---
title: "6 december 2005 · Werkingssfeer, levering van goederen · Hof van beroep te Antwerpen"
description: "Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, vrijstelling, uitvoer, invoer. Hof van beroep te Antwerpen (België), 6 december 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2005-12-06-dd10"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, vrijstelling, uitvoer, invoer · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

6 december 2005

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 9 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 01.03.2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-antwerpen-2004-03-01-e8be)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 06.12.2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

91 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 06.12.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

Zitting van **6/12/2005**

In zake : **2004/AR/965**

**BVBA P. I.**, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, H.R. te Mechelen Nr. …, geïdentificeerd door de Administratie der BTW, Registratie en Domeinen nr. BE …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 1 maart 2004;

vertegenwoordigd door Meester **F. J.** loco Mester **L. V.**, advocaat te …, …;

**DE BELGISCHE STAAT**, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, vertegenwoordigd in de persoon van de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Mechelen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Nekkerspoelstraat 21-23;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **P. S.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 1 maart 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 31 maart 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

Gelet op het incidenteel beroep ingesteld bij conclusie neergelegd ter griffie op 14 mei 2004.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

**1.1.** Appellante is een Belgische onderneming die gespecialiseerd is in de groot- en kleinhandel van GSM-toestellen en -toebehoren.

Naar aanleiding van controles uitgevoerd op 26 mei en 22 juni 1998 stelt de administratie dat appellante ten onrechte de door artikel 39bis W.BTW bedoelde vrijstelling heeft toegepast voor :

1\. zeven leveringen tijdens de maand april 1998 ten belope van … BEF in totaal aan **C. C. E.** gevestigd te …, …, …, voor de toepassing van de BTW geregistreerd onder het nummer GB …; en

2\. één levering tijdens de maand maart 1998 ten bedrage van … BEF aan **D. T. F.** SARL, gevestigd te …, …, voor de toepassing van de BTW geregistreerd onder het nummer FR ….

Vermits appellante niet vrijwillig tot betaling van de gevorderde BTW overgaat, vaardigt de heer **L. V. D. B.**, waarnemend eerstaanwezend Inspecteur, rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Mechelen, op 21 juni 2000 een dwangbevel uit.

Dit dwangbevel wordt op 30 juni 2000 betekend aan appellante door tussenkomst van Mter **D. D.**, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder met standplaats te …

**1.2.** Op 8 augustus 2000 doet appellante bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen verzet tegen dit dwangbevel.

Inzake de leveringen gericht aan **C. C. E.** voert appellante voor de eerste rechter aan dat deze leveringen volstrekt legaal zijn verlopen en dat de door artikel 39bis W.BTW bedoelde vrijstelling correct werd toegepast.

Daarnaast stelt appellante voor de eerste rechter dat de navordering door de Belgische BTW-administratie tot gevolg heeft dat er twee keer BTW wordt betaald; Appellante heeft naar eigen zeggen de goederen immers verworven met toepassing van Britse BTW, terwijl de Belgische BTW-administratie de vrijstelling verwerpt en alsnog de levering aan Belgische BTW onderwerpt, BTW die door appellante dient te worden betaald en niet aftrekbaar is.

Hierdoor worden volgens appellante fundamentele rechten en beginselen van het communautaire BTW-stelsel miskend, namelijk het recht op aftrek, het BTW-basisbeginsel dat enkel de eindverbruiker wordt belast en het neutraliteitsbeginsel.

Daarnaast ontstaat er volgens appellante een onrechtmatige dubbele belastingheffing die manifest strijdig is met het EG-Verdrag.

Inzake de leveringen aan **D. T. F.** SARL argumenteert appellante in de eerste plaats dat [artikel 3 van het KB nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3) van 29 december 1992 niet strikt mag worden geïnterpreteerd. Vervolgens toont appellante aan dat wel degelijk het bewijs van verzending van de goederen naar Frankrijk is geleverd.

Aangaande de opgelegde boete ten bedrage van 200 % stelt appellante dat dergelijke belastingverhoging enkel kan worden opgelegd wanneer de administratie bewijst dat de belastingplichtige het opzet heeft gehad om belasting te ontduiken, hetgeen in casu niet het geval is. In ondergeschikte orde vraagt appellante om de boete kwijt te schelden, minstens gevoelig te verminderen.

**1.3.** Het bestreden vonnis van de eerste rechter verklaart de vordering van appellante grotendeels ongegrond.

**1.3.1.** Volgens de eerste rechter heeft de klant van **C. C. E.**, namelijk **S. T.** LTD., het eigendomsrecht over de goederen verworven terwijl ze zich in de magazijnen van de NV **P.** te … bevonden. Bijgevolg zou er in de relatie tussen appellante en **C. C. E.** geen vervoer naar Engeland hebben plaatsgehad, zodat de voorwaarden om de leveringen op grond van artikel 39bis W.BTW wegens intracommunautaire levering van goederen vrij te stellen van de Belgische BTW, niet zijn vervuld.

**1.3.2.** M.b.t. de leveringen aan **D. T. F.** SARL stelt de eerste rechter dat appellante enkel over een melding van in ontvangstneming van de goederen te … beschikt, hetgeen op zich niet aantoont dat de goederen naar Frankrijk werden vervoerd.

**1.3.3.** De eerste rechter herleidde de boete tot 10 %.

**1.4.** De grieven van appellante tegen het eerste vonnis :

**1.4.1.** Volgens appellante heeft de eerste rechter het feit genegeerd dat appellante en **C. C. E.** telkens uitdrukkelijk waren overeengekomen dat appellante de goederen diende af te zetten bij **P.** te … en dat **C. C. E.** ze vervolgens (op haar kosten) naar Engeland zou laten vervoeren.

Daarnaast negeerde de eerste rechter volgens appellante de bewijskracht van de door appellante voorgelegde stukken. Zo blijkt uit de leveringsnota's die **C. C. E.** aan **S. T.** LTD. Verstuurde, expliciet dat **S. T.** LTD. Bij het vervoer van de goederen voor rekening van **C. C. E.** handelde Op voornoemde leveringsnota's wordt volgens appellante immers duidelijk voorzien dat de goederen in Londen moet worden afgeleverd.

Voorst antwoordde de eerste rechter volgens appellante niet op de grieven van appellante dat een aantal fundamentele rechten en beginselen van het communautaire BTW-stelsel werden miskend (het recht op aftrek, het BTW-basisbeginsel dat enkel de eindverbruiker wordt belast en het neutraliteitsbeginsel) en dat het standpunt van de administratie neerkomt op een onrechtmatige dubbele belastingheffing die flagrant in strijd is met het EEG­Verdrag.

**1.4.2.** M.b.t. de levering aan **D. T. F.** SARL stelt appellante dat de eerste rechter ten onrechte niet heeft aanvaard dat zij het bewijs van verzending naar Frankrijk heeft geleverd.

**1.5.** De vordering van appellante, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt als volgt :

"…

In hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Dienvolgens het bestreden vonnis zoals verleend door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, 4de fiscale kamer, op de terechtzitting van 1 maart 2004, in de zaak met rolnummer AR … te hervormen;

In hoofdorde het dwangbevel van 21 juni 2000 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de erin vermelde bedragen ten titel van BTW, geldboeten en intresten, niet verschuldigd zijn;

In ondergeschikte orde het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.

Dienovereenkomstig de opgelegde BTW-boeten kwijt te schelden, minstens verder te verminderen.

De Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in graad van beroep.

…”

**1.6.** De vordering van geïntimeerde, zoals laatst geformuleerd in besluiten, luidt meerbepaald als volgt :

> "…
>
> Het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, het vonnis in eerste aanleg te bekrachtigen wat de grond van de zaak betreft en te vernietigen wat de vermindering van de boeten betreft, appellante in hoofdberoep/geïntimeerde in incidenteel beroep in haar eis af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding ... "

## 2. Bespreking

**2.1.** de leveringen aan **C. C. E.**

**2.1.1.** Onder de BTW-wetgeving geldend voor 1 januari 1993 werd de levering gedefinieerd als het feit waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract onder bezwarende titel tot overdracht of aanwijzing van eigendom of vruchtgebruik. Deze definitie werd vanaf 1 januari 1993 vervangen. Sindsdien is een levering van een goed de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar te beschikken over een goed. Er wordt onder meer het feit bedoeld waarbij een goed ter beschikking van de verkrijger of de overnemer wordt gesteld ingevolge een contract tot overdracht of aanwijzing (art. 10 W.BTW).

De nieuwe definitie is ruimer dan de oude definitie. Bovendien is de nieuwe definitie een meer letterlijke omzetting van [art. 5 van de Zesde BTW-Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5). Als levering van een goed wordt beschouwd de overdracht of de overgang van de macht om als eigenaar over een lichamelijke zaak te beschikken. Door de Europese rechtspraak werd deze definitie verder uitgelegd. Dit begrip "levering van een goed" verwijst niet naar de eigendomsoverdracht in de vormen voorzien door het toepasselijke nationale recht, maar naar elke overdracht van een lichamelijke zaak waardoor de overnemer feitelijk over het goed kan beschikken alsof hij er eigenaar van was, zelfs als de juridische eigendom niet is overgedragen (H.v.j., 8 februari 1990, SAFE, zaak [C-320/88](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-320-88-arrest), *Jur. H.v.J.*, 1990, I, 285, *F.J.F.*, nr. 90/51; *Fisc. Koer.*, 1990, 267).

De levering is aan geen enkele vormvoorwaarde gebonden.

Deze zodanig gedefinieerde levering wordt belast - behoudens in het geval van een vrijstelling - wanneer zij in het binnenland plaatsvindt.

**2.1.2.** De litigieuze leveringen gebeurden telkens volgens hetzelfde stramien.

Appellante levert de goederen af bij de transportfirma **P.** te …-….

De afspraak met haar Britse klant (**C. C. E.**, zijnde de handelsbenaming van **S. B. M.**) is dat deze laatste instaat voor de verzending van de goederen naar Groot-Brittanië.

Terwijl de goederen zich nog bij de transportfirma **P.** te …-… bevinden, verkoopt de Britse afnemer van appellante (voormelde **C. C. E.**, zijnde de handelsbenaming van **S. B.**) deze goederen door aan zijn (eveneens Britse) klant **S. T.** LTD.

Volgens appellante gebeurt deze tweede levering op Britse bodem, terwijl de klant van appellante (**C. C. E.**, zijnde de handelsbenaming van **S. B. M.**) de goederen heeft uitgevoerd binnen het kader van de eerste levering.

Volgens de administratie heeft de (in casu litigieuze) eerste levering (van appellante aan **C. C. E.**) plaatsgevonden in België vermits zelfs de tweede levering (van de Britse klant **C. C. E.** aan zijn Britse afnemer **S. T.** LTD.) reeds plaatsvond in België.

Verweerder verwijst naar de faxberichten (o.m. stukken F5 en G3 van appellante) uitgaande van **S. T.** LTD. naar de transportmaatschappij **P.** te …-… waarbij **S. T.** LTD. duidelijke instructies geeft aan de transportmaatschappij **P.** omtrent de aldaar door appellante geplaatste goederen.

Hierdoor blijkt duidelijk dat **S. T.** LTD. zich reeds gedraagt als feitelijke "machthebber" over de litigieuze goederen, en kan er dan ook aangenomen worden dat inderdaad de tweede levering nog geschiedde op het moment dat de goederen nog aanwezig waren in België, zodat de litigieuze eerste levering zich zeker situeert in België.

De Belgische BTW is dan ook verschuldigd.

Het feit dat er (verkeerdelijk) in Groot-Brittannië BTW is betaald (met dubbele betaling van BTW tot gevolg) doet hieraan geen afbreuk.

De argumentatie van appellante nopens de beweerde schendingen van BTW-principes zijn terzake niet relevant, nu een vergissing in Groot-Brittannië aldaar dient te worden geregulariseerd en niet op de conto van de Belgische administratie dient te worden geschreven.

De argumentatie van appellante dat, zelfs met betaling van BTW in België, het eigenlijk op hetzelfde neerkomt (door verrekeningen achteraf) is in casu evenmin relevant, nu de BTW-regelgeving uiteraard dwingend is en aan de BTW-belastingplichtigen niet toelaat om vrij te gaan kiezen waar zij nu willen BTW betalen of niet.

### 2.2. de levering aan D. T. F. SARL

Terecht stelt de eerste rechter dat appellante enkel over een melding van in ontvangst neming beschikt te …, op de leveringsnota aangebracht door de Franse afnemer, zonder meer (stuk 0.2. appellante).

Dit toont inderdaad niet aan dat die goederen na die in ontvangstneming zijn vervoerd buiten België (art [1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) KB nr. 52).

### 2.3. de boete

Terecht oordeelde de eerste rechter dat bewuste medewerking aan fraude van appellante niet is bewezen en tevens terecht herleidde de eerste rechter de boete tot 10 %.

### 2.4. de kosten

Terecht heeft de eerste rechter de dagvaardingskosten ten laste van appellante gelegd, nu de rechtsingang bij (kosteloos) verzoekschrift had kunnen gebeuren.

### 2.5. Besluit

Gelet op het voorgaande, zijn de overige argumenten en middelen niet (langer) relevant.

Het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beslissing.

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave in conclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ZES DECEMBER TWEEDUIZENDENVIJF**,

waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.** en **M. V. d. B.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Voorzitter **R. T.** en Raadsheer **S. B.**, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, worden deze magistraten, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer **D. W.** en Raadsheer **S. B.** hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van **6 december 2005**.

**A. V. L.** **M. V. D. B.** **S. B.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 52 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 5](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-5) 1 voorkomen

[320/88, arrest van 8 februari 1990](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-320-88-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Inrichtingswerken, Aftrek, Overdracht van het handelsfonds, Onroerende verhuur, Herziening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/inrichtingswerken-aftrek-overdracht-handelsfonds-onroerende-rechtbank-luik-2021-02-15-9d0e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijgestelde intracommunautaire leveringen, Uitwisseling van informatie tussen lidstaten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijgestelde-intracommunautaire-leveringen-uitwisseling-hof-van-beroep-luik-2025-02-17-6a43) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 16 november 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechtbank-gent-2011-11-16-0de3) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling, belastbaarheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-brugge-2011-01-03-1032) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanslag in de PB, administratie van de bijzondere belastinginspectie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-aanslag-in-pb-administratie-rechtbank-namen-2017-02-15-1f39) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek van de btw op onroerende werken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-btw-onroerende-werken-overdracht-hof-van-beroep-luik-2023-12-08-3261) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Vervoer van organen van menselijke oorsprong](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-vervoer-organen-menselijke-oorsprong-cassatie-brussel-2009-06-18-3e23) 1 gemeenschappelijke bepalingen
