---
title: "Werkingssfeer, dienst · Hof van beroep te Brussel, 23 juni 2010"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, maatstaf van heffing, vrijstelling. Hof van beroep te Brussel (België), 23 juni 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-maatstaf-hof-van-beroep-brussel-2010-06-23-d6b5"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, maatstaf van heffing, vrijstelling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

23 juni 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

83 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 23.06.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Toegevoegde kamer 6SN**

Nr. van de zaak : 2006/AR/2271

**IN ZAKE VAN :**

De NV **V. E.**, met maatschappelijke zere! te …, …, met ondememingsnummer …,

appellante,

vertegenwoordigd door Meester **l. V. D.**, advocaat te …, …,

**TEGEN :**

**De BELGISCHE STAAT**, administratie van de ondememings- en inkomensfiscaliteit, sector BTW, op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het ontvangkantoor van de BTW Vilvoorde, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1800 Vilvoorde. Groenstraat 51,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester **H.**, loco Meester **P. D.**, advocaat te …, …,

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder :

\- het afschrift van het vonnis van de drieëndertigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op tegenspraak gewezen op 16 juni 2006 (A.R. nr. 2004/15964/A), vonnis waarvan geen betekeningakte voorligt;

\- het verzoekschrift van het hoger beroep wordt niet betwist.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van appellante ontvankelijk doch ongegrond.

Deze vordering strekte ertoe het verzet ontvankelijk en gegrond te verklaren, het dwangbevel te vernietigen en de vordering van geïntimeerde ongegrond te verklaren.

## l. De feiten

Appellante is sinds 1 januari 1971 als BTW-belastingplichtige geregistreerd. Zij is privaatrechtelijke uitbater van een door de Vlaamse Gemeenschap erkend rusthuis.

Zij factureert de diensten bestaande uit het verstrekken van voedsel en logies aan haar residenten, met toepassing van de BTW.

Daarnaast stelt appellante, volgens geïntimeerde, appellante bejaardenhelpsters, verpleegsters en verpleegkundigen, een coördinator verzorging, poetsvrouwen, arbeidsters, een kok, een nachtwaker en een bediende ter beschikking van een andere vennootschap, de BVBA **T. T.**, met zetel te …, …., waarvoor facturen zonder toepassing van de BTW worden uitgereikt. Door appellante worden ook facturen aan de BVBA **T. T.** uitgereikt voor “vergoeding op omzet 20 %”, waarvoor evenmin BTW wordt aangerekend.

Volgens geïntimeerde is deze terbeschikkingstelling van personeel onderworpen aan de BTW.

Appellante heeft in de periode 1987 tot 1996 de BTW geheven op haar investeringen voor de oprichting en de inrichting van het rusthuis volledig in aftrek gebracht, ervan uitgaande dat zij een volledige belastingplichtige was. Zij paste dus niet het algemeen verhoudingsgetal toe, zoals bepaald in art. 46, § 1, W.BTW, en in het KB nr. 3 van 10 december 1969. Voor 1993, 1994 en 1995 deed appellante de aftrek zonder rekening te houden met de bepalingen van voormeld art. 46 W.BTW. Voor 1996 was dit eveneens het geval, met dien verstande dat appellante voor dat jaar de aftrek van sommige facturen zelf beperkte tot 50 % van de betaalde BTW.

Naar aanleiding van een controle bij appellante inzake BTW over de periode van 1 januari 1994 tot en met 31 december 1996 berekende de administratie het algemeen verhoudingsgetal. Vervolgens berekende de administratie per aankoopfactuur van investeringen hoeveel BTW in 1993, 1994, 1995 en 1996 aftrekbaar was bij toepassing van dit verhoudingsgetal en jaarlijkse herziening a rato van 1/5 de of 1/10 de, naargelang het geval. Het verschil in het voordeel van geïntimeerde tussen de afgetrokken en aftrekbare BTW werd teruggevorderd.

De bij de controle gedane vaststellingen en de verschuldigde sommen werden opgenomen in het proces-verbaal van 13 april 1999, waaruit bleek dat appellante aan de administratie van de invordering, sector BTW, de volgende sommen verschuldigd was :

\- BTW : … EUR;

\- wettelijke boete : …, en

\- interesten : p.m.

Op 16 april 1999 vaardigde geïntimeerde een dwangbevel uit, dat op 15 januari 2001 bij gerechtsdeurwaardersexploot werd betekend aan appellante.

Op 20 februari 2001 dagvaardde appellante geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven.

Op 3 december 2004 verwees de rechtbank te Leuven de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Bij het bestreden vonnis van 16 juni 2006 wees de rechtbank te Brussel de vordering van appellante af.

## II. Voorwerp van het geding

Art. 44, § 2, 2° W.BTW bepaalt dat de diensten en de leveringen van goederen die nauw samenhangen met maatschappelijk werk verstrekt door instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben en als zodanig zijn erkend door de bevoegde overheid en die, indien het gaat om privaatrechtelijke instellingen (zoals in deze het geval is), handelen onder sociale voorwaarden welke vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de publiekrechtelijke instellingen, vrijgesteld zijn van de BTW.

Appellante meent dat haar volledige activiteit aan BTW onderworpen is, en dat zij derhalve dan ook terecht volledig haar recht op aftrek van voorbelasting heeft uitgeoefend.

## III. Discussie

### a) Wat de voorwaarden voor vrijstelling van BTW voor bejaardenzorg betreft

Appellante houdt voor niet te handelen onder sociale voorwaarden vergelijkbaar met deze van een publiekrechtelijke instelling, omdat zij winstoogmerk heeft. Zij wijst erop dat de wetgever voor de vrijstelling van belastingplicht inzake BTW twee voorwaarden heeft gesteld : naast de erkenning geldt nog een tweede voorwaarde, nl. handelen onder sociale voorwaarden. Deze tweede voorwaarde wordt door de overheid als volgt ingevuld : het toepassen van prijzen, die zijn goedgekeurd door de minister van Economische Zaken. Volgens appellante houdt de minister ten onrechte voor dat de sociale aard zou worden gewaarborgd door de erkenning, nu deze alleen te maken heeft met de kwaliteitszorg. Volgens haar wordt de sociale aard wel degelijk bepaald door het winstoogmerk van de privaatrechtelijke persoon.

---

Appellante verklaart dus niet alleen te vallen onder de in art. 44, § 2, 2° W.BTW bepaalde vrijstelling aangezien zij niet handelt onder sociale voorwaarden vergelijkbaar met deze van een publiekrechtelijke instelling, nu zij een winstoogmerk heeft.

Bij ministeriële beslissing nr. E.T. 80.511 van 19 april 1994 (zie document B van geïntimeerde), worden de privaatrechtelijke instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben, voor de toepassing van de BTW geacht te handelen onder sociale voorwaarden, welke vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor publiekrechtelijke instellingen, wanneer zij door de overheid (in casu de Vlaamse Gemeenschap) erkend zijn en wanneer zij prijzen toepassen die goedgekeurd zijn door de minister van Economische Zaken.

Terecht doet geïntimeerde gelden dat de vrijstelling in kwestie inzonderheid gebonden is aan de erkenning door de bevoegde overheid. Vermits het verlenen van die erkenning gebaseerd is op het nakomen van de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden, die onder meer ook de sociale aspecten van de door de bedoelde instellingen verstrekte bejaardenzorg beogen, worden de privaatrechtelijke instellingen die de bejaardenzorg tot doel hebben, op voorwaarde dat ze als zodanig door de bevoegde overheid zijn erkend en zij prijzen toepassen die goedgekeurd zijn door de minister van Economische Zaken, voor de toepassing van de BTW, geacht te handelen onder sociale voorwaarden, welke vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de publiekrechtelijke instellingen.

Terecht merkt geïntimeerde terzake op dat de aanvulling van de tekst van art 44, § 2, 2°, W.BTW met ingang van 1 januari 1978 niet tot doel had een bijkomende voorwaarde toe te voegen, maar wel de tekst van deze bepaling in overeenstemming te brengen met de tekst van art. 13, A, 1, g, van de Zesde BTW-Richtlijn. In de ministeriële beslissing nr. E.T. 12.000 van 30 augustus 1978 wordt overigens uitdrukkelijk gesteld dat de aanpassing in kwestie niet van aard is dat ze de interpretatie van dat artikel, die van toepassing was voor 1 januai 1978, wijzigt (zie document E van geïntimeerde).

Uit hetgeen voorafgaat, volgt dat een privaatrechtelijke instelling die de vorm heeft aangenomen van een commerciële vennootschap, die per definitie een winstoogmerk veronderstelt, ook kan worden aanzien als werkende onder een sociaal oogmerk, en dus ook in aanmerking komt voor de toepassing van de vrijstelling waarvan sprake in art. 44, § 2, 2° W.BTW.

Kortom, art. 44, § 2, 2° W.BTW, vindt in deze in beginsel wel degelijk toepassing, en dit ongeacht het winstoogmerk van appellante.

#### b) Wat de door appellante verstrekte diensten betreft

1\. Appellante verwijst naar art. 15, § 2 van het Besluit van de Vlaamse executieve tot coördinatie van de decreten inzake de voorzieningen voor bejaarden van 18 december 1991. Volgens haar betekent deze bepaling dat de exploitatie van een rusthuis door één persoon dient te gebeuren, niet dat zij een bepaalde dienst zou mogen uitbesteden aan een andere persoon.

2\. Appellanten stelt dat zij enkel voeding en logies verstrekt. Volgens haar zou de verzorging worden verstrekt door de BVBA **T. T.**. Zij reikt aan deze BVBA facturen uit, zonder toepassing van de BTW, teneinde de door haar voorgeschoten lonen, die werden betaald aan het verzorgend personeel dat zij ter beschikking stelt, te recupereren.

3\. Appellante betwist met klem het feit dat niet-verzorgend personeel ter beschikking wordt gesteld.

4\. Ten slotte stelt appellante dat zij de door de medici geleverde prestaties voorschiet namens haar residenten en ze nadien van hen recupereert.

---

1\. Vooreerst merkt geïntimeerde terecht op dat het argument van appellante dat art. 15, § 2 van voormeld Besluit van de Vlaamse executieve van 18 december 1991 niet uitsluit dat het rusthuis beroep doet op een derde voor bepaalde diensten in deze irrelevant is. Geïntimeerde toont immers ten genoege van recht aan dat er bij de handelingen geen derde partij betrokken is, en het tegendeel wordt niet bewezen door appellante.

2\. Terecht vestigde de eerste rechter de nadruk op het feit dat het appellante is die als rusthuis werd erkend, en niet de BVBA **T. T.**. Zodoende worden niet enkel voeding en logies verstrekt. De eerste rechter stelde dan ook met reden dat appellante aan de residenten een geheel van diensten en leveringen verstrekt, dat nauwkeurig samenhangt met maatschappelijk werk verstrekt door een erkend rusthuis en waarover de vrijstelling van art. 44, § 2, 2° W.BTW van toepassing is.

Het verschaffen van voeding en logies is een element van de vrijgestelde prestaties, die in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal dienen te worden opgenomen.

Eveneens met reden oordeelde de eerste rechter dat de aan de BVBA **T. T.** aangerekende bedragen voor de terbeschikkingstelling van verzorgend personeel geen voorschotten uitmaken in de zin van art 28, 5° W.BTW. De desbetreffende personeelsleden staan immers op de loonlijsten van appellante (zie document C van geïntimeerde), die haar personeel tegen betaling ter beschikking stelt van de BVBA **T. T.**.

Deze handelingen vallen onder prestaties vrijgesteld bij toepassing van art. 44, § 1, 2° W.BTW en dienen te worden opgenomen in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal.

3\. Wat het niet-verzorgend personeel betreft, betwist appellante ten onrechte dat dit personeel ter beschikking wordt gesteld. Uit de personeelslijst van appellante (zie document E van geïntimeerde) blijkt immers dat effectief poetsvrouwen, arbeidsters, een kok, een nachtwaker en een bediende ter beschikking werden gesteld. Dit blijkt overigens ook uit het proces-verbaal van de bij appellante uitgevoerde BTW-controle. Zoals geïntimeerde terecht voorhoudt, levert dit proces-verbaal het bewijs op, zolang niet het tegendeel is bewezen, hetgeen in deze het geval is.

Appellante houdt nog ten onrechte voor dat een nachtwaker verzorgend personeel zou zijn. Alleszins toont appellante niet aan dat deze nachtwaker over de nodige kwalificaties zou beschikken om een permanentie of nachtwacht te doen in een bejaardentehuis en om de taken van het verplegend personeel over te nemen.

Geïntimeerde heeft dan ook terecht BTW gevorderd op het terbeschikking stellen van dit niet-verzorgend personeel, nu de prestaties van dit personeel belastbare prestaties uitmaken, zoals bedoeld in art. 18, 1, 2° W.BTW.

4\. Terecht merkt geïntimeerde ten slotte op dat er – wat de door de medici geleverde prestaties betreft – enkel sprake kan zijn van voorschotten in de zin van art. 28, 5° W.BTW, wanneer appellante de betaling van de geleverde prestaties voorschiet aan de dienstverstrekkers en ze vervolgens terugvordert van de residenten. Daarbij dient de afrekening door de dienstverleners te worden opgesteld op naam en voor rekening van de residenten.

Appellante levert niet het bewijs dat op deze manier werd gehandeld, wel integendeel. De resultatenrekening van appellante maakt immers melding van de kostenrekening 602001 “Dokterskosten” (zie document D van geïntimeerde), hetgeen inhoudt dat de desbetreffende prestaties door de medici werden verricht op naam en voor rekening van appellante, die deze kosten onder eigen naam doorrekent aan de residenten.

De bedragen van de medische kosten en de honoraria van de medici betaald door de residenten zijn dus geen voorschotten. Het betreft prestaties die ingevolge art. 44, § 1, 2° W.BTW vrijgesteld zijn en die in de noemer van het algemeen verhoudingsgetal dienen te worden opgenomen.

Derhalve dient het bestreden vonnis te worden bevestigd.

##### c) Wat de gevraagde terugbetaling van BTW betreft

Indien het hof het bestreden vonnis bevestigt, vraagt appellante – in subsidiaire orde – geïntimeerde te veroordelen tot het terugbetalen van de ten onrechte gefactureerde BTW voor het verstrekken van logies en maaltijden vanaf 1993.

---

Nu appellante haar vordering tot teruggaaf voor de eerste maal heeft ingesteld in haar verzoekschrift tot hoger beroep van 17 augustus 2006, merkt geïntimeerde met reden op dat het verzoek niet voldeed aan de terzake in art. 80 W.BTW en in art [4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7#ar4-art4) van het KB nr. 4 van 29 december 1969, zoals nadien gewijzigd, bepaalde vormvereiste en bovendien gebeurde buiten de in art. 82 W.BTW wettelijk voorgeschreven termijn. Derhalve is de vordering tot teruggaaf voor de periode vanaf 1993 tot 1996, zoals opgenomen in het proces-verbaal van 13 april 1999 (waarover het in deze gaat), verjaard.

Terzake verwijst het hof naar de pertinente overwegingen van geïntimeerde op de pagina’s 8 tot 11 van zijn op 6 november 2009 ter griffie van het hof neergelegde synthesebesluiten in hoger beroep, overwegingen die het ho tot de zijne maakt.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch voor het geheel ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Zegt voor recht dat er geen terugbetaling van eventueel ten onrechte aangerekende BTW op logies en maaltijden dient te gebeuren;

Veroordeelt appellante tot de beroepskosten, niet begroot.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de toegevoegde kamer “6SN” van het hof van beroep te Brussel, op 23 juni 2010.

Alwaar aanwezig waren en zitting namen :

\- **J. V.**, raadsheer dd. Voorzitter,

\- **R. T.**, plaatsvervangend raadsheer,

\- **L. D.**, plaatsvervangend raadsheer,

\- **C. D. N.**, griffier

**C. D. N.** **L. D.**

**R. T.** **J. V.**

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 4 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-december-betrekking-teruggaven-belasting-toegevoegde-78a7) 1 voorkomen
