---
title: "19 januari 2009 · Werkingssfeer, dienst · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, plaats van de dienst, strafbepaling. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 19 januari 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-plaats-rechtbank-brussel-2009-01-19-fa9e"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, plaats van de dienst, strafbepaling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

19 januari 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

191 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 19.01.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33****ste** **Kamer**

**AR 2005/15068/A**

\- *BTW*

\- *op tegenspraak*

\- *eindvonnis*

In zake van :

**De CVA E.**, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **L. W.**, advocaat te …, … (ref. : 8090),

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit (hierna : AOIF), vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de gewestelijke directeur BTW te Halle, in de persoon van de rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor, 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32.

vertegenwoordigd door Mr. **Ph. D.**, advocaat te …, … (ref. : 62/PHD/07 - phd/ks),

Na beraad op 8 december 2008 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

• het tegensprekelijk verzoekschrift in toepassing van artikel 1385decies van het gerechtelijk wetboek uitgaande van eisende partij en neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 30/12/2005,

• de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het gerechtelijk wetboek van 27/2/2006 en 4 april 2008,

• de conclusie van verweerster, neergelegd ter griffie op 13/3/2006, 8/6/2006, 29/8/2006 en 27/5/2008,

• de conclusie van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 15/5/2006, 14/7/2006 en 4/8/2008;

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 8 december 2008, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

**1.** Eiseres is BTW-plichtig met als nummer BE ….

In het jaar 1995 is eiseres gestart met de restauratie van een villa met daaraan gepaard de uitbreiding van een bestaand bijgebouw. Dit bijgebouw bestaat uit een ondergronds gedeelte waarin zich een zwembad bevindt en open zijruimten, sanitaire voorzieningen (douches, wc) en een technische ruimte.

Het bovengronds gedeelte bestaat uit een gelijkvloerse verdieping met hall, wc, kleine keuken en garage en een eerste verdieping met hall, lobby, slaapkamer en badkamer. Het volledige bijgebouw is bestemd voor privé-gebruik, behalve de garage waarvoor een beroepspercentage werd vastgesteld van 9 %.

Voor deze verbouwingswerken is volgens eiseres krachtens [artikel 37 van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) en krachtens tabel A, rubriek XXXI van de bijlage aan het Koninklijk Besluit nr. van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven (hierna : het KB nr. 20), het verlaagd tarief van 6 % van toepassing behalve voor de werken met betrekking tot de bestanddelen van het zwembad. Die uitdrukkelijk van het verlaagd tarief zijn uitgesloten krachtens § 4 van diezelfde rubriek.

De uitgevoerde werken werden door NV **V.** gefactureerd zonder toepassing van BTW. De over de werken verschuldigde BTW werd aanvankelijk, door eiseres opgenomen in haar BTW-aangiften, waarbij 21 % BTW werd betaald over de volledige maatstaf van heffing.

Voor de periode voor 30 september 2001 gebeurde dit door middel van een correctieopgave, voor akkoord ondertekend op 19 september 2002. Daarin werd aldus de BTW op de gehele renovatiewerken van het bijhuis nageheven op basis van het tarief van 21 %. Eiseres heeft de verschuldigde BTW betaald op 17 oktober 2002.

Naderhand heeft eiseres naar eigen zeggen vastgesteld dat zij 21 % BTW heeft betaald over de volledige maatstaf van de heffing, terwijl dit naar haar oordeel slechts gedeeltelijk het geval diende te zijn.

Op 7 september 2004 stuurde Ernst & Young namens eiseres een schrijven, waarin het standpunt aangaande de toepassing van het 6 %-tarief werd verduidelijkt.

Op 23 september 2004 zou Ernst & Young vervolgens een vergadering in … hebben georganiseerd, waarbij de heren **T.** (BTW) en **P. D. B.** (Inkomstenbelasting) aanwezig waren. Tijdens deze vergadering zouden eiseres, de heer **T.** (BTW) en de heer **D. B.** (Inkomstenbelasting) tot een akkoord zijn gekomen.

Dit mondelinge akkoord zou door Ernst & Young in een brief d.d. 15 oktober 2004 zijn bevestigd.

In rooster 62 van de BTW-aangifte van het derde kwartaal 2004 werd door eiseres vervolgens een bedrag opgenomen van 132.504,46 EUR, zijnde het verschil tussen de BTW die aanvankelijk werd aangegeven tegen het tarief van 21 % over het geheel van de door de NV **V.** gefactureerde bedragen en de BTW die volgens de belastingplichtige werkelijk verschuldigd was, deels 6 % en deels 21%.

Op 18 november 2004 ontving Ernst & Young geen brief van de AOIF. Hierin werd gemeld dat het akkoord met voorbehoud werd gemaakt en dat de teruggave niet in de aangifte mocht gebeuren.

Op 7 januari 2005 stuurde Ernst & Young een faxbericht aan de heer **M.** (AOIF).

Op 9 maart 2005 en op 23 maart 2005 sprak Ernst & Young af met de heer **M.** om zowel het professioneel deel als de toepassing van de 6 % op de renovatiewerken van het bijhuis te bespreken.

Vervolgens kwam de AOIF op 20 apri12005 opnieuw te … ter plaatse om de situatie te controleren. Daarbij waren de heren **M.** (BTW) en **V.** (Inkomstenbelasting) samen met de heer **E. D.**, zaakvoerder van eiseres, en de heer **P. N.** (Ernst & Young) aanwezig.

Op 16 juni 2005 heeft Ernst & Young de door de heer **M.** bijkomende gevraagde toelichtingen overgemaakt.

Op 3 augustus 2005 had Ernst & Young vervolgens een vergadering waarbij de heer **M.** (AOIF), mevrouw **D. W.** (Directeur AOlF), de heer **P. N.** en de Heer **Y. B.** (beiden Ernst & Young) aanwezig waren.

Op 22 augustus 2005 stuurde de AOIF een correctieopgave op die het standpunt van de administratie weergaf.

Volgens deze correctieopgave is de waarde van het zwembad gelijk aan 473.317,24 EUR zijnde 54,5 % van de constructiewaarde van het bijhuis.

Eiseres kon zich niet vinden in dit standpunt. Op 14 oktober 2005 deelde Ernst & Young aldus de opmerkingen van eiseres betreffende de waarde van het zwembad mee aan de fiscale administratie, gestaafd aan de hand van een technisch advies van de architect.

Op 10 november 2005 heeft Ernst & Young vervolgens op vraag van de heer **E. V. R.** (AOIF) een vergadering bijgewoond waarbij mevrouw **D. W.**, de heren **M.**, **V. R.**, **D.**, **B.** en **N.** aanwezig waren. Er zou in overleg zijn besloten om het standpunt van het BTW-hoofdbestuur in te winnen aangaande het begrip "bestanddeel van zwembaden".

Op 22 november 2005 ontving Ernst & Young een brief van de AOIF waarbij deze laatste haar initieel standpunt bevestigde.

Op 12 december 2005 heeft de verwerende partij een proces-verbaal opgesteld naar aanleiding van de in maart 2005 aangevangen controle voor de periode van 1 januari 2002 tot 30 september 2004, opgemaakt en bij aangetekend schrijven van dezelfde datum aan eiseres overgemaakt.

In dit proces-verbaal bevestigt de fiscale administratie dat uit deze controle gebleken zou zijn dat de waarde van de werken waarover het verlaagd tarief van toepassing is, door eiseres verkeerd zou zijn bepaald en derhalve het bedrag waarvan teruggaaf werd gevraagd op grond van [artikel 77, § 1, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) overdreven zou zijn.

Op basis van deze begroting zou eiseres volgende bedragen verschuldigd zijn aan de Belgische Staat, Administratie van de Invordering, sector BTW :

\- als belasting over de toegevoegde waarde : 81.502,07 + 2.015,38 EUR = 83.517,45 EUR;

\- als wettelijke proportionele boete op grond van [artikel 70, § 1 en 1bis van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) : tweemaal de verschuldigde belasting zijnde 83.517,45 EUR x 2 = 167.034,90 EUR, verminderd naar 8.250,21 euro;

\- als interesten, op grond van [artikel 91, § 1, van het BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), 0,8 % per maand vanaf 21 oktober 2004, te berekenen over de verschuldigde BTW afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10,00 EUR, zijnde 83.510,00 EUR

Bij een zogenaamd "Attest van BTW-Teruggave" gedateerd 11 juli 2006 heeft de Belgische Staat schriftelijk bevestigd het bedrag van 121.749,38 EUR te vereffenen aan eiseres.

De Belgische Staat heeft op 19 april 2007 een wettelijke hypotheek genomen op het onroerend goed toebehorend aan eiseres gelegen te …, ….

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

De vordering van eiseres strekt ertoe :

\- overeenkomstig het initieel gesloten akkoord tussen eiseres en de Belgische Staat d.d. 23 september 2004 en gelet op de inmiddels op 5 september 2006 door de Belgische Staat verrichte teruggaaf, de teruggaaf van een bedrag van 132.504,46 EUR te verhogen met de intresten bedoeld in 91, § 3, 1° bedoelde verwijlinteresten en de rechterlijke interesten, voor recht te bevestigen.

\- het dwangbevel van 23 december 2005 en het proces-verbaal van 12 december 2005 integraal te vernietigen en van nul en generlei waarde te verklaren en eiseres te ontslaan van alle in die proces-verbaal en dwangbevel gevorderde bedragen.

\- de Belgische Staat te veroordelen tot (i) de ontlasting van alle gevorderde belastingen zowel in hoofdsom, intresten als boeten, en tot (ii) de opheffing van de door de Belgische Staat gevestigde wettelijke hypotheek waarbij het tussen te komen vonnis als titel geldt.

\- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in toepassing van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek zoals gewijzigd door de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten van de advocaat en het Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007, begroot op het basisbedrag van 5.000 EUR.

Verweerster besluit tot afwijzing van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is derhalve ontvankelijk.

### 3.2. Gegrondheid

**1.** Partijen zijn het erover eens dat de tussen hen gevoerde betwisting betrekking heeft op de vraag wat moet begrepen worden onder "bestanddelen en gedeelten van bestanddelen van het zwembad".

[Artikel 1bis van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) bepaalt het volgende (zoals van toepassing sinds 1/1/2000) :

*§ 1. In afwijking van artikel 1, wordt vanaf 1 januari 2000 tot en met 31 december 2002, het werk in onroerende staat en andere handelingen bedoeld in § 3, met uitsluiting van de materialen die een beduidend deel vertegenwoordigen van de verstrekte dienst, onderworpen aan het tarief van 6 %, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld :*

*1°* *de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;*

*2°* *de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;*

*3°* *de handelingen moeten worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van verschuldigdheid van de BTW dat zich voordoet overeenkomstig artikel 22 van het Wetboek (vóór 1 november 1995 bedroeg de vereiste tijdspanne sedert de eerste ingebruikneming twintig jaar);*

*4°* *de handelingen moeten worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker door een persoon die, op het tijdstip van het sluiten van het aannemingscontract, geregistreerd is als zelfstandig aannemer overeenkomstig de artikelen 400 en 401 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;*

*5°* *de door de dienstverrichter uitgereikte factuur en het dubbel dat hij bewaart, moeten, op basis van een duidelijk en nauwkeurig attest van de afnemer, melding maken van het voorhanden zijn van de elementen die de toepassing van het verlaagd tarief rechtvaardigen; behalve in geval van samenspanning tussen de partijen of klaarblijkelijk niet naleven van onderhavige bepaling, ontlast het attest van de afnemer de dienstverrichter van de aansprakelijkheid betreffende de vaststelling van het tarief.*

*§ 2. Worden aangemerkt als eindverbruikers in de zin van deze bepaling, voor het werk in onroerende staat en de andere handelingen omschreven in § 3, met betrekking tot de woningen daadwerkelijk gebruikt voor de huisvesting van bejaarden, leerlingen en studenten, minderjarigen, thuislozen en personen in moeilijkheden, de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke personen die beheren :*

*1°* *verblijfsinrichtingen voor bejaarden welke door de bevoegde overheid zijn erkend in het kader van de wetgeving inzake bejaardenzorg;*

*2°* *internaten die zijn toegevoegd aan scholen of universiteiten of die ervan afhangen;*

*3°* *jeugdbeschermingstehuizen en residentiële voorzieningen die op duurzame wijze, in dag- en nachtverblijf, minderjarigen huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid in het kader van de wetgeving op de jeugdbescherming of de bijzondere jeugdbijstand;*

*4°* *opvangtehuizen die in dag- en nachtverblijf thuislozen en personen in moeilijkheden huisvesten en die erkend zijn door de bevoegde overheid.*

*§ 3. Worden beoogd :*

*1°* *het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed;*

*2°* *prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;*

*3°* *iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw :*

*a)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een installatie voor centrale verwarming of airconditioning, daaronder begrepen de branders, de reservoirs en de regel- en controletoestellen verbonden aan de ketel of aan de radiatoren;*

*b)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;*

*c)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische installatie van een gebouw, met uitzondering van toestellen voor de verlichting en van lampen;*

*d)* *van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een elektrische belinstallatie, van brandalarmtoestellen, van alarmtoestellen tegen diefstal en van een huistelefoon;*

*e)* *van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;*

*f)* *van luiken, rolluiken en rolgordijnen die aan de buitenkant van het gebouw worden geplaatst;*

*4°* *iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering van wandbekleding of vloerbekleding of -bedekking als de plaatsing ervan in een gebouw ongeacht of die bekleding of bedekking aan het gebouw wordt vastgehecht of eenvoudig ter plaatse op maat gesneden volgens de afmetingen van de te bedekken oppervlakte;*

*5°* *het aanhechten, het plaatsen, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, van goederen bedoeld in 3° en 4° hierboven;*

*6°* *de terbeschikkingstelling van personeel met het oog op het verrichten van de hierboven bedoelde handelingen.*

§ 4. Het verlaagd tarief is in geen geval van toepassing op :

*1°* *werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen;*

*2°* *werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties.*

*3°* *het gedeelte van de prijs met betrekking tot de levering van verwarmingsketels in appartementsgebouwen alsook op de levering van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van liftinstallaties."*

Deze bepaling werd sedertdien herhaaldelijk gewijzigd, doch deze wijzigingen hebben geen relevantie ten aanzien van het huidige geschil.

Tabel A bij KB nr. 20 bevat in zijn rubriek XXXI (werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen) een nagenoeg identieke bepaling.

#### De bewijslast

**2.** Eiseres stelt terecht dat de bewijslast aangaande de toepassing van een hoger BTW-tarief dan het tarief dat door de BTW-plichtige werd toegepast rust op de administratie. De Belgische Staat dient het bestaan en het bedrag van een belastingschuld aan te tonen.

In voorliggend geval staat het vast dat eiseres initieel toepassing had gemaakt van het BTW-tarief van 21 % over de volledige maatstaf van de heffing, hetgeen gebeurde door een correctieopgave die voor akkoord werd ondertekend door eiseres. De verschuldigde BTW werd betaald op 17 oktober 2002.

Pas naderhand realiseerde eiseres zich dat zij aanspraak kon maken op de toepassing van het verlaagd tarief van 6 %, althans voor wat een deel van de uitgevoerde werken betreft. Bijgevolg kon zij aanspraak maken op teruggaaf ten belope van het verschil tussen de nagevorderde BTW en de werkelijk verschuldigde BTW.

Overeenkomstig [artikel 77, § 1, 1° BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) wordt de belasting die geheven werd van een levering van goederen, van een dienst of van een intracommunautaire verwerving van een goed tot beloop van het passende bedrag teruggegeven, wanneer ze het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is.

Uit hetgeen voorafgaat kan niet worden afgeleid dat de bewijslast aangaande de verschuldigde belasting thans op eiseres zou rusten. Het feit dat eiseres teruggaaf vordert vloeit voort uit het feit dat er aanvankelijk geen betwisting bestond met betrekking tot het toepasselijke BTW-tarief en deze betwisting pas later is tussengekomen op een ogenblik dat de belasting reeds was betaald. Deze omstandigheid doet niet af aan de verdeling van de bewijslast aangaande het bestaan en het bedrag van de belastingschuld.

Overigens merkt de rechtbank op dat de Belgische Staat in strijd met het door haar thans verdedigde standpunt is overgegaan tot betaling van de gevorderde teruggaaf en het in werkelijkheid de Belgische Staat is die de (terug)betaling van een beweerdelijk verschuldigde belasting nastreeft.

Derhalve rust de bewijslast aangaande de toepassing van het 6 % BTW-tarief op de Belgische Staat.

#### Het beweerde akkoord van 23 september 2004

**3.** Eiseres stelt dat een akkoord werd gesloten op een bijeenkomst ter plaatse tussen haarzelf en de vertegenwoordigers van verweerder.

Er zou een akkoord zijn gesloten omtrent drie punten :

1) de verdeling tussen het professionele en privé-gedeelte van het gebouw

2) het bedrag aan teveel betaalde BTW

3) de toepassing van het verminderd tarief van 6 %

Dit akkoord zou zijn bevestigd in een schrijven van Ernst & Young van 15 oktober 2004.

De Belgische Staat betwist dat een akkoord zou zijn tot stand gekomen.

Het standpunt van eiseres kan niet worden gevolgd. In het schrijven van het AOIF van 18 november 2004 werden opmerkingen geformuleerd aangaande de beweerdelijk gemaakte afspraken :

1) er werd voorbehoud gemaakt aangaande de vaststelling van het professionele gedeelte omdat de gebouwen nog niet in gebruik werden genomen;

2) de toepassing van het verlaagde tarief van 6 % werd bevestigd, indien aan alle voorwaarden is voldaan. De volledige constructie van het zwembad wordt evenwel uitgesloten.

3) de herziening van de belasting is niet mogelijk door toerekening in rooster 62 van de BTW-aangifte.

Tenslotte stelt de directeur van de AOIF : *"Bij toepassing van* [*artikel 84 van het BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) *ben ik bereid het gerezen geschil verder met u te bespreken. Om een exacte berekening te kunnen maken van de eventueel terug te geven belasting nodig ik u uit opnieuw contact op te nemen na de ingebruikname van de gebouwen. Op dat ogenblik zullen de facturen, de plans, de bestekken, de contracten en alle gegevens nodig voor de beoordeling van de kwestie moeten worden voorgelegd. U gelieve evenwel rekening te houden met artikel 14 van het KB 4."*

Uit deze alinea kan worden afgeleid dat er geen akkoord werd gesloten met betrekking tot de concrete berekening van de eventueel terug te geven belasting, nu uitdrukkelijk wordt gesteld dat de facturen, plans, bestekken en contracten zullen moeten worden voorgelegd voor de concrete berekening bij een volgende vergadering.

Indien eiseres beweert dat de heer **T.** van de AOIF zich in tegenstelling tot hetgeen blijkt uit het schrijven van de directeur van de AOIF zou hebben akkoord verklaard met de concrete berekening die door eiseres werd voorgesteld, dan dient eiseres hiervan het bewijs te leveren overeenkomstig artikel 870 Ger. W. en 1315 B.W. Zij faalt evenwel in dit bewijs.

Overigens is op te merken dat indien een akkoord zou zijn tot stand gekomen op 23 september 2004 omtrent de berekening van de teveel betaalde belasting, zoals eiseres voorhoudt, het overbodig was voor eiseres om in het schrijven van 15 oktober 2004 de concrete berekening van de teruggaaf uiteen te zetten. Hieruit kan enkel worden afgeleid dat op 23 september 2004 in aanwezigheid van de heer **T.** van de AOIF geen dergelijk berekening werd gemaakt en a fortiori deze niet werd goedgekeurd of aanvaard door deze laatste.

**5.** Eiseres lijkt te suggereren dat verweerder te laat reageerde op de brief van Ernst & Young van 15 oktober 2004 door "slechts" op 18 november 2004 te reageren. Door te reageren op het schrijven van Ernst & Young op 18 november 2004 heeft de administratie geantwoord op voornoemd schrijven binnen een redelijke termijn. Eiseres (of haar vertegenwoordigers) hebben overigens zelf gewacht tot 15 oktober 2004 om het beweerde akkoord met de AOIF te bevestigen, zodat aan de Belgische Staat minstens een zelfde termijn diende te worden geboden om haar standpunt te bepalen.

Bijgevolg kan geen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur worden weerhouden.

#### De uitlegging van [artikel 1bis, § 4, 2° van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc)

\- Werken in onroerende staat en onroerende handelingen

**6.** Artikel 1bis, § 4, 12° sluit van het verlaagde BTW-tarief uit *"werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties"*.

> “Werk in onroerende staat” wordt in 19, § 2, lid 2 BTW-Wetboek omschreven als volgt : *"Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt."*

Het begrip "onroerende handelingen" wordt niet als dusdanig gedefinieerd. Eiseres stelt dat het KB nr. 5 van 27 december 1977 een limitatieve opsomming zou geven van deze handelingen. Het desbetreffende Koninklijk Besluit betreft evenwel de omschrijving van een dienst die verband houdt met een onroerend goed voor de toepassing van [artikel 21, § 3, 1° van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21). Dit Koninklijk Besluit is derhalve niet dienstig voor de uitlegging van het KB nr. 20.

Terecht merkt eiseres op dat in [artikel 1bis, § 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) (en tabel A, rubriek XXXI, § 1) gewag wordt gemaakt van werken in onroerende staat en van "handelingen" bedoel in § 3, terwijl in § 4, 2° van datzelfde artikel verwezen wordt naar "onroerende handelingen". Eiseres leidt hieruit af dat roerende handelingen zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van [artikel 1bis, § 4, 2° van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc). Verder stelt eiseres dat artikel 1bis, § 3, 3° een opsomming inhoudt van aanhorigheden die uit hun aard roerend zijn, maar die toch worden onderworpen aan het verlaagd tarief. Zij stelt dat deze aanhorigheden niet aan het verhoogd tarief kunnen worden onderworpen, nu in artikel 1bis, § 4, 2° slechts wordt verwezen naar "onroerende handelingen".

De argumentatie van eiseres faalt in rechte.

**7.** Eiseres steunt op de premisse dat de in artikel 1bis, § 3, 3° at/m f opgesomde handelingen roerende handelingen betreffen.

Zoals eiseres zelf erkent (samenvattende conclusie p. 22) moet het (on)roerend karakter van een handeling voor de toepassing van de BTW worden bepaald naar het voorwerp van de handeling. Een handeling is onroerend, indien het bijdraagt tot de oprichting van een onroerend goed uit zijn aard of de wijziging van de structuur ervan (zie Aanschrijving 86/06, nr. 19).

De in [artikel 1bis, § 3, 3° van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) opgesomde handelingen zijn niet noodzakelijk roerende handelingen. Dit blijkt immers uit de vermelding "ook indien niet beoogd door 2°", waaruit mag worden afgeleid dat er een zekere overlapping bestaat tussen de handelingen opgesomd in § 3, 3° en deze opgesomd in § 3, 2°.

In veel gevallen zullen de installaties en voorwerpen die worden geleverd en worden aangehecht in de zin van artikel 1bis, § 3 at/m f van KB nr. 20 onroerend worden door incorporatie (onroerend uit hun aard; zie artikel 518 B.W.) dan wel door bestemming door de blijvende verbinding met het erf (zie artikel 524 en 525 B.W.). In dat geval dienen deze handelingen als onroerend te worden beschouwd, vermits ze aldus bijdragen tot de wijziging van de structuur en inrichting van een onroerend goed uit zijn aard.

Door te stellen dat deze handelingen worden beoogd voor de toepassing van het verlaagd tarief, ook wanneer zij niet vallen onder de categorie sub 2° heeft de wetgever de hypothese willen in aanmerking nemen dat deze handelingen roerende goederen tot voorwerp hebben, die door de aanhechting niet onroerend worden uit hun aard.

**8.** Overigens is op te merken dat het door eiseres verdedigde standpunt niet in overeenstemming is met het advies van architect **O.** aangaande de beweerde kostprijs van het bijhuis zonder zwembad. In zijn brief van 22 september 2005 wordt uitdrukkelijk vermeld : *"Perceel 4 : sanitair behorend bij niveau -1 werd eveneens weggelaten."* Nochtans betreft het hier handelingen die tot voorwerp hebben zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw in de zin van artikel 1bis, § 3, 3° b°.

Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de handelingen omschreven sub artikel 1bis, § 3, 3° at/m f van het KB nr. 20 als dusdanig niet zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de bepaling van [artikel 1bis, § 4, 2° KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc).

\- Onroerende handelingen die tot voorwerp hebben de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden

**9.** Eiseres bestrijdt de door de administratie gebruikte werkwijze en stelt dat enkel de bestanddelen die effectief betrekking hebben op het zwembad onderhevig zijn aan het verhoogde tarief, doch niet de aanhorigheden die per definitie geen bestanddeel zouden uitmaken.

In de mate dat eiseres aldus voorhoudt dat aanhorigheden niet onder het verhoogde BTW-tarief kunnen onderhevig zijn, nu aanhorigheden geen onroerende handelingen, noch werken in onroerende staat zouden uitmaken faalt haar argumentatie in rechte (zie supra).

**10.** Verder komt eiseres op tegen het feit dat de door de administratie gedane vaststellingen zouden steunen op functionele criteria. Bepaalde handelingen zouden weliswaar van nut zijn voor het zwembad, maar zouden niet steunen op het verbouwen ervan. Eiseres vroeg advies aan een architect (**W. O.**). Deze raamde in een verslag de kostprijs van het bijhuis zonder zwembad en van het bijhuis met zwembad en komt aldus tot een berekening waarbij hij de prijs van het bijhuis zonder zwembad raamt op 73,41 % van het bijhuis met zwembad.

Vooreerst merkt de rechtbank op dat de toepassing van het verlaagde tarief van 6 % zelf steunt op een functioneel criterium. Overeenkomstig [artikel 1bis, § 1, 2° van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) moeten de handelingen betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt. Het is dan ook vanuit dit perspectief dat de uitzonderingsbepaling van artikel 1bis, § 4 moet worden gezien.

In onderdeel 1° van § 4 wordt in het algemeen verwezen naar werk in onroerende staat en andere onroerende handelingen, die geen betrekking hebben op de eigenlijke woning, zoals bebouwingswerkzaamheden, tuinaanleg en oprichten van afsluitingen. Aldus wordt de reden van de uitzonderingsbepaling voor deze categorie van handelingen verduidelijkt, met name omdat deze handelingen niet in verband kunnen worden gebracht met de woning en de daaraan verbonden woonfunctie.

In dezelfde zin moet onderdeel 2° worden begrepen. De wetgever is er met name van uitgegaan dat er geen voldoende, noodzakelijk en rechtstreeks verband bestaat tussen de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van zwembaden, sauna's, midget-golfbanen, tennisterreinen en dergelijke installaties en de eigenlijke woning en de daaraan verbonden woonfunctie.

Gelet op deze functionele benadering van de wetgever zelf moet onder het begrip bestanddelen van een zwembad niet enkel het eigenlijke zwembad begrepen worden, doch ook alle handelingen die rechtstreeks verband houden met het zwembad en hiervoor zijn bestemd. Immers ook deze handelingen staan niet in verband met de woonfunctie, waarvoor de BTW-verlaging is bedoeld.

Overigens maakt [artikel 1bis, § 4, 2° in fine van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) gewag van het ruime begrip "installaties".

**11.** Verder is de rechtbank van oordeel dat de door architect **O.** voorgestelde berekening niet kan worden aangenomen. Deze berekening is immers gebaseerd op het oorspronkelijke gebouw van architect **B.** dat eveneens onderkelderd was, voorzien van een garage en schuine zijdelingse inrit, werkruimte wijnkelder en technische ruimte doch in een hedendaags architecturale opvatting (zie par. 2 van de brief van 22 september 2005). Aldus steunt de bepaling van de bestanddelen van het zwembad voor de toepassing van de BTW door eiseres op een louter theoretisch en hypothetisch ontwerp "in een hedendaagse architecturale opvatting". Dit gebouw werd niet gerealiseerd en zal nooit worden gerealiseerd. Het steunt op geen enkel objectief gegeven en werd door eiseres nooit in overweging genomen.

De methode die steunt op de vergelijking tussen een bestaand gebouw (met zwembad) en een louter theoretisch ontwerp, dat op geen enkel objectief gegeven is gesteund en afhankelijk is van de invulling die wordt gegeven aan het hypothetisch ontwerp dat als vergelijkingspunt wordt gebruikt, is louter willekeurig en niet in overeenstemming met de bepalingen van KB nr. 20.

Bovendien gaat architect **O.** uit van de oprichting van een kelderverdieping in het bijhuis zonder zwembad, hoewel blijkt dat de volledige kelderverdieping in werkelijkheid bestemd is voor het gebruik van het zwembad. Bijgevolg kan de oprichting van een kelderverdieping moeilijk los gezien worden van de installatie van het zwembad en heeft architect **O.** ten onrechte rekening gehouden met de oprichting van een kelderverdieping bij het berekenen van de kostprijs van het bijhuis zonder zwembad.

De door verweerder gebruikte methode voor de bepaling van de waarde van het zwembad aan de hand van de vorderingsstaten is in overeenstemming met de bepalingen van het KB nr. 20. Derhalve heeft de Belgische Staat terecht een deel van de totale kostprijs van het gebouw onderworpen aan het standaard BTW-tarief van 21 %.

**12.** Eiseres stelt in haar conclusie dat de Belgische Staat voor de toewijzing van kosten aan het zwembad gebruik maakt van verschillende percentages, die niet zouden zijn gemotiveerd en niet als objectief zouden zijn te aanzien. In concreto komt zij op tegen het gebruik van het oppervlakte criterium om de aan het zwembad toegewezen deel van de werken zoals grondwerken, funderingswerken, metselwerken, enz. te bepalen. Volgens eiseres zou het criterium van de oppervlakte geen relevant criterium zijn.

Zij licht deze grief echter niet verder toe en stelt zelf geen criterium voor dat dan wel als relevant zou moeten worden beschouwd.

Bovendien stelt eiseres dat enkel rekening mag worden gehouden met de oppervlakte van het eigenlijke zwembad (55 m 2) en niet met de oppervlakte van de gehele ondergrondse ruimte. Evenwel moet worden vastgesteld, hetgeen niet wordt weersproken door eiseres, dat de ondergrondse ruimte (niveau -1) volledig bestemd is voor het gebruik van het zwembad en geen andere functie heeft. Derhalve dient de gehele oppervlakte van de ondergrondse ruimte in aanmerking genomen worden voor het bepalen van het aandeel in de werken dat aan het zwembad moet worden toegewezen.

Het feit dat de technische ruimte die zich op niveau -1 bevindt eveneens dienstig is voor het ganse gebouw heeft niet tot gevolg dat met de (beperkte) oppervlakte ervan geen rekening dient te worden gehouden bij de bepaling van het aandeel van het zwembad in bepaalde werken. Immers, de enige reden waarom een kelderverdieping werd opgericht was voor het gebruik en inrichting van een zwembadinstallatie. Indien geen zwembad zou zijn opgericht, zou er ook geen kelderverdieping zijn opgericht en zou de technische ruimte zich op de gelijkvloerse verdieping hebben bevonden.

**13.** Eiseres werpt verder nog op dat de administratie in het verleden reeds bouwkundige criteria zou hebben gebruikt voor de toepassing van artikel 1bis, § 4, 2° met name met betrekking tot sauna's en bijhorende installaties (beslissing ET 94492 van 18 juni 1999). Uit deze beslissing kan geen steun worden gevonden voor de stelling van eiseres. In deze beslissing stelde de administratie enkel dat installaties voor het nemen van een stoombad (met cabines en douches) of andere sauna's altijd onderworpen zijn aan het normale BTW-tarief. Deze hypothese verschilt van het voorliggende geval, waarbij een volledige kelderverdieping werd opgericht, waarvan de nagenoeg uitsluitende bestemming het gebruik van het zwembad is.

Het door eiseres voorgestelde "bouwkundige" criterium houdt volgens haar in dat men zich de vraag moet stellen welke de meerwerken zijn die bouwtechnisch specifiek moeten worden toegewezen aan het zwembad, waarbij rekening moet worden gehouden met de werken die sowieso gedaan moesten worden als er geen zwembad bestond en de architecturale situatie vóór de renovatie.

Het door eiseres voorgestelde criterium kan echter niet worden aangenomen, nu het vertrekt van de premisse dat bepaalde werken "sowieso moesten gedaan worden", Welke deze werken zijn wordt niet verduidelijkt, doch kan niet louter afhangen van de wil van de belastingplichtige. Nagegaan moet worden welke werken in redelijkheid zouden zijn uitgevoerd, zelfs indien het zwembad niet zou zijn geïnstalleerd. In dit opzicht kunnen bv. de voordeur van de woning, de gangen en de inkomhal van de woning niet worden beschouwd als bestanddelen van het zwembad, nu in redelijkheid mag worden aangenomen dat deze ook bij afwezigheid van een kelderverdieping of zwembad zouden zijn opgericht.

Bovendien is volgens eiseres rekening te houden met de architecturale situatie voor de renovatie. Er is echter geen noodzakelijk verband tussen de architectuur van een gebouw na de renovatie en de vooraf bestaande toestand of de architecturale situatie voor de renovatie.

Het door eiseres voorgestelde bouwkundige criterium is subjectief in die zin dat het uitgaat van een theoretisch en hypothetisch alternatief ontwerp op basis van de toestand voor de renovatie; dat niet steunt op enig objectief gegeven. Het houdt geen rekening met de werkelijke toestand, met name dat de ondergrondse verdieping nagenoeg uitsluitend is bestemd voor het gebruik van het zwembad en geen andere functie heeft.

Niettegenstaande de vooraf bestaande architecturale situatie voor de renovatie, zou eiseres niet zijn overgegaan tot de constructie van een kelderverdieping, indien geen zwembad zou zijn geïnstalleerd. De constructie van de kelderverdieping vindt dan ook zijn rechtstreekse oorzaak in installatie van het zwembad en dient aldus beschouwd te worden als een bestanddeel van het zwembad. Het loutere feit dat een kelder bouwkundig los staat van het zwembad doet hieraan niet af, nu uit de concrete situatie blijkt dat de kelderverdieping geen andere functie heeft dan het gebruik van het zwembad.

Erkenning van schuldvordering

**14.** Eiseres stelt dat de Belgische Staat in een "attest van BTW Teruggave" schriftelijk heeft bevestigd, onvoorwaardelijk en zonder voorbehoud dienaangaande, het bedrag van 121.749,38 euro te vereffenen. Dit zou een erkenning van schuld inhouden vanwege de Belgische Staat.

De rechtbank stelt vast dat het onderhavige geding werd aanhangig gemaakt bij deze rechtbank bij verzoekschrift van 30 december 2005 en dat de Belgische Staat hangende het geding een teruggave heeft gedaan van de BTW, waarvan zij thans stelt dat eiseres geen recht had op (een deel van) deze teruggave.

Tevens is vast te stellen dat de Belgische Staat in onderhavig geding conclusies heeft neergelegd ter griffie op 13 maart 2006 en 8 juni 2006, waarin zij haar standpunt uiteenzet, dat echter onverenigbaar is met de betaling van de door eiseres gevorderde teruggave. Ook nadien werden conclusies neergelegd door de Belgische Staat waarin het aanvankelijke standpunt werd bevestigd.

Aldus kan uit de betaling van het door eiseres gevorderde bedrag door de Belgische Staat op 11 juli 2006 niet worden afgeleid dat de Belgische Staat afstand heeft wijlen doen van het door haar verdedigde standpunt en een einde heeft willen stellen aan de betwisting.

Eiseres kan geen rechten ontlenen aan het feit dat de Belgische Staat de bepalingen van het KB nr. 4 zou hebben miskend door niet over te gaan tot een inhouding van belastingkrediet. Deze bepalingen beogen immers de bescherming en vrijwaring van de belangen van de Schatkist en niet deze van de belastingplichtige.

#### Vestiging van een wettelijke hypotheek

**15.** Eiseres werpt op dat door de Belgische Staat op 19 april 2007 een wettelijke hypotheek werd gevestigd op het onroerend goed van eiseres en zij hiervan niet in kennis werd gesteld. Bovendien zou de Belgische Staat zich ten onrechte hebben beroepen op de artikelen [85 e.v.](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) van het BTW-Wetboek.

De vestiging van de hypotheek gebeurde op grond van het door de Belgische Staat uitgevaardigde dwangbevel. [Artikel 85, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) bepaalt dat *"bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel (wordt) uitgevaardigd"* en dat hiervan kennis wordt gegeven aan de belastingplichtige.

Het lot van de gevestigde hypotheek is derhalve gekoppeld aan dat van het door de Belgische Staat uitgevaardigde dwangbevel.

De Belgische Staat heeft terecht een dwangbevel uitgevaardigd. Het feit dat eiseres teruggave vordert van de door haar ten onrechte betaalde belasting en de administratie van oordeel is dat deze teruggave deels onterecht wordt gevorderd, houdt in dat er een betwiste belastingschuld bestaat, die precies het voorwerp uitmaakt van onderhavig geding. Nu eiseres zich niet kan vinden in de door de administratie weerhouden berekeningen, staat het vast dat zij weigert de betrokken belasting te voldoen. Het loutere feit dat zij een teruggave vordert van BTW, die geen rekening houdt met een (volgens de administratie) bestaande belastingschuld, moet gelijkgesteld worden met de niet-betaling van deze belastingschuld.

In elk geval werd het door eiseres gevorderde bedrag op 11 juli 2006 aan eiseres betaald, zodat er sindsdien in elke hypothese een belastingschuld bestaat die niet werd betaald door eiseres.

---

Om al de redenen hiervoor uiteengezet dient de vordering van eiseres in haar geheel te worden afgewezen.

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

Aangezien de vordering van eiseres ongegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het gerechtelijk wetboek, ten laste gelegd van eiseres verweerder.

De waarde van de vordering situeert zich dan ook tussen € 100.000,01 en € 250.000,OO.

Partijen bevestigden in hun respectievelijke syntheseconclusies, dat zij beiden het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding vorderen.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 5.000. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op **tegenspraak**,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres toelaatbaar, doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van verweerder begroot op € 5.000 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de **33****ste** **kamer** van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op **19 januari 2009**.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer M. B., toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. B.**

## Aangehaalde teksten

8

[KB nr. 20 art. 1bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-artikel-1bis-20cc) 8 voorkomens

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 2 voorkomens

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 2 voorkomens

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 1 voorkomen

[WBTW art. 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, Nieuw gebouw, Werken in onroerende staat, Bouwwerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuw-gebouw-werken-rechtbank-brussel-2023-05-31-57ac) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verplichtingen van de belastingplichtige, Indienen van periodieke aangiften](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verplichtingen-belastingplichtige-indienen-periodieke-aangiften-rechtbank-2025-06-10-8211) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Kennisgeving van bijzondere rekeningen, Uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kennisgeving-bijzondere-rekeningen-uitdrukkelijke-motivering-rechtbank-2025-06-30-f6bb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-geldboete-rechtbank-kortrijk-2004-09-06-3568) 4 gemeenschappelijke bepalingen
