---
title: "8 november 2010 · Werkingssfeer, levering van goederen · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Werkingssfeer, levering van goederen, belastbaar feit, opeisbaarheid van de belasting, dienst. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 8 november 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbaar-feit-rechtbank-gent-2010-11-08-fbf1"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, levering van goederen, belastbaar feit · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

8 november 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

126 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 08.11.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 NOVEMBER 2010

**Rolnummer 04/2452/A**

In de zaak van :

**1.** **L. F. QQ**, wonende te …, …, in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de CV **B. A.**BE. voorheen de CV **L.** F & CO **C.**, waarvan de vennootschapszetel destijds gevestigd was te …, … en met ondernemingsnummer …, in staat van faillissement verklaard bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde d.d. 29 oktober 2007,

**Eiser qq., verweerder in gedwongen tussenkomst,**

voor wie optreedt mr. **Y. V.**, advocaat te …, ….

**2. L. F.**, wonende te …, …,

**3. V. K. L.**, bediende, wonende te …, …,

**4. D. D. J., M.**, gepensioneerde, wonende te …, ….

**eisers,**

voor wie eveneens optreedt mr. **Y. V.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Dendermonde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9200 Dendermonde, Begijnhoflaan 49 en de Administratie van Belastingen en Invordering, sector BTW, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor Aalst, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Graanmarkt 1,

**verweerder, eiser in gedwongen tussenkomst,**

voor wie optreedt mr. **E. V. A.**, advocaat te …, ….

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 11 oktober 2010 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het geding inleidend verzoekschrift op tegenspraak van 21 juni 2004, de dagvaarding in gedwongen hervatting van geding d.d. 12 februari 2009, de conclusies van partijen en hun stukkenbundels.

## 2. DE VORDERING

Eisers verhalen zich tegen het dwangbevel dat op 4 december 2003 werd opgesteld door de heer **B. M.**, eerstaanwezend inspecteur ai., Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Aalst, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 9 december2003 door de heer **L. V. M.**, eerstaanwezend inspecteur ai. van de BTW-Controle te Dendermonde I, daartoe aangewezen door de Gewestelijke Directeur. van de Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen te Gent, en op 10 december 2003 werd overgemaakt aan de toenmalige e.v. **L.** F & CO CONSULTING, om haar vervolgens bij deurwaardersexploot van 15 juni 2004 te worden betekend. tot beloop van een bedrag van achtereenvolgens 34.570,01 EUR als belasting over de toegevoegde waarde, 4.550,00 EUR geldboete en de interest van 0,80 % per maand vertraging, begroot op de verschuldigde BTW vanaf 21 januari 2003.

Eisers vorderen de rechtbank bovenvermeld dwangbevel ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het bedrag er in vermeld ten titel van rechten, boeten. kosten en interesten niet verschuldigd is.

Dienvolgens verzoeken zij de rechtbank tevens te oordelen dat verweerder gehouden is tot integrale terugbetaling aan eerste eiser qq. van alle reeds betaalde sommen en ingehouden bedragen, zowel in hoofdsommen, interesten als kosten, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding.

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Bij onderhandse akte d.d. 10 november 1988 richtten tweede, derde en vierde eiser samen de e.v. **L.** F & CO **C.** op, waarvan de maatschappelijke activiteit bestond uit dienstverlening als accountant en consultant.

Op 8 september 2003 werd door de administratie een controle aangekondigd bij de vennootschap, welke plaats vond op 25 september 2003. Voorwerp van de controle waren de BTW-verrichtingen over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2002.

Op 25 september 2002 verzond verweerder een regularisatieopgave aan de CV **L.** F & CO **C.**, met opgave van een aantal door de bevoegde ambtenaar vastgestelde inbreuken op de BTW-wetgeving. De CV **L.** F & CO *C.* zou dienvolgens nog een saldo van 34.570,01 EUR achterstallige BTW verschuldigd zijn, meer geldboete en interesten.

De CV **L.** F & CO **C.** consulteerde daarop een raadsman die bij brief van 16 oktober 2003 te kennen gaf niet te kunnen instemmen met de vermeende inbreuken.

Verweerder wees het bezwaar van de vennootschap af in een daaropvolgend schrijven van 22 oktober 2003, en gunde haar nog tot 7 november 2003 de tijd om haar akkoord te bevestigen.

De raadsman van de CV **L.** F & CO **C.** repliceerde evenwel op 10 november 2003 dat zijn cliënte hier niet kon op ingaan.

Verweerder liet vervolgens op 24 november 2003 een kopie van het proces-verbaal betekenen.

Op 10 december 2003 werd een afschrift van het op 4 december 2003 uitgevaardigde en op 9 december 2003 geviseerde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel ter kennisgeving verzonden aan de CV **L.** F & CO **C.**.

Op 15 juni 2004 werd het exploot betekening-bevel door gerechtsdeurwaarder **V. D.** ter hand gesteld aan de CV **L.** F & CO **C.**, evenals tweede tot en met vierde eiser.

Bij verzoekschrift van 21 juni 2004 hebben eisers hun grieven tegen het dwangbevel gebundeld en de zaak aldus aan deze rechtbank voorgelegd.

Nadat de vennootschap bij naamswijziging was omgedoopt tot de CVBA **B. A.**.BE, werd deze bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde van 29 oktober 2007 in staat van faillissement verklaard.

Bij vonnis van 1 oktober 2008 werd het faillissement gesloten verklaard bij gebrek aan actief en werd eerste eiser aangesteld als vereffenaar.

Bij exploot van 12 februari 2009 werd eerste eiser qq. ten verzoeke van verweerder gedagvaard in gedwongen hervatting van geding.

## 4. BEOORDELING

*4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid. die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt. is de vordering van eisers ontvankelijk.

*4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak*

Voor wat betreft de toepassing van artikel 45 W.BTW en [artikel 3 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969.

4.2.1. Eisers zijn van oordeel dat de twee interne nota's, opgemaakt op grond van een overeenkomst tussen de toenmalige CV **L.** F & CO **C.** en de BVBA **F. L.** d.d. 30 september 2000, wel degelijk voldoen aan alle vereisten inzake aftrek van de BTW.

Op grond van artikel 22, § 2, 3 e alinea W.BTW wordt de belasting of het desbetreffende gedeelte daarvan immers opeisbaar op het tijdstip waarop de prijs of een deel ervan volgens het contract moet worden voldaan, wanneer dat tijdstip voorafgaat aan de tijdstippen bepaald in de vorige leden van dit artikel.

Eisers vestigen vervolgens de aandacht op het artikel 3 van de overeenkomst. dat per 31 december 2000 betaling voorschreef van een bedrag van 37.184.03 EUR en per 31 maart 2001 van de som van 14.873,61 EUR.

4.2.2. Verweerder stelt hier tegenover dat de belastingplichtige voor het recht op aftrek volgende elementen moet bewijzen (artikel 45 W.BTW) :

\- dat het recht op aftrek bestaat, dwz dat de goederen en diensten waarop de belasting drukt zijn aangewend voor de in artikel 45 W.BTW bedoelde handelingen;

\- dat het recht op aftrek is ontstaan ([artikel 2 KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art2));

\- dat de belastingplichtige voor de goederen/diensten in het bezit is van een factuur, opgemaakt conform [artikel 5 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) van 29 december 1992.

Verweerder wijst erop dat de contractuele vergoedingen. door eisers aangehaald. ingevolge de ontbindende voorwaarde uit artikel 4 van het contract. pas betaald moeten worden wanneer deze voorwaarde niet langer kan worden ingeroepen, hetzij oktober 2005. Waar de CV **L.** F & CO **C.** derhalve op respectievelijk 31 december 2000 en 31 maart 2001 schuldenaar wordt van de bedoelde sommen, werd de verplichting tot betaling pas vastgesteld op het tijdstip waarop de ontbindende voorwaarde niet langer kan worden ingeroepen.

Verweerder vervolgt dat, op grond van artikel 22 W.BTW de belasting aan de zijde van de BVBA **F. L.** opeisbaar wordt op 31 december 2000 en 31 maart 2001 en deze vennootschap ertoe gehouden is uiterlijk de vijfde werkdag van de daaropvolgende maand een factuur uit te reiken.

De interne nota's waar eisers zich op beroepen, zijn evenwel geen facturen in de zin van artikel 53, 2° W.BTW, aldus verweerder. Niet alleen werden deze stukken niet door de dienstverrichter uitgereikt, zij dragen bovendien geen factuurnummer, noch enige verdere identificatie van de dienstverrichter.

Bij gebrek aan het voldoen aan de voorwaarden van artikel 45 W.BTW en artikel 3, § 1, 1° W.BTW kan het recht op aftrek dus niet verricht worden, althans volgens verweerder. De bepalingen inzake het tijdstip waarop de belasting verschuldigd is. zou eisers nog niet machtigen om zelf een "factuur" op te stellen. Bij gebrek aan een factuur van de dienstverrichter kunnen eisers volgens verweerder onmogelijk staande houden dat hierop aan hun zijde belasting werd geheven.

4.2.3. Artikel 45, § 1 W.BTW bepaalt dat elk belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en diensten. van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in aftrek mag brengen in de mate dat·hij de goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van handelingen bedoeld in artikeI 45, § 1, 1° tot 5° W.BTW.

Om zijn recht van aftrek te kunnen uitoefenen moet de belastingplichtige overeenkomstig [artikel 3, § 1,1° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969 in het bezit zijn van een regelmatige factuur, uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, § 2 en 53octies W.BTW en waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in [artikel 5, § 1 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) met betrekking tot de regeling voor voldoening van de BTW.

De dienstverrichter of leverancier van goederen moet bijgevolg een factuur uitreiken. waarop worden vermeld : de datum van uitreiking en een opeenvolgend nummer, de naam of maatschappelijke benaming van de dienstverrichter/leverancier. het adres van diens administratieve of maatschappelijke zetel, diens BTW-nummer, de naam/maatschappelijke benaming, adres en BTW-identificatienummer van de medecontractant, de datum waarop het belastbaar feit heeft plaatsgevonden of de datum van incassering van de prijs of een deel ervan, de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en het tarief van de belasting vast te stellen, de maatstaf van de heffing, evenals de tarieven en het totaalbedrag van de verschuldigde belasting.

Door eisers wordt niet betwist dat door de BVBA **F. L.**, als dienstverrichter aangeduid in de overeenkomst van 30 september 2000, geen facturen werden uitgereikt.

Het is in dit geval integendeel de mede-contractant van de dienstverrichter geweest, de toenmalige CV **L.** F & CO **C.** zelf die op grond van de overeenkomst stukken heeft uitgereikt, door haarzelf betiteld als "interne nota's". Deze stukken bevatten evenmin alle hierboven aangehaalde vermeldingen, voorgeschreven door de wet om als schuldenaar van de factuur van de aftrek te kunnen genieten. In de nota's vindt men behalve de datum van uitgifte enkel een summiere verwijzing naar het contract, de vermelding van een hoofdsom en een BTW-bedrag aan het tarief van 21 % (cf. stukken nrs. 10 eisers). Van de dienstverrichter zelf vindt men in deze stukken geen enkel gegeven terug.

Aangezien eisers derhalve niet beschikken over de vereiste facturen met opgave van de vermeldingen zoals bepaald bij artikeI 5, § 1, 1°, 2° en 6° KB nr. 1, voldeden zij niet aan de vereisten van artikel 45, § 1 en [artikel 3, § 1,1° KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) van 10 december 1969 op het ogenblik dat het recht van aftrek werd uitgeoefend.

De verwijzing door eisers naar de overeenkomst van 30 september 2000, evenals hun analyse van de artikelen 17 en 22 W.BTW is bijgevolg irrelevant, gelet op het feit dat enkel de dienstverrichter een regelmatige factuur, nodig voor de aftrek, kon uitreiken. Terecht stipt verweerder hier aan dat eisers de enkele wetsbepalingen waar zij wel aan voldoen isoleren uit het geheel, in de hoop hiermee de cruciale bepalingen waar zij niet aan beantwoorden, te verdoezelen. Alle door de wetgever ingebouwde voorwaarden voor de aftrek van BTW moeten cumulatief voldaan zijn.

Verweerder heeft dan ook terecht de interne nota's, mede gelet op de gedane vaststellingen als niet reglementair beschouwd. Bij gebrek aan reglementaire facturen afkomstig van de dienstverrichter, kon het recht op aftrek geen toepassing vinden. De door eisers gevraagde aftrek kan dan ook niet worden toegestaan.

\- Voor wat betreft de toepassing van artikel 53 en 53octies W.BTW

4.2.4. Eisers betwisten dat de factuur nr. 81 van 31 december 2001 niet in de BTW-aangifte opgenomen zou zijn en om die reden een omzetverhoging moet worden toegepast.

Eisers stellen dat de bedoelde factuur laattijdig werd opgenomen in de BTW-aangifte, meer bepaald in de aangifte van juni 2003. Dit werd volgens eisers ook aan verweerder gemeld, doch deze liet na hier rekening mee te houden.

Dergelijke houding gaat volgens eisers lijnrecht in tegen het "non bis in idem"-beginsel.

4.2.5. Verweerder merkt op dat eisers tijdens de aangekondigde controle van 25 september 2003 geen melding hebben gemaakt van enige regularisatie. De optredende ambtenaar stelde toen vast dat de factuur nr. 81 niet werd aangegeven, waarop eisers te kennen gaven dat zij dit zouden nazien.

In elk geval was de factuur op datum van de controle dus niet opgenomen in een BTW-aangifte zodat van een dubbele invordering alvast geen sprake kan zijn.

Verweerder voegt daar nog aan toe dat de vennootschap kwartaalaangiften indiende, zodat er geen aangifte voor juli 2003 kan zijn. Verder wordt nog verwezen naar het overzicht van BTW-aangiften voor 2003, waar voor het 1 e en 2 e kwartaal geen omzet werd aangegeven.

Verweerder betwist vooreerst de mogelijkheid aan de zijde van eisers om "post factum", dus na datum van controle, rechtzettingen te verrichten. Wat meer is, het blijkt naar het oordeel van verweerder nergens uit dat de omzet aangegeven in het derde kwartaal van 2003 in feite de rechtzetting uitmaakt van prestaties van 2001.

4.2.6. Uit de documenten, door beide partijen gebundeld onder het stuk nr. 11, blijkt dat de CV **F.** F & CO **C.** op kwartaalbasis haar BTW-aangifte indiende.

De zogenaamde aangifte anno juli 2003, waarmee eisers beweren het gebrek aan aangifte van de factuur nr. 81 nog voor de controle te hebben rechtgezet, werd noch aan de administratie, noch aan deze rechtbank voorgelegd. Te meer nu door de vennootschap steeds per kwartaal een aangifte werd ingediend. gaat de rechtbank er dan ook van uit dat dergelijk stuk onbestaande is.

Voor zover eisers zich dienaangaande vergist zouden hebben en in werkelijkheid de derde kwartaalaangifte voor 2003 wordt bedoeld (oktober 2003), sluit de rechtbank zich aan bij verweerder dat hieruit niet blijkt dat deze in feite de rechtzetting bevat van de bedoelde prestaties uit 2001. Het valt de rechtbank daarbij op dat eisers zelfs geen poging ondernemen om de pertinente analyse van verweerder dienaangaande te weerleggen.

Eisers falen derhalve in het bewijs van enige dubbele invordering van BTW, zodat de vordering ook op dit punt als ongegrond moet worden afgewezen.

\- Voor wat betreft de toepassing van artikel 77, § 1 en 79 W.BTW

4.2.7. Eisers stellen dat zij de drie creditnota's, uitgereikt door de BVBA **F. L.** en de ene creditnota uitgereikt door VEG **D. L.** nooit hebben ontvangen en zij er bijgevolg niet toe gehouden waren de BTW terug te storten.

Het feit dat verweerder van deze creditnota's kennis zou hebben gekregen na inzage van de belastingdossiers van deze beide entiteiten. zou hieraan geen afbreuk doen.

4.2.8. Verweerder wijst erop dat de uitreikers van de bedoelde creditnota's tegenspreken dat eisers deze niet ontvangen zouden hebben.

Daarbij wordt tevens gesignaleerd dat de zaakvoerders van de contracterende partijen broers zijn, zodat partijen uitsluitsel dienen te geven nopens de reden van het uitreiken van de bedoelde nota's.

De administratie stelde naar eigen zeggen het bestaan van de creditnota’s vast, waardoor de eertijds in aftrek genomen BTW moet worden teruggestort.

4.2.9. Krachtens art. 77, § 1 W.BTW wordt de belasting die werd geheven van een levering van goederen. van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven :

1° wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is;

2° wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan;

3° wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend;

4° wanneer de overeenkomst voor de levering van het goed of de uitvoering van de dienst verbroken is;

5° wanneer de overeenkomst minnelijk of door een in kracht van gewijsde gegane gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is;

6° wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering of de intracommunautaire verwerving van een goed door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen;

7° wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan.

Om zijn vordering tot teruggave te kunnen uitoefenen moet de leverancier of de dienstverrichter, overeenkomstig art. 79 W.BTW een verbeterend stuk opmaken met vermelding van het voor teruggave vatbare bedrag en aan de medecontractant een dubbel van dit stuk uitreiken voorzien van de vermelding *“BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin deze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht”* (zie KB nr.4 van 29.12.1969).

Heeft de medecontractant deze belasting in aftrek gebracht, dan moet hij ze aan de Staat terugstorten door ze op te nemen in het bedrag van de verschuldigde belasting met betrekking tot de periode waarin hij het verbeterend stuk heeft ontvangen.

Uit de stukken kan worden afgeleid dat de BVBA **F. L.** boekhoudkundige diensten verrichte voor de CV **L.** F & CO **C.**. Ook de VEG **D. L.** heeft diensten verricht ten bate van deze laatste vennootschap.

Wat de VEG **D. L.** betreft, stelt de rechtbank vast dat de creditnota als dusdanig niet voorligt en. verweerder zich klaarblijkelijk uitsluitend heeft gebaseerd op een uittreksel uit het verkoopdagboek van deze vennootschap (stuk 12 verweerder). Dit stuk volstaat voor de rechtbank op zich niet als bewijs dat de CV **L.** F & CO **C.** een dubbel van de creditnota heeft ontvangen met vermelding van het terug te storen bedrag, vereist om aan haar verplichtingen op grond van artikel 79 W.BTW te kunnen voldoen. Evident kan de belastingplichtige pas een inbreuk begaan op de verplichting tot het terugstorten van BTW indien hij weet heeft van de annulatie van de factuur aan de hand van een creditnota. Het komt aan de administratie toe om het bewijs van deze wetenschap te leveren.

Voor wat de BVBA **F. L.** betreft, worden de bedoelde creditnota's weliswaar voorgelegd, doch dit bewijst andermaal op zich niet dat hiervan een dubbel werd overgemaakt aan de mede-contractant. teneinde deze in staat te stellen de BTW terug te storten. Waar de beide vennootschappen op dit punt tegenovergestelde verklaringen afleggen, is het de rechtbank niet duidelijk waarom verweerder meer geloof hecht aan de stelling van de BVBA **F. L.**. Deze laatste heeft er immers een direct en persoonlijk belang bij om te beweren dat een verbeterend stuk conform de wet werd uitgereikt, nu dit een voorwaarde uitmaakt om de vordering tot teruggave te kunnen uitoefenen.

Een niet onbelangrijk element dat in het voordeel van eisers pleit, is het feit dat de creditnota's niet werden teruggevonden bij de controle op de zetel van de voormalige CV **L.** F & CO **C.**. Te oordelen op basis van het dossier, waren deze enkel beschikbaar bij de vermeende uitreikers ervan, van wiens dossier verweerder zich heeft bediend om de gegevens van de CV **L.** F & CO **C.** te onderzoeken. Deze vaststelling strookt met de bewering van eisers dat zij de bedoelde stukken nooit ontvangen hebben.

De vordering van eisers wordt op dit punt derhalve gegrond verklaard.

\- Voor wat betreft de toepassing van artikel 70, § 1 W.BTW

4.2.10. Eisers argumenteren dat de opgelegde boetes onwettig zijn, nu in geen enkel opzicht sprake zou zijn van kwade trouw.

4.2.11. Verweerder preciseert dat de boete telkens overeenkomstig de wettelijke regeling ter zake werd vastgesteld.

4.2.12. Artikel 84, derde lid W.BTW voorziet dat het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten. bepaald worden volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die, rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid. zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid. de vergissing of de onzorgvuldigheid.

De tabellen tot vermindering van deze boeten vastgelegd bij KB nr. 41 in uitvoering van artikel 84 W.BTW. zijn uitsluitend van toepassing wanneer de inbreuk niet begaan werd met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Op grond van artikel 1, 1° van voormeld KB nr. 41, genomen ter uitvoering van de artikelen 70, 71 en 84 van het W.BTW. wordt in tabel G en H van de bijlage van dit KB, aan de belastingplichtige van de belasting een verminderde boete opgelegd van 10 % van de verschuldigde belasting bij gebrekkige toepassing van de BTW-reglementering.

De geldboete werd derhalve overeenkomstig de wettelijke regelen bepaald en werd op een redelijke en evenredige wijze vastgesteld op 10 %, met dien verstande dat de boete niet verschuldigd is voor wat de vermeende inbreuk op artikel 77, § 1 W.BTW betreft. bij gebrek aan bewijs hiervan.

\- Voor wat betreft de kosten van het geding

4.2.13. Nu partijen lastens elkaar wederzijds in het ongelijk werden gesteld, past het de kosten onder hen te verdelen.

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van het bestreden dwangbevel en de vordering van eisers tot de ongegrondverklaring hiervan, in de schijf van 40.000.01 tot 60.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg 2.500.00 EUR.

Nu de vordering van eisers wordt ingewilligd ten belope van 12.353,31 EUR BTW en de overeenstemmende boete van 1.235,33 EUR, wordt de vordering van eisers cijfermatig ten belope van ongeveer 1/3 ingewilligd, zodat het passend voorkomt hem te veroordelen tot 2/3 van de kosten aan de zijde van verweerder, die op haar beurt 1/3 van eiser zal dragen.

Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eisers ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Verklaart het lastens eisers dwangbevel dat op 4 december 2003 opgestelde en op 9 december 2003 geviseerde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel ongegrond doch enkel voor wat betreft de op grond van inbreuken op artikel 77, § 1 W.BTW aangerekende BTW ten bedrage van 12.353,31 EUR en de proportioneel hierop berekende boete ten bedrage van 1.235,33 EUR.

Beveelt dienvolgens de terugbetaling door verweerder aan eerste eiser qq. van de op basis van bovenvermeld onderdeel van het dwangbevel ingehouden of gevorderde bedragen, zowel in hoofdsom, interesten als in kosten.

Wijst de vordering voor het overige af als ongegrond.

Veroordeelt eisers tot 2/3 van de kosten van het geding en verweerder tot 1/3 van de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van eisers : de basisrechtsplegingsvergoeding : 2.500,00 EUR;

\- aan de zijde van verweerder : de basisrechtsplegingsvergoeding : 2.500,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **acht november tweeduizend en tien**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. D. C.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. D. C.**

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 2 voorkomens

[KB nr. 3 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafdossier, Inzage, Verjaring, Rechten van de verdediging, Aftrek, Neutraliteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafdossier-inzage-verjaring-rechten-verdediging-hof-van-beroep-luik-2020-04-24-5cae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, factuur, valse factuur, fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-factuur-fraude-rechtbank-luik-2019-12-16-60c7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Tegoed op de rekening-courant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-tegoed-rekening-courant-rechtbank-brussel-2023-01-18-76d4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-boete-btw-fiscale-hof-van-beroep-antwerpen-2021-01-19-8d4d) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onnauwkeurige-onregelmatige-facturen-rechtbank-brussel-2023-06-09-982e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
