Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 13.03.2012
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep Antwerpen, 6e kamer burgerlijke zaken – 13/03/2012
Rolnummer 2011/AR/144
1. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12,
2. DE BELGISCHE STAAT, FOD FINANCIEN, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, BTW-directie, 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 4,
eisers in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. V. L. D. J. A., advocaat te …, …,
tegen :
1. P. B. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven met KSO-nummer …,
verweerster in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. M. F., advocaat te …, …,
2. STAD ANTWERPEN, op vervolging en benaarstiging van haar College van Burgemeester & Schepenen, Stadhuis, 2000 ANTWERPEN, Grote Markt 1,
verweerster in hoger beroep,
vertegenwoordigd door Mr. H. J., advocaat te …, …
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 15 november 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep door de Belgische Staat neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 14 januari 2011, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
Gelet op het hoger beroep ingesteld door de S. A. - AG V. bij conclusie neergelegd ter griffie van het hof op 31 mei 2011.
1. De feiten
1.1. Op 21 december 2001 sluiten de stad Antwerpen en de NV B. P. (thans NV P. B.) een concessieovereenkomst.
Artikel 1 van deze overeenkomst luidt als volgt : "De stad verleent in concessie, aan de concessiehouder die aanvaardt, en zonder dat enige toepassing van de handelshuurwetgeving mogelijk is, de cafetaria van de stedelijke sporthal L., … te ….
De cafetaria wordt ter beschikking gesteld in de staat waarin zij zich bevindt en zowel bij de aanvang als bij de beëindiging van de concessie wordt een plaatsbeschrijvende staat opgemaakt die ondertekend wordt door beide partijen."
De concessie wordt toegestaan voor een termijn van negen jaar die ingaat op 1 februari 2002, zijnde tot 31 januari 2011 (artikel 2). De jaarlijks indexeerbare basisvergoeding bedraagt … BEF (€ …) (artikel 3).
De concessiehouder dient tot waarborg van de goede naleving van al zijn verplichtingen een bankwaarborg of een borg in speciën, gelijk aan zes maanden concessievergoeding, aan de stad af te leveren (artikel 4).
Artikel 5 bepaalt dat alle belastingen en taksen, van welke aard ook, onroerende voorheffing inbegrepen, verbonden aan het gebruik en het genot van het pand, ten laste zijn van de concessiehouder. Ook de kosten voor verbruik van water, elektriciteit, gas, enz. zijn ten laste van de concessiehouder (artikel 6).
Krachtens artikel 7 wordt het pand in concessie verleend om te worden uitgebaat als cafetaria en mag de concessiehouder deze bestemming niet veranderen. De in concessie gegeven cafetaria moet door de concessiehouder worden ingericht en bemeubeld en de inrichting en de meubels moeten een voornaam uitzicht hebben en volkomen stroken met de stijl van het gebouw. De cafetaria zal steeds toegankelijk zijn voor het publiek tijdens de normale openingsuren van de sporthal. De diensten moeten verzekerd blijven tot minstens twee uur na de sluiting van de sporthal. Spijzen, dranken en andere voedingswaren moeten van eerste hoedanigheid zijn en op verzorgde wijze worden opgediend of besteld. De consumptieprijzen moeten overeenstemmen met de gangbare prijzen van de streek en voor het soort uitbating.
Volgens artikel 12 is het de gebruiker verboden in en aan de ter beschikking gestelde lokalen uithangborden, opschriften of reclame aan te brengen of te laten aanbrengen of er enig voorwerp, verlichtingstoestel of tent te hangen, zonder schriftelijke en voorafgaande toelating van de stad, die zich het recht voorbehoudt het karakter, de stijl en de grootte, die deze voorwerpen mogen hebben, aan te duiden, alsook de plaats waar ze mogen worden aangebracht.
Artikel 15 bepaalt dat de stad zich het recht voorbehoudt de ter beschikking gestelde lokalen te allen tijde door haar afgevaardigden te doen nazien en dat de gebruiker zich moet gedragen naar hun onderrichtingen. De bevelen en aanwijzingen van het college van burgemeester en schepenen, de politie of de afgevaardigden van de stad dienen door de gebruiker stipt opgevolgd te worden.
1.2. Na controle bij de stad Antwerpen stelt de BTW-administratie dat de concessieovereenkomst tussen de stad en de NV P. B. dient beschouwd te worden als een activiteit waarop BTW verschuldigd is en meer bepaald als het verlenen van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen (artikel 18, § 1, tweede lid, 6° W.BTW) en dat de vrijstelling inzake onroerende verhuur zoals bedoeld in artikel 44, § 3, 2° W.BTW niet van toepassing is.
De stad Antwerpen voldoet de BTW en rekent einde 2007 de achterstallige BTW met betrekking tot de jaren 2004 tot 2006 aan de NV P. B. aan en vanaf 2008 rekent de stad Antwerpen BTW aan over de overeengekomen periodieke vergoedingen.
De NV P. B. protesteert de facturen bij aangetekende brief van 13 december 2007 en betaalt steeds de netto facturen, exclusief BTW.
2. De voorafgaande rechtspleging
2.1. Op 22 december 2008 gaat de NV P. B. over tot dagvaarding van de stad Antwerpen teneinde te horen zeggen voor recht dat de rechtsverhouding tussen partijen als een van BTW vrijgestelde rechtsverhouding dient bestempeld te worden; te horen zeggen voor recht dat de navordering vanwege de stad Antwerpen uit hoofde van BTW over de jaren 2004 tot 2007, alsook de BTW over toekomstige huurvergoedingen onrechtmatig is en de stad Antwerpen daarvan af te wijzen; de stad Antwerpen te horen veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingvergoeding, rekening houdend met het kwantificeerbare bedrag inzake deze vordering.
2.2. Bij gerechtsdeurwaarderexploot van 20 februari 2009 dagvaardt de stad Antwerpen de Belgische Staat in gedwongen tussenkomst en vordert de vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring ontvankelijk en gegrond te verklaren; bijgevolg te horen zeggen voor recht dat het te wijzen vonnis gemeen wordt verklaard aan de Belgische Staat en de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, rekening houdend met het kwantificeerbare bedrag van de vorderingen.
2.3. Het bestreden vonnis van 15 november 2010 verklaart alle vorderingen toelaatbaar; verklaart de hoofdvordering als volgt gegrond; zegt voor recht dat - in de rechtsverhouding tussen de NV P. B. en de stad Antwerpen - met betrekking tot de concessieovereenkomst van 21 december 2001 geen BTW verschuldigd is; verklaart het vonnis gemeen aan de Belgische Staat; veroordeelt de stad Antwerpen tot de kosten van de hoofdeis (begroot op € … - € … niet verschuldigd rolrecht = € … exploot en € … rechtsplegingvergoeding); veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van de eis in tussenkomst (vereffend op € … - € … niet verschuldigd rolrecht € … exploot en € … rechtsplegingvergoeding); wijst het meer en of anders gevorderde af.
De eerste rechter oordeelt dat uit de feiten blijkt dat de stad Antwerpen niets anders doet dan het cafetaria passief ter beschikking stellen van de NV P. B. en dat de concessie niet het recht verleent op uitoefening van een beroepswerkzaamheid, maar louter de aanwendingsmogelijkheid van het voorwerp van de concessie, de cafetaria, beperkt. De stad Antwerpen verleent geen enkele dienst. Voor de stad Antwerpen is het er, door middel van de concessieovereenkomst enkel om te doen dat het ter beschikking gestelde onroerend goed wordt gebruikt voor het openbaar nut waartoe het bestemd is, dit door middel van de opgelegde beperkingen binnen het kader van de passief blijvende ter beschikking stelling. Zij verleent aldus geen recht tot uitoefening van werkzaamheid, maar beperkt enkel het gebruik van het ter beschikking gestelde goed.
2.3. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld door de Belgische Staat bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 14 januari 2011, en door de stad Antwerpen bij conclusie, neergelegd ter griffie van het hof op 31 mei 2011.
Het hoger beroep werd behandeld ter terechtzitting van 14 februari 2012.
3. De vorderingen en standpunten in hoger beroep
3.1. De BELGISCHE STAAT vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; het bestreden vonnis van 15 november 2010 te vernietigen en te bepalen dat de uit de concessieovereenkomst verworven bedragen onderworpen zijn van aan de BTW; te bepalen dat de rechtsplegingvergoeding die door de eerste rechter als niet in geld waardeerbare vordering in hoofde van de Belgische Staat werd bepaald op € … door de Belgische Staat niet verschuldigd is, minstens deze te verminderen tot € … (€ … geïndexeerd); voor het overige de stad Antwerpen en de NV P. B., minstens de NV P. B., te veroordelen tot de rechtsplegingvergoeding voor hoger beroep, die als in geld waardeerbare vordering dient bepaald te worden op € … (€ … geïndexeerd).
De Belgische Staat stelt dat het essentiële voorwerp van de overeenkomst de uitbating van de cafetaria betreft en niet de passieve terbeschikkingstelling van een onroerend goed. De voorliggende concessieovereenkomst kan niet beschouwd worden als het louter passief ter beschikking stellen van een onroerend goed. De overeenkomst heeft veeleer de overdracht onder bezwarende titel van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen tot essentieel voorwerp. Het betreft aldus een dienst die ingevolge artikel 18, § 1, 6° W.BTW aan de BTW onderworpen is. Er is geen sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel.
3.2. De S. A. vordert in hoofdorde de vordering van AG V. ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve het vonnis a quo te vernietigen en :
ten aanzien van NV P. B. te oordelen dat de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW niet toepasselijk is en zij derhalve een belastbare dienst in de zin van artikel 18 W.BTW verricht waardoor de periodieke vergoeding aan het algemeen BTW-tarief onderworpen is; de NV P. B. te veroordelen tot het betalen van de BTW die reeds werd voldaan aan de Belgische Staat; de NV P. B. te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, in eerste aanleg ten bedrage van € … en in hoger beroep eveneens ten bedrage van € … (geïndexeerd) en voor zover nodig tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidintresten, met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan AG V. aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten;
ten aanzien van de Belgische Staat : het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, in eerste aanleg ten bedrage van € … en in hoger beroep eveneens ten bedrage van € … (geïndexeerd) en voor zover nodig, tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidintresten met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan AG V. aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten;
in ondergeschikte orde, de vordering van AG V. ontvankelijk en gegrond te verklaren en ten aanzien van de Belgische Staat het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en de Belgische Staat te veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, in eerste aanleg ten bedrage van € … en in hoger beroep eveneens ten bedrage van € … (geïndexeerd) en de terugbetaling van de ten onrechte betaalde belastingen, verhogingen en nalatigheidintresten, met inbegrip van de daarop verschuldigde moratoriumintresten, alsmede tot terugbetaling van de ten onrechte aan AG V. aangerekende en door haar betaalde vervolgingskosten.
De Stad Antwerpen is van oordeel dat de diensten die de NV P. B. ontvangt moeten aangemerkt worden als met BTW - belaste diensten en dat geen enkele vrijstelling ter zake kan worden toegepast. De concessieovereenkomst van 21 december 2001 heeft de exploitatie van een cafetaria tot voorwerp en beantwoordt niet aan de definitie van onroerende verhuur zoals omschreven door het Hof van Justitie. De NV P. B. is ertoe gehouden om de BTW die AG V. heeft voldaan, te betalen.
3.3. De NV P. B. vordert het hoger beroep van de Belgische Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren; haar oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat de rechtsverhouding tussen partijen als een van BTW vrijgestelde rechtsverhouding dient bestempeld te worden; te zeggen voor recht dat de navordering vanwege de stad Antwerpen uit hoofde van BTW over de jaren 2004 tot 2007, alsook de BTW over toekomstige huurvergoedingen onrechtmatig is en de stad daarvan af te wijzen; de Belgische Staat te veroordelen tot terugbetaling van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen aan BTW, boeten en intresten, te verhogen met de moratoire intrest; de stad Antwerpen te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op € … kosten dagvaarding, € … rechtsplegingvergoeding eerste aanleg en € … rechtsplegingvergoeding hoger beroep.
De NV P. B. stelt dat het voorwerp van de overeenkomst de terbeschikkingstelling is van een gebouw en dat er geen permanente actieve inmenging is van de Stad Antwerpen in het beheer en de uitbating van de cafetaria; er is geen enkele actieve of passieve inmenging van de stad Antwerpen. De essentie van onroerende verhuring volgt uit de letterlijke contractuele bepalingen, leefde ook in de geest van de contractanten en kwam tot uiting in de feitelijke uitvoering van de overeenkomst en werd door beide partijen aanvaard als vrijgesteld van BTW, wat ook gedurende talloze jaren het standpunt was van de BTW-administratie. De terbeschikkingstelling vormt niet louter een onderdeel van de globale dienstverlening, doch vormt integendeel het hoofdbestanddeel van de overeenkomst. De concessie moet beschouwd worden als een onroerende verhuur, vrijgesteld van de belasting krachtens artikel 44, § 3, 2° W.BTW, nu aangetoond is dat de voorwaarden die door het Hof van Justitie in diverse arresten worden vermeld, vervuld zijn. Wat de rechtsplegingvergoeding betreft, is de vordering wel degelijk in geld waardeerbaar.
4. Beoordeling
4.1. De betwisting betreft de vraag of de overeenkomst tussen de stad Antwerpen en de NV P. B. al dan niet dient beschouwd te worden als een onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2° W.BTW.
Volgens het Hof van Justitie is het begrip 'onroerende verhuur' een autonoom communautair rechtsbegrip dat een communautaire definitie dient te krijgen. Een lidstaat mag dus niet teruggrijpen naar de nationale burgerrechtelijke definitie. De BTW-vrijstellingen moeten ook strikt uitgelegd worden, vermits het gaat om afwijkingen op het algemeen beginsel dat BTW wordt geheven over elke dienst die een belastingplichtige onder bezwarende titel verricht. Het beginsel van de strikte uitlegging houdt echter niet in dat de bewoordingen die ter omschrijving van de vrijstellingen gebruikt zijn aldus moeten uitgelegd worden dat ze geen effect meer sorteren.
De BTW-richtlijn geeft geen omschrijving van het begrip 'verhuur' en verwijst evenmin naar de respectieve omschrijvingen van dit begrip in de wettelijke regelingen van de lidstaten. Deze bepaling dient derhalve uitgelegd te worden in het licht van haar context en de doelstellingen en de algemene opzet van de richtlijn, waarbij in het bijzonder rekening moet gehouden worden met de ratio legis van de daarin neergelegde vrijstelling.
Een 'verhuur van onroerende goederen' bestaat er volgens het Hof in dat een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent, een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten. Het gaat om een betrekkelijk passieve activiteit, die enkel verband houdt met het tijdsverloop en geen toegevoegde waarde van betekenis oplevert, te onderscheiden van andere activiteiten die ofwel een zakelijk - industrieel en commercieel karakter hebben, ofwel een voorwerp hebben dat beter wordt gekarakteriseerd door het leveren van een prestatie dan door de enkele terbeschikkingstelling van een goed.
De duur van de verhuur is volgens het Hof geen onderscheidend criterium aan de hand waarvan een overeenkomst tot verhuur van onroerend goed in de zin van het gemeenschapsrecht kan worden gekwalificeerd. Het is niet per se noodzakelijk dat de duur bij het sluiten van de overeenkomst is vastgelegd. De duur van de verhuur kan tijdens de uitvoering van de overeenkomst door de partijen worden verkort of verlengd.
Het recht van de huurder om het onroerend goed bij uitsluiting van ieder ander te gebruiken kan in de overeenkomst worden beperkt; zo kan de verhuurder zich het recht voorbehouden het verhuurde onroerend goed regelmatig te bezichtigen. De huurovereenkomst kan ook betrekking hebben op bepaalde delen van een onroerend goed waarvan het gebruik met anderen moet worden gedeeld. Dat in de overeenkomst dergelijke beperkingen van het recht het gehuurde goed te gebruiken zijn opgenomen, neemt niet weg dat dit gebruik uitsluitend is ten opzichte van eenieder die niet op grond van de wet of de overeenkomst een recht kan doen gelden ten aanzien van het goed dat het voorwerp van de huurovereenkomst vormt.
(Cfr. H.v.J., 18 november 2004, Belgische Staat/Temco Europe SA, T.F.R., 2005, nr. 275, p. 87)
Op basis van wat tussen partijen werkelijk is overeengekomen dient uitgemaakt te worden of er sprake is van een onroerende verhuur dan wel van een dienst in de zin van artikel 18, § 1, W.BTW.
Wanneer bijkomende diensten worden verleend, moet uitgemaakt worden of zij bijkomstig zijn aan de passieve terbeschikkingstelling van de ruimte dan wel of zij tot gevolg hebben dat de terbeschikkingstelling niet meer als passief kan beschouwd worden.
In zijn arrest van 4 juni 2010 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : "De duur van de huur is op zichzelf echter geen onderscheidend criterium en het feit dat de weder prestatie voor de verhuurder rekening houdt met andere elementen dan de duur van het gebruik van het goed, sluit niet noodzakelijkerwijs de kwalificatie als "verhuur van onroerende goederen" uit wanneer de andere elementen waarmee rekening wordt gehouden een kennelijk bijkomstig karakter hebben ten opzichte van het deel van de weder prestatie dat met het tijdsverloop verband houdt of geen vergoeding vormen voor een andere prestatie dan enkel de terbeschikkingstelling van een goed" (Cass., 4 juni 2010, T.F.R., 2011, nr. 410, p. 879).
In dit arrest heeft het Hof van Cassatie eveneens geoordeeld dat de nationale rechter alle omstandigheden in aanmerking moet nemen waarin de litigieuze transactie zich afspeelt, teneinde de kenmerkende elementen daarvan te achterhalen en te beoordelen of deze als "verhuur van onroerende goederen" in de zin van de zesde richtlijn kan worden gekwalificeerd en hij aldus moet nagaan of de overeenkomsten, zoals zij worden uitgevoerd, in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling tot doel hebben van ruimtes of oppervlakten van onroerende goederen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, dan wel strekken tot het verrichten van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt.
Het feit dat de terbeschikkingstelling van de ruimtes niet zou beantwoorden aan de huur of de handelshuur, zoals gereglementeerd in het Burgerlijk Wetboek, impliceert niet dat er geen sprake is van onroerende verhuur in de zin van de zesde richtlijn.
4.2. In deze blijken uit de gegevens van het dossier volgende elementen;
- de overeenkomst werd gesloten onder bezwarende titel,
- de overeenkomst werd gesloten voor een bepaalde duur, met name negen jaar, zonder stilzwijgende verlenging,
- de stad Antwerpen is eigenaar van het goed dat ter beschikking wordt gesteld van de NV P. B.,
- het ter beschikking gestelde goed is ongetwijfeld een onroerend goed,
- de NV P. B. moet zelf instaan voor de inrichting en de bemeubeling van het onroerend goed,
- de NV P. B. moet zelf instaan voor alle kosten van onderhoud, vernieuwing, herstelling van de infrastructuur,
- alle belastingen en taksen, verbonden aan het gebruik en het genot van het pand zijn ten laste van de NV P. B., evenals de kosten van verbruik van water, gas, elektriciteit, enz.
Het hof stelt vast dat uit de overeenkomst blijkt dat de cafetaria passief ter beschikking werd gesteld van de NV P. B. en dat uit geen enkel gegeven blijkt dat de stad Antwerpen nog diensten leverde, buiten het ter beschikking stellen van het goed.
Dat het sanitair gemeenschappelijk is en niet in de concessie is begrepen, verhindert niet de kwalificatie van onroerende verhuur.
Ook het feit dat de bestemming van het gebruik wordt aangegeven in de overeenkomst sluit de kwalificatie als onroerende verhuur niet uit.
De NV P. B. als concessiehouder kan de cafetaria in volle vrijheid uitbaten, enkele praktische afspraken uitgezonderd, namelijk dat de cafetaria moet toegankelijk zijn tijdens de openingsuren van de sporthal en dat de maaltijden 'van eerste hoedanigheid moeten zijn en op verzorgde wijze moeten worden opgediend of besteld'.
Het feit dat de stad zich het recht voorbehoudt de ter beschikking gestelde lokalen te allen tijde te doen nazien en dat de gebruiker zich moet gedragen naar haar onderrichtingen, belet niet dat er sprake is van onroerende verhuur. Het is trouwens de NV P. B. die instaat voor de bewaking van het goed.
Er is geen sprake van een actieve of passieve inmenging van de stad Antwerpen in het personeelsbeleid, in het aangeboden assortiment dranken en spijzen, in het recht op toegang tot de cafetaria, enz.
De in de overeenkomst opgenomen beperkingen doen geen afbreuk aan het feit dat het gebruik van het goed uitsluitend is aan de NV P. B..
De eerste rechter heelt dan ook terecht geoordeeld dat er in deze sprake is van een onroerende verhuur, die is vrijgesteld van BTW.
4.3. Aangezien de concessieovereenkomst een handeling is die valt onder de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW is de BTW die de stad Antwerpen aan de Schatkist heelt doorgestort, niet opeisbaar geworden en ontstaat er in hoofde van de stad Antwerpen een recht op teruggaaf op grond van artikel 77, § 1, 1° W.BTW. Dit recht op teruggaaf kan worden uitgeoefend voor zover de vordering tot teruggaaf nog niet verjaard is.
4.3. Het hoger beroep van de Belgische Staat en van de stad Antwerpen is ongegrond.
Het bestreden vonnis dient bevestigd te worden, ook wat de gerechtskosten betreft. Het hof sluit zich aan bij het standpunt van de eerste rechter dat de vordering in geld waardeerbaar is.
De Belgische Staat en de stad Antwerpen dienen veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
Beschikkend gedeelte
5. Beslissing
Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.
De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.
Het hof verklaart het hoger beroep van de Belgische Staat en van de stad Antwerpen toelaatbaar doch ongegrond.
Het hof bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.
Het hof veroordeelt de Belgische Staat en de stad Antwerpen tot de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de NV P. B. begroot op € … rechtsplegingvergoeding.
Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van DERTIEN MAART 2012 door :
D. W., Raadsheer wd. voorzitter
M. G., raadsheer
L. M., plaatsvervangend raadsheer
A. V. L., griffier.
A. V. L. L. M. M. G. D. W.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.