---
title: "8 december 2009 · Werkingssfeer, dienst · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting, vervolging, geding. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 8 december 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-rechtbank-brugge-2009-12-08-f06a"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

8 december 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

55 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 08.12.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :**

In de zaak **08/3313/A** Rep. nr. 2009/15.338

**de S. D.**, vertegenwoordigd door haar College van Burgemeester en Schepenen, met burelen gevestigd te …, …,

**eiseres,**

voor wie optreedt Meester **F. V.**, advocaat met kantoor te …, …,

**tegen :**

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Belastingen en Invordering, Sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Brugge, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verweerder,**

voor wie is opgetreden Meester **L. N.** (balie Brugge) loco Meester **L. D. S.**, advocaat met kantoor te …, …,

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank alhier de dato 20.10.2008.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werd gehoord in **(rest van de paragraaf onleesbaar)**

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, voor haar activiteit van inzameling en transport van afvalwater. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 24 mei 2006 werd door **A. C.**, diensthoofd van het BTW-controlekantoor Brugge I, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit met betrekking tot de afgetrokken BTW op rioolinvesteringen en kosten die dateren van voor 28 december 2005.

Op 23 juni 2006 werd door de controleagent een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 6 februari 2007 werd door de rekenplichtige van het BTW-ontvangkantoor te Brugge, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 13 februari 2007 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 15 februari 2007 per aangetekende brief aan eiseres ter kennis gebracht.

Op 20 oktober 2008 werd door eiseres een verzoekschrift ingediend op basis van artikel 1385decies Ger. W..

**2.2.** Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard, dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd, minstens onwettelijk of ongegrond wordt verklaard en dat de terugbetaling wordt bevolen van de betaalde of ingehouden bedragen, vermeerderd met de intresten vanaf datum van betaling of inhouding. Tenslotte vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 5.000,00 EUR.

**2.3.** Verweerder vraagt dat de vordering ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

**(eerste deel paragraaf onleesbaar)** Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

**3.2.1.** De gemeenten zijn BTW-belastingplichtige voor de terbeschikkingstelling van hun rioleringsnet (inzamelen, afvoeren en saneren van afvalwater) aan de drinkwatermaatschappijen (artikel 18, § 1 W.BTW).

Eiseres heeft op 16 december 2005 een BTW-nr. aangevraagd voor haar economische activiteit van inzamelen en vervoeren van afvalwater. Op 28 december 2005 heeft zij met de Intercommunale Maatschappij voor watervoorziening in Vlaanderen een overeenkomst met betrekking tot de opvang, transport en sanering van afvalwater gesloten. Aangezien de economie van het BTW-stelsel er zich tegen verzet dat diensten onder bezwarende titel met terugwerkende kracht worden verstrekt, kan de hoedanigheid van BTW-plichtige pas toegekend worden vanaf het tijdstip waarop de overeenkomst voor het vervoer van afvalwater effectief werd gesloten met de drinkwatermaatschappij.

**3.2.2.** De regeling die vroeger door de BTW-administratie gehanteerd werd waardoor de belastingplichtigen de BTW op investeringen die zij als niet-belastingplichtige aangekocht hadden, in hun voordeel konden herzien (ingevolge beslissing nr. E.T 18235 van 10 november 1976 in uitvoering van art. 49 W.BTW en [art. 21, tweede lid, 3°, KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21) van 10.12.1969) werd door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in haar arrest van 2 juni 2005 inzake Waterschap Zeeuws-Vlaanderen ([C-378/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-378-02-arrest)) van tafel geveegd.

Ten gevolge hiervan heeft de administratie in haar beslissing nr. ET 119.412 van 20 december 2005 (gepubliceerd op 13.01.2006) beslist om de zogenaamde "historische BTW" niet langer toe te staan aan diegene die op 1 juli 2005 nog niet de hoedanigheid hadden van BTW-belastingplichtigen.

**3.2.3.** Eiseres kan in haar stelling gevolgd worden dat de bestaande nationale regeling zoals die was uitgewerkt in haar beslissing van 10 november 1976 niet retroactief kan worden ingetrokken omwille van een interpretatie die het Hof van Justitie geeft aan een richtlijnbepaling die door de Nationale lidstaat niet correct was geïmplementeerd in de nationale rechtsorde. Een richtlijn kan immers uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen.

De administratie kan zich dan ook niet op de Zesde BTW-richtlijn, zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in haar arrest Waterschap Zeeuws-Vlaanderen ([C-378/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-378-02-arrest)), baseren om aan belastingplichtigen het recht op aftrek inherent aan voorheen reeds gedane investeringen, dat zij vorderen op grond van de beslissing nr. E.T 18235 van 10 november 1976 in uitvoering van art. 49 W.BTW en [art. 21, tweede lid, 3°, KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21) van 10.12.1969, te ontzeggen.

**3.2.4.** Verder is het ook zo dat de beslissing van 20 december 2005 het algemeen beginsel van de non retroactiviteit (verwoord in artikel 2 B.W. en artikel 108 wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen) schendt, aangezien zij een aftrekregeling ontzegt aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid hebben verworven na 1 juli 2005. Hooguit kan deze aftrek maar ontzegd worden aan BTW-belastingplichtigen die deze hoedanigheid maar hebben verworven na 13 januari 2006, datum van publicatie van de beslissing van 20.12.2005.

**3.2.5.** Op basis van het voorgaande kan eiseres het recht van aftrek van voorbelasting dat drukt op de rioolinvesteringen van voor 28 december 2005 niet ontzegd worden.

Het bestreden dwangbevel dient dan ook te worden vernietigd.

Alle verdere argumentatie is vanaf dan niet langer dienend.

### 3.3. nopens de kosten

Verweerder wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet hij de gerechtskosten dragen. In hoofde van eiseres worden zij begroot op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding (basisbedrag).

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.

Zegt voor recht dat het bestreden dwangbevel nietig is en als onbestaande moet worden beschouwd.

Veroordeelt dienvolgens verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat reeds zou betaald of geïnd zijn ten nadele van eiseres, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.BTW en dit te rekenen vanaf de betaling of inning tot op datum van volledige terugbetaling.

Veroordeelt verweerder tot het betalen van de gerechtskosten, in zijn hoofde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven en begroot deze aan de zijde van eiseres op 5.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op **dinsdag acht december tweeduizend en negen**.

Aanwezig zijn :

**H. N.**, alleenrechtsprekend rechter;

**L. N.**, griffier.

**N. L.** **N. H.**

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 3 art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 2 voorkomens

[C-378/02, arrest van 2 juni 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-378-02-arrest) 2 voorkomens
