---
title: "27 maart 2007 · Werkingssfeer, levering van goederen · Hof van beroep te Antwerpen"
description: "Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, dienst, strafbepaling. Hof van beroep te Antwerpen (België), 27 maart 2007."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2007-03-27-82c7"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, dienst, strafbepaling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

27 maart 2007

## Procesverloop

2 stappen · 2 jaar 2 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 05.01.2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overdracht-bedrijfsafdeling-facturatie-schuldenaar-belasting-rechtbank-antwerpen-2005-01-05-5fb1)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 27.03.2007

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

145 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 27.03.2007

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van **27/3/2007**

**EINDARREST**

In zake : **2005/AR/864**

**NV J. L.- EN B.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, HR te Antwerpen nr. …, en met ondernemingsnummer …;

**appeIlante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 5 januari 2005;

vertegenwoordigd door Meester **S. G.** loco Meester **F. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

1\. **de BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;

2\. **de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Bijzondere Belastinginspectie, op benaarstiging van de rekenplichtige Ontvanger van het tweede BTW-Ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Meester **A. V. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 5 januari 2005, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 22 maart 2005, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

**1.1.**

Op 31 juli 2000 heeft de NV **B. I.** aan appellante een factuur nr. … uitgeschreven voor de verkoop van :

\- ontspanner C0 2 ARGON profi (B)

\- overname eindstock volgens opgave, zie akkoord d.d. 01.07.00 voor een totaal bedrag van … BEF (€ …).

Op 12 september 2000 heeft de NV **B. I.** aan appellante een factuur nr. … uitgereikt voor :

\- overname activa bureel en keuken mobilair

\- overname activa computers

\- overname magazijnuitrusting prijzen in onderling overleg volgens de restwaarde in de boekhouding voor een totaal bedrag van … BEF (€ …).

Op 26 december 2000 heeft **B. B. & M.** NV (voorheen NV **B. I.**) gefactureerd aan **B. L.** NV (voorheen **J. L.**) (factuur nr. …) voor 'verkoop van het opstalrecht + gebouwen gekadastreerd volgens titel sectie E deel van nummer 514/L, in de staat waarin zij zich bevinden en gekend door de koper o.a. met bouwkundige gebreken zoals ze zullen worden vastgesteld door de aangestelde deskundige, waarvoor wij decharge van lasten krijgen.

Overeengekomen verkoopprijs wordt vastgesteld volgens notariële akte van overdracht … BEF

21 %BTW … BEF

TOTAAL … BEF

Deze verkoop wordt vastgesteld bij akte verleden voor notaris **H. D. D.** te … op 29 december 2000.

**1.2.**

Op 3 december 2001 wordt door de heren **H. V. O.**, eerstaanwezend inspecteur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen, en **P. P.**, verificateur bij de administratie van de directe belastingen, beiden ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Brasschaat-Wijnegem, een grondige controle uitgevoerd bij appellante voor de periode van 1 juli 2000 tot en met 31 december 2000.

De controleambtenaren stellen vast dat, hoewel drie afzonderlijke facturen werden opgesteld, blijkt dat appellante in feite de bedrijfsafdeling 'groothandel in diverse machines' heeft overgenomen van NV **B. B. & M.** in de zin van de artikelen [11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) en [18, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) van het BTW-wetboek.

Hieruit volgt dat op de aankoopfacturen ten onrechte BTW werd aangerekend en dat bij gebrek aan opeisbare BTW geen aftrek kan worden uitgeoefend van de op de drie facturen aangerekende BTW.

**1.3.**

Op 4 juni 2002 wordt een proces-verbaal opgesteld, volgens hetwelk appellante volgende bedragen verschuldigd is :

\- als belasting over de toegevoegde waarde : € …,

\- als geldboete opgelegd bij toepassing van artikel 70bis, § 1 van het BTW-wetboek : het dubbel van de verschuldigde belasting : … x 2 = € …. Bij toepassing van het koninklijk besluit nummer 41 van 30 januari 1987, artikel 1, laatste lid, is de schaal opgenomen in de tabellen A tot J van de bijlage bij dat besluit, niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

\- als intresten bij toepassing van [artikel 91, § 1 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) : 0,8 % per maand te berekenen :

\- over € … (… BEF) vanaf 21 januari 2001 tot 20 januari 2002 of € …

\- over € … vanaf 21 januari 2002 : pro memorie.

Dit proces-verbaal wordt bij aangetekend schrijven van 4 juni 2002 aan appellante toegezonden.

Bij schrijven van 6 juni 2002 deelt appellante mee niet akkoord te kunnen gaan met de inhoud van het schrijven van 4 juni en deelt zij mee een met redenen omklede dagvaarding van verzet te zullen uitbrengen.

Bij schrijven van 26 juni 2002 deelt de raadsman van appellante mee dat appellante de vordering betwist en verzoekt hij om inzage van het dossier.

Na inzage van het dossier op 6 augustus 2002 deelt de raadsman van appellante bij schrijven van 3 september 2002 nogmaals het niet akkoord van appellante mee.

[Artikel 11 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) kan volgens appellante geen toepassing vinden omdat appellante enerzijds aankopen verrichtte op onderscheiden tijdstippen en zij anderzijds, zelfs alle aankopen samen genomen, waarbij trouwens geenszins rechten op cliënteel werden overgedragen, nog geen bedrijfsafdeling heeft overgenomen.

Er wordt op gewezen dat appellante de drie facturen volledig heeft betaald, met inbegrip van de BTW.

Bij schrijven van 2 december 2002 deelt de AOlF mee dat zij haar standpunt handhaaft, waarna de raadsman van appellante bij schrijven van 21 januari 2003 nogmaals op gemotiveerde wijze het niet - akkoord van appellante bevestigt.

**1.4.**

Op 4 juli 2002 wordt door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor Antwerpen 2 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 23 juli 2002 door de directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Antwerpen, uitvoerbaar wordt verklaard en waarbij betaling wordt gevorderd van :

\- als belasting over de toegevoegde waarde : € …,

\- als geldboete ingevolge [artikel 70, § 1bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) : € …,

\- als verlopen intresten krachtens [artikel 91, § 1, 1° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) : € …, berekend tot 20 juli 2002, samen € …, vermeerderd met :

\- de intrest krachtens [artikel 91, § 1, 1° van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) van 0,80 % per maand vertraging te rekenen over de verschuldigde BTW vanaf 21 juli 2002,

\- de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten die loopt vanaf de betekening of kennisgeving van dit dwangbevel, ingevolge [artikel 91, § 4 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91),

\- de vervolgingskosten.

Op 14 februari 2003 wordt het dwangbevel aan appellante betekend.

**1.5.**

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 27 februari 2003, vordert appellante het dwangbevel te vernietigen, te zeggen voor recht dat appellante de met het dwangbevel gevorderde bedragen niet verschuldigd is, geïntimeerde te verplichten alle ten onrechte ingehouden en/of alle ten onrechte op de met bestreden vordering aangerekende bedragen aan appellante terug te betalen, meer de moratoriumintresten en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.

**1.6.**

Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ze af en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding.

De eerste rechter oordeelt dat het bewezen is dat de NV **B. I.** een bedrijfsafdeling heeft overgedragen aan appellante in de zin van de artikelen [11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) en [18, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) van het BTW-wetboek, zodat deze overdracht niet aan de BTW onderworpen was. Bijgevolg heeft de NV **B. I.** ten onrechte BTW aangerekend zodat appellante dan ook geen recht heeft op aftrek van de BTW.

Volgens de eerste rechter heeft de administratie het proces-verbaal van 4 juni 2002 voldoende gemotiveerd, ook wat de geldboete betreft. De eerste rechter is van oordeel dat de geldboete van 200 % in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

**1.7.**

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen; het dwangbevel te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren; te zeggen voor recht dat appellante de met het bestreden dwangbevel van haar gevorderde bedragen niet verschuldigd is; terugbetaling te bevelen van de eventueel door appellante reeds betaalde bedragen en/of de door geïntimeerde ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten; geïntimeerden te verwijzen in de kosten van het geding.

Appellante stelt dat de drie onderscheiden aankopen die door haar zijn gebeurd niet kunnen beschouwd worden als de verkoop van een bedrijfsafdeling in de zin van [artikel 11 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11), maar door de verkoper terecht met BTW werden gefactureerd en dat zij terecht deze BTW in aftrek heeft gebracht. De betrokken overeenkomsten hebben geen gelijktijdige uitwerking en zijn niet afhankelijk van elkaar. Het is niet aangetoond dat het cliënteel, de benaming "**B.**", de "oude activiteit" en de bestuurder werden overgedragen.

In ondergeschikte orde stelt appellante dat moet worden afgezien van elke vorm van BTW-boete, dan wel dat deze tenminste overeenkomstig de bepalingen van het KB nr. 41 moet worden verminderd.

**1.8.**

Geïntimeerden concluderen tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis en vorderen de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding.

Geïntimeerden stellen dat, ook al werden drie afzonderlijke facturen opgemaakt, toch werd ingevolge één overeenkomst een economische activiteit overgedragen die beantwoordt aan de definitie van [artikel 11 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11). Er werd wel degelijk een bedrijfsafdeling overgedragen. Er worden geen afzonderlijke overeenkomsten voorgelegd (terwijl de facturen er wel naar verwijzen) noch een geschreven document met betrekking tot de gehele transactie, maar uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat de overdracht het gevolg is van één mondelinge overeenkomst. De ten onrechte aangerekende BTW is niet aftrekbaar. Er is wel degelijk opzet aanwezig, zodat terecht geen vermindering van de boete werd toegepast.

## 2. In rechte

**2.1.**

Ter zitting van 27 februari 2007 verzoekt appellante om de procedure te schorsen ingevolge artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Stafvordering, voorhoudende dat een strafonderzoek hangende zou zijn.

Geïntimeerden verzetten zich hiertegen en stellen dat door de Belgische Staat geen klacht werd neergelegd tegen appellante met betrekking tot de huidige betwisting.

Appellante legt een schrijven voor van de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 6 juni 2006, waarbij aan de heer **J. V. C.** (afgevaardigd beheerder van appellante) wordt meegedeeld dat wordt overgegaan tot zijn in verdenkingstelling uit hoofde van inbreuken op artikel 489ter Stafwetboek en fiscale valsheid in geschrifte en gebruik. Tevens wordt een kopie bijgevoegd van een proces-verbaal van verhoor van voornoemde **J. V. C.** van 20 september 2004 door de gerechtelijk politie.

Uit deze stukken blijkt weliswaar dat een strafonderzoek hangende is, waarbij de afgevaardigd bestuurder van appellante betrokken is, doch uit niets blijkt dat dit strafonderzoek enig verband heeft met onderhavige betwisting.

Er is dan ook geen reden om de procedure te schorsen.

**2.2.**

**2.2.1.**

Het geschil heeft betrekking op de toepassing van de artikelen [11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) en [18, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) van het BTW-wetboek.

Artikel 11 bepaalt : *"Als levering wordt niet beschouwd de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, onder bezwarende titel of om niet, bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins, wanneer de overnemer een belastingplichtige is die de belasting, indien ze ingevolge de overdracht zou verschuldigd zijn, geheel of gedeeltelijk zou kunnen aftrekken. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voor te zetten."*

Artikel 18, § 3 luidt : *"Als diensten worden niet beschouwd de in § 1 bedoelde handelingen die, bij de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins, onder de voorwaarden van artikel 11 worden verricht."*

Voor de toepassing van deze artikelen zijn volgende voorwaarden vereist :

\- het gaat om een overdracht,

\- van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling,

\- bij wege van inbreng in een vennootschap of anderszins,

\- de overnemer is een belastingplichtige,

\- de overnemer zou de BTW, indien hij verschuldigd was geweest, volledig of gedeeltelijk hebben kunnen aftrekken.

Te dezen heeft de betwisting voornamelijk betrekking op de vraag of al dan niet "een bedrijfsafdeling" werd overgedragen.

Appellante stelt dat zij geenszins een bedrijfsafdeling heeft overgenomen, terwijl geïntimeerden stellen dat uit de feiten duidelijk blijkt dat een bedrijfsafdeling werd overgedragen.

Een bedrijfsafdeling moet een georganiseerd geheel vormen van personen en goederen die bekwaam zijn om samen bij te dragen tot de realisatie van een voorgenomen activiteit.

De overgedragen bestanddelen moeten tezamen een onderneming of een bedrijfsonderdeel vormen waarmee een autonome economische activiteit kan uitgeoefend worden.

Het begrip bedrijfsafdeling moet dus beoordeeld worden in hoofde van de overnemer van de bedrijfsafdeling en niet in hoofde van de overdrager ervan.

De overdracht is dus niet aan de BTW onderworpen wanneer de overdrager bepaalde activa van de overgedragen bedrijfsafdeling behoudt, maar de resterende activa de overnemer wel in staat stellen om een economische activiteit verder te zetten.

De overdracht is evenmin aan BTW onderworpen wanneer deze gebeurt door onderscheiden overdrachten en er aangetoond wordt dat die onderscheiden overdrachten, volgens het inzicht van de partijen, op zodanige wijze afhankelijk zijn van elkaar dat ze niet alleen gelijktijdig uitwerking hebben, maar dat tevens de ene niet zonder de andere kan bestaan, en dit ongeacht de tussenkomst van derde vennootschappen.

Niet de wijze van facturatie van de transactie is doorslaggevend, maar wel de feitelijke omstandigheden van de overdracht.

**2.2.2.**

Bij de beoordeling van de betwisting tussen partijen zijn volgende feitelijke vaststellingen van belang :

\- op 23 september 1996 wordt de BVBA **B. I.**, later omgevormd tot NV opgericht met als maatschappelijk doel groothandel in diverse machines en uitrusting voor de nijverheid; de heer **J. V. C.**, gemandateerd als bestuurder, wordt vanaf 27 juni 1997 aangesteld als gedelegeerd bestuurder;

\- op 11 mei 2000 wordt appellante opgericht onder de naam BVBA **J. L.** met als maatschappelijk doel distributie van lasmaterialen en toevoegmaterialen, groothandel, kleinhandel, fabricage en herstelling in de ruimste zin van het woord; één van de aandeelhouders is mevrouw **M. B.**, bediende, die tot 31 augustus 1998 werkzaam was voor **B. I.**;

\- op 28 augustus 2000 wijzigt de NV **B. I.** haar naam in NV **B. B. & M.** en wijzigt ook volledig haar maatschappelijk doel tot private of schriftelijke cursussen voor algemene, beroeps- of technische vorming (het vroegere maatschappelijk doel wordt geschrapt).

\- op 2 oktober 2000 wordt appellante omgevormd tot NV en wijzigt haar benaming in NV **B. L.**;

\- op 15 januari 2001 wordt het ontslag aanvaard van de heer **J. V. C.** uit zijn functies bij de NV **B. B. & M.**; vanaf dat ogenblik zijn drie Oekraïners aangesteld als (gedelegeerd) bestuurder en wordt de maatschappelijke zetel overgebracht naar Brussel;

\- bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 7 juni 2001 wordt de NV **B. B. & M.** failliet verklaard met terugwerkende kracht (stopzetting van de handelswerkzaamheden te Antwerpen op 15 januari 2001);

\- op 17 oktober 2001 wordt de heer **J. V. C.** aangesteld als gedelegeerd bestuurder van appellante.

Ook met volgende vaststellingen dient rekening gehouden te worden :

\- op 31 juli 2000 factureert NV **B. I.** aan appellante voor de verkoop van ontspanner CO 2 / Argon Profi (B) en voor de overname van de eindstock. Op deze factuur wordt verwezen naar een akkoord van 1 juli 2000, doch van dit akkoord wordt geen enkel stuk bijgebracht. Bovendien verwijst de factuur naar een besteldatum van 11 augustus 2000, hetzij van na de factuur, waaruit kan afgeleid worden dat de werkelijke overdracht van de goederen zich op een latere datum situeert.

\- op 12 september 2000 factureert dezelfde NV **B. I.** aan appellante voor de overname activa bureel en keuken mobilair, activa computers en magazijnuitrusting. De factuur vermeldt als besteldatum eveneens 12 september 2000 en vermeldt tevens dat de prijzen in onderling overleg werden bepaald volgens de restwaarde in de boekhouding van de NV **B. I.**.

\- op 26 december 2000 factureert de NV **B. B. & M.** (voorheen NV **B. I.**) voor de verkoop van de gebouwen en het opstalrecht, welke verkoop werd vastgesteld bij notariële akte verleden op 29 december 2000; het opstalrecht was verleend door de NV **O. G.**, die in de notariële akte is tussengekomen en instemde met de overdracht van de rechten en plichten uit de overeenkomst van opstal.

\- op een brief van 9 oktober 2000 vermeldt appellante als telefoonnummer en telefaxnummer dezelfde nummers als deze vermeld op de facturen van 31 juli 2000 en 12 september 2000 uitgaande van NV **B. I.**;

\- op 9 november 2000 wordt een lichte vrachtwagen Mercedes Vita, die volgens een factuur van 25 augustus 2000 door NV **B. I.** was verkocht aan de NV **B. C.**, ingeschreven op naam van appellante.

\- het adres van de overdrager NV **B. I.** (…) en dat van appellante (…) hebben betrekking op hetzelfde pand (dat door appellante werd overgenomen).

\- op haar website vermeldt appellante : "**J.** NV - voortzetting van **B.** NV", waarbij ook duidelijk het gebouw met het nummer 34 wordt afgebeeld en waarbij de vermelde telefoon- en faxnummers dezelfde zijn als deze vermeld op de facturen uitgaande van de NV **B. I.** en op de brief van appellante van 9 oktober 2000.

Volgens de facturen werd weliswaar geen cliënteel overgedragen, doch er dient vastgesteld te worden dat appellante haar activiteiten verder zet op het adres van de overdrager onder de benaming **B. L.** en dat de overdrager op 28 augustus 2000 niet alleen haar benaming wijzigt doch ook haar maatschappelijk doel en een nieuwe activiteit start.

De verkoopakte met betrekking tot het onroerend goed werd slechts verleden op 29 augustus 2000, doch uit de akte blijkt dat de overeenkomst tot verkoop veel vroeger is tot stand gekomen: het ingevolge de verkoop door OVAM verplicht op te stellen bodemattest werd reeds afgeleverd op 21 november 2000; de instrumenterende notaris heeft reeds op 22 november 2000 specifieke stedenbouwkundige informatie omtrent deze verkoop ontvangen; het ontwerp van de verkoopakte werd reeds in de maand november 2000 aan de partijen meegedeeld.

Tijdens zijn verhoor door de gerechtelijke politie op 20 september 2004 verklaart de heer **J. V. C.** dat hij met zijn vennootschap NV **B. I.** (later **B. B. & M.**) in problemen was geraakt en verklaart hij het volgende :

*"Ondertussen had ik wel besloten dat voor mij de enige uitweg erin bestond om* ***D. H. J.-M.*** *te overhalen om met mij een nieuwe vennootschap op te richten, met name* ***J.*** *BVBA, later omgevormd tot de NV* ***B. L.****. Na de oprichting van deze laatste vennootschap kocht* ***J.*** *BVBA van NV* ***B. B. M.*** *(voorheen* ***B. I.*** *NV) :*

*1)* *de eindstock;*

*2)* *een deel van de activa dat* ***J.*** *BVBA kon gebruiken aan boekhoudwaarde;*

*3)* *het gebouw zelf (de opstal) aan de boekwaarde met opstalrecht dat nu nog wordt verhuurd door NV* ***O. G.****;*

*Deze verkopen zijn op factuur gezet. Het opstalrecht en de opstal is vervat in een notariële akte bij notaris* ***D. D.***

*Zodoende is de vennootschap* ***B. B. & M.*** *NV quasi leeg, behalve de wederzijdse claims met betrekking tot de aannemer die het gebouw heeft opgetrokken…”.*

**2.2.3.**

Uit al deze feiten en vaststellingen blijkt duidelijk dat de overgedragen bestanddelen samen een onderneming of een bedrijfsonderdeel vormen die appellante in staat gesteld hebben om een autonome economische activiteit voort te zetten en dat alle onderscheiden overdrachten, volgens het inzicht van de partijen, op zodanige wijze afhankelijk waren van elkaar dat ze niet alleen gelijktijdig uitwerking hadden, maar dat tevens de ene niet zonder de andere kon bestaan.

De eerste rechter heeft dan ook terecht geoordeeld dat het bewezen is dat de NV **B. I.** een bedrijfsafdeling aan appellante heeft overgedragen in de zin van de artikelen [11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) en [18, § 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) van het BTW-wetboek, zodat deze overdracht niet aan de BTW onderworpen was en zij ten onrechte BTW heeft aangerekend op de kwestieuze facturen en appellante ten onrechte deze BTW in aftrek heeft gebracht.

**2.3.**

Appellante betwist de opgelegde boete van 200 % en stelt dat het proces-verbaal van 4 juni 2002 geen afdoende motivering bevat wat deze boete betreft.

In het proces-verbaal van 4 juni 2002 wordt door de controleambtenaren een chronologie van de feiten weergegeven waaruit wordt afgeleid dat de vastgestelde overtreding kadert in een reeks handeling en opgezet met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken. Tevens wordt gesteld dat bij toepassing van het KB nr. 41 van 30 januari 1987, artikel 1, laatste lid, de schaal opgenomen in de tabellen A tot J van de bijlage bij dat besluit, niet van toepassing is ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

De opgelegde boete is dan ook voldoende gemotiveerd.

Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het van in het begin vaststond dat appellante de economische activiteit van de NV **B. I.** zou verder zetten waardoor [artikel 11 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) ten onrechte niet werd toegepast. De aldus foutief aangerekende BTW mocht door appellante niet in aftrek worden gebracht.

Uit de chronologie van de feiten blijkt ook het opzet om de neutraliteit van het BTW-stelsel te schenden.

De schending van de neutraliteit is slechts mogelijk wanneer de niet - afgedragen BTW wordt teruggevorderd van de Staat door een tweede belastingplichtige.

Te dezen blijkt uit de door geïntimeerden bijgebrachte stukken dat er nauwe banden zijn tussen overdrager en overnemer. Dezelfde personen zijn betrokken bij de overdracht van de activiteiten van NV **B. I.** aan NV **B. L.**. De huidige afgevaardigd bestuurder van appellante (de heer **J. V. C.**) heeft door het bewust niet opnemen in de BTW-aangiften van BTW aangerekend op onder zijn leiding (als afgevaardigd bestuurder van de NV **B. I.**) opgestelde facturen het oogmerk gehad om de belasting te ontduiken door middel van terugvordering van deze BTW door appellante.

De administratie heeft dan ook terecht geen vermindering van de boete toegepast.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de opgelegde geldboete in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

**2.4.**

Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.

Het hoger beroep is ongegrond en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ZEVENENTWINTIG MAART TWEEDUIZENDENZEVEN**,

waar aanwezig waren :

**R. T.**, Voorzitter;

**D. W.** en **S. B.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **S. B.** **D. W.** **R. T.**

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) 8 voorkomens

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 4 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 4 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-000e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Holding, Onroerende verhuur, Essentieel karakter, holdingvennootschap](https://juriel.be/nl/rechtspraak/holding-onroerende-verhuur-essentieel-karakter-hof-van-beroep-2026-04-20-31c6) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Consulting, Bedrieglijk opzet, Plaats van de dienst, adviesverstrekking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/consulting-bedrieglijk-opzet-plaats-dienst-hof-van-beroep-brussel-2025-03-19-77c1) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hof van beroep te Gent, 27 september 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2011-09-27-0347) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Grondwettigheid en wettelijkheid van koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grondwettigheid-wettelijkheid-december-omvang-recht-hof-van-beroep-brussel-2016-12-15-0448) 3 gemeenschappelijke bepalingen
