---
title: "Werkingssfeer, dienst · Hof van beroep te Brussel, 10 september 2009"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting. Hof van beroep te Brussel (België), 10 september 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-recht-hof-van-beroep-brussel-2009-09-10-ae3e"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, recht op aftrek van belasting · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

10 september 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

133 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 10.09.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 10.09.2009**

Nr. van de zaak : **2002/AR/1933**

IN ZAKE VAN :

**De BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de minister van de Federale Overheidsdienst Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, met kantoor te 3001 Leuven, Philipssite 3A,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **T.** loco meester **A. D.**, advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….

**tegen :**

**1. De heer M. B.**, wonende te …, …,

**eerste geïntimeerde,** ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **W. D. K.** loco meester **P. D. B.**, advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….

**2.** **De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit en Sociale Economie, met kabinet gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 63-65,

**tweede geïntimeerde,** ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester **S.** loco meesters D**. & T.**, advocaten te …, ….

**R. 2669/6289** **EINDARREST - gegrond**

In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.

## PROCEDURE

Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 14 juni 2002, waarvan geen betekeningakte wordt voorgelegd, en waartegen hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift op de griffie van het hof neergelegd op 5 augustus 2002.

## FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING

Eerste geïntimeerde tekende voor de eerste rechter verzet aan tegen het dwangbevel hem op 21 maart 2000 betekend, welk dwangbevel een BTW-bedrag in hoofdsom van 94.708 BEF tot voorwerp had, en tegen het dwangbevel hem op 17 december 2001 betekend, welk dwangbevel een BTW-bedrag in hoofdsom van 11.129 BEF en een geldboete van 500 BEF tot voorwerp had.

De dwangbevelen volgden op controles, waarbij werd vastgesteld dat eerste geïntimeerde de BTW op de levering van en verkregen diensten voor het voertuig Chrysler Grand Voyager Crew Cab ten onrechte volledig had afgetrokken.

De administratie was van mening dat dit voertuig niet kon worden aanzien als lichte vrachtwagen, maar als voertuig dat zowel voor personen- als goederenvervoer kon dienen, zodat de aftrek overeenkomstig artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW diende te worden beperkt tot 50 %.

Eerste geïntimeerde dagvaardde voor de eerste rechter ook tweede geïntimeerde in tussenkomst en vrijwaring, nu de Directie voor Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) het litigieuze voertuig had erkend als *"lichte vrachtwagen met dubbele cabine"*.

De eerste rechter was van oordeel dat appellant op basis van de feitelijke gegevens vermeld in het proces-verbaal van 8 oktober 1 999, gehecht aan het dwangbevel betekend op 21 maart 2000, niet het bewijs levert van het feit dat de Chrysler Grand Voyager Crew Cab geen voertuig is dat niet is gebouwd voor het vervoer van goederen en essentieel voor dit doel bestemd.

De eerste rechter willigde het verzet tegen de dwangbevelen dienvolgens in.

De vordering in tussenkomst en vrijwaring tegen tweede geïntimeerde, verklaarde de eerste rechter zonder voorwerp.

## GRIEVEN

Appellant betoogt dat op basis van de classificatiecriteria, opgenomen in de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 en de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990, en indien het hof beslist met deze aanschrijvingen geen rekening te houden, op basis van de werkelijke kenmerken van het voertuig, dient te worden vastgesteld dat het voertuig zowel voor personen- als goederenvervoer kan dienen, en dat de toepassing van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW zich derhalve opdringt.

Appellant vraagt het bestreden vonnis dienvolgens teniet te doen en het verzet ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en eerste geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Eerste geïntimeerde vraagt het bestreden vonnis te bevestigen.

Hij ontwikkelt in graad van hoger beroep middelen, die hij niet voor de eerste rechter voordroeg, nl. de strijdigheid van de aftrekbeperking uit artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW met het EG-recht, en het vertrouwensbeginsel.

Voor zover het hof het hoofdberoep geheel of gedeeltelijk gegrond zou verklaren, tekent eerste geïntimeerde incidenteel beroep aan, en vordert hij tweede geïntimeerde te veroordelen tot vrijwaring.

Eerste geïntimeerde vraagt appellant en tweede geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Tweede geïntimeerde vraagt de vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, en appellant (het hof verstaat: eerste geïntimeerde) te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen.

Zonder het te zeggen, tekent tweede geïntimeerde aldus incidenteel beroep aan, nu de eerste rechter de vordering in tussenkomst en vrijwaring ontvankelijk verklaarde.

## BEOORDELING

1\. Naar luid van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW, zoals van toepassing op onderhavig geschil, is de BTW-aftrek m.b.t. *"automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen"* beperkt tot maximum 50 %.

Artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW noch de fiscale wetgeving geven een definitie van de begrippen *"automobielen voor personenvervoer"* en *"voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen"*.

Wel wordt in artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen, het begrip *"lichte vrachtwagen"* omschreven als *"elk voertuig opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt"*.

Om een onderscheid te maken tussen enerzijds personenwagens en wagens voor dubbel gebruik, onderworpen aan de aftrekbeperking uit artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW, en anderzijds lichte vrachtwagens, waarvoor de aftrekbeperking niet geldt, baseert de administratie zich op strikte criteria, vastgelegd in haar aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987, zoals gewijzigd door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990.

Het is op basis van die aanschrijvingen dat de controleambtenaar in het proces-verbaal van 8 oktober 1999, gehecht aan het dwangbevel, betekend op 21 maart 2000, vaststelde dat het litigieuze voertuig valt onder de aftrekbeperking uit artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW.

De eerste rechter achtte zich niet gebonden door de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25, die immers werden uitgewerkt door de uitvoerende macht en niet door de wetgevende macht, en die tot doel hebben de wetgeving te verduidelijken.

De eerste rechter stelde wel vast dat de definitie die de aanschrijving nr. 10 van de lichte vrachtauto geeft niet belet het litigieuze voertuig als lichte vrachtwagen aan te merken.

De eerste rechter was op basis van de feitelijke gegevens van oordeel dat appellant niet het bewijs levert van het feit dat de Chrysler Grand Voyager Crew Cab geen voertuig is dat niet gebouwd is voor het vervoer van goederen en essentieel voor dit doel bestemd.

2\. Volgens eerste geïntimeerde is de aftrekbeperking uit artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW strijdig met het EG-recht, aangezien de geldigheidsduur van de aftrekbeperking is verstreken, en aangezien de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25 strijdig zijn met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH van het Hof van Justitie.

3\. [Artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) bepaalt : *"Uiterlijk binnen vier jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, bepaalt de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen, voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. De uitgaven die geen strikt professioneel karakter hebben, zoals weelde-uitgaven en uitgaven voor ontspanning of representatie, zijn in elk geval van het recht op aftrek uitgesloten.*

*Totdat de hierboven bedoelde voorschriften in werking treden kunnen de Lidstaten elke uitsluiting handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van deze richtlijn voorzag"*.

Op basis van de vaststelling dat het voorstel van Twaalfde Richtlijn tot harmonisatie van de aftrekbeperkingen nooit werd aangenomen, betoogt eerste geïntimeerde dat bij gebrek aan een communautaire bepaling die een forfaitaire beperking van het recht op aftrek toestaat, de door de Lidstaten ingevoerde forfaitaire aftrekbepalingen (het hof verstaat : aftrekbeperkingen) hun rechtskracht hebben verloren bij het verstrijken van de gestelde termijn.

Eerste geïntimeerde ziet hierbij over het hoofd dat het Hof van Justitie in de zaak **R. L.** Ltd. e.a. oordeelde dat [artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) aldus moet worden uitgelegd dat de Lidstaten de bij de tweede alinea ervan bedoelde uitsluitingen van het recht op aftrek van de BTW mogen handhaven, hoewel de Raad vóór het verstrijken van de in de eerste alinea bedoelde termijn niet heeft bepaald voor welke uitgaven geen recht op aftrek van de BTW bestaat (H.v.J. 5 oktober 1999, Royscot Leasing Ltd., [C-305/97](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-305-97-arrest), T.F.R. 2000, afl. 179, 364, noot P. DAUW).

De aftrekbeperking van artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW dateert al van vóór 1 januari 1978, zijnde de datum waarop de Zesde Richtlijn in België in werking trad, meer bepaald bestaat voormelde bepaling met de litigieuze aftrekbeperking in de Belgische rechtsorde al sedert de wijzigingswet van 22 juni 1972, in werking op 1 maart 1972.

De litigieuze aftrekbeperking is derhalve nog altijd van kracht.

Eerste geïntimeerde roept nog de ratio legis van [artikel 17, zesde lid, van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17). Welk artikel nl. enkel voor uitgaven, waarvoor er geen objectieve opdeling van het beroepsgebruik versus het particulier gebruik kan geschieden, een uniforme heffing alsmede het vermijden van fraude wilde waarborgen.

Hij stelt ook dat een eventueel tijdelijk gebruik van de litigieuze voertuigen voor privé-doeleinden slechts aanleiding kan geven tot een BTW-heffing op grond van artikel 19, tweede paragraaf, W.BTW, en dus niet tot een beperking van het recht op aftrek. Voormelde bepaling stelt met een dienst verricht onder bezwarende titel gelijk het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privé-doeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel of, meer algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dat goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan.

Eerste geïntimeerde ziet hierbij evenwel over het hoofd dat het Hof van Justitie in voormeld arrest ook oordeelde dat de Lidstaten elke uitsluiting mogen handhaven, met inbegrip van uitsluitingen van uitgaven met een strikt beroepsmatig karakter (r.o. 23 van voormeld arrest).

4\. Eerste geïntimeerde kan evenmin worden gevolgd waar hij staande houdt dat ingevolge het arrest S.A. Ampafrance van 19 september 2000 van het Hof van Justitie (H.v.J. 19 september 2000, S.A. Ampafrance, [C-177/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-177-99-arrest) en [C-181/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-177-99-arrest), Jur. 2000, I-7013) de beperking van de aftrek van de BTW op autokosten niet kan worden gehandhaafd.

Dit arrest betreft de geldigheid van een beschikking 89/487 van de Raad van 28 juli 1989 waarbij aan Frankrijk op grond van [artikel 27 van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) de toelating werd verleend om de uitsluiting van het recht op aftrek, die reeds gold voor representatiekosten, uit te breiden tot een algemene uitsluiting van de aftrek van de BTW op de uitgaven voor verblijf, spijzen of dranken, onthaal en ontspanning.

Volgens [artikel 27, eerste lid, van de Zesde Richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) kan de Raad, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen elke Lidstaat machtigen bijzondere, van de Richtlijn afwijkende maatregelen te treffen om de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen.

Het arrest heeft betrekking op de uitsluiting van het recht op aftrek na de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn. In deze wordt middels artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW evenwel geen aanspraak gemaakt op een afwijkende maatregel. Voormelde bepaling bestaat met de litigieuze aftrekbeperking in de Belgische rechtsorde al sedert de wijzigingswet van 22 juni 1972, in werking op 1 maart 1972.

Weliswaar dateren de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25, waarop de administratie steunt om het recht op aftrek van de BTW te ontzeggen voor uitgaven waarvan eerste geïntimeerde het strikt beroepsmatige karakter kan aantonen, van na de inwerkingtreding van de Zesde Richtlijn op 1 januari 1978.

Evenwel, zoals hierna wordt gepreciseerd (zie *infra* nr. 5), kunnen de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25 in deze niet worden toegepast.

Het hof merkt op dat de processen-verbaal, gehecht aan de dwangbevelen waartegen verzet, beide verwijzen, benevens naar de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25, naar artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW als grond van de navordering.

5\. Eerste geïntimeerde kan ook niet worden gevolgd waar hij inroept dat de uitbreiding van de beperking van de BTW-aftrek via de verstrenging en aanpassing, door de aanschrijving nr. 25 van 11 december 1990 die de aanschrijving nr. 10 van 11 september 1987 wijzigt, van de voorwaarden waaraan voertuigen moeten voldoen om te worden erkend als lichte vrachtwagen, in strijd is met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH van 8 januari 2002 van het Hof van Justitie (H.v.J. 8 januari 2002, Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH, [C-409/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-99-arrest), Jur. 2002, I-81), naar luid waarvan artikel 17, zesde paragraaf, tweede lid, van de Zesde BTW-richtlijn er zich tegen verzet dat een Lidstaat, na de inwerkingtreding van voormelde richtlijn, de uitgaven voor bepaalde motorvoertuigen van het recht op aftrek van de BTW uitsluit, wanneer voor deze uitgaven ten tijde van de inwerkingtreding van de richtlijn recht op aftrek van de BTW bestond.

Eerste geïntimeerde, hierin gevolgd door de eerste rechter stelt immers zelf dat de aanschrijvingen nr. 10 en nr. 25 *"uitgaan van de uitvoerende macht en niet van de wetgevende macht. De rechtsonderhorigen van de Belgische Staat zijn gehouden tot respect van de wetten van het Belgische volk. Nergens wordt in de Grondwet aangegeven dat loutere aanschrijvingen van een administratieve overheid zomaar aan een rechtsonderhorige tegenstelbaar zijn"* (eerste beroepsconclusie, blz. 5).

Het grondwettelijk gewaarborgd legaliteitsbeginsel sluit uit dat een administratieve aanschrijving bron van belasting is.

Nu de aanschrijvingen nrs. 10 en 25 in deze niet toepasselijk zijn, dient hun eventuele strijdigheid met de leer van het arrest Metropol Treuhand Wirtschaft GmbH niet te worden onderzocht.

6\. Eerste geïntimeerde betoogt terecht dat vermits het W.BTW geen definitie geeft van het begrip lichte vrachtwagen, dient te worden verwezen naar de omschrijving van artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het voormeld koninklijk besluit van 15 maart 1968.

Het gemeenrecht is inderdaad toepasselijk op het fiscaal recht, voor zover dit laatste er niet anders over beschikt (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218).

Overeenkomstig artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het voormeld koninklijk besluit van 15 maart 1968 is een lichte vrachtwagen *"elk voertuig opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken waarvan de maximale toegelaten massa 3.500 kg niet overschrijdt"*.

Het proces-verbaal van 8 oktober 1999, gehecht aan het dwangbevel van 21 maart 2000 waartegen verzet, beschrijft het litigieuze voertuig als volgt : *"De bestuurdersruimte bestaat niet echt uit een stevige en afgesloten constructie, volledig gescheiden van de ruimte bestemd voor de goederen. Het is mogelijk de 'scheidingswand' weg te nemen wanneer men de schroeven op de bevestigingspunten losmaakt. Het venstertje in de scheidingswand werd reeds verwijderd om eventueel een ladder of ander gereedschap door te steken teneinde achteraan de kofferdeur te kunnen sluiten.*

*De tweede rij zetels (bank achter de bestuurder) werd eveneens uit het voertuig gedemonteerd.*

*De goederenruimte is in de zijwanden met ruiten uitgerust die nu door de belastingplichtige overplakt zijn met publiciteit"*.

Op basis van voormelde vaststellingen is het duidelijk dat het litigieuze voertuig niet is opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken, in de zin van artikel 1, tweede paragraaf, 5° van het koninklijk besluit van 15 maart 1968.

Uit het proces-verbaal van 8 oktober 1999 blijkt inderdaad dat het litigieuze voertuig oorspronkelijk was uitgerust met een tweede rij zetels die uit het voertuig werd gedemonteerd.

Ook de scheidingswand die de bestuurdersruimte van de goederenruimte scheidt, werd kennelijk eenvoudig aan de carrosserie vastgehecht, en kan worden weggenomen door het eenvoudig losmaken van de schroeven op de bevestigingspunten. Dit sluit uit dat het litigieuze voertuig is opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken.

Tenslotte wijzen ook het feit dat de zijruiten van de goederenruimte over geplakt zijn met publiciteit en het feit dat die zijruiten waren zoals de zijruiten van de chauffeur erop dat het litigieuze voertuig niet is opgevat en gebouwd voor het vervoer van zaken.

Voor het overige wordt door geen van partijen betwist dat de maximale toegelaten massa van de litigieuze voertuigen 3.500 kg niet overschrijdt.

7\. Weliswaar werd de litigieuze Chrysler Voyager Crew Cab door tweede geïntimeerde als lichte vrachtwagen erkend, zoals blijkt uit het proces-verbaal van goedkeuring, afgeleverd in juni 1992 voor de Chrysler Grand Voyager, waaruit de Chrysler Voyager Crew Cab is afgeleid, en uit de bijlage 1 bij voormeld proces-verbaal van goedkeuring, afgeleverd op 9 mei 1994 voor de Chrysler Voyager Crew Cab.

Dit laat eerste geïntimeerde nog niet toe te beweren dat het litigieuze voertuig een lichte vrachtwagen is.

Immers, zoals tweede geïntimeerde in conclusie erkent "(staat) *onomstotelijk* (vast) *dat het voertuig ten onrechte werd goedgekeurd als lichte vrachtwagen*" (conclusie, blz. 4).

De bijlage 2 van 15 juni 1995 hief inderdaad bijlage 1 van het proces-verbaal van goedkeuring op met ingang van 1 juli 1995. De bijlage 2 werd nog vervangen door een bijlage 2 van 9 augustus 1995, die de geldigheid van bijlage 1 deed ophouden vanaf 1 januari 1996.

Op grond hiervan betoogt appellant terecht dat de classificatie destijds doorgevoerd door tweede geïntimeerde foutief was en werd rechtgezet.

Met recht ook acht appellant zich niet gebonden door de verkeerde classificatie doorgevoerd door tweede geïntimeerde, en meent hij dat hij zich dient te houden aan de werkelijke kenmerken van het voertuig.

Overeenkomstig de Instructie B1/43.12/87-13 van tweede geïntimeerde werden de criteria opgenomen in de aanschrijvingen nrs. 10 en 25 uitgewerkt door tweede geïntimeerde in samenwerking met het Ministerie van Financiën.

Naar luid van punt 4 van de gecoördineerde tekst van de aanschrijving nr. 10/25 zijn "(de) *criteria* (ter differentiatie van personenauto's, auto's voor dubbel gebruik enerzijds, en lichte vrachtwagens anderzijds) *geldig voor de BTW, de inschrijvingstaks, de verkeersbelasting en voor het Ministerie van Verkeerswezen-Bestuur van het Vervoer (goedkeuring van de voertuigtypes en inschrijving)*".

Krachtens punt 11 van de aanschrijving nr. 10/25 gebeurt de bepaling van de aard van elk voertuigtype op basis van deze criteria door tweede geïntimeerde, in de vorm van een serienummer.

Op basis van de samenlezing van bovenstaande administratieve teksten meent eerste geïntimeerde dat appellant gehouden is door de inhoud van de processen-verbaal van goedkeuring m.b.t. de aard van het betreffende voertuigtype.

Nochtans betwist eerste geïntimeerde de toepasselijkheid van de aanschrijvingen nrs. 10 en 25, waar het erop aankomt de litigieuze voertuigen te beschouwen als wagens voor dubbel gebruik dan wel als lichte vrachtwagens. Hierboven werd geoordeeld dat hij dit met recht betwist (zie supra nr. 5).

De processen-verbaal van goedkeuring steunen op de criteria van diezelfde aanschrijvingen nrs. 10 en 25.

Eerste geïntimeerde kan derhalve die aanschrijvingen nrs. 10 en 25 niet in zijn voordeel inroepen, waar het erop aankomt de processen­verbaal van goedkeuring, waarvan de onjuistheid vaststaat en die overigens werd rechtgezet, alsnog in aanmerking te doen aannemen.

Appellant betoogt met recht dat de werkelijke kenmerken van het litigieuze voertuig in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling van het recht op aftrek van de BTW.

8\. Eerste geïntimeerde beroept zich tegen appellant ook op het vertrouwensbeginsel, doordat "(de BTW-administratie) in weerwil van de door (tweede geïntimeerde) *opgestelde documenten te weigeren de GVCC van* (eerste geïntimeerde) *te beschouwen als een lichte vrachtwagen*" (aanvullende conclusie, blz. 12). Dit betekent concreet, volgens eerste geïntimeerde, "*dat de BTW­administratie de door* (tweede geïntimeerde) *weerhouden kwalificatie moet respecteren*" (aanvullende conclusie, blz. 13). De schending van het vertrouwensbeginsel maakt, volgens eerste geïntimeerde, dat de betwiste navordering van de BTW onwettig is.

Eerste geïntimeerde stuurt hier aan op een verkeerde toepassing van het vertrouwensbeginsel.

Eventuele gerechtvaardigde verwachtingen werden bij eerste geïntimeerde gewekt, niet door de BTW-administratie, dan wel door tweede geïntimeerde. Zoals appellant opmerkt, kan een foutieve kwalificatie door de DIV niet worden toegerekend aan de BTW-administratie.

Zelf heeft de BTW-administratie voor het litigieuze voertuig, aangekocht in maart 1995, de volledige aftrek van de BTW nooit aanvaard.

9\. Eerste geïntimeerde roept nog de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur in, niet nader gepreciseerd, die, volgens hem, *"vereisen van binnen een redelijke tijdsbestek de burger te wijzen op het ene of het andere feit"* (conclusie, blz. 5).

Nochtans betrof de BTW-controle, die doorging op 22 juni 1999, de periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1998, terwijl het litigieuze voertuig door eerste geïntimeerde werd aangekocht in maart 1995.

Van enige overschrijding van een redelijke termijn is derhalve geen sprake.

10\. Ook het motiveringsbeginsel, ander beginsel van behoorlijk bestuur, werd, volgens eerste geïntimeerde, geschonden doordat "(appellant en tweede geïntimeerde) *blijven volkomen in gebreke de grondslag aan te geven op basis van dewelke het hun toegelaten is een verschillende mening te hebben omtrent eenzelfde problematiek, beslissing te nemen ingaand tegen beslissingen van een ander orgaan van de Belgische Staat*.

(Appellant en tweede geïntimeerde) *en meer bepaald het Ministerie van Financiën blijft in gebreke de grondslag weer te geven die haar toelaat dat de huidig (en gewijzigde) interpretatie van voertuigen die gelijkgesteld worden met een lichte vrachtwagen, van toepassing is op die voertuigen die werden aangekocht in een periode waarin zij officieel werden erkend en aanvaard als bedrijfsvoertuig*" (conclusie, blz. 4).

Het proces-verbaal van 8 oktober 1999 verwijst naar de aanschrijvingen nrs. 10 en 25, artikel 45, tweede paragraaf, W.BTW en de feitelijke kenmerken van het litigieuze voertuig.

Het proces-verbaal geeft aldus meteen ook aan op welke wettelijke en feitelijke grondslag de BTW-administratie de kwalificatie door de DIV aan het litigieuze voertuig gegeven, niet aanvaardt.

Het proces-verbaal, en derhalve ook het dwangbevel waartegen verzet, is aldus ten genoege van recht gemotiveerd.

11\. Eerste geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan, in geval het hoofdberoep geheel of gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. Hij vordert dan tweede geïntimeerde te veroordelen hem te vrijwaren voor alle mogelijke veroordelingen.

Tweede geïntimeerde tekent incidenteel beroep aan wat betreft de vordering in tussenkomst en vrijwaring, die de eerste rechter, volgens hem, ten onrechte onontvankelijk verklaarde. Hij vraagt die vordering minstens ongegrond te verklaren.

Overeenkomstig artikel 705, tweede lid, Ger. W. mag de Minister, die in de zaak betrokken is, niet betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort, tenzij hij tevens de betrokken minister in zijn plaats stelt, hetgeen geschiedt bij eenvoudige conclusie.

Tweede geïntimeerde betoogt dat appellant, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, overeenkomstig artikel 705, tweede lid, Ger. W. tweede geïntimeerde in de plaats had kunnen stellen, indien de zaak tot de bevoegdheid van tweede geïntimeerde behoort.

Nu het geschil een BTW-schuld betreft, hetgeen tot de bevoegdheid van het departement van Financiën behoort, had eerste geïntimeerde geen belang meer om tweede geïntimeerde in de zaak te betrekken, aldus tweede geïntimeerde.

Derhalve heeft eerste geïntimeerde geen belang meer om tweede geïntimeerde in de zaak te betrekken, aangezien de Belgische Staat reeds in de zaak vertegenwoordigd is, en is de vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk op grond van artikel 17 Ger. W., aldus nog tweede geïntimeerde.

Appellant had geen enkele reden om te betwisten dat het voorwerp van het geschil tot de bevoegdheid van zijn departement behoort. Het geschil betreft immers een BTW-schuld.

Artikel 705, tweede lid, Ger. W. is in deze niet toepasselijk.

De eerste rechter verklaarde de vordering in tussenkomst en vrijwaring terecht ontvankelijk.

12\. Eerste geïntimeerde stelt zijn vordering in vrijwaring tegen tweede geïntimeerde in op grond van artikel 1382 B.W.

Als fout, minstens *"verwijtbare onzorgvuldigheid"* roept eerste geïntimeerde de *"administratieve misslag"* in (conclusie, blz. 5).

De fout van tweede geïntimeerde staat vast. De verkeerde kwalificatie, die tweede geïntimeerde overigens zelf rechtzette, is foutief te noemen.

Daar waar eerste geïntimeerde voor de eerste rechter nog staande hield *"Dat bij de aankoop de verdeler van deze wagen stelde dat dit voertuig volledig aftrekbaar was van de BTW nu dit type voertuig door* (tweede geïntimeerde) *bij PV van goedkeuring nr. 92/1049 werd aanvaard als lichte vrachtwagen, dit meer bepaald voor dit bijzondere type bij beslissing van 3 mei 1994.*

*Dat* (eerste geïntimeerde) *dan ook overging tot de aankoop, in de overtuiging zijnde dat hij de BTW integraal kon aftrekken, wat ook zo was*" (dagvaarding in vrijwaring, blz. 1), argumenteert hij thans voor het hof : *"Het oorzakelijk verband is duidelijk aanwezig en bewezen : indien de correctieopgave van 22 juni 1999, gevolgd door het dwangbevel van 16 maart 2000 er niet zou zijn geweest, zou het bedrijfsvoertuig van* (eerste geïntimeerde) *juridisch en fiscaal gezien nog steeds beschouwd worden als een lichte vrachtwagen en zou de zogenaamd teveel afgetrokken BTW door* (eerste geïntimeerde) *niet moeten worden terugbetaald (opgelegd), meer de boeten en interesten*" (conclusie, blz. 5).

Tweede geïntimeerde betwist terecht het oorzakelijk verband.

Het is weliswaar duidelijk dat zonder de verkeerde classificatie van tweede geïntimeerde, er ook geen misleidende publiciteit van de verkoper zou geweest zijn. Eerste geïntimeerde zou dan hebben geweten dat hij voor het betreffende voertuigtype geen recht op volledige aftrek van de BTW had.

Of eerste geïntimeerde dan zou hebben gekozen voor een ander voertuig, waarvoor hij wel recht op volledige aftrek van de BTW had, is echter geenszins bewezen. Niets toont aan dat eerste geïntimeerde zich bij de keuze van de Chrysler Voyager Crew Cab uitsluitend liet leiden door de BTW-voordelen gepropageerd in de Chrysler-publiciteit, en niet door de andere kwaliteiten van het voertuig die eveneens in die publiciteit werden geprezen.

De eerste rechter verklaarde de vordering in tussenkomst en vrijwaring terecht ongegrond.

13\. Op de zitting verklaarden partijen zich akkoord omtrent het basisbedrag van 650,00 EUR van de rechtsplegingvergoeding.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoofdberoep en de incidentele beroepen alle ontvankelijk, doch enkel het hoofdberoep in de hierna bepaalde mate gegrond,

Hervormt het bestreden vonnis als volgt,

Verklaart het verzet van eerste geïntimeerde tegen de dwangbevelen betekend op 21 maart 2000 en 17 december 2001 ontvankelijk, doch ongegrond,

Veroordeelt eerste geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, in hoger beroep aan de zijde van appellant begroot op het bedrag van 650,00 EUR, aan de zijde van eerste geïntimeerde begroot op het bedrag van 650,00 EUR en aan de zijde van tweede geïntimeerde begroot op het bedrag van 650,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **10.09.2009**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**P. V.**, alleenzetelend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **P. V.**

## Aangehaalde teksten

5

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 3 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 27](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-27) 2 voorkomens

[C-177/99 en C-181/99, arrest van 19 september 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-177-99-arrest) 1 voorkomen

[C-305/97, arrest van 5 oktober 1999](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-305-97-arrest) 1 voorkomen

[C-409/99, arrest van 8 januari 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-99-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek van belasting, bijzondere regeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-bijzondere-regeling-rechtbank-brussel-2006-02-06-3e24) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Diefstal;tabaksfabrikaten;accijnsproducten;teruggaaf van de belasting;europese richtlijnen, verdragen en verordeningen, tabaksfabricaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/diefstal-tabaksfabrikaten-accijnsproducten-teruggaaf-belasting-rechtbank-brussel-2006-02-06-4a6f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-rechtbank-brussel-2003-06-b61c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Beroepsmatig gebruik van het gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-beroepsmatig-gebruik-gebouw-rechtbank-bergen-2020-10-15-3d88) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Proportionele fiscale geldboeten, Beroepsmatig gebruik van de woning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-beroepsmatig-gebruik-rechtbank-brussel-2021-05-03-5bda) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Historische btw-aftrek, Niet belastingplichtige rechtspersoon](https://juriel.be/nl/rechtspraak/historische-btw-aftrek-belastingplichtige-rechtspersoon-hof-van-beroep-brussel-2022-09-13-905e) 1 gemeenschappelijke bepalingen
