---
title: "Werkingssfeer, invoer · Hof van beroep te Gent, 23 mei 2006"
description: "Werkingssfeer, invoer, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, belastbaarheid. Hof van beroep te Gent (België), 23 mei 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-invoer-vrijstelling-uitvoer-intracommunautaire-hof-van-beroep-gent-2006-05-23-2a3b"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, invoer, vrijstelling, uitvoer, intracommunautaire handeling, belastbaarheid · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

23 mei 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

92 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 23.05.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent 5****e** **kamer, terechtzitting van 25-05-20O6**

Nr. **2005/AR/1868**

in de zaak van :

**C. S. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

**appellante,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **C. K.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de E.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1/1,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. S. L.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. Procedure

Bij verzoekschrift van 15 juli 2005 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vierde kamer, op 4 april 2005 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de appellante gedeeltelijk gegrond bevonden met veroordeling van de partijen tot het betalen van hun eigen gerechtskosten. In het bijzonder werd het bestreden dwangbevel ongegrond bevonden voor een bedrag van … EUR BTW en … EUR administratieve geldboete.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het bestreden dwangbevel integraal vernietigd wordt en dat de uitwinningsmaatregelen die de geïntimeerde op grond van het dwangbevel genomen heeft, nietig verklaard worden met voorbehoud voor de door de appellante opgelopen schade. De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis met veroordeling van de appellante tot de gerechtskosten van het hoger beroep.

## 2. Feitelijke gegevens

De appellante is BTW-belastingplichtige. Haar bedrijfsactiviteit bestaat uit het controle van de lading bij het lossen van schepen.

Uit een controle voor de jaren 1998 en 1999 volgde een regularisatievoorstel voor de BTW. De appellante kon daarmee niet akkoord gaan. Dat gaf aanleiding tot het opstellen van een proces­verbaal van de vastgestelde inbreuken met vermelding van de verschuldigde BTW, boeten en intresten op 29 november 2001. Het betrof inbreuken op artikel 41, § 1, 5° W.BTW. In het bijzonder werd vooropgesteld dat de appellante ten onrechte haar prestatie voor lossingscontrole met vrijstelling van BTW zou hebben gefactureerd, voorhoudend dat het ging om nazicht van goederen die het voorwerp waren van :

\- hetzij vervoer van goederen dat rechtstreeks verband houdt met de uitvoer van goederen buiten de Europese Gemeenschap;

\- hetzij vervoer van goederen die vallen onder ofwel tijdelijke douaneopslag, ofwel tijdelijke, van invoerrechten vrijgestelde invoer, ofwel vrije zones of vrije entrepots, ofwel douane-entrepots, ofwel actieve veredeling met schorsing ofwel onder een regeling inzake de in de territoriale zee toegelaten goederen voor boor- en werkeilanden, ofwel onder een andere regeling van entrepot dan douane-entrepot

Bij gebrek aan betaling werd door de geïntimeerde, onder verwijzing naar RCIV-nummer … op naam van de appellante op 6 december 2001 een dwangbevel opgemaakt waarin de volgende bedragen verschuldigd werden verklaard :

\- … BEF of … EUR BTW,

\- … BEF of … EUR administratieve geldboete,

\- … BEF of … EUR interest op de BTW meer de bijkomende interest vanaf 21 december 2001 op de BTW,

\- de wettelijke interest op de boete en

\- de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd op 12 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens op 17 december 2001 per aangetekende brief ter kennis gebracht van de appellante.

Met de dagvaarding van 28 december 2001 tekende de appellante tegen dat dwangbevel verzet aan voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge. De appellante vroeg het dwangbevel integraal te vernietigen. In de loop van de procedure werden bijkomende stukken voorgelegd op grond waarvan de geïntimeerde zijn akkoord betuigde met een vermindering van de schuld voor een bedrag van … EUR BTW en … EUR geldboete.

Bij vonnis van de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge van 4 april 2005 werd de vordering van de appellante gedeeltelijk gegrond verklaard, met name in zoverre de schuld uit het bestreden dwangbevel ongegrond bevonden werd voor een bedrag van … EUR BTW en … EUR administratieve geldboete.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft aangetekend.

## 3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1.

De appellante voert aan dat de eerste rechter zijn oordeel onvoldoende motiveerde, met name door onvoldoende in te gaan en dus te antwoorden op de onderscheiden argumenten van de appellante.

Ten gronde stelt de appellante dat zij wel aanvaardt dat ze het bewijs van de door haar ingeroepen vrijstelling moet leveren, maar dat die bewijslast door de geïntimeerde veel te stringent wordt opgevat, terwijl hij in alle ernst en redelijkheid moet worden ingevuld overeenkomstig dat wat normaal kan verwacht worden. Binnen dat kader benadrukt de appellante dat zij de lossingscontrole uitvoert zonder dat zij over douanedocumenten beschikt. Volgens de appellante is zij veelal onwetend over de herkomst van de goederen en de verdere reisroute (met inbegrip van de juridische kwalificaties zoals opslag doorvoer...).

De appellante stelt dat zij feitelijk niet of nauwelijks in de mogelijkheid is om aan de nodige bewijsdocumenten te geraken. Zij verwijst daarvoor naar het feit dat de geïntimeerde - op de bij tussenvonnis gestelde vraag - slechts een deel van de administratieve geleide documenten (AGD's) kon voorleggen, namelijk deze voor leveringen van orthoxyleen, terwijl de AGD's voor isobutanol, N-butanol enz. nog steeds ontbreken. De appellante stelt dat, als het voor de geïntimeerde al zo moeilijk is om de documenten te bekomen, het dan voor haar nog veel moeilijker is. Daar komt volgens de appellante bij dat haar opdrachtgever, de NV **E.** in vereffening werd gesteld, dat één van de scheepsagenten aan wie bepaalde douanedocumenten moesten overhandigd worden, namelijk de firma S.T.S., failliet verklaard werd en dat de documenten die zij zelf nog voorlegt, slechts bij toeval nog konden worden bemachtigd via een gewezen werknemer van de NV **E.**.

De appellante beroept zich vervolgens op een bewijs met vermoedens. Daartoe baseert zij zich op de volgende feiten :

• haar toenmalige opdrachtgever, de NV **E.**, had een machtiging als erkend entrepothouder voor het verwerken, voorhanden hebben, ontvangen en verzenden van minerale oliën;

• de taak van de appellante maakte deel uit van de vervoeropdracht die door anderen (**E.** en haar zakenpartners) afgesproken was (zoals weergegeven in een organigram, destijds opgesteld door de NV UCB­FTAL);

• dat vervoer had betrekking op goederen die onder een regeling van douane-entrepots geplaatst was.

Daaruit leidt de appellante af dat haar diensten van lossingscontrole betrekking hadden op goederen die waren ingevoerd overeenkomstig artikel 23, § 4, 5° W.BTW, met name onder douane-entrepot In hoofdorde roept zij de vrijstelling in overeenkomstig artikel 41, § 1, 5° W.BTW; subsidiair meent ze recht te hebben op vrijstelling op grond van artikel 40, § 2, 2° W.BTW.

De appellante zet haar argumenten kracht bij door het voorleggen van een aantal T1-documenten, een oorsprongscertificaat en een meetrapport (haar ter beschikking gesteld door een gewezen werknemer van de NV **E.**); zij stelt dat die documenten aantonen dat het steeds om goederen ging waarvoor de vrijstelling toepasselijk was.

Volgens de appellante deed ze, toen ze met vrijstelling van BTW factureerde, niets anders dan de instructies opvolgen die haar door de rechtsvoorganger van de NV **E.** werden gegeven en neergeschreven zijn in haar stuk 6.

De appellante stelt verder dat de goederen waarop haar prestaties betrekking hadden, vrijwel uitsluitend uit het buitenland en zelfs van buiten de EG kunnen komen. Voor haar zou het daarom ook moeilijk of onmogelijk geweest zijn om de exacte oorsprong van de behandelde goederen te achterhalen.

Volgens de appellante heeft de geïntimeerde ook geen volledig gevolg gegeven aan de vraag van de eerste rechter om de douanedocumenten met betrekking tot de goederen waarop de betwisting slaat, voor te leggen.

De appellante voert nog aan dat, mocht zij de BTW hebben aangerekend, de NV **E.** op haar beurt die BTW zou afgetrokken en zelfs teruggevorderd hebben vanwege de geïntimeerde

3.2.

De geïntimeerde benadrukt dat het aan de appellante is om haar recht op vrijstelling te bewijzen.

Wat de vrijstelling op grond van artikel 41, § 1, 5° W.BTW aangaat, beroept de geïntimeerde zich op [artikel 1 van het KB nr. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-6-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-19bc#ar6-art1) van 27 december 1977 en stelt dat de appellante stukken en bescheiden moet voorleggen; hij stelt dat voor de activiteit van controlelossing daartoe bij uitstek een order van de opdrachtgever kan worden voorgelegd waarin opgedragen wordt om met vrijstelling van BTW te factureren. Dat is volgens de geïntimeerde geen onredelijk zware bewijslast. Bij gebrek aan dat bewijs, kan volgens de geïntimeerde de vrijstelling aan de appellante niet worden toegekend, met uitzondering van de bedragen waarvoor het bestreden vonnis al de vrijstelling erkende.

Aangaande de vrijstelling van artikel 40, § 2, 2° W.BTW verwijst de geïntimeerde naar artikel 64, § 2 W.BTW dat het vermoeden stelt dat hij die diensten verricht, behoudens tegenbewijs, geacht wordt dat gedaan te hebben onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt Vanuit die optiek aanvaardt de geïntimeerde niet dat haar zou opgelegd worden om documenten voor te leggen.

De geïntimeerde laat opmerken dat de gerechtelijke ontbinding van de NV **E.** pas op 19 juli 2001 gebeurde, terwijl de correctieopgave al van 27 maart 2001 dateerde. De geïntimeerde stelt dat de appellante, nu zij zelfs aanvoert de bewijzen voor een vrijstelling niet in haar bezit te hebben gehad, hoe dan ook zich niet kon veroorloven om met vrijstelling van BTW te factureren.

Volgens de geïntimeerde levert de appellante ook geen onrechtstreeks bewijs van haar recht om met vrijstelling van BTW te factureren. Hij laat daarvoor het volgende gelden :

• Het feit dat de NV **E.** voor bepaalde goederen een entrepotvergunning had, volstaat niet om te besluiten dat er recht op vrijstelling was; de vrijstelling sloeg niet op alle behandelde producten; zelfs voor de vergunde producten geldt dat een opschortende accijnsregeling, nog niet betekent dat er voldaan is aan de voorwaarden van BTW-vrijstelling.

• Het stuk 6 van de appellante (rondschrijven van UCB-FTAL) dateert van 12 juni 1979 en geeft geen instructies over factureren met vrijstelling van BTW.

• Voor de andere handelingen dan deze waarvoor in het bestreden vonnis - na akkoord van de geïntimeerde - het recht op vrijstelling werd erkend, is het bewijs volgens de geïntimeerde niet geleverd. De appellante zou ook n-butanol, dioctylftalaat, 2-ethylhexanol en disononylftalaat gecontroleerd hebben en van deze goederen betwist de geïntimeerde dat ze noodzakelijkerwijze zouden moeten uitgevoerd zijn.

• Een oorsprongscertificaat bewijst niets over de douanestatus van de goederen.

• Dat voor de overige leveringen steeds een T1-document aanwezig was, is niet bewezen.

• Zelfs van de transporten van goederen waarvoor AGD's worden voorgelegd, bewijst enkel dat het ging om communautaire accijnsgoederen die vervoerd werden onder opschorting van accijnzen; de appellante bewijst niet dat de leveranciers uit andere lidstaten het orthoxyleen van buiten de EG invoeren; zelfs dan nog kon het vervoerde orthoxyleen ,ondertussen) een communautair goed zijn dat zich niet meer onder één van de douaneregelingen vermeld in artikel 23, §§ 4 en 5 W.BTW bevond.

De overwegingen over het recht op aftrek van BTW door de NV **E.** en de gevolgen na de faling van die vennootschap, zijn volgens de geïntimeerde niet relevant.

Specifiek ten aanzien van de vrijstelling op grond van artikel 40, § 2, 2° W.BTW, stelt de geïntimeerde dat deze vrijstelling niet meer mogelijk is voor goederen die al in het vrije verkeer zijn gebracht. Ook hier acht de geïntimeerde het nodige bewijs niet geleverd.

## 4. Beoordeling

Zowel voor de vrijstelling op grond van artikel 41, § 1, 5° W.BTW als voor de vrijstelling op grond van artikel 40, § 2, 2° W.BTW ligt de bewijslast bij de partij die de vrijstelling inroept, zijnde appellante. Het uitgangspunt is immers dat van artikel 64, § 2 W.BTW : *Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt*.

Dat 'tegenbewijs' moet geleverd worden op een manier die de BTW­administratie toelaat op een objectieve, controleerbare wijze na te gaan wat de status was van de goederen op het moment van het vervoer toen ze door de appellante werden gecontroleerd. Gelet op het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 2 W.BTW, komt het veiligheidshalve er op aan om slechts tot facturatie met vrijstelling van BTW over te gaan wanneer de dienstverstrekker in het bezit is van de nodige documenten die de vrijstelling verantwoorden. De geïntimeerde heeft in dat verband steeds aanvaard (aanschrijving nr. 10 van 19 maart 1979, nrs. 39 tot 41) dat het volstaat dat de dienstverstrekker documenten voorlegt waaruit blijkt dat zijn opdrachtgever het order geeft om de lossingscontrole te doen met vrijstelling van BTW (voor de vrijstelling onder artikel 41, § 1, 5° W.BTW, is dat een toepassing van artikel 41, § 3, W.BTW, *jo.* [art. 1, KB nr. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-6-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-19bc#ar6-art1) van 27 december 1977, waarbij dat laatste artikel voorziet dat de Minister van Financiën bepaalt aan de hand van welke stukken en bescheiden de vrijstelling kan worden bewezen). Dat is geen onredelijk zware bewijslast. Dat de dienstverstrekker die op het moment van het opmaken van de factuur niet in het bezit is van dergelijke verantwoordingsdocumenten, het allicht moeilijker heeft om zijn recht om met vrijstelling van BTW te factureren te bewijzen, doet daaraan geen afbreuk. Dat het bewijs dat de appellante nu moet leveren, niet eenvoudig is (mede doordat de NV **E.** in vereffening werd gesteld en een van de scheepsagenten failliet ging, terwijl ze zelf geen echte contractpartij was voor de vervoeropdracht en als zodanig geen vervoerdocumenten in haar bezit kreeg), kan zij dan ook aan de geïntimeerde niet verwijten : hoewel ze niet op voorhand in het bezit was van de nodige bewijsdocumenten, heeft ze toch beslist om te factureren met vrijstelling van BTW.

Het stuk 6 van de appellante bevat weliswaar een toelichting over de opeisbaarheid van BTW maar het betreft geen instructie van de kant van het opdrachtgever, de NV **E.** (of haar rechtsvoorganger), omtrent de facturatie met vrijstelling van BTW.

De geïntimeerde aanvaardt voor een deel van de facturen dat het bewijs geleverd is dat de lossingscontrole onder artikel 41, § 5, 5° W.BTW viel. Daarover bestaat niet langer betwisting en is geen hoger beroep ingesteld.

De vraag is of de appellante voor de overige facturen het nodige bewijs levert.

Ten eerste kan het Hof niet ingaan op de - volgehouden - vraag van de appellante om de geïntimeerde op te leggen nog meer AGD's voor te leggen. Terecht stelt de geïntimeerde dat dit een omkering van de wettelijk geregelde bewijslast zou inhouden.

Ten tweede laat de geïntimeerde met reden gelden dat het enkele feit dat voor een bepaald vervoer een AGD (administratief geleide document) werd opgemaakt, nog niet toelaat zonder meer te bewijzen dat de goederen die het voorwerp uitmaken van dat vervoer, zich bevinden in een douanestatus die recht op vrijstelling van BTW verleent. De AGD’s zijn documenten met betrekking tot de accijnzen, geen BTW­documenten. Het regime van accijnzen en BTW is niet noodzakelijk gelijklopend. Goederen die onder vrijstelling van accijnzen worden vervoerd (zelfs uit een andere lidstaat) kunnen immers reeds in het vrije verkeer zijn (d.i. communautaire goederen zijn). Dat er in dat geval voor de accijnzen een AGD werd opgemaakt (en de opdrachtgever van de appellante (de NV **E.**) die goederen kon ontvangen onder dat vrijstellingsregime omdat ze erkend entrepothouder was (althans voor bepaalde goederen), impliceert nog niet dat die goederen ook onder artikel 23, §§ 4 of 5 W.BTW vielen; daartoe is immers verondersteld dat de bedoelde regelingen al gelden vanaf het binnenkomen van de goederen in de Europese Gemeenschap. Het blijft aan de appellante om dat te bewijzen en dat bewijs ligt niet voor.

In dezelfde zin is het niet relevant dat er eventueel in België geen producenten van orthoxyleen zouden bestaan : zelfs als de vervoerde (en door de appellante gecontroleerde) goederen van buitenlandse oorsprong waren, konden zij al bij aanvang van het vervoer communautaire goederen zijn (hetzij omdat ze van oorsprong zijn uit een andere lidstaat, hetzij dat ze uit een niet-lidstaat in een andere lidstaat zonder meer zijn ingevoerd). In dat opzicht kan ook het door de appellante voorgelegde oorsprongscertificaat geen relevant bewijs bijbrengen.

De appellante voert niet aan dat de betreffende facturen betrekking zouden gehad hebben op goederen die werden uitgevoerd of op goederen die onder andere entrepotregeling dan die van douane­entrepot vielen.

In de gegeven omstandigheden laat de appellante na om het nodige bewijs te leveren dat ze - voor het nog betwist gedeelte van het bestreden dwangbevel - met reden de vrijstelling van BTW toepaste. Het hoger beroep is in die omstandigheden dan ook ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op **tegenspraak**;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond;

bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten in hoger beroep, vastgesteld als volgt :

\- aan de zijde van de appellante :

\* uitgavenvergoeding … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde :

\* rechtsplegingsvergoeding … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in burgerlijke zaken, op **DRIEËNTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN ZES**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, Griffier.

**M. V.** **D. V.** **G.T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 6 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-6-december-betrekking-vrijstellingen-ten-aanzien-19bc) 2 voorkomens
