---
title: "3 mei 2011 · Werkingssfeer, dienst · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Werkingssfeer, dienst, plaats van de dienst, vrijstelling, uitvoer, invoer. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 3 mei 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-plaats-vrijstelling-uitvoer-rechtbank-brussel-2011-05-03-6a12"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, plaats van de dienst, vrijstelling, uitvoer, invoer · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

3 mei 2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

113 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 03.05.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 35****ste** **Kamer**

**AR 2002/11495/A**

*-* *BTW*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eindvonnis*

In zake van :

**De NV G. F.**, met zetel te …, …, met KBO nr. …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **S. V. H.** loco Mr. **T. A.**, advocaat met kantoor te …, ….

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie der directe belastingen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor Vilvoorde, met kantoren te 1800 Vilvoorde, Groenstraat nr. 51,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. S.**, advocaat met kantoor te …, …

In deze zaak, in beraad genomen op 1/03/2011, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken :

Gelet op :

• het verzet tegen dwangbevel betekend op 30/09/2002;

• de beschikking houdende de bepaling van conclusietermijnen genomen in toepassing van art. 747, § 2 Ger. W. d.d. 17 september 2010;

• de conclusies, aanvullende conclusies en syntheseconclusies voor verwerende partij, neergelegd ter griffie op respectievelijk 27/01/2003, 19/09/2008 en op 7/01/2011;

• de antwoord- en syntheseconclusies voor eisende partij neergelegd ter griffie op 22/11/2010;

• het bundel met stavingstukken van verwerende partij neergelegd ter zitting op 1/03/11;

• het bundel met stavingstukken van eisende partij, neergelegd ter zitting op 1/03/11;

Gehoord de partijen ter openbare zitting van 1/03/2011 waarna, de zaak in beraad werd genomen.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

Het geding heeft betrekking op een geschil inzake BTW.

N.a.v. een controle door de diensten van verweerder m.b.t. de periode 1/01/1997- 31/12/2001 werden door de optredende ambtenaar, althans naar zijn mening, inbreuken vastgesteld op de bepalingen van het W.BTW, meerbepaald zou eisende partij ten onrechte :

\- personenwagens, onderdelen en wisselstukken geleverd hebben met vrijstelling van BTW (art. 39bis, 1° W.BTW).

\- diensten, met name onderhouds- en herstellingswerken aan wagens hebben geleverd aan Luxemburgse belastingplichtigen (met vrijstelling van BTW - art. 21, § 3, 2°, b W.BTW) terwijl de betrokken wagens nooit naar Luxemburg vervoerd zouden zijn geweest.

Er werd een correctieopgave opgesteld op 30/11/2001 die voor akkoord werd ondertekend.

Verweerder kwam, na een bijkomend onderzoek op 18/02/2002 evenwel (deels) terug op deze correctieopgave op basis van informatie die zij intussen via de Luxemburgse zusteradministratie ontving en stelde een (tweede) proces-verbaal op 13 maart 2002.

Na nog een plaatsbezoek en onderzoek op 22 mei 2002 werd een (nogmaals) aangepast proces-verbaal opgesteld op 2 september 2002 ... gedateerd op 13 maart 2002.

Intussen was op 18 maart 2002 een dwangbevel uitgevaardigd door de Fiscale Administratie dat op 20 maart 2002 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 25 maart 2002 aan eisende partij werd betekend.

Volgens dit dwangbevel zou eisende partij volgende BTW schuld hebben bij verweerder :

BTW : € 513.949,95

Geldboeten : € 51.390,00

Interesten : p.m.

D.m.v. dagvaarding betekend op 30/09/2002 tekende eisende partij verzet aan tegen dit dwangbevel.

Voor de behandeling van dit geschil zijn voorts nog relevant dat eisende partij als garagebedrijf (Ferrari voertuigen) belastingplichtige is.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eisende partij strekt ertoe het dwangbevel d.d. 18/03/2002 betekend op 25/03/2002 te horen vernietigen en te horen zeggen voor recht dat de bedragen erin vermeld ten titel van BTW, geldboeten en interesten niet verschuldigd zijn.

Zij vordert tevens de veroordeling van verweerder tot de betaling van de kosten van het geding.

Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering wordt niet betwist door verweerder.

Nu er geen ambtshalve gronden van niet-ontvankelijkheid voorhanden zijn dient de vordering ontvankelijk verklaard te worden.

### 3.2. Gegrondheid

Eisende partij voert aan dat :

\- zij terecht het vrijstellingsmechanisme van art. 39bis W.BTW claimt voor wat betreft de levering van wagens en onderdelen;

\- zij terecht het vrijstellingsmechanisme van art. 21, § 3, 2° W.BTW claimt m.b.t. de levering van diensten.

*M.b.t. de bewering dat eisende partij terecht het vrijstellingsmechanisme van art. 39bis W.BTW toepaste voor wat betreft de levering van wagens en onderdelen*

Eisende partij wijst op de bepalingen van art. 39bis, eerste lid, 1° W.BTW volgens dewelke een intracommunautaire levering van goederen vrijgesteld is van BTW, de bepalingen van art. 39bis, lid 2 W.BTW luidens dewelke de Koning de voorwaarden en de beperkingen voor de toepassing van deze vrijstelling bepaalt en het KB nr. 52 d.d. 29/12/1992 dat aangeeft welke bewijzen de belastingplichtige dient voor te leggen om te kunnen genieten van de BTW-vrijstelling op intracommunautaire leveringen.

Rekening houdende met deze bepalingen heeft de Fiscale Administratie inzake een probleem met de voorwaarde dat de afnemer de hoedanigheid van belastingplichtige dient te hebben en met de voorwaarde aangaande de fysieke verplaatsing van de goederen, aldus eisende partij.

Met name blijkt uit het PV d.d. 13/03/02 dat de afnemers fictieve vennootschappen zouden zijn en dat de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen naar Luxemburg niet zou zijn bewezen.

Daarbij meent eisende partij dat de bewijslast op haar rust en dat het redelijkheidsbeginsel in acht dient te worden genomen.

Tevens mag de juiste draagwijdte van de materiële vereiste volgens dewelke goederen die intracommunautair worden geleverd en verworven naar een andere lidstaat moeten worden vervoerd of verzonden niet uit het oog verliezen (blz. 22-24 syntheseconclusies).

Eiseres argumenteert dat ze het bewijs levert dat de levering wordt uitgevoerd voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat (blz. 25-29 syntheseconclusies).

Zij argumenteert eveneens dat ze het bewijs levert van het feit dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (blz. 29-43). Wat dit betreft zijn er geen transportbewijzen omdat de koper zelf voor zijn vervoer zorgt, en zouden het voorleggen van de factuur, de bestelbon, betalingsbewijzen, een omschrijving van het voertuig, een schriftelijke verklaring van de koper en het inschrijvingsbewijs van het voertuig in het Groot Hertogdom Luxemburg dienen te volstaan als bewijs.

Specifiek m.b.t. het inschrijvingsbewijs stelt eisende partij dat een wagen om ingeschreven te kunnen worden in het Groothertogdom Luxemburg eerst door de technische controle (in het Groot Hertogdom) dient te worden gecontroleerd hetgeen noodzakelijkerwijze betekent dat het voertuig naar het Groothertogdom werd overgebracht.

Voorts stelt eisende partij dat het feit dat een aantal aankopen contant werden betaald de Fiscale Administratie niet a priori mag doen uitgaan van het feit dat er fraude zou zijn en dat de goederen niet bestemd waren om buiten België te worden vervoerd. Tot slot benadrukt eisende partij haar goede trouw doordat ze alle bewijsstukken aanbracht waarover ze redelijkerwijze kon beschikken.

M.b.t. de circuitwagens stelt eisende partij enkel over facturen te beschikken met BTW-nummer en coördinaten van de koper.

Luidens [artikel 39bis, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), zijn van de belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4.

Het koninklijk besluit nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, dat genomen is ter uitvoering van de artikelen 39bis en 40, § 1, 1°, b, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt, in artikel 1, dat de in [artikel 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) van het Wetboek bedoelde vrijstellingen afhankelijk zijn van het bewijs dat de goederen zijn verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, en, in artikel 3, dat de verkoper te allen tijde in het bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt, en die hij op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren moet overleggen, en dat die stukken onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken zijn.

Voormeld artikel 39bis is de omzetting, in het interne recht, van [artikel 28quater, A, b), van de zesde richtlijn 77/388/EEG](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater) van 17 mei 1977 van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, zoals gewijzigd door de richtlijn 91/680/EEG van 16 december 1991 van de Raad.

Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen heeft, in het arrest [C-146/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-146-05-arrest) van 27 september 2007, in de considerans nr. 31, erop gewezen dat nu uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat onmiskenbaar een intracommunautaire levering is verricht, het beginsel van fiscale neutraliteit bijgevolg vereist (...) dat wanneer aan de materiële voorwaarden is voldaan, de BTW-vrijstelling wordt verleend, zelfs wanneer de belastingplichtigen niet voldoen aan bepaalde formele vereisten. Dit zou slechts anders zijn wanneer de schending van dergelijke formele vereisten het leveren van het zekere bewijs dat aan de materiële voorwaarden is voldaan, zou hebben verhinderd".

Datzelfde arrest zegt voor recht dat "artikel 28quater, A, sub a), eerste alinea, van de (voormelde) zesde richtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat de belastingdienst van een lidstaat weigert om een intracommunautaire levering die daadwerkelijk heeft plaatsgevonden vrij te stellen van belasting over de toegevoegde waarde, alleen omdat het bewijs van een dergelijke levering niet tijdig is geleverd".

KB nr. 52 bepaalt o.m. dat :

*-* *De in* [*artikel 39bis*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) *van het Wetboek bedoelde vrijstellingen zijn afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (art. 1);*

*-* *De in* [*artikel 39bis, eerste lid, 1°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)*, van het Wetboek bedoelde vrijstelling is bovendien afhankelijk van. het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor éen niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (art. 2).*

De betwisting heeft betrekking op de vraag of de goederen het voorwerp zijn geweest van een intracommunautaire levering; in het bijzonder of de goederen naar Luxemburg werden vervoerd of gebracht en zo ja of het kortstondig verblijf in Luxemburg volstaat, en op de vraag of de levering gebeurde voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtig rechtspersoon die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

De bewijslast om aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing van de vrijstelling vervuld zijn, ligt bij degene die ze inroept.

Eisende partij vraagt toepassing van de vrijstelling en legt o.m. volgende bewijzen voor :

\- inschrijvingsbewijzen van de voertuigen in het Groot-Hertogdom Luxemburg;

\- schriftelijke verklaringen van de kopers

Verwerende partij meent dat het inschrijvingsbewijs van de voertuigen in het Groot-Hertogdom Luxemburg geen afdoend bewijs is van een intracommunautaire levering.

Eisende partij stelt terecht dat het bewijs is geleverd van dat feit geleverd door het feit dat het om nieuwe voertuigen ging die elk een (definitieve) inschrijving in Luxemburg kregen (vgl. Cassatie 4 juni 2009, www.cass.be , vgl. Gent 15 juni 2010, *T.F.R.*, nr. 392; zie ook SCHEPENS, T., 'Bewijs van intracommunautaire levering : verhelderend en enigszins verplicht, noot onder Teleos, Collee en Twoh International, drie arresten van het Hof van Justitie d.d. 27 september 2007, *T.F.R.*, 337, blz. 254 e.v. en blz. 257-258 in het bijzonder).

De inschrijving in Luxemburg van een nieuw voertuig wordt slechts toegestaan op voorwaarde dat het voertuig voorafgaand daar aan een technische controle werd onderworpen. In dat verband kan verwezen worden naar de Luxemburgse wet van 14 februari 1955, namelijk “loi du 14 février 1955, namelijk “la loi du 14 février 1955 concernant la réglementation de la circulation sur toutes les voies publiques" (wet betreffende de reglementering inzake het wegverkeer op alle openbare wegen), waar in artikel 2, § 5, 3 de lid voorzien is dat elk voertuig dat moet ingeschreven worden en aan een technische keuring onderworpen is, een bewijs van die keuring moet hebben dat nooit ouder dan twee jaar mag zijn en waar in artikel 4bis, § 1, 2 de lid, 1° bepaald wordt dat - onverminderd de bepalingen inzake periodieke controles - elk voertuig dat voor het eerst in Luxemburg wordt ingeschreven vooraf een technische controle moet ondergaan. Dat artikel luidt immers als volgt (vindplaats : www.legilux.public.lu.leg/textescoordonnes/codes/code route/LOI 14 FEVRIER 1955.pdf ) :

*Sans préjudice des dispositions relatives au contrôle technique périodique prévues au sixième alinéa du présent paragraphe, le contrôle technique d'un véhicule routier a lieu 1° avant la première immatriculation du véhicule au Luxembourg, wat de rechtbank als volgt vertaalt :*

*Onverminderd de bepalingen met betrekking lol de periodieke technische controle voorzien in het zesde lid van deze paragraaf, heeft de technische controle van een voertuig plaats : 1° vóór de eerste inschrijving van het voertuig in Luxemburg*.

Noch artikel 39bis, 1 ste lid, 2°, noch art. 1, § 6, noch [art. 28quater, A, b) van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater) bevatten een voorschrift op grond waarvan het verblijf van de geleverde voertuigen op het grondgebied van de lidstaat van bestemming (hier Luxemburg) een voldoende lange duur zou moeten hebben om van een intracommunautaire levering te kunnen gewagen.

M.b.t. de contante betalingen dient opgemerkt dat op grond van het (enkele) feit dat de verkoopprijs contant werd betaald er niet (door de Fiscale Administratie) kan van worden uitgegaan dat er fraude voorhanden zou zijn (vgl. Rb. Leuven 6 oktober 2000, *Fisc. Koer*., nr. 17 d.d. 31/10/2000).

De rechtbank is van oordeel dat m.b.t. de twee circuitwagens eisende partij te goeder trouw alle bewijselementen heeft verzameld waarover ze redelijkerwijze kon beschikken.

Blijft de vraag of de levering gebeurde voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtig rechtspersoon die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

Uit de stukken blijkt dat er voor ieder individueel dossier een overeenstemming is tussen de kopers en het BTW-nummer van de onderneming waarvoor zij optraden.

De Fiscale Administratie toont met geen enkel stuk aan dat er een probleem zou bestaan rond de BTW identificatie met één of meerdere kopers. Ook niet m.b.t. de vennootschap SA Mon-a-Lah". Uit het dossier (stukken 33, 34, 35, 36, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 79,en 3A en het schema) blijkt dat deze vennootschap in de periode 1/01/97 - 31/12/98 een regulier BTW-plichtige was.

De bedoelde voertuigen Ferrari zijn zodoende het voorwerp geweest van een intracommunautaire levering (Luxemburg) en de levering gebeurde voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtig rechtspersoon die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

De levering van de voertuigen door eiseres moeten dan ook als intracommunautaire leveringen in de zin van artikel 39bis, 1 ste lid, 2° W.BTW worden beschouwd.

*M.b.t. de onderhouds- en herstellingswerken*

Eiseres wijst dienaangaande op art. 21, § 3, 1° W.BTW volgens hetwelk de plaats van de dienstverrichting in geval, van onderhouds- en herstellingswerken de plaats van de materiële levering van de dienst is, en op de in art. 21, § 3, 2°, b daarop voorziene afwijking.

Art. 21, § 3, 2°, b bepaalt :

> *"het grondgebied van de Lid-Staat die aan de ontvanger het BTW-identificatienummer heeft toegekend waaronder de dienst aan hem is verleend, wanneer de dienst wordt verstrekt aan een ontvanger die voor de BTW is geïdentificeerd in een andere Lid-Staat dan die waarin de dienst materieel wordt verricht"*.

Nu hiervoor voor bewezen werd aangenomen dat de wagens aan Luxemburgse kopers werden verkocht en er intracommunautaire leveringen naar Luxemburg plaatshadden moet in alle redelijkheid worden aangenomen dat de voorwaarden van art. 21, § 3, 2°, b W.BTW vervuld zijn inzake.

Een transportbewijs eisen in deze zou niet redelijk zijn.

De Belgische BTW vrijstelling kan dan ook worden genoten, ook voor wat betreft de leveringen van goederen en diensten m.b.t. de wagens verkocht voor 1/01/1997.

De vordering van eisende partij dient bijgevolg gegrond te worden verklaard.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eisende partij ontvankelijk is en gegrond, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van verwerende partij.

Uit het dossier blijkt dat de waarde van de vordering zich situeert tussen € 500.000,00 en € 1.000 000,00 zodat (in toepassing van de bepalingen van het KB d.d. 26 oktober 2007) de rechtsplegingsvergoeding op € 11 000,00 dient te worden begroot.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eisende partij ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden dwangbevel d.d. 18/03/2002 betekend op 25/03/2002 en zegt voor recht dat de erin opgenomen bedragen ten titel van BTW, boeten en interesten niet verschuldigd zijn;

Veroordeelt verwerende partij tot de kosten van het geding, in hoofde van eisende partij begroot op € 11.000,00 rechtsplegingsvergoeding + € 130,02 dagvaardingskosten;

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **35****ste** **kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **3 mei 2011**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. L.**, rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. L.**

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 4 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 28quater](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-28quater) 2 voorkomens

[C-146/05, arrest van 27 september 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-146-05-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bewijs, Ontvankelijkheid van het bewijs, Regelmatigheid van het bewijs](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-ontvankelijkheid-regelmatigheid-intracommunautaire-levering-cassatie-brussel-2015-05-22-bd5e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Overbrenging van goederen naar entrepots](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overbrenging-goederen-entrepots-leveringen-gelijkgestelde-rechtbank-bergen-2025-07-10-fb37) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2009-12-22-01ae) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel inzake Btw, Visum en uitvoering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-btw-visum-uitvoering-geldigheid-hof-van-beroep-brussel-2013-04-11-1007) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-gent-2011-02-08-26a2) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Uitvoer, Invoer, Intracommunautaire leveringen en verwervingen, internationaal vervoer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-uitvoer-invoer-intracommunautaire-leveringen-cassatie-brussel-2009-06-04-5802) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstellingen, Intracommunautaire leveringen van goederen, Vrijstellingsvoorwaarden, Bewijsmiddelen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstellingen-intracommunautaire-leveringen-goederen-cassatie-brussel-2011-10-20-6631) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire handeling, intracommunautaire levering, bewijs van de intracommunautaire levering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-handeling-levering-bewijs-cassatie-brussel-2009-09-25-6b60) 2 gemeenschappelijke bepalingen
