---
title: "9 april 2013 · Werkingssfeer, dienst · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 9 april 2013."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-strafbepaling-rechtbank-gent-2013-04-09-b58f"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

9 april 2013

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 9 maanden

1. Weergegeven beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Gent 09.04.2013
2. [Beslissing in beroep Hof van beroep te Gent 13.01.2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijsmiddelen-controlemaatregelen-voorleggen-boeken-bescheiden-hof-van-beroep-gent-2015-01-13-000b)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

89 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 09.04.2013

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 09 APRIL 2013

Rolnummer **AR 11/4375/A**

In de zaak van :

**G. M.**, met kantoor te …, …, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van **V. H. S.** & CO GCV, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …, en met ondernemingsnummer …, waarvan het faillissement werd uitgesproken bij vonnis d.d. 3 december 2012 door de Rechtbank van Koophandel te Dendermonde;

**eiser q.q.,**

hebbende als raadslieden : Mter. **J. D. W.**, kantoorhoudende te …, …, en Mter. **A. D.**, kantoorhoudende te …, …;

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene administratie van de Fiscaliteit - BTW, vertegenwoordigd door de e.a. Inspecteur van het BTW-Controlekantoor te Aalst 2, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 9300 Aalst, Parklaan 31 A,

**verweerder,**

voor wie optreedt mevr. **A. R.**, e.a. inspecteur bij een fiscaal bestuur;

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. De rechtspleging

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 12 maart 2013 waarna het debat gesloten werd en de zaak in beraad genomen. Het dossier van de rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien in het bijzonder het gedinginleidende verzoekschrift d.d. 5 december 2011 en de laatste regelmatig neergelegde conclusies van de partijen (artikel 748bis Ger.W.).

## 2. De vordering

De oorspronkelijke eiseres, thans eiser q.q. (hierna 'eiseres'), verhaalt zich tegen het standpunt van de controle BTW Aalst 2, zoals verwoord in het proces­verbaal van 7 december 2010 waarbij de uitgaande facturatie voor de periode 2009 tot en met het eerste kwartaal van 2010, overeenkomstig artikel 18 W.BTW aan BTW onderworpen werd, en de verlegging van de heffing van de BTW naar de medecontractant wegens werk in onroerende staat, verworpen werd.

De eiseres vordert om bij tussenvonnis uitspraak te doen over de motivering van het voormelde proces-verbaal, en dit proces-verbaal te vernietigen wegens het miskennen van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van de bestuurshandeling. Vervolgens vraagt de eiseres om te zeggen voor recht dat de verlegging van de heffing naar de medecontractant overeenkomstig [artikel 20 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) in haar hoofde toegestaan kan worden, en dit voor de door verweerder geviseerde facturaties. De eiseres vraagt de veroordeling van de verweerder tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van het basisbedrag van 2.200,00 EUR.

## 3. De relevante feiten en het geschil

De GCV **V. H. S.** & Co is ingevolge haar economische activiteit van bouwrijp maken van terreinen sedert 19 november 2008 geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige.

Mevrouw **A. R.**, eerstaanwezend inspecteur, verbonden aan het tweede BTW-controlekantoor van Aalst, heeft op het adres van de eiseres en in het bijzijn van de gevolmachtigd boekhouder, de heer **D. B. P.**, een controle uitgevoerd voor de periode 19 november 2008 tot 31 maart 2010.

De administratie heeft naar aanleiding van deze controle geoordeeld dat de voor de periode 2009 - eerste kwartaal 2010 werden al de verkoopfacturen, initieel opgemaakt met toepassing van het normaal tarief, ten onrechte gecrediteerd en heropgemaakt werden met toepassing van de verlegging van de heffing naar de medecontractant. Op het moment van de BTW-controle was de BTW op de uitgereikte creditnota's door de GCV **V. H. S.** & Co nog niet terugbetaald aan de klanten, maar was hij reeds in aftrek gebracht in de BTW­aangifte van het eerste kwartaal 2010. Er werd vastgesteld dat de nieuwe facturen niet werden opgenomen in het rooster 45 van de BTW-aangifte.

Door mevrouw **A. R.** werd een voorstel tot minnelijke inregelstelling opgesteld. De kennisgeving van dit voorstel tot minnelijke inregelstelling aan de eiseres gebeurde op 19 juli 2010. Omdat op de minnelijke inregelstelling geen schriftelijk akkoord werd ontvangen, werden door mevrouw **A. R.** de verrichte vaststellingen geacteerd in een proces-verbaal opgesteld op 7 december 2010. Overeenkomstig dit proces-verbaal is eiseres verschuldigd aan de Belgische Staat :

\- BTW : 31.194,45 EUR,

\- fiscale geldboete (artikel 70, § 1 W.BTW) : 3.110,00 EUR

\- interesten (artikel 91, § 1, 3° W.BTW) : p.m.

Voor deze bedragen werd op 14 oktober 2010 een invorderingsorder RCIV-nr. … opgesteld.

De eiseres kan zich met deze zienswijze van de fiscale administratie niet verzoenen en heeft op 5 december 2011 het gedinginleidend verzoekschrift neergelegd ter griffie en het geschil aan de rechtbank voorgelegd.

## 4. Beoordeling

**4.1.** De gebrekkige motivering van het proces-verbaal

**4.1.1.** Omschrijving van de grief.

De eiseres is van oordeel dat het proces-verbaal van 7 december 2010 gebrekkig gemotiveerd is, en haar niet toelaat zich te verdedigen tegen het standpunt van de administratie.

Volgens de eiseres is niet duidelijk welke facturen geviseerd worden. Ook is op geen enkele manier te achterhalen hoe het gevorderde bedrag is samengesteld. De eiseres stelt dat de administratie niet aangeeft welk BTW-tarief zij toepast.

**4.1.2.** Toepasselijke wetgeving

De beide partijen zijn het erover eens dat het proces-verbaal onderworpen is aan de Wet van 29 juli 1991 betreffende de motivering van de bestuurshandeling. Deze wet vereist dat de motivering uitdrukkelijk in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. De motivering moet afdoende zijn, wat inhoudt dat deze pertinent en daadkrachtig is. De motivering moet in de akte zelf zijn opgenomen, zodat bij de beoordeling van de bestuurshandeling alleen maar rekening gehouden mag worden met de motivering die uitdrukkelijk in de akte is opgenomen.

**4.1.3.** Concrete beoordeling

Het proces-verbaal d.d. 7 december 2010 omschrijft dat tijdens de controle werd vastgesteld, op basis van het voorgelegde verkoopdagboek van het 4 e kwartaal 2009, het verkoopdagboek van het 1 e kwartaal 2010 en de BTW-aangiften voor de periode 2009 tot en met het eerste kwartaal van 2010, dat de omzet, aangegeven in het rooster 3 volledig werd gecrediteerd via rooster 49 van de BTW-aangifte van het eerste kwartaal 2010. Deze gegevens blijken uit de door de administratie voorgelegde stukken (aangiften).

In het proces-verbaal is vermeld dat de boekhouder verklaarde dat hij alle verkoopfacturen van 2009 en van het eerste kwartaal 2010 heeft laten crediteren en herfactureren met toepassing van het koninklijk besluit nr. 1 artikel 20.

De vordering is identiek aan het door de eiseres ingevulde rooster 49 van de BTW-aangifte. Uit het proces-verbaal blijkt duidelijk dat de door de eiseres doorgevoerde herziening van al haar facturen, door de administratie niet wordt aanvaard. Het aanvankelijk door de eiseres toegepaste tarief van 21 % staat niet ter betwisting. Het proces-verbaal geeft een opsomming van het [artikel 20 van het Koninklijk Besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) en stelt duidelijk dat uit een vergelijking met de door de eiseres gegeven omschrijving van de door haar uitgevoerde activiteit, kan worden afgeleid dat haar activiteit niet behoort tot de toepassing van het [artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d). Om deze reden werd het crediteren van de oorspronkelijke facturen niet aanvaard en het proces-verbaal opgesteld.

In deze concrete context waarbij een duidelijke verwijzing wordt gemaakt het door de eiseres bijgehouden verkoopdagboek, de door de eiseres ingediende aangiften, en de roostercode 49 van de aangifte met betrekking tot het eerste kwartaal van 2010, kan de eiseres niet redelijk voorhouden dat het niet afzonderlijk vermelden van deze afzonderlijke facturen in het proces-verbaal een schending uitmaakt van de motiveringsverplichting. De verwijzingen zijn gesteund op de door de eiseres verstrekte gegevens en afdoende identificeerbaar.

Of al dan niet voldaan is aan de motiveringsverplichting hangt volgens het Hof van cassatie af van alle omstandigheden van de zaak. Bij deze beoordeling mag men inzonderheid rekening houden met de voorafgaande effectieve kennis die de bestemmeling heeft van de gegevens van het dossier ([Cass. 20 maart 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gebrek-voldoening-belasting-dwangbevel-motivering-cassatie-brussel-2008-03-20-03c4), Fisc., 29 oktober 2008, nr. 1135, 6, met noot van Buysse Ch.).

Uit het proces-verbaal zijn voldoende duidelijk het belastbaar feit, de omvang en de oorzaak van de fiscale schuld vermeld. Het dwangbevel maakt melding van de afdoende motieven waarop het is gesteund.

**4.2.** Met betrekking tot de gevorderde verlegging van de heffing

**4.2.1.** Grief van de eiseres

In ondergeschikte orde is de eiseres van mening dat de bewuste werken volgens haar wel werken in onroerende staat zijn die een verlegging van de heffing toelaten.

De uitgevoerde werken betroffen de voorbereidende werken in opdracht van bouwfirma's, namelijk het klaarzetten van de materialen, toebehorend aan de opdrachtfirma's en die zullen worden gebruikt door de opdracht gevende firma, het klaarleggen van een afdekfolie ter bescherming van de vloer en anderzijds opruimwerken in opdracht van dezelfde firma, namelijk overtollige materialen en afdekfolie, evenals het verwijderen van restafval van de werf.

De eiseres meent dat dit een werk in onroerende staat uitmaakt zoals omschreven door artikel 19, § 2 W.BTW en [artikel 20, § 2 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d).

**4.2.2.** Regelgeving

Het koninklijk besluit nr. 1 artikel 20 bepaalt :

§ 1. In afwijking van artikel 51, § 1, 10, van het Wetboek moet de medecontractant van de in België gevestigde belastingplichtige die een van de in § 2 aangeduide handelingen verricht de belasting die over die handeling verschuldigd is voldoen, wanneer hij zelf een in België gevestigde belastingplichtige is en gehouden tot het indienen van een in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek bedoelde aangifte of een niet in België gevestigde belastingplichtige die hier te lande een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55, § 1 of § 2, van het Wetboek. Hij moet deze belasting voldoen op de in § 4 hierna voorgeschreven wijze.

§ 2. Wordt bedoeld alle werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, van het Wetboek. nl. het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het met een op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt.

Worden eveneens bedoeld, in de mate dat zij geen werk in onroerende staat zijn :

1° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :

a) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketels of aan de radiatoren;

b) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van alle vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;

c) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;

d) van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;

e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust;

f) van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;

2° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbedekking als de plaatsing ervan in een gebouw, ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat wordt gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;

3° ieder werk dat bestaat in het aanhechten, het plaatsen, het herstellen, het onderhouden en het reinigen van goederen bedoeld in 1° of 2° hierboven.

Wordt ook bedoeld de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van een werk in onroerende staat of van een onder 10, 2° of 3°, hierboven bedoelde handelingen.

§ 3. De belastingplichtige die handelingen verricht bedoeld in § 2 vermeldt op de facturen die hij voor die handelingen uitreikt, noch het tarief, noch het bedrag van de verschuldigde belasting maar brengt er de vermelding op aan "Belasting te voldoen door de medecontractant, koninklijk besluit nr. 1, art. 20" of elke andere gelijkwaardige vermelding.

§ 4. De in § 1 bedoelde medecontractant moet de terzake van die handelingen verschuldigde belasting opnemen in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd wordt.

Artikel 18 W.BTW bepaalt :

§ 1. Als een dienst wordt beschouwd elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van dit Wetboek.

Als een dienst wordt onder meer beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

1° een materieel of intellectueel werk waaronder het maakloonwerk.

**4.2.3.** Concrete beoordeling

De eiseres verwijst enkel naar de wetteksten en legt verder geen concrete argumenten voor waarom de door haar zelf omschreven activiteit aan de toepassing van het [artikel 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) zou onderworpen zijn.

Deze werken worden door de eiseres omschreven als : enerzijds de voorbereidende werken in opdracht van bouwfirma's, namelijk klaarzetten van de materialen toebehorend aan de opdracht gevende firma en die zullen gebruikt worden door de opdracht gevende firma en klaarleggen van een afdekfolie ter bescherming van de vloer en anderzijds opruimwerken in opdracht van dezelfde firma, namelijk overtollige materialen en afdekfolie evenals restafval van de werf verwijderen.

Het klaarzetten van materialen en het opruimen van materialen en afval is een materieel werk. Op basis van de door de eiseres zelf gegeven omschrijving van de door haar uitgevoerde werken en de vaststellingen naar aanleiding van de controle waarbij de eiseres haar activiteiten heeft toegelicht, heeft de administratie terecht geoordeeld dat deze activiteiten geen werken zijn in onroerende staat zoals omschreven in het hierboven weergegeven [artikel 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. De aanvankelijke facturatie met toepassing van het tarief van 21 % was correct.

**4.3.** Met betrekking tot de gerechtskosten

De eiseres dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

In toepassing van de artikelen 279 en 162, 4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

Aangezien de Belgische Staat niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat, is evenmin een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt : 0 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **negen april tweeduizend dertien**, waar aanwezig waren :

de heer **S. R.**, alleenrechtsprekend rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **S. R.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 6 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Materiële voorwaarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, Valse factuur, Fictieve dienstprestaties, Fiscale geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-valse-factuur-fictieve-dienstprestaties-rechtbank-bergen-2020-06-09-3a6d) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-hof-van-beroep-gent-2019-01-08-7a5c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Regularisatieopgave, Minnelijke schikking, Schulderkentenis](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-regularisatieopgave-rechtbank-namen-2020-05-07-a524) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Paarden, Verlegging van de heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-paarden-verlegging-heffing-hof-van-beroep-antwerpen-2022-01-18-cf20) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar, Hoofdelijke aansprakelijkheid, Verlegging van de heffing, Medecontractant](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-hoofdelijke-aansprakelijkheid-verlegging-hof-van-beroep-antwerpen-2022-02-15-e77d) 1 gemeenschappelijke bepalingen
