Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijgestelde handeling, bewijs · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 11 oktober 2002

Zoeken

Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijgestelde handeling, bewijsBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-vrijstelling-rechtbank-antwerpen-2002-10-11-1fb5

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
11 oktober 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

84 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 11.10.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op elf oktober tweeduizend en twee in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-gritlier.

Inzake : A.R. Nr. 01/5946/A

N.V. P.,

ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, ….

EISENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester K. H. loco meester H. D., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT,

1. in de persoon van de ontvanger van het derde BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, kantoorhoudende te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4.

2. in de persoon van de-Eerstaanwezend lnspecteur gehecht aan het BTW-controlekantoor Mortsel 1, kantoorhoudende te 2640 Mortsel, Mechelsesteenweg 56-58.

VERWERENDE PARTIJ

- verschijnende bij meester A. v. L. d. J., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder F. H. te Antwerpen op 18 september 2001.

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 september 2002.


De vordering strekt ertoe te zeggen voor recht dat eiseres de in het dwangbevel, uitgevaardigd op 13 juli 2000, gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wat de BTW, als wat de boeten, intresten en kosten betreft, dienvolgens de uitvoering van het dwangbevel te verbieden, de teruggave te bevelen van de ingehouden bedragen, te vermeerderen met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 3 van het wetboek van BTW en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Op 31 december 1984 werd tussen …, de verhuurster, en de VZW R. V. H. C., de huurster, een huurovereenkomst gesloten betreffende de verhuur van een grond met de bestemming op het gehuurde uitsluitend de hockeysport te beoefenen.

In een addendum bij deze huurovereenkomst geeft op 3 juni 1987 toelating aan de VZW R. V. H. C. en aan eiseres, de tussenkomende partij bij de huurovereenkomst, om op hun kosten een hockeyterrein in kunstgras aan te leggen op de gehuurde grond.

Op 19 november 1993 werd aan de VZW R. V. H. C. en aan eiseres toelating gegeven om op de gehuurde grond een tweede hockeyterrein in kunstgras aan te leggen.

De hockeyterreinen in kunstgras met de nodige infrastructuur werden aangelegd door eiseres.

Op 1 september 1995 werd een overeenkomst gesloten waarbij eiseres aan de VZW R. V. H. C. en aan de VZW R. B. T. & H. C. het recht toekende gebruik te maken van de twee door haar aangelegde kunstgrasvelden.

Er werd overeengekomen wanneer ieder van beide VZW's gebruik kon maken van de kunstgrasvelden en buiten deze periodes was gebruik mogelijk mits voorafgaandelijk overleg; teneinde overlappingen te vermijden dienden beide VZW's jaarlijks een verantwoordelijke aan te stellen tot wie de verzoeken tot gebruik van de kunstgrasvelden dienden gericht te worden.

Voor het gebruik van de kunstgrasvelden factureerde eiseres beide VZW's aan het BTW-tarief van 6 %.

Bij brief van 23 april 1999 stelde de administratie dat de kunstgras velden niet in de grond werden ingelijfd en steeds geheel of gedeeltelijk konden verwijderd worden zonder beschadiging zodat deze velden niet als onroerende goederen konden beschouwd worden.

Verder merkte de administratie op dat de grond geen eigendom is van eiseres noch door haar wordt gehuurd.

Volgens de administratie waren de kunstgrasvelden dan ook roerende goederen en is de terbeschikkingstelling van roerende goederen uitgesloten van het tarief van 6 %.

In haar brief van 23 april 1999 stelt de administratie dat het belasten van de terbeschikkingstelling van de velden tot gevolg heeft dat eiseres haar recht op aftrek behoudt.

Eiseres was hiermede niet akkoord en stelde dat de kunstgrasvelden wel degelijk onroerende goederen waren waarna de administratie het dossier aan een nieuw onderzoek heeft onderworpen.

Gelet op de documentatie en de toelichting van eiseres berichtte de administratie op 30 mei 2000 dat ingevolge het verder onderzoek - dient geconcludeerd te worden dat de kunstgrasvelden ingelijfd zijn bij de grond en aldus onroerend van aard zijn.

De exclusieve terbeschikkingstelling door eiseres aan voornoemde VZW's van de grasvelden, omheiningen en andere goederen die ingelijfd zijn bij de grond dienen bijgevolg - volgens de administratie - als een onroerende verhuur aangemerkt te worden die op grond van artikel 44, § 3, 2° van het wetboek van BTW vrijgesteld zijn van BTW zodat de leveringen en diensten, die werden gebruikt voor deze vrijgestelde handelingen, geen recht op aftrek van BTW verleenden.

Beoordeling

Betreffende de bewijskracht van het proces-verbaal van 5 juli 2000

Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW kunnen :

- overtredingen van de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen,

- feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen,

- feiten die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal.

Bijgevolg kunnen de processen-verbaal feiten bewijzen die ertoe bijdragen de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aan te tonen en in dit geval vormen zij de basis waarop de vermoedens zijn gesteund dat eiseres niet al haar belastbare handelingen heeft aangegeven voor de heffing van de BTW en de verschuldigde BTW over deze niet aangegeven omzet niet aan de Schatkist heeft voldaan.

Krachtens artikel 59, § 1 van het wetboek van BTW leveren enkel de vaststellingen van de ambtenaren in de processen-verbaal het bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen, terwijl de gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen dit bewijs niet opleveren.

De gevolgtrekkingen uit deze vaststellingen mogen echter met alle bewijsmiddelen van gemeen recht, met in begrip van getuigen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed, bewezen worden en zijn dan ook aan de beoordeling van de rechtbank onderworpen.

Betreffende de kwalificatie van de overeenkomst tussen eiseres en de twee VZW's

Het wordt niet betwist dat de kunstgrasvelden onroerende goederen uit hun aard zijn.

De huidige betwisting heeft dan ook betrekking op de vraag of de overeenkomst tussen eiseres en de twee VZW's moet beschouwd worden als een onroerende verhuur (stelling van de administratie) of als een toekenning van het recht om gebruik te maken van een inrichting voor sport (stelling van eiseres).

De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie welke de partijen zelf aan de overeenkomst hebben gegeven, maar zij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen.

Krachtens artikel 18, § 1 van het wetboek van BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

1° - 11° …

12° de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken;

13°-15° …

Uit het gebruik van de woorden "onder meer" moet worden afgeleid dat de opsomming van voornoemd artikel 18 niet limitatief is, zodat niet mag uitgesloten worden dat andere handelingen diensten zijn in de zin van het wetboek van BTW en derhalve belastbaar zijn.

Als algemeen beginsel stelt artikel 2 van het wetboek van BTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."

Voor het onderzoek van het huidig geschil dient derhalve niet onderzocht te worden of voornoemde overeenkomst beantwoordt aan alle vereisten van artikel 18, § 1, tweede lid, 12 van het wetboek van BTW, maar wel of de handelingen van eiseres zijn vrijgesteld van BTW.

De administratie, die de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° van het wetboek van BTW inroept, dient bijgevolg het bewijs te leveren dat eiseres zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.

Op grond van artikel 172 Gec. G.W. kan slechts een vrijstelling of vermindering van belasting worden ingevoerd door een wet en dient alles wat essentieel is voor de vrijstelling of de vermindering door de wet te worden geregeld; individuele vrijstellingen of verminderingen zijn immers verboden.

Bovendien dienen de door wet ingevoerde vrijstellingen en verminderingen, op grond van het gelijkheidsbeginsel, restrictief geïnterpreteerd te worden.

De administratie dient dan ook het bewijs te leveren dat eiseres voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Noch de zesde BTW-richtlijn noch het wetboek van BTW geven een definitie van het begrip ''onroerende verhuur" zodat moet worden teruggegrepen naar het gemeen recht.

Volgens artikel 1709 moet onder verhuur verstaan worden de overeenkomst "waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen."

De onroerende verhuur en de toekenning van het recht om gebruik te maken van een inrichting voor sport verschillen door hun essentieel voorwerp.

Wanneer het essentiële voorwerp bestaat in het genot van een uit zijn aard onroerend goed, is de handeling een verhuur; wanneer het essentieel voorwerp daarentegen bestaat in het recht om gebruik te maken van een inrichting voor sport, wordt de handeling bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 12° van het wetboek van BTW.

In de overeenkomst werden beperkingen opgelegd met betrekking tot het doel en de duur van het gebruik van de kunstgrasvelden, namelijk :

- de kunstgrasvelden mogen door de twee VZW's enkel gebruikt worden voor competitie,-bekerwedstrijden en trainingen;

- de kunstgrasvelden mogen door ieder van de twee VZW's enkel gebruikt worden op welbepaalde dagen en uren.

Gelet op deze beperkingen bewijst de administratie geenszins dat het genot van de inrichting voor sport het essentiële voorwerp is, zodat de overeenkomst niet beschouwd kan worden als een onroerende verhuur.

Aangezien de administratie niet bewijst dat eiseres zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen te kunnen genieten, is de dienst aan de belasting onderworpen en verleent deze bijgevolg recht op aftrek van BTW.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

OM DlE REDENEN

Beschikkend gedeelte

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Zegt voor recht dat eiseres de in het dwangbevel, uitgevaardigd op 13 juli 2000, gevorderde sommen niet verschuldigd is, zowel wal de BTW, als wat de boeten, intresten en kosten betreft.

Beveelt de teruggave van de ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91, § 3 van het wetboek van BTW.

Veroordeelt verweerder tot de kosten van het geding tot op heden door eiseres begroot op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding doch door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR dagvaardingskosten en … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

N. D. P. W.