---
title: "Werkingssfeer, dienst · Hof van beroep te Antwerpen, 25 oktober 2011"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling, strafbepaling. Hof van beroep te Antwerpen (België), 25 oktober 2011."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-vrijstelling-hof-van-beroep-antwerpen-2011-10-25-cce5"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling, strafbepaling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

25 oktober 2011

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 9 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 20.01.2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-werkingssfeer-dienst-belastbare-rechtbank-antwerpen-2010-01-20-4dbe)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 25.10.2011

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

130 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 25.10.2011

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

In zake : **2010/AR/1605**

**M. T. C. CVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …,

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen op 20 januari 2010 door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen,

vertegenwoordigd door Mr. **D. F. P.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, FOD FINANCIËN, ADMINISTRATIE DER BTW, DOMEINEN EN REGISTRATIE, TURNHOUT, te 2300 TURNHOUT, Spoorwegstraat 22,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. V.** loco Mr. **D. R. F.**, advocaat te …, …;

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 20 januari 2010, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 19 mei 2010, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

### *1.1. Voorwerp van de betwisting*

De betwisting betreft de vraag of de ter beschikking stelling van een onroerend goed door de Btw-belastingplichtige te beschouwen is als een onroerende verhuur die geen recht geeft op aftrek van de voorbelasting, dan wel als een andere overeenkomst die wel recht geeft op aftrek.

Op 12 augustus 1996 werden door CVBA **M. T. C.** drie overeenkomsten gesloten.

Een eerste overeenkomst werd gesloten met NV **M. E. C.** (stuk 1 appellante), waarbij de belastingplichtige tegen vergoeding een onroerend goed aan de medecontractant ter beschikking stelde. In het contract werd het als volgt geformuleerd :"

*1. (...)*

*2.* *Het verlenen aan de afnemer van het recht om in de lokalen van de dienstverlener, volgens plan in bijlage, de volgende werkzaamheden uit te oefenen : werkplaats voor het graveren en markeren door middel van verspanende technologie, lasertechnologie en andere technologieën.*

*3.* *Het ter beschikking stellen van alle nutsvoorzieningen noodzakelijk om bovengenoemde activiteiten uit te oefenen".*

Een tweede overeenkomst werd gesloten met NV **M. M. C.** (stuk 2 appellante), waarbij de belastingplichtige tegen vergoeding een onroerend goed aan de medecontractant ter beschikking stelde. In het contract werd het als volgt geformuleerd :"

*1. (...)*

*2.* *Het verlenen aan de afnemer van het recht om in de lokalen van de dienstverlener, volgens plan in bijlage, de volgende werkzaamheden uit te oefenen : werkplaats voor de productie en herstelling van medailles, brelokken, plaketten, eretekens e. d.*

*3.* *Het ter beschikking stellen van alle nutsvoorzieningen noodzakelijk om bovengenoemde activiteiten uit te oefenen".*

Een derde overeenkomst werd gesloten met NV **M. T. C.** (stuk 3 appellante), waarbij de belastingplichtige tegen vergoeding een onroerend goed aan de medecontractant ter beschikking stelde. In het contract werd het als volgt geformuleerd :"

*1. (...)*

*2.* *Het verlenen aan de afnemer van het recht om in de lokalen van de dienstverlener, volgens plan in bijlage, de volgende werkzaamheden uit te oefenen : werkplaats voor de productie van jetons in alle materialen; het ontwerp en het aanmaken van matrijzen; het ontwerpen, de uitvoering en de herstelling van de automatisatie van machines.*

*3.* *Het ter beschikking stellen van alle nutsvoorzieningen noodzakelijk om bovengenoemde activiteiten uit te oefenen".*

In elk van deze overeenkomsten werd afgesproken dat de afnemer zonder toestemming van de dienstverlener geen wijzigingen mocht aanbrengen aan de lokalen en dat deze lokalen enkel mochten worden gebruikt voor de in het contract omschreven activiteit. De activiteiten mochten enkel worden uitgeoefend tijdens de uren waarin de dienstverlener zelf in het gebouw aanwezig was, waarbij de afnemer geen toegang tot de lokalen had buiten de openingsuren. Tot slot werd overeengekomen dat de afnemer over gans de duur van de overeenkomst verzekeringen zou afsluiten tot dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid.

Over de verschuldigde vergoeding, maandelijks te betalen, zou 21 % BTW aangerekend worden in toepassing van artikel 18, § 1, 2 de lid ,1°, 6° en 9° W.BTW.

Deze overeenkomsten namen een aanvang op 1 januari 1996, om te verstrijken op 31 december 1996, jaarlijks stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens een jaar.

Deze overeenkomsten betroffen daarnaast ook het verlenen van alle diensten in verband met de commercialisatie van de producten van de afnemer, zowel in het binnenland als in het buitenland. Deze overeenkomsten werden op 1 juli 1998 vervangen door drie overeenkomsten met een gelijkaardige inhoud, maar dan zonder de diensten in verband met de commercialisatie van de producten van de afnemer. Deze nieuwe overeenkomsten namen een aanvang op 1 januari 1998, om te verstrijken op 31 december 1998, jaarlijks stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens een jaar.

Op 22 oktober 2001 verrichtte de administratie een controle in de maatschappelijke zetel van appellante voor wat betreft de toepassing van de BTW-reglementering in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1998. Er werd op 24 oktober 2001 een proces-verbaal opgesteld waarin een aantal onregelmatigheden werden vastgesteld.

Er werd vastgesteld dat tijdens de jaren 1996 en 1997 door de belastingplichtige een bijkomend bedrijfsgebouw werd opgericht dat in gebruik werd genomen door NV **M. T. C.** om aldaar haar werkzaamheden uit te oefenen. Het betrof een ruimte die rechts achteraan de bestaande gebouwen werd bijgebouwd. Volgens het proces­verbaal ging het om een ruimte die afgescheiden was door poorten, ramen en muren (zijnde de vorige buitenmuur) met het eerder bestaande gebouw en was de nieuwe bedrijfsruimte ook via afzonderlijke toegangen toegankelijk.

Er werd verder vastgesteld dat een nieuwe ruimte werd bijgebouwd die gebruikt werd door de werknemers van de firma’s **M. T. C.** CVBA, NV **M. E. C.**, NV **M. M.** en NV **M. T. C.** als kleedruimte, sanitair en refter.

In het proces-verbaal werd verder verwezen naar de overeenkomst die werd opgesteld tussen **M. T. C.** CVBA enerzijds en NV **M. T. C.** anderzijds, waarbij deze laatste het recht verkrijgt om in de beoogde lokalen bepaalde werkzaamheden uit te oefenen en waarin gesteld wordt dat de betaalde vergoedingen worden verhoogd met de BTW op grond van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, 6° en 9° W.BTW.

In het proces-verbaal wordt gesteld : *"Doordat het nieuwe bedrijfsgebouw, waarin uitsluitend de NV* ***M. T. C.*** *haar activiteit uitoefent, duidelijk onderscheiden is van de andere gebouwen, dient de overeenkomst gekwalificeerd te worden als een onroerende verhuur in plaats van een recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Op grond van* [*artikel 44, § 3, 2° van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) *is de verhuur van uit hun aard onroerende goederen vrijgesteld van BTW. Daarentegen aanvaardt de administratie dat de terbeschikkingstelling van gemeenschappelijke ruimten zoals vergaderzalen, sanitair, enz. ... wordt aangemerkt als een dienst bedoeld in* [*artikel 18, § 1, tweede lid, 6° van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18)*"*.

De verbalisant wees op het feit dat op grond van artikel 45 W.BTW niet voor aftrek in aanmerking komt, de belasting geheven van de geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat zij gebruikt worden voor handelingen die in toepassing van artikel 44, § 3, 2° W.BTW zijn vrijgesteld. De administratie vervolgde : *"Aangezien op grond van voorgelegde facturen niet duidelijk kan uitgemaakt of de aan de belastingplichtige geleverde goederen of verleende diensten betrekking hebben op het gedeelte bestemd voor onroerende verhuur of het gemeenschappelijke gedeelte (kleedkamer, sanitair ….) werd op grond van de bebouwde oppervlakte volgende verhouding bepaald :*

\- *bebouwde oppervlakte bedrijfsgebouw : 9,45 m x 37,95 m = … m**2* *of 75 % van de totale oppervlakte;*

\- *bebouwde oppervlakte gemeenschappelijk gedeelte : 10 m x 12 m - 120 m**2* *of25 % van de totale oppervlakte"*.

De verbalisant stelde vast dat de facturen voor het bijbouwen van de nieuwe gebouwen, opgenomen werden in de BTW-aangiften van oktober 1996 en volgende en aldaar in aftrek werden gebracht voor een totaal van … BEF (… EUR).

De verbalisant meende aldus dat 75 % daarvan ten onrechte in aftrek werd gebracht, met name een bedrag van … BEF (… EUR).

Aldus was volgens de verbalisant aan de administratie verschuldigd :

\- ten onrechte afgetrokken BTW : … BEF of … EUR;

\- boete op grond van 70, § 1 W.BTW, gelijk aan het dubbele van de verschuldigde belasting, doch conform [artikel 1 van K.B. nr.41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) verminderd tot 10 %, hetzij … BEF of … EUR;

\- de interesten op grond van artikel 91, § 1 W.BTW aan 0,8 % per maand vanaf 21 januari 1999 over de som van … BEF of … EUR.

Vervolgens werd een dwangbevel uitgevaardigd op 8 november 2001, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 12 november 2001 en aan de belastingplichtige aangetekend toegestuurd op 14 november 2001. Hierin werden dezelfde bedragen opgenomen als in het proces-verbaal, vermeerderd met de moratoire interesten vanaf de kennisgeving van het dwangbevel en de vervolgingskosten.

### *1.2. Procedure voor de eerste rechter*

Bij gerechtsdeurwaardersexploot, betekend op 22 augustus 2002 werd verzet aangetekend tegen voormeld dwangbevel, met dagvaarding van de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De zaak werd op 4 december 2006 ambtshalve weggelaten van de rol en in 2007 opnieuw geactiveerd.

De belastingplichtige vorderde om het dwangbevel van 8 november 2001 van nul en generlei waarde te verklaren en om haar dienvolgens te ontslaan van alle in dit dwangbevel van haar gevorderde BTW, boetes, kosten en interesten, met veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van alle bedragen die werden betaald, ingehouden of toegerekend, meer de interesten en de kosten van het geding.

Ondergeschikt werd gevorderd om het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een administratieve boete werd opgelegd en om de nalatigheidsinteresten kwijt te schelden.

De eerste rechter oordeelde in zijn vonnis van 20 januari 2010 dat het dwangbevel voldoende werd gemotiveerd.

Hij oordeelde ten gronde dat de overeenkomst tussen de belastingplichtige en NV **M. T. C.** te beschouwen was als een onroerende verhuur, begrip dat strikt diende te worden geïnterpreteerd. De rechter oordeelde dat de betrokken overeenkomst in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling tot doel had van ruimtes of oppervlakten van het onroerend goed tegen een vergoeding die verband hield met het tijdsverloop, met name tegen een maandelijkse vergoeding. Het ging derhalve volgens de eerste rechter om onroerende verhuur, die vrijgesteld was van BTW, zodat er geen recht op aftrek kon worden verleend.

Voor wat de twee nieuwe ruimten betreft die werden bijgebouwd, oordeelde de eerste rechter dat niet kon worden uitgemaakt of de aan de vennootschap geleverde goederen of verleende diensten betrekking hadden op de ruimte bestemd voor onroerende verhuur of op de andere ruimte. De eerste rechter oordeelde dan ook dat de administratie op grond van de nieuwe bebouwde oppervlakte terecht een verhouding had bepaald van 75 % (onroerende verhuur) en 25 % (andere ruimte).

De boete van 10 % werd als evenredig met de gepleegde inbreuk bevonden en de eerste rechter oordeelde dat hij geen rechtsmacht had om vrijstelling van de nalatigheidsinteresten te verlenen.

De vordering van de belastingplichtige werd afgewezen als ontvankelijk doch ongegrond en de vennootschap werd veroordeeld tot de kosten van het geding, begroot en vereffend op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

### *1.3. Procedure voor het hof van beroep*

De vennootschap, thans appellante, vordert om haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, om dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, het oorspronkelijk verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren. Appellante vordert bijgevolg om het dwangbevel van 8 november 2001 van nul en generlei waarde te verklaren en haar te ontslaan van alle in dit dwangbevel gevorderde BTW, proportionele boetes, kosten en interesten, met veroordeling van de Belgische Staat tot terugbetaling van alle bedragen die ten onrechte werden betaald, ingehouden en/of toegerekend, meer de moratoire interesten.

Subsidiair vordert appellante om het dwangbevel te vernietigen in de mate dat een administratieve boete wordt opgelegd.

Appellante vordert tenslotte om de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, … EUR kosten dagvaarding in verzet en … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

De Belgische Staat vordert om het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, appellante ervan af te wijzen en haar te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op een geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding van … EUR.

Ter zitting van 26 september 2011 laat de Belgische Staat acteren dat ze ermee akkoord gaat dat de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald op … EUR.

## 2. Bespreking

### *2.1. Procedure*

#### 2.1.1. Bewijskracht proces-verbaal

Appellante is terecht van mening dat de bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal zich enkel uitstrekt tot de persoonlijke materiële vaststellingen die de controlerende ambtenaar in de uitoefening van zijn opdracht heeft gedaan en niet tot de gevolgtrekkingen die hij uit de geconstateerde feiten afleidt.

In onderhavig geval zijn er volgens appellante geen materiële feitelijke vaststellingen, waaraan een bijzondere bewijskracht kan worden verbonden.

Het hof kan de stelling van appellante niet volgen.

Uit de stukken (en meer bepaald het grondplan, neergelegd door de belastingplichtige) blijkt dat het bijkomend bedrijfsgebouw dat in 1996 en 1997 werd opgericht in gebruik werd genomen door NV **M. T. C.** om aldaar haar werkzaamheden uit te oefenen. Het betreft een ruimte die rechts achteraan de bestaande gebouwen werd bijgebouwd.

Er werd ook nooit betwist (zie onder meer de feitenweergave door de belastingplichtige op p. 2 van haar besluiten) dat een nieuwe ruimte in gebruik werd genomen die gebruikt werd door de werknemers van de firma’s **M. T. C.** CVBA, NV **M. E. C.**, NV **M. M.** en NV **M. T. C.** als kleedruimte, sanitair en refter.

In het proces-verbaal werden deze gegevens bevestigd en werden de volgende materiële vaststellingen gedaan :

\- De verbalisant stelde vast dat de nieuw bijgebouwde ruimte rechts achteraan afgescheiden is door poorten, ramen en muren (zijnde de vorige buitenmuur) met het eerder bestaande gebouw en dat de nieuwe bedrijfsruimte ook via afzonderlijke toegangen toegankelijk is.

\- Er werd vastgesteld dat de bebouwde oppervlakte van het bedrijfsgebouw 358,6275 m 2 bedroeg, hetzij 9,45 m x 37,95 m;

\- Er werd vastgesteld dat de bebouwde oppervlakte van het gemeenschappelijk gedeelte) gebruikt voor sanitair, kleedkamer, refter 120 m 2 bedroeg, hetzij 10 m x 12 m.

Het hof stelt vast dat deze vaststellingen door appellante niet worden weerlegd. De locatie van de betrokken onroerende goederen wordt bovendien bevestigd door het grondplan dat door appellante wordt neergelegd als stuk 5. Op dit grondplan is eveneens te zien dat het achterste stuk rechts (stuk in gebruik genomen door NV **M. T. C.**) van buiten uit toegankelijk is door middel van twee deuren. Door dit plan worden eveneens de afmetingen van de betrokken ruimtes, zoals weergegeven in het proces-verbaal bevestigd.

De overige vermeldingen in het proces-verbaal zijn afleidingen en gevolgtrekkingen.

#### 2.1.2. Motivering dwangbevel

Volgens appellante werd het dwangbevel gebrekkig gemotiveerd en volstaat het niet dat verwezen wordt naar het proces-verbaal.

Het hof stelt vast dat in het dwangbevel wordt verwezen naar het proces-verbaal van 24 oktober 2001 dat bij het dwangbevel wordt gevoegd. Appellante betwist ook niet dat het proces-verbaal werd meegestuurd met het dwangbevel.

Overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 moeten bestuurshandelingen uitdrukkelijk worden gemotiveerd en moet de motivering uitdrukkelijk in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn en alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen.

In het proces-verbaal wordt omstandig uiteengezet op grond van welke redenen de administratie van mening is dat slechts een gedeeltelijke aftrek van de voorbelasting kan worden genoten. Er is een uitgebreide weergave van de feiten, van de toepasselijke wetsartikelen en van de redenen van de verwerping van de aftrek. Het proces-verbaal werd aldus afdoende gemotiveerd en de belastingplichtige was op grond van dit proces-verbaal in staat om zich rekenschap te geven van wat hem verweten werd en om zich hierop met kennis van zaken te verdedigen.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel en het proces-verbaal van 24 oktober 2001 in deze één geheel vormen. Het proces-verbaal werd bijgevoegd bij het dwangbevel en er werd in het dwangbevel uitdrukkelijk naar verwezen. Bijgevolg werd in feite en in rechte gemotiveerd op welke gronden het dwangbevel werd gesteund en waarom de aftrek van de voorbelasting in hoofde van appellante tot beloop van 75 % werd verworpen. Het dwangbevel werd aldus afdoende gemotiveerd.

### *2.2. Ten gronde*

#### 2.2.1. De aftrek van de voorbelasting

• Bedrijfsruimte

Appellante houdt voor dat de overeenkomst van 12 augustus 1996, hernomen in de overeenkomst van 1 juli 1998 betrekking heeft op het door CVBA **M. T. C.** aan NV **M. T. C.** verlenen van het recht om in een aantal lokalen van de CVBA de beroepswerkzaamheid van de NV uit te oefenen in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW, alsook het ter beschikking stellen van alle nutsvoorzieningen, noodzakelijk om voornoemde activiteiten uit te oefenen. Het betreft volgens appellante aldus geen onroerende verhuur in de zin van artikel 44, § 3, 2° W.BTW.

Het begrip onroerende verhuur dient restrictief geïnterpreteerd te worden, vermits het als vrijgestelde handeling een uitzondering betreft op het algemene beginsel, dat BTW wordt geheven op elke dienst die door een belastingplichtige wordt verricht (H.v.J., 12 september 2000, Commissie/Ierland, *Jur.*, p.I-6301, punt 52; H.v.J., 18 november 2004, Belgische Staat/Temco Europe SA, *T.F.R.*, 2005, nr. 275, p. 87, punt 17).

De onroerende verhuur is een communautair rechtsbegrip dat een communautaire definitie dient te krijgen. Aldus is er sprake van de verhuur van onroerende goederen wanneer een verhuurder een huurder voor een overeengekomen tijdsduur en onder bezwarende titel het recht verleent om een onroerend goed te gebruiken als ware hij de eigenaar ervan en ieder ander van het genot van dat recht uit te sluiten (zie voormeld arrest H.v.J., 18 november 2004, punt 19 en de vorige arresten waarnaar in dit arrest wordt verwezen). Overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie gaat het om een betrekkelijk passieve activiteit die enkel verband houdt met het tijdsverloop en die geen toegevoegde waarde van betekenis overlevert.

Het hof oordeelt bijgevolg dat het feit dat de terbeschikkingstelling van de ruimtes niet zou beantwoorden aan de huur, zoals gereglementeerd in het Burgerlijk Wetboek, niet impliceert dat er geen sprake is van onroerende verhuur in de zin van de zesde richtlijn.

In onderhavig geval blijkt uit de gegevens van het dossier het volgende :

\- de overeenkomst werd gesloten onder bezwarende titel;

\- de overeenkomst werd gesloten voor een bepaalde tijdsduur, met name één jaar, daarna jaarlijks stilzwijgend verlengd voor de duur van telkens een jaar;

\- de BVBA **M. T. C.** is eigenaar van het goed dat ter beschikking werd gesteld van de NV **M. T. C.**;

\- er kan geen betwisting bestaan over het feit dat het ter beschikking gestelde goed een onroerend goed betreft;

Het hof stelt vast dat uit de overeenkomst tussen de CVBA **M. T. C.** en NV **M. T. C.** blijkt dat de bedrijfsruimte passief ter beschikking werd gesteld van deze laatste. Uit geen enkel gegeven blijkt immers dat appellante nog diensten leverde, buiten het passief ter beschikking stellen van de ruimte.

Ten overvloede dient te worden vastgesteld dat de vertegenwoordiger van CVBA **M. T. C.** op het formulier, bestemd voor het kadaster (stuk 9 administratie), zelf heeft aangekruist dat het onroerend goed werd verhuurd vanaf 1 juli 1996. Indien zij van mening was dat dit niet het geval was had zij het vakje 'neen' kunnen aankruisen.

Gelet op het voorgaande heeft de administratie, daarin gevolgd door de eerste rechter, deze ter beschikking stelling terecht gekwalificeerd als onroerende verhuur in de zin van de zesde richtlijn. De aftrek van de voorbelasting voor het optrekken van deze ruimte werd dan ook terecht verworpen.

In tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, is de opsplitsing 75/25 % wel degelijk onderbouwd en niet willekeurig. Deze opsplitsing werd gemaakt op basis van de oppervlakte van de betrokken gebouwen, die in het proces-verbaal werd vermeld en dus werd vastgesteld door de verbalisant. Deze oppervlakte blijkt bovendien uit het door appellante voorgelegde grondplan (stuk 5 appellante).

• Gemeenschappelijke ruimtes

Het feit dat het gebruik van bepaalde delen van het onroerend goed, zoals in onderhavig geval, met anderen moet worden gedeeld, neemt in principe niet weg dat het gaat om onroerende verhuur. Dat in een overeenkomst beperkingen werden opgenomen van het recht om het gehuurde goed te gebruiken, neemt bijgevolg niet weg dat het gebruik ervan uitsluitend is ten opzichte van eenieder die niet op grond van de wet of de overeenkomst een recht kan doen gelden ten aanzien van het goed dat het voorwerp van de huurovereenkomst vormt (Hv Just, 18 november 2004, punt 24 en 25).

Desondanks heeft de administratie voor de gemeenschappelijke ruimtes wel aanvaard dat het gaat om een ter beschikking stelling in de zin van artikel 18, § 1, 6° W.BTW.

Vermits het bedrag dat aldus voor aftrek in aanmerking komt werd berekend op basis van de oppervlakte van de betrokken ruimte, werd aldus terecht besloten dat 25 % van de ter beschikking gestelde ruimte aanleiding kan geven tot aftrek van de voorbelasting.

• Tijdstip van aftrekbaarheid

Appellante stelt dat de aftrek volledig mocht worden doorgevoerd op het moment van de oprichting van het gebouw, gelet op het bestemmingsbeginsel en dat pas op het moment van de verhuring een herziening diende te worden doorgevoerd.

Het hof stelt vast dat uit geen enkel gegeven blijkt dat de belastingplichtige het bedrijfsgebouw, verhuurd aan NV **M. T. C.** opgetrokken heeft, met het oog op het verkopen ervan. Uit de aangifte bij het kadaster (stuk 9 administratie) blijkt zelfs dat het gebouw nieuw werd opgericht en in gebruik genomen op 1 juli 1996 en op diezelfde dag werd verhuurd. Er blijkt uit de gegevens derhalve geen andere bestemming dan de verhuur van dit onroerend goed, zodat van bij de aanvang geen aftrek kon worden doorgevoerd.

#### 2.2.2. De proportionele boete

Appellante houdt tenslotte voor dat de proportionele boete ten onrechte werd opgelegd. Deze boete zou niet op afdoende wijze zijn gemotiveerd en ze zou in strijd zijn met het E.V.R.M. en het BUPO-verdrag.

Het hof stelt vast dat de boete in het proces-verbaal als volgt werd verantwoord :

> *"Als boete op grond van* [*artikel 70, § 1bis van het BTW-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70)*, een bedrag gelijk aan het dubbel van de verschuldigde belasting namelijk : … x 2 = … BEF, (...) of … EUR (...).*
>
> *Deze proportionele fiscale boete wordt verminderd conform* [*artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 41*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) *van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale boeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde,*
>
> *- tabel H 10 pct. van de verschuldigde BTW of : … x 10 % = … BEF*
>
> *Deze boete wordt conform artikel 4, § 1 van voornoemd KB nr. 41 afgerond op … BEF (...) of … EUR (...)"*

Het hof oordeelt dat het opleggen van deze boete, na de eerdere uiteenzetting in het proces-verbaal waarom er sprake was van onregelmatigheden in die zin dat teveel voorbelasting in aftrek werd gebracht (zie boven), in feite en in rechte werd onderbouwd. De belastingplichtige kon zich op die manier rekenschap geven van de reden waarom deze boete werd opgelegd en de wijze waarop ze werd berekend. Het proces-verbaal werd aldus voldoende gemotiveerd in de zin van de wet van 29 juli 1991.

Vermits dit proces-verbaal deel uitmaakt van het dwangbevel, werd ook dit dwangbevel op die manier op afdoende wijze gemotiveerd.

Het hof oordeelt verder dat deze boete correct werd berekend overeenkomstig de vermelde wettelijke bepalingen. Het hof mag deze boete, die te beschouwen is als een strafsanctie in de zin van artikel 6 E.V.R.M. met volle rechtsmacht toetsen, doch oordeelt dat de boete, die werd gereduceerd tot 10 % evenredig is met de gepleegde inbreuk en in overeenstemming is met de ernst van de feiten. Er is bovendien evenmin sprake van een principekwestie, waar de belastingplichtige, door middel van een onjuiste weergave van de verrichting in de overeenkomsten, getracht heeft BTW in aftrek te brengen, ondanks het feit dat het onroerend goed werd bestemd en effectief aangewend voor een vrijgestelde handeling. Er is dan ook geen reden om een vermindering of kwijtschelding van deze boete toe te kennen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt CVBA **M. T. C.** tot de kosten van het geding, aan de zijde van de Belgische Staat vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van **VIJFENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZENDENELF**, waar aanwezig waren :

**D. W.**, Raadsheer wd. Voorzitter;

**S. B.**, en

**M. G.**, Raadsheren;

**A. V. L.**, Griffier.

**A.V. L.** **M. G.** **S. B.** **D. W.**

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens

[WBTW art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-18) 1 voorkomen

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Werken in onroerende staat, Beroepsmatige bestemming, Onroerende verhuur, Onderverhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-beroepsmatige-hof-van-beroep-bergen-2022-11-25-3f6a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hof van beroep te Gent, 27 september 2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2011-09-27-0347) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijgestelde onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijgestelde-onroerende-verhuur-terbeschikkingstelling-rechtbank-antwerpen-2015-01-19-11e2) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-andere-hof-van-beroep-brussel-2004-06-17-13b0) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Toekenning van het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen ,Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/toekenning-recht-beroepswerkzaamheid-oefenen-onroerende-hof-van-beroep-gent-2004-03-30-2b8d) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;onroerende verhuur;belastbaar feit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/terbeschikkingstelling-bergruimte-opslaan-goederen-onroerende-rechtbank-brussel-2004-05-19-4683) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bestuurder van vennootschappen, Rechtspersoon, Belastingplicht, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bestuurder-vennootschappen-rechtspersoon-belastingplicht-recht-hof-van-beroep-luik-2014-05-21-4e31) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastbaarheid, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastbaarheid-werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-rechtbank-leuven-1997-09-24-7016) 3 gemeenschappelijke bepalingen
