Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling, bewijs · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 5 januari 2009

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling, bewijsBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-vrijstelling-rechtbank-brugge-2009-01-05-b1b1

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
5 januari 2009

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

64 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 05.01.2009

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :

In de zaak 06/1283/A Rep. nr. 2009/234

de VZW F., (Ondernemingsnr. …), met maatschappelijke zetel te …, …, doch woonst kiezende bij haar raadsman·hierna genoemd,

eiseres,

voor wie is opgetreden Meester S. V. P. (balie Brugge) loco Meester F. S., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Belasting en Invordering, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, in de persoon van de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

verweerder,

voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,

I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift d.d. 20 april 2006.

De rechtbank nam kennis van de dossiers van de rechtspleging en van het door verweerder overlegde bundel.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 8 december 2008.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1. Eiseres heeft tot doel het beheren en het ter beschikking stellen van infrastructuur bedoeld voor syndicale activiteiten ingericht door het ABVV Textiel, Kleding en Diamant (TKD). Eiseres is sinds 1 november 1990 ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …; voor de activiteit van organisatie van vormingsactiviteiten/kantine/logies. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 1 juni 2004 werd door H. S., inspecteur bij de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, verbonden aan het tweede controlekantoor te Brugge en ingevolge directorale delegatie van 12 november 2003 gemachtigd om toezicht uit te voeren m.b.t. belastingplichtigen die binnen het ambtsgebied van de BTW-directie gevestigd zijn, een controle gestart over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 december 2002 tot en met 30 juni 2004.

Op 8 december 2005 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres ten onrechte 100 % van de BTW op facturen betreffende de oprichting van een gebouw afgetrokken. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 132.723,96 EUR, als geldboete 13.270,00 EUR en intresten vanaf 21 januari 2005 op het BTW-bedrag.

Op 12 december 2005 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 20 december 2005 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door K. S., e.a. inspecteur ai, aangewezen door de gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde te Brugge. Dit dwangbevel werd op 22 december 2005 aangetekend verzonden aan eiseres.

Op 20 april 2006 heeft eiseres een fiscaal verzoekschrift neergelegd.

2. Eiseres vraagt dat :

- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

- het dwangbevel nietig wordt verklaard;

- voor recht gezegd wordt dat eiseres gerechtigd is op teruggave van de in uitvoering van het dwangbevel betaalde en/of verrekende bedragen, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten vanaf de datum van betaling en/of aanrekening;

- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtplegingsvergoeding t.b.v. 1.200,00 EUR.

3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000,00 EUR.

III. BEOORDELING

A. Betreffende de toelaatbaarheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

B. Betreffende de grond

1. De betwisting tussen partijen gaat in hoofdzaak over het feit of de overeenkomst tussen eiseres en ABVV Textiel, Kleding en Diamant (TKD) als een onroerende verhuur dient te worden gekwalificeerd waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW van toepassing is (standpunt van verweerder) of als een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen bij toepassing van artikel 18, § 1, 6° W.BTW (standpunt van eiseres).

2. Overeenkomstig artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn van de belasting vrijgesteld de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen alsook het gebruik van dergelijke goederen onder de voorwaarden van artikel 19, § 1 W.BTW.

Conform artikel 18, § 1, tweede lid, 6° W.BTW is het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen een belastbare dienst.

De vrijstellingsregeling voor onroerende verhuur vindt zijn oorsprong in de Zesde Richtlijn (Richtlijn nr. 77/388/EG) van 17 mei 1997. De Zesde Richtlijn stelt dat Lidstaten vrijstelling van belasting kunnen verlenen voor verpachting en verhuur van onroerende goederen. Volgens het Hof van Justitie moet de vrijstelling voor onroerende verhuur beperkend worden geïnterpreteerd en kan de vrijstelling enkel worden toegepast bij onroerende verhuur sensu stricto.

3. Uit het proces-verbaal d.d. 8 december 2005 blijkt dat eiseres eigenaar is van 2 gebouwen, zijnde een bestaand gebouw gelegen te …, … en daarnaast een nieuw opgericht gebouw …. Het nieuw opgerichte gebouw werd op 1 april 2004 in gebruik genomen door de administratieve diensten van ABVV TKD.

Op 2 juni 2004 (na een eerste bezoek ter plaatse van de controlerende ambtenaar) heeft eiseres schriftelijk verklaard dat zij de vergaderzaal op het gelijkvloers van het nieuwe gebouw af te toe zal ter beschikking stellen aan ABVV TKD voor vormingsactiviteiten.

Op 14 september 2004 is door de controlerende ambtenaar vastgesteld dat het gelijkvloers en de eerste verdieping van het nieuwe gebouw in gebruik genomen zijn door diensten van ABVV TKD. Er werd hiervoor geen vergoeding betaald aan eiseres. Eiseres zelf heeft 2 personeelsleden welk een bureau hebben in het naastgelegen bestaande gebouw.

Op 30 december 2004 wordt een overeenkomst afgesloten tussen eiseres en ABVV TKD. Deze overeenkomst is afgesloten voor onbepaalde duur, heeft terugwerkende kracht tot 1 april 2004 en betreft het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen binnen de bedrijfsruimten eigendom van eiseres. ABVV TKD mag ook gebruik maken van de parking, sanitaire ruimten, gangen, trappen, sociale ruimten en het archief. ABBV TKD zal hiervoor 1.250,00 EUR (exclusief BTW) per maand betalen. Mits een meerprijs mag zij ook gebruik maken van de vergaderzaal op het gelijkvloers.

Overeenkomstig artikel 59, § 1 W.BTW levert een proces-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet bewezen is.

4. Uit artikel 45, § 1 W.BTW volgt dat de belastingplichtige zelf het bewijs moet leveren dat het door haar uitgeoefende recht op aftrek bestaat. Het is met andere woorden eiseres, en niet verweerder, die de bewijslast draagt dat de voorwaarden van het recht op aftrek vervuld zijn. Eiseres dient dus het bewijs te leveren van de aard van de geleverde diensten. De loutere overlegging van een overeenkomst bewijst niet de aard van de dienst en toont dus niet aan dat de wettelijke voorwaarden tot aftrek van BTW vervuld zijn.

5. De rechtbank stelt op basis van de stukken vast dat elektriciteit en water zeker tot en met november 2004 rechtstreeks gefactureerd werden aan ABVV TKD. Verder blijkt dat ABVV TKD op moment van de bezoeken van de controlerende ambtenaar (op 1 juni en14 september 2004) geen vergoedingen betaalde aan eiseres voor het gebruik van het gebouw. Volgens eiseres was het geld voor het oprichten van het gebouw afkomstig van ABVV TKD (wat ook een verklaring is waarom zij geen vergoeding diende te betalen).

Uit het schrijven d.d. 2 juni 2004 van eiseres blijkt niet dat zij de bedoeling had aan ABVV TKD het recht te verlenen om haar beroepswerkzaamheid uit te oefenen in het nieuw opgerichte gebouw (terwijl ABVV TKD op dat moment het gebouw reeds in gebruik had), zij had enkel de bedoeling om de vergaderzaal op gelijkvloers te gebruiken voor vormingsactiviteiten zodra de zaal daarvoor klaar was.

Het is duidelijk dat eiseres na de controle betreffende de BTW met behulp van een overeenkomst de feiten, met terugwerkende kracht, zo heeft proberen voor te stellen dat het een belastbare dient zou betreffen. Eiseres bewijst de feiten die een belastbare dienst zouden betreffen evenwel niet en bewijst evenmin dat de feiten anders zouden zijn dan deze vastgesteld door de controlerende ambtenaar in het proces-verbaal.

Eiseres bewijst ook op geen enkele manier dat zij gelijkaardige overeenkomsten zou hebben afgesloten m.b.t. dezelfde ruimte met andere personen.

6. Op basis van de vaststellingen in het proces-verbaal d.d. 8 december 2005 en het gebrek aan enig bewijs door eiseres oordeelt de rechtbank dat niet bewezen is dat de overeenkomt tussen eiseres en ABVV TKD gekwalificeerd kan worden als een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen in de zin van artikeI18, § 1, 6°·W.BTW.

De eis is dan ook ongegrond.

C. Betreffende de kosten

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid, Ger. W. de gerechtskosten dragen.

De waarde van de eis situeert zich tussen 100.000,01 en 250.000,00 EUR waarvoor het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig het KB van 26 oktober 2007 een bedrag van 5.000,00 EUR bedraagt zoals gevorderd.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.

Verklaart de eis toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niette begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag vijf januari tweeduizend en negen.

Aanwezig zijn :

D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;

L. N., griffier.

N. L. L. D. P.