. Inzake BTW blijft dit relatiegeschenk een beroepskost die niet noodzakelijk in aanmerking komt voor de toepassing van artikel 12 W.BTW. Tenslotte en zelfs indien uit deze akkoorden de bevestiging van de stelling van geïntimeerde zou moeten afgeleid worden, kan men niet anders dan besluiten dat dit akkoord ten onrechte werd gegeven. Artikel 53, 8° WIB bepaalt immers dat relatiegeschenken slechts voor 50 % als beroepskost worden gekwalificeerd, tenzij het gaat om reclameartikelen die opvallend en blijvend de benaming van de schenkende onderneming dragen. Alle goederen bevatten in het groot de naam TMF. Er kan dus geen sprake zijn van relatiegeschenken in de zin van het WIB.

De akkoorden zijn dan ook foutief en er kan geen enkel rechtsgevolg, ook niet inzake BTW, aan gekoppeld worden. In ondergeschikte orde, voert appellante nog aan dat artikel 12, § 1, 2° W.BTW bepaalt dat de onttrekking voor het verstrekken van handelsgeschenken van geringe waarde niet wordt bedoeld. De waarde wordt bepaald door of vanwege de Minister van Financiën. In [aanschrijving 103/1970 (§ 37)](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/103-1970-aanschrijving-deduction-4b10) werd deze waarde bepaald op … BEF (… EUR). Aan deze circulaire kan evenwel geen juridische waarde worden gehecht. Het plafond van … BEF is overigens sinds 1971 onveranderd. Tussen 1971 en het jaar 2000 is het indexcijfer van de consumptieprijzen gestegen van 100 (basis 1971) naar 372,69 (jaar 2000). Dit betekent dat alleen al een loutere indexering het plafond van … BEF tegen het jaar 2000 al zou hebben gebracht op … BEF (of … EUR). De gadgets die door appellante werden uitgedeeld aan de VIP's en medewerkers zijn alleszins te beschouwen als geschenken met geringe waarde. Uit het cijfermateriaal blijkt dat de eenheidsprijs van de gadgets in ongeveer de helft van de gevallen slechts … BEF (… EUR) bedraagt; in een aantal andere gevallen … BEF (… EUR) en slechts in een beperkt aantal gevallen … BEF (… EUR) of … BEF (… EUR). Maar zelfs deze hoogste waarde is laag als men ze vergelijkt met de totale kosten van de TMF-Awards en als men bekijkt hoeveel mensen men bereikt door het uitreiken van gadgets aan VIP's en medewerkers, waardoor het publiek alleen het "product TMF" opmerkt. In uiterst ondergeschikte orde, betwist appellante de berekening in het proces­verbaal van 17 juni 2002. Volgens geïntimeerde zou de maatstaf van heffing, zoals zou blijken uit de aankoopfactuur 11590 … BEF (… EUR) betreffen. Nazicht van de betrokken factuur leert echter dat slechts een belastbare grondslag van … BEF (… EUR) weerhouden moet worden. Appellante betwist tevens dat de kosten van verpakking van … HFL (… EUR) uit factuur 11590 moeten worden meegerekend. Deze werd immers niet mee uitgedeeld en kan dus a fortiori niet het voorwerp uitmaken van enige onttrekking. Tenslotte betwist appellante ook de opgelegde boete. Een boete van … EUR beantwoordt zeker niet aan het evenredigheidsbeginsel, gelet op het essentieel principiële karakter van de betwisting en de afwezigheid in hoofde van appellante van ieder bedrieglijk opzet. Dat appellante de kwijtschelding niet effectief heeft gevraagd middels een specifiek verzoekschrift, speelt geen rol. In casu dient de boete dan ook verminderd te worden, gelet op het essentieel principiële karakter van de voorliggende discussie.

Daarom vraagt appellante de boete tot nihil te herleiden, of minstens op substantiële wijze te verminderen. Appellante besluit derhalve tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de toewijzing van de oorspronkelijke vordering, Appellante begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

**1.8.** Geïntimeerde beaamt zijnerzijds in zijn op 28 februari 2011 neergelegde synthesebesluiten de redengeving van het bestreden vonnis en voegt eraan toe dat het dwangbevel - wel degelijk afdoende gemotiveerd en het voorwerp en de grondslag van de vordering bevat. Geïntimeerde verwijst naar de erin vervatte elementen, die nader worden opgesomd en betwist dat in conclusie een nieuw voorwerp en/of nieuwe oorzaak van de vordering naar voor zou zijn gebracht. De nieuwe argumenten en gegevens ondersteunden hetgeen reeds in het proces­verbaal gevoegd bij het dwangbevel is vastgesteld en vermeld. Geïntimeerde stelt ook vast dat appellante geen dagontvangstenboek van haar verkopen noch een inventarisboek bijhoudt en dat de wanverhouding tussen goederen voor verkoop bestemd en de geboekte kasontvangsten niet kan worden verklaard. De bewijskracht van boekhouding wordt hierdoor aangetast. Geïntimeerde wijst er vervolgens op dat de goederen die in het bedrijf van de belastingplichtige aanwezig zijn, in principe volledig of gedeeltelijk belastingschoon zijn door toepassing van het aftrekmechanisme. Om te voorkomen dat deze goederen het eindverbruik zouden bereiken zonder heffing van de belasting - heffing die noodzakelijkerwijze moet geschieden via de belastingplichtige die ertoe gehouden is de belasting te innen -, moeten deze goederen bij wijze van rechtzetting aan de belasting worden onderworpen. Artikel 12 W.BTW geeft een opsomming van materiële feiten die met een levering onder bezwarende titel worden gelijkgesteld. De onttrekking is gebaseerd op [artikel 5 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5). Relatiegeschenken worden uitgedeeld met de bedoeling om tegenover (potentiële) klanten, contactpersonen, mensen waar men vaak mee samenwerkt,... een gunstige atmosfeer te creëren. Er wordt belang gehecht aan de individuele tevredenheid. In tegenstelling met een dienst op het gebied van reclame is het niet gericht op het publiek in het algemeen. Reclamehandelingen richten zich integendeel tot het publiek in het algemeen. Wanneer goederen als relatiegeschenk gebruikt worden, staat op voorhand vast tot welke personen men zich gaat richten (in casu speciaal genodigden en externe medewerkers) en hecht men belang aan hun individuele tevredenheid.

Appellante bewijst niet dat de weggeschonken goederen voor reclamedoeleinden gebruikt worden, en in het bijzonder dat de weggeschonken kleding door de genodigden en externe medewerkers gedragen wordt tijdens het evenement. Het kan niet ontkend worden dat de kledingstukken (T-shirts, pulls, jackets... ) aan de genodigde VIP's worden geschonken als relatiegeschenk. Geïntimeerde benadrukt dat enerzijds de aftrek van de BTW op de organisatie van het evenement TMF-Awards niet wordt betwist. Daarom aanvaardde de administratie de BTW-aftrek op kleding ter beschikking gesteld aan de interne medewerkers. Anderzijds mogen relatiegeschenken, ook al dragen ze het logo, niet zomaar als 'promotiemateriaal' beschouwd worden. Geïntimeerde stelt verder dat appellante bij het afsluiten van de akkoorden in de vennootschapsbelasting erkende dat een deel van de aankopen van de vrijetijdskledij als relatiegeschenk bedoeld was en dat in de jaarrekening van 31 december 2001 door appellante spontaan een regularisatie gebeurde naar aanleiding van de fiscale controle. Een bedrag van … € wordt onderworpen aan de ·beperking van artikel 53, 8°, WIB '92. Appellante omschrijft dit zelf als "Geschenken zakelijke relaties begrepen onder rekeningen 615404, 615405, 615406 en 615507". De aankoopfacturen 11590 en 11591 uit 2001, opgenomen in het proces-verbaal van de BTW, zijn geboekt op rekening 615405. Appellante spreekt dus zelf van "relatiegeschenken". Volgens geïntimeerde betreft het ook niet om geschenken van geringe waarde en dienen in de 1.300 ''VIP-paketten" ook de verpakkingskosten te worden begrepen, waardoor ieder pakket een waarde van … HFL of … EUR verlaagt. Deze verpakkingskosten vormen de prijs voor het samenstellen van de "VIP BAGS" en zijn alzo een element van de kostprijs van de kledij / het geschenk. Tenslotte heeft de verminderde geldboete van 10 % geen bestraffend karakter en dient zij als een loutere administratieve sanctie wegens de vastgestelde inbreuken op de BTW­wetgeving te worden aangemerkt. Geïntimeerde besluit derhalve tot de bevestiging van het bestreden vonnis en begroot het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding zo in eerste aanleg als in hoger beroep op … EUR.

## 2. Beoordeling :

### 2.1. Omtrent de rechtsgeldigheid van het dwangbevel uitvoerbaar verklaard op 4 september 2002 :

**2.1.1.** Een dwangbevel vormt enerzijds de titel van de belastingschuld van een belastingplichtige (het zogenaamde "declaratieve karakter van een dwangbevel") en anderzijds de titel op grond waarvan een gedwongen tenuitvoerlegging door de Belgische Staat kan plaatsvinden (het zogenaamde "executoire karakter van een dwangbevel") (E. KRINGS, "Toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in fiscale geschillen", in Actuele problemen van fiscaal recht, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1989, p. 198; J. VAN HOUTTE, Beginselen van het Belgisch belastingrecht, Gent, E.Story-Scientia, 1979, p. 536, nr. 673).

Het dwangschrift is geen proceshandeling onderworpen aan de voorschriften van de artikelen 860 e.v. Ger. W. Proceshandelingen omvatten, inderdaad, alle handelingen die worden verricht tijdens een rechtsgeding of onder het toezicht van het gerecht, door de partijen, hun gevolmachtigden of het hulppersoneel van de rechter (Cass., 28 april 1988, Ann. dr. Liège 1989, 185, noot G. DE LEVAL, 'Surenchère faite à l'aide d'un chèque barré. Les voies de recours et les nullités en matière de saisie-exécution immobilière', (Ann. dr. Liège 1989, 191-202), Arr. Cass., 1987-88, 1088, Bull 1988, 1028, J.T. 1989 (verkort), 277, Pas. 1988, I, 1028, R.W. 1989-90 (verkort), 161, noot) : verzoekschriften, dagvaarding, conclusie, akten van verzet en hoger beroep, enz ... (B. MAES, Inleiding tot het burgerlijk procesrecht, Brugge, Die Keure, 2006, p. 138-139).

Een dwangbevel vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan, in casu van een BTW-schuld, ten laste van een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld.

Indien er geen rechtsgeldig dwangbevel wordt uitgevaardigd of indien een dwangbevel niet beantwoordt aan de wettelijke vormvereisten, beschikt de Belgische Staat niet over een titel van belastingschuld ten opzichte van de betrokken belastingplichtige en vermag de Belgische Staat derhalve de douaneschuld niet in te vorderen bij gebrek aan een titel voor de tenuitvoerlegging ervan (artikel 59 van het Koninklijk besluit van 17 juli 1991 houdende coördinatie van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, B.S. 21 augustus 1991).

Net omwille van het feit dat een dwangbevel de (enige) titel van de belastingschuld van de belastingplichtige ten opzichte van de Belgische Staat vormt, kan een dwangbevel slechts rechtsgeldig worden beschouwd wanneer in het dwangbevel :

1\. de belastingschuldenaar nauwkeurig bepaald wordt;

2\. de som, tot betaling van welke het dwangbevel uitgevaardigd wordt, vermeld wordt; en,

3\. het voorwerp en de grondslag van de vordering vermeld worden.

Deze laatste voorwaarde (vermelding van het voorwerp en de grondslag van de vordering) impliceert dat het noodzakelijk is voor de geldigheid van een dwangbevel dat dit dwangbevel wordt gemotiveerd.

Een dwangbevel zou bvb. regelmatig zijn wanneer *"het, door zijn inhoud of door het proces-verbaal of andere bijlagen) waarnaar het verwijst, het voorwerp van de eis doet kennen en het de belastingplichtige mogelijk maakt de gegrondheid ervan te beoordelen"* (vgl. BTW­Handleiding nr. 633; zie ook : E. GENIN en F. GENIN, Commentaire du Code des droits d'enregistrement, Brussel, Van Buggenhoudt, 1950, p. 756, nr. 2064).

De motiveringsplicht voor de geldigheid van een dwangbevel wordt ook verantwoord doordat het enige rechtsmiddel tegen een dwangbevel voor een belastingplichtige erin bestaat hiertegen (voorheen) verzet in te stellen of (thans) een overeenkomstig (nieuw) artikel 1385decies Ger.W. vordering in rechte in te stellen.

Opdat een belastingplichtige zijn verzetsakte/vordering in rechte tegen een dwangbevel met redenen zou kunnen omkleden - zoals hij/zij daartoe door de wet verplicht wordt - is het noodzakelijk dat hij/zij voorafgaandelijk kennis heeft kunnen nemen van de redenen die de belastingadministratie er toe aangezet hebben om tegen hem/haar een vordering/vervolging in te spannen.

Men kan zich wellicht moeilijk verdedigen op toekomstige elementen die niet ter kennis gebracht waren op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel, doch zulks is niet het geval wanneer de belastingplichtige het voorwerp en de grondslag van de belastingschuld reeds vóór het uitvaardigen van het dwangbevel kent of geacht moet worden te kennen. In dit geval zijn zijn rechten van verdediging, grondslag van de motiveringsverplichting, ten volle gevrijwaard (vgl. A. KIEKENS, "Na het uitvaardigen van een dwangbevel mag de BTW­administratie geen nieuwe motieven meer inroepen", (noot onder Cass., 1 december 2005), T.F.R. 2006, blz. 717).

Met de wet van 29 juli 1991 werd aan alle administratieve overheden, als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting opgelegd om, met ingang van 1 januari 1992, alle van hen uitgaande eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, welke beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren.

Deze verplichting wordt nader toegelicht in de artikelen 2 en 3 van voornoemde wet, die bepalen dat :

> *"De bestuurshandelingen van de besturen bedoeld in artikel 1 moeten uitdrukkelijk worden gemotiveerd."*

> *"De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij moet afdoende zijn."*

Zoals uit de aangehaalde artikelen blijkt, moet de opgelegde motivering uitdrukkelijk zijn, wat de verplichting inhoudt in de akte zowel de juridische als de feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen én dit op een afdoende wijze (G. DEBERSAQUES, "Een ingrijpende verandering in het bestuursrecht : de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991", T.B.P. 1992, p. 379).

De aanduiding van de juridische overwegingen houdt o.m. in dat in de akte moet worden verwezen naar alle toepasselijke wetsbepalingen.

De motivering in feite houdt in dat de precieze, concrete feitelijke gegevens aangeduid worden waarom, in het licht van de aangehaalde bepalingen, een bepaalde beslissing genomen werd (G. DEBERSAQUES, "Een ingrijpende verandering in het bestuursrecht : de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991', T.B.P. 1992, p. 379; P. VAN ORSHOVEN, "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R.W. 1991-92, p. 490).

De wetgever heeft het hierbij wenselijk geacht dat de redenen van de beslissing in de beslissing zelf zouden worden opgenomen (Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988, nr. 215/3, p. 8 en nr. 215/3, p. 13).

De (uitdrukkelijke) motivering moet bovendien "afdoende" zijn. Dit betekent dat de ingeroepen redenen pertinent moeten zijn en de beslissing moeten verantwoorden (Gedr. St. Senaat, B.Z. 1988, nr. 215/9; P. VAN ORSHOVEN, "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R.W. 1991-92, p. 491 en A. VAN MENSEL, "De formele motiveringsplicht. De wet van 29 juli 1991", T.B.P. 1992, p. 392).

Dit wijst op de belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, met name de bestuurde een zodanig inzicht in de motieven van de bestuurshandeling te verschaffen dat hij/zij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de bestreden beslissing te verzetten (G. DEBERSAQUES, "De sanctie verbonden aan het verzuim van een afdoende formele motivering in de zin van de uitdrukkelijke motiveringswet : enkele kanttekeningen'', T.B.P. 1994, p. 644).

De administratie mag na het uitvaardigen van een dwangbevel wel (ter motivering) nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoeren voor zover die argumenten en gegevens aangevoerd worden ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (Cass., AR [C.03.0354.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voldoening-belasting-dwangbevel-bestuurshandeling-betaling-cassatie-brussel-2005-12-01-11ea), 1 december 2005, T.F.R. 2006, afl. 307, 712 met conclusie advocaat-generaal D. THYS, en noot A. KIEKENS, "Na het uitvaardigen van een dwangbevel mag de BTW­administratie geen nieuwe motieven meer inroepen", T.F.R. 2006, afl. 307, 717-719).

Het niet naleven van de formele motiveringsplicht leidt bijgevolg niet automatisch tot het buiten toepassing laten van de betrokken bestuurshandeling. Enkel indien de betrokkene in wiens belang de vormvereiste is voorgeschreven, in zijn belangen is geschaad door de miskenning ervan, zal de bestuurshandeling onwettig worden verklaard. Indien blijkt dat de bestuurde op een andere wijze dan door de formele motivering kennis heeft van de motieven en die kennisgeving zich heeft voorgedaan in omstandigheden waarin zijn recht om zich te verweren niet in het gedrang werd gebracht, werd het doel van de formele motivering bereikt zodat in dat geval het niet naleven van de verplichting tot formele motivering niet tot het buiten toepassing laten van de bestuurshandeling kan leiden (Cass., 17 november 2006, Fiscoloog, 2007, nr. 1058, p. 7; zie ook A. BELLENS, "De motiveringsvereiste betreffende het dwangbevel in de BTW", RABG, 2007, nr. 9 p. 557).

**2.1.2.** Door het Hof dient te worden vastgesteld dat het dwangbevel uitgevaardigd op 4 september 2002 en uitvoerbaar verklaard op 9 september 2002 aan appellante op 17 september 2002, samen met het proces-verbaal opgesteld op 17 juni 2002, werd betekend.

Dit proces-verbaal bevat o.a. volgende gegevens :

\- een gedetailleerde opsomming (aard en prijs) van de goederen en facturen die het voorwerp zijn van de vordering; de kwestieuze stukken zijn als bijlage aan het proces-verbaal toegevoerd;

\- de boekhoudkundige gebreken met betrekking tot het registreren van de ontvangsten van de verkoop van voormelde goederen;

\- het feit dat een deel van de goederen bestemd is om als relatiegeschenk (weggeven om niet) te dienen voor de speciaal genodigden en externe medewerkers ter gelegenheid van de "TMF Awards";

\- het feit dat deze goederen niet aan betalende bezoekers geschonken worden;

\- de wanverhouding tussen de goederen bestemd om te verkopen (aankoopfactuur 11546 van 19 oktober 2001) en de gerealiseerde omzet;

\- artikel 12, § 1, 2°, W.BTW dat bepaalt dat het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een roerend goed om het om niet te verstrekken gelijkgesteld wordt met een levering onder bezwarende titel indien op deze goederen aftrek van belasting is ontstaan;

\- artikel 33, 1°, W.BTW vormt samen met de artikelen 26 en 28 de juridische basis voor de berekening van de maatstaf van heffing van de BTW;

\- de analyse van de aankoopprijs van de verschillende goederen, de toetsing ervan aan het maximumbedrag voor geschenken van geringe waarde, waarop artikel 12, § 1, 2°, geen toepassing vindt, en de vaststelling dat de aankoopprijzen van de goederen in casu steeds dit maximumbedrag overstijgen, zodat artikel 12, § 1, 2°, W.BTW van toepassing is.

Uit deze omstandige motivering dient dan ook te worden aangenomen dat appellante met volledige kennis van de feitelijke en juridische grondslag van de BTW-vordering haar verdediging heeft kunnen voorbereiden. Er kan derhalve geen enkele belangenschade in hoofde van appellante worden weerhouden.

Ten overvloede dient door het Hof te worden vastgesteld dat, in zoverre geïntimeerde na uitvaardiging van het dwangbevel nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens zou hebben aangevoerd, zulks enkel dient ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld.

Het bestreden dwangbevel is dan ook volkomen rechtsgeldig.

### 2.2. Het recht op aftrek :

**2.2.1.** *Door het Hof dient vooreerst te worden vastgesteld dat de BTW­navordering geen steun vindt in enige boekhoudkundige onregelmatigheid, m.n. enig gebrek in de voorgelegde facturen of gebrek aan inventarisboek, centraal boek of dagboek van ontvangsten, doch uitsluitend betrekking heeft op het recht op aftrek, dat in casu afhangt van de kwalificatie van het wegschenken om niet van onder BTW-regime in België en Nederland aangekochte goederen.*

*Artikel 12, § 1, 2°, W.BTW bepaalt :*

> *"§ 1*
>
> *Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld :*
>
> *(…)*
>
> *2°* *het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed om het om niet te verstrekken, wanneer voor dat goed of de bestanddelen ervan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de belasting is ontstaan, de onttrekkingen verricht voor het verstrekken van handelsmonsters of handelsgeschenken van geringe waarde worden evenwel niet bedoeld, deze waarde wordt bepaald door of vanwege de Minister van Financiën,·*
>
> *(...) ".*

Krachtens [artikel 45, § 1, 1°, BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen onderworpen aan de belasting.

Kosten voor het voeren van reclame zijn niet van aftrek uitgesloten. Onder 'reclame' of 'publiciteit' dient te worden begrepen het verspreiden van een boodschap die bestemd is om de consument te informeren over het bestaan en de kwaliteiten van een product of een dienst, met het oog op het bevorderen van de verkoop (cfr. H.v.J. nr. [C-68/92](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-68-92-arrest), [C-69/92](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-69-92-arrest), [C-73/92](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-73-92-arrest), 17 november 1993 (Commissie / Frankrijk, Luxemburg en Spanje), BTW-Revue 1994 (weergave), 767, 769 en 771, EC Tax 1994 (weergave), 31 en 32, Fiscoloog 2001 (weergave), afl. 793, 7, Jur. H.v.J. 1993, I, 5881, 5907 en 5997, RW 1993-94 (weergave), 1068).

Deze definitie wordt ook beaamd door de Minister van Justitie (Parl. Vr., 20 juni 1997, de heer Destexhe, Vr. en Antw., Senaat, 9 september 1997, nr. 1/53, p. 2700-2701).

De verspreiding van de boodschap gebeurt normaal door middel van het woord en beeld, in de pers, radio of televisie, maar kan ook gebeuren door andere middelen.

Het verspreiden onder gasten en externe medewerkers van vrijetijdskledij ter gelegenheid van publieke manifestaties zou in voorkomend geval weliswaar als relatiegeschenk kunnen worden beschouwd.

Uit de omstandigheden van de zaak, zoals zij uit de door partijen voorgelegde stukken blijken, dient in casu echter te worden aangenomen dat deze verspreiding louter en uitsluitend met publiciteitsdoeleinden gebeurde. De kwestieuze kledij werd immers punctueel verspreid ter gelegenheid van een belangrijk en grootschalig media-evenement, m.n. de TMF-Awards, dat op verschillende televisiezenders werd uitgezonden en waaraan ook aandacht werd besteed in de pers en gespecialiseerde tijdschriften voor de jeugd. De kledij werd overhandigd zowel aan medewerkers (TMF crew) als aan welbepaalde, om hun publieke bekendheid, uitgekozen gasten. Beslissend om tot het publicitair karakter van deze actie te besluiten, is evenwel de niet betwiste vaststelling dat op al deze kledij het logo van 'TMF' op zichtbare wijze werd aangebracht (cfr. B. VANDERSTICHELEN, I. DEREGNAUCOURT, 'Les exclusions du droit à déduction de la T.V.A', R.G.F. 2004, afl. 1, 16).

De verspreiding van de kledij had derhalve tot doel de naambekendheid van het merk 'TMF' bij het publiek, kijkers en potentiële kijkers en adverteerders, te bevorderen en om aldus inkomsten uit de handelsactiviteit van appellante en in het bijzonder uit reclamespotjes te genereren.

De gebeurlijk andere benadering van de kwestieuze kosten in het kader van de aanslag in de vennootschapsbelasting kan geen afbreuk doen aan deze beoordeling, die binnen het ander kader van de BTW-wetgeving dient te gebeuren.

Van enige onttrekking in de zin van artikel 12, § 1, 2°, W.BTW kan derhalve geen sprake zijn. De verpakkingskosten dienen als één geheel met de kosten van aankoop van de kledij te worden beschouwd, zodat de hierop in aftrek gebrachte BTW eveneens dient te worden aangenomen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en zoals hierna bepaald gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet, en opnieuw rechtdoende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en m de hierna bepaalde mate gegrond;

Verklaart dienvolgens het dwangbevel met nummer Reg. 127/2863 d.d. 4 september 2002, uitgevaardigd door de heer **L. V. D. B.**, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 september 2002 door **D. V.**, eerstaanwezend inspecteur van de BTW te Mechelen II, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de BTW, registratie en domeinen te Mechelen, van nul en generlei waarde;

Ontslaat appellante van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde sommen;

Veroordeelt geïntimeerde tot integrale terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden en toegerekend werden op de sommen vermeld in het dwangbevel, waarvan thans de vernietiging wordt gevorderd, en dit met vermeerdering van de moratoire interesten, overeenkomstig artikel 91 W.BTW;

Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot aan de zijde van appellante op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Wijst het anders of meergevorderde als ongegrond af;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ZES SEPTEMBER TWEEDUIZENDENELF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.**

en **M. G.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

## Aangehaalde teksten

11

[Zesde richtlijn 77/388 art. 5](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5) 4 voorkomens

[WBTW art. 12](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-12) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[KB nr. 41 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 16](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-16) 1 voorkomen

[C-68/92, arrest van 17 november 1993](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-68-92-arrest) 1 voorkomen

[C-69/92, arrest van 17 november 1993](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-69-92-arrest) 1 voorkomen

[C-73/92, arrest van 17 november 1993](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-73-92-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herziening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-bedrijfsmiddelen-bewijslast-hof-van-beroep-antwerpen-2026-02-17-8101) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanslag in de PB, administratie van de bijzondere belastinginspectie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-aanslag-in-pb-administratie-rechtbank-namen-2017-02-15-1f39) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist, werkingssfeer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-geding-rechten-voorrechten-schatkist-hof-van-beroep-antwerpen-2006-10-03-9a2f) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-strafbepaling-administratieve-geldboete-recht-hof-van-beroep-gent-2004-03-23-bba3) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-weigering-boekhoudkundige-stukken-rechtbank-luxemburg-2024-12-18-ffcb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 3 gemeenschappelijke bepalingen
