---
title: "17 februari 2009 · Werkingssfeer, belastbare handeling · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Werkingssfeer, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 17 februari 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-belastbare-handeling-strafbepaling-administratieve-rechtbank-gent-2009-02-17-2e58"
lang: "nl"
---

# Werkingssfeer, belastbare handeling, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

17 februari 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

67 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 17.02.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 17 FEBRUARI 2009

Rolnummer **AR 04/1369/A**

In de zaak van :

**BVBA F. L.**, met zetel te …, … en met ondernemingsnummer …

**eiseres,**

die niet verschijnt, noch iemand voor haar

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, wiens burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, op vervolging en benaarstiging van de Ontvanger van het kantoor Aalst, Administratie der Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, met burelen te 9300 Aalst, Graanmarkt 1

**verweerder,**

hebbende als raad Mter **E. V. A.**, advocaat te …, …

Vonnist de rechtbank als volgt :

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie de dato 5 april 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder neergelegde stukken.

Eiseres is niet verschenen noch iemand voor haar.

Verweerder werd gehoord in zijn middelen in de openbare terechtzitting van 20 januari 2009 en vorderde vonnis als op tegenspraak lastens eiseres.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

**2.1.** Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtig onder het BTW-registratienummer BE … voor de activiteit van accountant Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Door **B. F.**, e.a. verificateur bij de administratie van de BTW, registratie en domeinen werd een toezicht uitgeoefend over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde over de periode van 1 januari 2000 tot 31 december 2001.

Door **B. F.**, voornoemd, werd op 21 november 2003 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 4 december 2003 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ontvanger van de BTW, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 9 december 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door **V. M. L.**, eerstaanwezend inspecteur a.i. van de BTW-controle te Dendermonde 2 daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent en op 19 maart 2004 op grond van artikel 85, § 1 W.BTW, ter kennis gebracht van eiseres.

**2.2.** Eiseres vraagt dat het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en dat dienvolgens het bestreden dwangbevel wordt vernietigd minstens ongegrond wordt verklaard en dat verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van de door hem tijdens de procedure nagevorderde of ingehouden sommen en dat verweerder veroordeeld wordt tot de gedingkosten.

**2.3.** Verweerder vraagt dat het verzoek van eiseres ontvankelijk doch ongegrond verklaard wordt en dat eiseres veroordeeld wordt tot betaling der gedingkosten.

## III. BEOORDELING

### 3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering zouden kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

### 3.2. nopens de grond

#### a. nopens de motivering van het dwangbevel en het ermee betekende proces-verbaal

**1.** Het dwangbevel inzake BTW vormt de eerste rechtsdaad waardoor het bestaan van de verschuldigde rechten lastens een bepaalde belastingplichtige in een wettelijke vorm wordt vastgesteld en waardoor de Belgische Staat in de regel tot dadelijke uitwinning kan overgaan.

Het dwangbevel inzake BTW is een beslissing van een administratieve overheid. die gezagshalve, zonder toestemming van de betrokkenen, rechten of verplichtingen schept, én éénzijdig verbindend en uitvoerbaar is. Het is derhalve een bestuurshandeling in de zin van de wet van 29 juli 1991.

De Wet van 29 juli 1991 legt aan alle administratieve overheden, zoals bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de verplichting op om alle van hen uitgaande éénzijdige rechtshandelingen met individuele strekking, die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meerdere bestuurden, uitdrukkelijk te motiveren. Artikel 3 van voormelde wet stelt hieromtrent het volgende : "De opgelegde motivering moet in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen; Zij moet afdoende zijn".

*Uitdrukkelijk motiveren betekent het opgeven van de redenen van de rechtshandeling, zodat de (bestaande) materiële met een formele motiveringsplicht werd aangevuld. Daaruit vloeit voort wat onder de opgelegde motivering moet worden verstaan : 'die ook nog 'afdoende' moeten zijn. De drieledige inhoud van de materiële motiveringsplicht behoort dus integraal tot de formele motiveringsplicht : de juiste en draagkrachtige juridische en feitelijke redenen van de beslissing moeten worden vermeld. In het wetsvoorstel dat tot de Wet van 29 juli 1991 heeft geleid werd dit onder woorden gebracht met het "duidelijk, nauwkeurig, volledig en waarheidsgetrouw vermelden van de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen'. De tekstwijziging. en vooral het gebruik van het woord 'afdoende', was bedoeld om het 'evenredigheidsbeginsel' onder woorden te brengen. De wetgever was immers van mening dat de omvang van de motivering aangepast moest zijn aan het belang van de beslissing. Uiteindelijk stelde hij - terecht - vast dat met het begrip 'afdoende' ook het 'draagkracht-vereiste' tot uitdrukking werd gebracht : de ingeroepen redenen moeten pertinent zijn en de beslissing verantwoorden. Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg is uit den boze en er werd dan ook gewaarschuwd voor gelijke of gestandaardiseerde motiveringen. De motivering moet dus opgevat worden als een resultaats- en niet als een inspanningsverbintenis van het bestuur. Zij moet alle elementen bevatten om de legaliteit van de bestuurshandeling aan te tonen. Indien daartoe achteraf een bijkomend element moet worden aangevoerd, dat niet in de motivering is opgenomen, is een substantiële vorm vereiste geschonden en de beslissing onwettig. En daarbij moeten zowel de juridische als de feitelijke overwegingen worden vermeld (Van Orshoven, P. "Uitdrukkelijke motivering van fiscale bestuurshandelingen", De Fiscale Koerier, 91/506)*.

**2.** Eiseres heeft op 30 september 2000 een overeenkomst afgesloten met de C.V. Lefevre en Co. Consulting waarbij zij zich ertoe verbond bedrijfskundig advies te verlenen.

Zij stelt dat de BTW op basis van het hoofdcriterium bedoeld in artikel 22, § 1 W.BTW nog steeds niet opeisbaar is daar de dienst bedoeld in de kwestieuze overeenkomst nog steeds niet voltooid is.

De BTW-administratie is evenwel van oordeel dat de BTW opeisbaar is op grond van de subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid bedoeld in artikel 22, § 2, derde alinea W.BTW.

Volgens de BTW-administratie was gelet op het feit dat krachtens artikel 3 van de kwestieuze overeenkomst de prijs of een deel ervan diende voldaan te worden op 31 december 2000 en 31 maart 2001, alsook de BTW opeisbaar op dat ogenblik.

**3.** De rechtbank stelt vast dat in het proces-verbaal van 21 november 2003 duidelijk gemotiveerd is geworden op basis van welke feiten en rechtsgrond volgens de BTW-administratie, de BTW verschuldigd is.

Zo verwijst het kwestieuze proces-verbaal uitdrukkelijk naar artikel 3 van de voormelde overeenkomst en naar artikel 22, § 2, derde lid W.BTW. Het dwangbevel zelf verwijst duidelijk naar artikel 70, § 1 W.BTW op basis waarvan het proces-verbaal toepassing maakt van het KB nr. 41 van 30 januari 1987 om de proportionele geldboete vast te stellen op het bedrag van € 2.180,00 zoals bepaald in de schaal gevoegd als bijlage bij voornoemd KB.

Verweerder heeft derhalve de wet van 29 juni 1991 inzake de motivering van bestuurshandelingen niet geschonden.

#### b. nopens artikel 22 W.BTW en de artikelen [1, § 1, 1° en 2°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) en [4, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art4) van het KB nr. 1 van 29 december 1992

Ingevolge een overeenkomst van 30 september 2000 heeft eiseres zich verbonden bedrijfskundig advies te verlenen aan de C.V. Lefevre en Co. Consulting.

Onderhavige betwisting betreft het tijdstip van opeisbaarheid van de BTW op de vergoedingen aangeduid in de overeenkomst de dato 30 september 2000.

Eiseres stelt dat krachtens artikel 22, § 1 W.BTW de BTW opeisbaar is op het ogenblik dat de dienst voltooid is en voert aan dat de kwestieuze dienst nog niet voltooid was, zodat de BTW nog niet opeisbaar was.

Verweerder stelt dat de BTW opeisbaar is op grond van de subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid bedoeld in artikel 22, § 2 derde lid W.BTW. Artikel 3 : “Vergoeding" van de kwestieuze overeenkomst bepaalt : "De vergoeding wordt als volgt bepaald : per 31.12.2002 : 1.500.000 BEF; per 31.03.2001 : 600.000 BEF.

Deze bedragen moeten evenwel slechts worden uitbetaald op het tijdstip waarop vaststaat dat de ontbindende voorwaarde, zoals voorzien in art. 4 van deze overeenkomst niet langer kan worden ingeroepen. Evenwel wordt overeengekomen dat ze zullen worden verhoogd met een rente. te berekenen volgens het tarief van de gerechtelijke intrestvoet, en dit vanaf de in dit artikel bepaalde data tot datum van werkelijke uitbetaling" (stuk 3 - verweerder).

Artikel 4 "ontbindende voorwaarde luidt : "Deze overeenkomst wordt uitdrukkelijk aangegaan onder de volgende ontbindende voorwaarde : (...) De hiervoor geciteerde criteria dienen samen te zijn vervuld. Ze zullen door de opdrachtgever en de consultant in gemeen overleg beoordeeld worden in de loop van oktober 2005" (stuk3 - verweerder).

Artikel 22, § 2, 3° W.BTW bepaalt : "Bovendien wordt de belasting of het desbetreffende gedeelte daarvan opeisbaar op het tijdstip waarop de prijs of een deel ervan volgens contract moet worden voldaan, wanneer dat tijdstip voorafgaat aan de tijdstippen die in de vorige leden zijn bepaald". Artikel 1183, lid 2 BWB bepaalt aangaande de ontbindende voorwaarde. Zij schort de uitvoering van de verbintenis niet op; alleen verplicht zij de schuldeiser om, ingeval de door de voorwaarde bedoelde gebeurtenis plaats heeft, terug te geven hetgeen hij ontvangen heeft." Onderhavige verbintenis afhangende van een ontbindende voorwaarde bestaat reeds en krijgt krachtens artikel 1183, lid 2 BW haar volle uitwerking.

Artikel 3 van de kwestieuze overeenkomst bepaalt uitdrukkelijk dat het bedrag van 1.500.000 BEF en het bedrag van 600.000 BEF per 31.03.2001 en voorziet een rente waarmee de voormelde bedragen dienen te worden verhoogd van de in de overeenkomst bepaalde betalingsdata tot de dag der werkelijke uitbetaling. Het feit dat de kwestieuze bedragen krachtens artikel 4 van de overeenkomst slechts moeten worden uitbetaald op het tijdstip dat vaststaat dat de ontbindende voorwaarde niet langer kan worden ingeroepen doet niets af aan het feit dat volgens de overeenkomst de prijs op resp. 31.12.2000 (1.500.000 BEF) en 31.03.2001 (600.000 BEF) verschuldigd is. Het betreft een loutere betalingsmodaliteit.

Verweerder stelde derhalve terecht de BTW opeisbaar op basis van artikel 22, § 2, derde lid W.BTW en dat eiseres op basis van [artikel 4, § 1 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c#ar1-art4) een factuur had dienen uit te reiken.

De fiscale vordering van eiseres is niet gegrond.

### 3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1° lid van het Gerechtelijk Wetboek moet zij de gerechtskosten dragen. Verweerder begroot de gerechtskosten op het basisbedrag der rechtsplegingsvergoeding zijnde € 2000,00 gelet op het feit dat de waarde der vordering zich situeert tussen € 20.000,01 en € 40.000,00.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Wijzende in eerste aanleg en rechtdoende als op **tegenspraak** lastens eiseres.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, in haar hoofde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op € 2.000,00 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **dinsdag zeventien februari tweeduizend en negen**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. H.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. H.**

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 1 art. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-december-betrekking-regeling-voldoening-belasting-c69c) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboete, Klantenlisting, Niet- of laattijdige indiening, Opschorting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboete-klantenlisting-laattijdige-indiening-rechtbank-luik-2021-01-04-83c7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijk dossier, Fraude, Expertiseverslag, Computergegevens, Recht van verdediging, Omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijk-dossier-fraude-expertiseverslag-computergegevens-rechtbank-luik-2020-02-03-dff9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2024-12-06-2b65) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Zwarte aankopen, Wettelijke en feitelijke vermoedens, BTW-boete 200%, Fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zwarte-aankopen-wettelijke-feitelijke-vermoedens-rechtbank-antwerpen-2024-11-04-48e9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2025-06-26-5c59) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Formele motivering, Dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/formele-motivering-dwangbevel-strafrechtelijk-gezag-hof-van-beroep-gent-2023-09-05-ae8d) 1 gemeenschappelijke bepalingen
