Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 27.05.2013
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
AR 2011/13666/A
- Federale Belastingen – BTW
- op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
De NV M&R, met maatschappelijke zetel te …, … en met KBO-nummer …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. W. D., advocaat te …, …,
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Ondernemings- en Inkomstenfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de e.a. inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Vilvoorde, met kantoor te 1800 Vilvoorde, Groenstraat 51,
verweerder,
vertegenwoordigd door mevr. L. G., e.a. inspecteur van de gewestelijke directie BTW Mechelen, met kantoren te 2800 Mechelen, Zwartzustervest 24 bus 28,
In deze zaak, in beraad genomen op 29/04/2013, spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :
Gelet op :
• het verzoekschrift op grond van art. 1385decies Ger.W., door eiseres neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 09/11/2011;
• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747 Ger.W. van 16/12/2011;
• de eerste besluiten, de samenvattende besluiten en de laatste samenvattende besluiten voor verweerder, neergelegd ter griffie op respectievelijk 12/06/2012, 13/11/2012 en 14/03/2013;
• de besluiten voor eiseres, neergelegd ter griffie op 13/09/2012;
• de stukken voor eiseres, neergelegd ter griffie op 13/09/2012; en
• de stukken voor verweerder, neergelegd ter griffie op 12/06/2012 (9 stukken), het bijkomend stuk 10, zoals gehecht aan de samenvattende besluiten en de bijkomende stukken 11, 12 en 13, zoals gehecht aan de laatste samenvattende besluiten.
Gehoord de vertegenwoordiger van verweerder en de raadsman van eiseres ter openbare zitting van 29/04/2013, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad genomen werd.
Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.
1. FEITEN
1. Op 04/08/2008 werd door eiseres een aanvraag tot identificatie voor BTW-doeleinden ingediend, met vermelding van de activiteit "Verhuur opslagruimte" (stuk 1 en 4 verweerder). De diensten van verweerder lieten op 08/08/2008 weten dat geen uitsluitsel kon gegeven worden omtrent de BTW-plicht van eiseres, nu de uiteindelijke bestemming van het onroerend goed niet werd gegeven, noch een overeenkomst werd voorgelegd (stuk 5 verweerder).
Op 08/07/2009 werd dan een BTW-controle uitgevoerd bij eiseres. Hiervan werd uiteindelijk op 24/08/2011 een proces-verbaal opgesteld. Hierin werd vastgesteld dat het gebouw gelegen te …, … (waarvan eiseres mede-eigenaar is) werd verhuurd aan respectievelijk de NV F. S. (in gebruik als verkoopruimte voor auto-onderdelen) en BVBA A. S. (in gebruik als herstelplaats voor motorvoertuigen). Het betreft een loutere verhuur van onroerende goederen dewelke van BTW is vrijgesteld. De BTW werd door eiseres dus onterecht in aftrek genomen.
Aldus werd vastgesteld dat nog verschuldigd was :
BTW : € 85.913,89
Verminderde proportionele boeten : € 8.591,38
Intresten vanaf 21/01/2009.
Voor deze bedragen werd op 04/10/2011 een dwangbevel met referentie RCIV nr. … uitgevaardigd, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 07/10/2011. Dit werd betekend bij exploot van 21/10/2011.
Dit dwangbevel staat thans ter discussie.
2. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN
2. De vordering van eiseres strekt ertoe :
- te zeggen dat de activiteiten van eiseres wel degelijk kwalificeren als belastbare activiteiten in de zin van art. 18, § 1, tweede lid, 6° en 9° W.BTW en art. 44, § 3, 2°, a), derde streepje W.BTW;
- het bestreden dwangbevel nietig te verklaren en te zeggen dat de bedragen hierin opgenomen niet verschuldigd zijn;
- verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de betaalde of ingehouden bedragen, meer intresten;
- ondergeschikt : verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan eiseres ten belope van de verschuldigde BTW;
- nog meer ondergeschikt: verweerder te veroordelen tot terugbetaling van de door eiseres betaalde BTW, meer intresten;
- verweerder te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding; en
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering van eiseres.
3. BEOORDELING
3.1. Ontvankelijkheid
3. Verweerder werpt geen gronden van niet-ontvankelijkheid van de vorderingen van eiseres op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vorderingen. Deze zijn ontvankelijk.
3.2. Ten gronde wat betreft de fiscale vordering
4. Eiseres werpt volgende middelen op ter staving van haar vordering :
- vooreerst verduidelijkt eiseres dat de bewijswaarde van het proces-verbaal zich niet uitstrekt tot de deducties van de verbalisant, doch slechts tot de materiële vaststellingen;
- verder meent eiseres dat zij wel degelijk een belastbare activiteit uitoefent en de uitzondering van de onroerende verhuring en dient te worden geïnterpreteerd;
- het vertrouwensbeginsel zou geschonden zijn, nu de BTW-plichtigheid van de activiteit wel werd aanvaard voor de andere mede-eigenaar van het onroerende goed in kwestie;
- minstens, indien de activiteit niet wordt beschouwd als BTW-plichtig, dient de door eiseres aangerekende BTW te worden terugbetaald; en tot slot
- werden de betwiste sommen ingehouden, zodat eiseres nooit kan veroordeeld worden tot betaling van deze sommen, intresten of boeten.
5. Vrijgesteld van BTW op grond van art. 44, § 3, 2° W.BTW is de onroerende verhuring :
"§ 3 Van de belasting zijn nog vrijgesteld :
1° […]
2° de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van :
a) de volgende diensten :
- de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen;
- de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;
- het verschaffen van gemeubeld logies in hotels, motels en in inrichtingen waar aan betalende gasten onderdak wordt verleend;
- de terbeschikkingstelling van plaats om te kamperen;
b) de onroerende financieringshuur, toegestaan door een onderneming die gespecialiseerd is in onroerende financieringshuur of zogenaamde onroerende leasing, wanneer deze onderneming het gebouw waarop het contract betrekking heeft, opricht, laat oprichten of met voldoening van de belasting verkrijgt en de leasingnemer dit goed huurt om het in de uitoefening van een activiteit van belastingplichtige te gebruiken; de Koning omschrijft de voorwaarden waaraan het contract van onroerende financieringshuur moet voldoen, inzonderheid met betrekking tot de duur van het contract, de aard en de bestemming van de goederen die er het voorwerp van uitmaken, alsmede de rechten en plichten van de leasingnemer;
c) de verhuur van safeloketten;"
Daar waar eiseres terecht opmerkt dat deze uitzondering eng dient te worden geïnterpreteerd, betekent dit niet dat deze uitzondering totaal dient te worden uitgehold.
In deze kan slechts worden vastgesteld, zodat terecht door de verbaliserende ambtenaar gedaan, dat de oorspronkelijke huurovereenkomsten van respectievelijk 13/03/2008 (F. S.) en 16/07/2008 (A. S.) niet meer of niet minder betroffen dan een onroerende verhuring. Het betrof het louter ter beschikking stellen van onroerende ruimtes zonder enige noemenswaardige dienstverlening van eiseres. Dit ligt trouwens in de lijn van de oorspronkelijke overeenkomsten, waarin een huurprijs zonder BTW werd overeengekomen en telkens sprake is van "verhuurde ruimtes".
In de materiële vaststellingen in het proces-verbaal van 24/08/2011, evenals de materiële vaststellingen van 28/06/2011 (bijlage bij het proces-verbaal), blijkt dat het onroerende goed gebruikt werd voor respectievelijk een herstelplaats voor autovoertuigen (BVBA A. S.) en verkoopruimte voor auto-onderdelen (NV F. S.). Dit betreft materiële vaststellingen, die gedekt zijn door de bijzondere bewijswaarde van een proces-verbaal in BTW-aangelegenheden. Er is dus geen sprake van ter beschikking stelling van bergruimte (art. 18, § 1, lid 2, 9° W.BTW), zoals eiseres voorhoudt.
Evenmin is er sprake van enige toekenning van een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Eiseres verleent immers, via de onroerende verhuur, geen recht aan de huurders om deze of gene beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Zij stelt enkel het onroerend goed hiertoe ter beschikking. Eiseres kan zelf trouwens geen rechten laten gelden ten aanzien van de beroepswerkzaamheid van de huurders (bijvoorbeeld doordat zij eigenaar zou zijn van het handelsfonds), zodat zij deze ook niet kan ter beschikking stellen. Art. 18, § 1, lid 2, 6° W.BTW heeft enkel betrekking op het ter beschikking stellen van rechten om een beroep uit te oefenen, niet op het (hoofdzakelijk) ter beschikking stellen van een onroerend goed zelfs al is dit volledig ingericht met het oog op de uitoefening van de beroepsactiviteit.
Het loutere feit van de aanvulling op de huurovereenkomst van 02/09/2008 doet hieraan geen afbreuk. Deze aanvulling is duidelijk opgesteld naar aanleiding van de BTW-controle en uit geen enkel element blijkt dat hierna de wijze van gebruik van de panden zou zijn veranderd (wat trouwens ook blijkt uit de processen-verbaal van 28/06/2011).
Eiseres bewijst dus niet dat zij valt onder één van de uitzonderingen van art. 44, § 3, 2° W.BTW, dan wel dat het dienstverleningsaspect van de huurovereenkomst dermate belangrijk zou zijn dat dit de essentie van de overeenkomst zou raken.
De diensten van verweerder stelden bijgevolg terecht dat de activiteit van eiseres, als onroerende verhuring, niet onderworpen is aan BTW.
6. Evenmin is er een schending van het vertrouwensbeginsel of de beginselen van behoorlijk bestuur in het algemeen. In tegenstelling tot wat eiseres meent blijkt geen enkel element enige handeling van de administratie waardoor bij eiseres een gerechtvaardigd vertrouwen zou kunnen zijn ontstaan dat haar activiteiten aan de BTW zouden zijn onderworpen.
In tegendeel zelfs, in een brief van 08/08/2008 stelden de diensten van verweerder ten aanzien van eiseres dat geen uitsluitsel kon gegeven worden omtrent de BTW-plicht van eiseres (stuk 5 verweerder). Eiseres werd er dus van in den beginne op gewezen dat er twijfel kon bestaan over de onderworpenheid aan de BTW van haar activiteiten.
Nergens blijkt bovendien dat na controle dit standpunt zou zijn aanvaard door de administratie ten aanzien van de mede-eigenaar van het onroerend goed in kwestie (NV I.). Meer nog, uit de stukken van verweerder (stuk 10) blijkt dat op 21/12/2011 ook ten aanzien van deze vennootschap een proces-verbaal werd opgesteld op dit punt.
Ook dit middel van eiseres is ongegrond.
7. Tot slot vraagt eiseres, in de mate dat haar vordering niet gegrond zou zijn, de teruggave van de door haar betaalde BTW.
Ingevolge art. 51, § 1, 3° W.BTW volgt de belastingplicht uit de vermelding ervan op de facturen. Indien eiseres bijgevolg de situatie wenst te regulariseren, zal zij dit dienen te doen door de door haar uitgeschreven facturen recht te zetten. Zonder dat dit gebeurt, en bijgevolg zonder dat de huurder hiervan op de hoogte is gebracht, kan haar geen terugbetaling van eventueel ten onrechte betaalde BTW gegeven worden.
8. Wat betreft tot slot de opmerkingen omtrent de afrekening tussen partijen en het beslag op de ter discussie staande sommen, moet opgemerkt worden dat het niet aan de rechtbank is om in het kader van een fiscaal geschil de uitvoeringsprocedure te beslechten. Hier en nu kan slechts vastgesteld worden dat het dwangbevel en het hieraan ten grondslag liggende proces-verbaal correct zijn.
Het feit dat de ter discussie staande afgetrokken sommen niet effectief werden terugbetaald aan eiseres doordat hierop tijdig beslag werd gelegd door verweerder, kan de inbreuken op de BTW-wetgeving (met name ten onrechte in aftrek brengen van voorbelasting) en dus de opgelegde geldboete niet verhinderen.
3.3. Ten gronde wat betreft de vordering in schadevergoeding
9. Om de redenen aangehaald onder de randnummers 5 en 6 is er geen fout in hoofde van de diensten van verweerder. De ondergeschikte vordering in schadevergoeding is bijgevolg niet gegrond.
4. KOSTEN, WAARDE VAN DE VORDERINGEN EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGS VERGOEDINGEN
10. Nu de vordering van eiseres niet gegrond is, wordt eiseres veroordeeld tot de kosten van het geding.
Verweerder werd evenwel niet bijgestaan door een raadsman, zodat geen rechtsplegingsvergoeding dient begroot te worden in hoofde van verweerder.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 3, 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,
Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,
Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk, doch niet gegrond,
Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet verder te begroten.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 27 mei 2013.
Waar aanwezig waren en zitting namen :
De heer J. V. B., toegevoegd rechter
Mevrouw N. L., griffier.
N. L. J. V. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.