---
title: "14 december 2012 · Werkingssfeer, dienst · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, levering van goederen, vrijstelling. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 14 december 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-levering-rechtbank-antwerpen-2012-12-14-34ea"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, levering van goederen, vrijstelling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

14 december 2012

## Procesverloop

2 stappen · 2 jaar

1. Weergegeven beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 14.12.2012
2. [Beslissing in beroep Hof van beroep te Antwerpen 06.01.2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijgestelde-onroerende-verhuur-terbeschikkingstelling-hof-van-beroep-antwerpen-2015-01-06-fa67)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

80 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 14.12.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op veertien december tweeduizend en twaalf in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**P. V.**, griffier.

## In zake : AR nr. 11/4967/A en AR nr. 12/1927/A

**I. NV**, exploitant van onroerende · goederen, ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nummer …, met maatschappelijke zetel gevestigd te …, …

**eisende partij,**

verschijnende bij meester **J. V. B.** en meester **A. C.** beiden loco meester **E. S.** en meester **M. G.**, advocaat, kantoorhoudende te …, …

**tegen :**

**1. DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, de eerstaanwezend inspecteur van FOD Financiën, Belastingen in Invordering, Invordering-sector BTW, BTW-ontvangkantoor Antwerpen met burelen gevestigd te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4

**2. DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, eerstaanwezend inspecteur van het BTW controlecentrum Brasschaat, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 15

**verwerende partijen,**

verschijnende bij meester **A. v. L. d. J.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

---

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging AR nr. 11/4967/A, onder meer :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **R. D.** te … op 19 juli 2006,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 9 september 2011,

\- de besluiten van partijen.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging AR nr. 12/1927/A, onder meer :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **M. B.** te … op 2 maart 2005,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 16 november 2012.

---

Inzake AR 11/4967/A

De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op en uitvoerbaar verklaard op 22 december 2005, onwettelijk of ongegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan nietig zijn en geen enkel gevolg mogen hebben, de terugbetaling te bevelen van alle uit hoofde van het onderliggende dwangbevel ingehouden en betaalde sommen, zowel wat de BTW, als wat de geldboeten, intresten en kosten betreft, verhoogd met de intresten, te zeggen voor recht dat de diensten die eiseres verstrekt, kwalificeren als de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen overeenkomstig artikelen 18, § 1, lid 2, 9° en 44, § 3, 2°, a), tweede streepje W.BTW, op zijn minst te zeggen voor recht dat bij de beoordeling tot gemengd gebruik een deel van de diensten van eiseres kwalificeert als de dienst bestaande uit de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, in elk geval te zeggen voor recht dat de geldboeten volledig worden kwijtgescholden of minstens herleid worden tot een bedrag van minder dan 2.500,00 EUR en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Inzake AR 12/1927/A

De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 15 december 2004 en uitvoerbaar verklaard op 20 december 2004, onwettelijk of ongegrond te verklaren, te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan nietig zijn en geen enkel gevolg mogen hebben, de terugbetaling te bevelen van alle uit hoofde van het onderliggende dwangbevel ingehouden en betaalde sommen, zowel wat de BTW, als wat de geldboeten, intresten en kosten betreft, verhoogd met de intresten, te zeggen voor recht dat de diensten die eiseres verstrekt, kwalificeren als de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen overeenkomstig artikelen 18, § 1, lid 2, 9° en 44, § 3, 2°, a), tweede streepje W.BTW, op zijn minst te zeggen voor recht dat bij de beoordeling tot gemengd gebruik een deel van de diensten van eiseres kwalificeert als de dienst bestaande uit de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, in elk geval te zeggen voor recht dat de geldboeten volledig worden kwijtgescholden of minstens herleid worden tot een bedrag van minder dan 2.500,00 EUR en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Samenvoeging

Deze 2 zaken, gekend onder AR 11/4967/A en AR 12/1927/A, zijn nauw samenhangend en worden omwille van een goede rechtsbedeling samengevoegd zodat de rechtbank uitspraak doet in één vonnis.

## Beoordeling

## Betreffende de hoedanigheid van beroepsoprichter

Eiseres heeft een gebouwencomplex opgericht.

Volgens eiseres had zij bij de oprichting van het gebouwencomplex de intentie om dit als nieuw gebouw te verkopen en had zij aldus de hoedanigheid van beroepsoprichter in de zin van artikel 12, § 2 W.BTW.

Uit geen enkel objectief element blijkt echter dat eiseres bij de oprichting van het gebouwencomplex werkelijk de intentie had om dit gebouwencomplex als nieuw gebouw te verkopen, hetgeen immers geenszins kan worden afgeleid uit haar oprichtingsakte, haar aangifte van aanvang van werkzaamheid voor BTW-doeleinden en/of de aanvankelijke boeking van het gebouwencomplex als voorraad.

Nu uit geen enkel objectief element blijkt dat eiseres bij de oprichting van het gebouwencomplex werkelijk de intentie had om dit gebouwencomplex als nieuw gebouw te verkopen, diende de administratie bij de hierna vermelde bestemmingswijziging het stelsel van de onttrekking in de zin van artikel 12 W.BTW dan ook niet toe te passen.

## Betreffende de herziening

Het staat ontegensprekelijk vast dat het gebouwencomplex bij aanvang van de oprichting hoofdzakelijk bestemd was voor de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen zodat alsdan de aftrek van BTW terecht en juist werd uitgeoefend.

Ingevolge de hierna vermelde latere bestemmingswijziging in het jaar 2001 heeft de administratie dan ook terecht het stelsel van de herziening in de zin van artikel 48, § 2 W.BTW toegepast (vergelijk [Cass. 27 september 2001](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beperking-aftrek-gebouw-onderscheid-herzieningsregeling-cassatie-brussel-2001-09-27-fa24), **F.J.F.** 2002/56).

## Betreffende de berekening van de afgetrokken BTW die te herzien

Volgens eiseres bevat de door haar voorgelegde investeringslijst een aantal fouten zodat hooguit 548.103,36 EUR voorbelasting kan worden herzien in plaats van 550.145,15 EUR.

Wanneer eiseres beweert dat de door haar voorgelede investeringslijst een aantal fouten bevat, heeft zij dienaangaande de bewijstlast, doch zij faalt in haar bewijslast bij gebrek aan het verstrekken van de nodige detail hieromtrent.

## Betreffende de onroerende verhuur of de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen

De betwisting heeft betrekking op de vraag of de handelingen die eiseres verricht bestaan uit vrijgestelde onroerende verhuur (stelling van de administratie) of uit terbeschikkingstelling van opslagruimte voor het opslaan van goederen die onderworpen is aan de BTW (stelling van eiseres).

De rechtbank is niet gebonden door de juridische kwalificatie welke de partijen zelf aan de overeenkomsten hebben gegeven, maar zij moet nagaan welke de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen; het doet bijgevolg niet ter zake dat partijen de overeenkomsten hebben gekwalificeerd als huurovereenkomsten waarin specifieke terminologie werd gebruikt zoals huurder, verhuurder, huur en huurprijs.

Krachtens artikel 18, § 1 W.BTW wordt onder meer als een dienst beschouwd de uitvoering van een contract dat tot voorwerp heeft :

9° de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.

Als algemeen beginsel stelt artikel 2 W.BTW dat "de leveringen van goederen en de diensten die door een als zodanig handelende belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen zijn wanneer ze in België plaatsvinden."

De administratie, die de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2° W.BTW inroept, dient bijgevolg het bewijs te leveren dat eiseres zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.

Op grond van artikel 172 Gec.G.W. kan slechts een vrijstelling of vermindering van belasting worden ingevoerd door een wet en dient alles wat essentieel is voor de vrijstelling of de vermindering door de wet te worden geregeld; individuele vrijstellingen of verminderingen zijn immers verboden.

Bovendien dienen de door de wet ingevoerde vrijstellingen en verminderingen, op grond van het gelijkheidsbeginsel, restrictief geïnterpreteerd te worden.

Aangezien als algemeen beginsel BTW wordt geheven over elke dienst die door een belastingplichtige onder bezwarende titel wordt verricht, moeten de woorden “verhuur van onroerende goederen” strikt worden uitgelegd (H.v.J. 9 oktober 2001, **F.J.F.** 2002/3).

De administratie dient dan ook het bewijs te leveren dat eiseres voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling inzake de verhuur van onroerende goederen, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

De onroerende verhuur en de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen verschillen door hun essentieel voorwerp.

Wanneer het essentiële voorwerp bestaat in het genot van een uit zijn aard onroerend goed, is de handeling een verhuur; wanneer het essentieel voorwerp daarentegen bestaat in de terbeschikkingstelling van bergruimte, wordt de handeling bedoeld in artikel 18, § 1, lid 2, 9° W.BTW.

Uit de vaststellingen van de administratie is gebleken dat :

\- het merendeel van de huurders zowel hun maatschappelijke en/of administratieve zetel in het gehuurde gebouw gevestigd hebben en hiervoor gebruik hebben gemaakt van de aldaar gelegen kantoren,

\- sommige huurders in een deel van de gehuurde ruimte hun voorraad, onderdelen of materiaal hebben ondergebracht,

\- sommige bedrijven in de gehuurde ruimte een werkplaats voor herstellingen hebben ingericht,

\- sommige bedrijven in de gehuurde ruimte handel hebben gedreven,

\- sommige bedrijven de gehuurde ruimte hebben gebruikt voor de verdeling van goederen, namelijk pakjes, kranten, magazines en reclamedrukwerk,

\- geen enkele verhuurde industriehal uitsluitend er ingericht als bergruimte voor de opslag van goederen, noch als zodanig werd gebruikt door de huurder voor het opslaan van zijn eigen goederen,

hetgeen ongetwijfeld aantoont dat het de gemeenschappelijke bedoeling was van de contracterende partijen om in de gehuurde ruimten bedrijven te exploiteren waarin ook goederen werden opgeslagen ter ondersteuning van die bedrijfsvoering en dat de gehuurde ruimten daarvoor ook daadwerkelijk werden gebruikt.

Hieruit volgt ontegensprekelijk dat het genot van de gehuurde ruimten het essentiële voorwerp was zodat de handelingen van eiseres bestaan uit vrijgestelde onroerende verhuur.

Het feit, dat de gehuurde ruimten bijkomstig bestemd waren als bergruimten voor het opslaan van goederen, doet niet terzake nu deze bijkomstige dienst immers een middel was om de hoofddienst, zijnde het genot van de gehuurde ruimte, zo aantrekkelijk mogelijk te maken en dan ook het lot van de hoofddienst volgt; bijgevolg werd één dienst verleend die niet uit elkaar kan worden gehaald.

Bijgevolg was het gebouwencomplex bij aanvang van de oprichting hoofdzakelijk bestemd voor de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, doch werd dit later gewijzigd naar onroerende verhuur.

## Betreffende de aftrekbare voorbelasting van de door eiseres doorgerekende kosten

De aftrek van de voorbelasting kan niet worden toegestaan gezien eiseres niet aantoont dat deze kosten werden doorgerekend.

## Betreffende de geldboeten

De geldboeten zijn wettelijk, voldoende gemotiveerd en de rechtbank is van oordeel dat deze boeten in redelijke verhouding staan met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

## Betreffende de rechtsplegingsvergoeding

Wat de rechtsplegingsvergoeding betreft, hebben beide partijen zich op de terechtzitting van 16 november 2012 akkoord verklaard met een bedrag van 16.500,00 EUR voor beide zaken samen, waarvan de rechtbank akte kan verlenen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

rechtdoende op **tegenspraak**,

alle andere en strijdige conclusies verwerpend,

Voegt de beide zaken, gekend onder AR 11/4967/A en AR 12/1927/A, samen wegens samenhang en in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vorderingen toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van de gedingen tot op heden door verweerder begroot op en door de rechtbank vereffend op 16.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding voor beide zaken samen.

**P. V.** **P. W.**
