Werken in onroerende staat, Tarief, Verlaagd btw tarief · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 31 maart 2023

Zoeken

Werken in onroerende staat, Tarief, Verlaagd btw tarief

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-tarief-rechtbank-antwerpen-2023-03-31-0f7a

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
31 maart 2023

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

86 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 31.03.2023 (rolnr. 22/2297/A)

[ gunstig vonnis ]

Belasting over de toegevoegde waarde – Werken in onroerende staat – Tarief – Verlaagd btw tarief - Nieuw gebouw

Wettelijke bepalingen

Art. 1 KB nr. 20 van 20 juli 1970 — Rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970

Samenvatting

Niet beschikbaar

Volledige tekst

Tekst van de beslissing

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 31.03.2023

(rolnr. 22/2297/A)

Inzake:

V.P.

wonende te …, RRN: …

eiser

- vertegenwoordigd ter zitting door meester K.V. Ioco meester J.P.,

advocaat, met kantoor te …,

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT,

Federale Overheidsdienst Financiën, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Antwerpen, met kantoren gevestigd te 2930 Brasschaat, Ruiterijschool 3 bus 92, met correspondentieadres te 9050 Ledeberg (Gent), Gaston Crommenlaan 6/765, KBO: 0308.357.159

verweerder

- vertegenwoordigd ter zitting door mevrouw N.D., in hoedanigheid van

rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 3 juni 2022, ingeschreven op 3 juni 2022,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 24

juni 2022,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken.

Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 3 maart 2023.


1. Feiten en procedurele voorgaanden

Huidige betwisting betreft de btw-vordering opgenomen in het innings- en invorderingsregister op 28 december 2021 met schuldnummer 5…1, gebaseerd op het proces-verbaal van taxatie van 18 november 2021.

Eiser is eigenaar van een onroerend goed gelegen te … Hoogstraten. Eiser liet werken uitvoeren aan voormeld onroerend goed. Deze werken werden aan eiser gefactureerd met toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6%.

In het kader van een btw-controle vroeg de belastingadministratie de facturen van de werken op en begaf de btw-administratie zich ter plaatse. Van het plaatsbezoek werd door de belastingadministratie een proces-verbaal opgesteld (stuk 1 van verweerder).

Op 18 november 2021 deelde de btw-administratie mede dat aan de voorwaarden van het verlaagd tarief van 6% niet voldaan was (stuk 18 van verweerder).

De btw-schuld werd onder artikelnummer 500247985021 opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Het innings- en invorderingsregister werd uitvoerbaar verklaard op 29 december 2021 (stuk 2 van verweerder). De volgende bedragen worden van eiser gevorderd:

- 19.861,19 euro btw

- 1.980,00 euro boete

- te vermeerderen met interesten.

Eiser diende een administratief bezwaar in. Dit bezwaar werd door de belastingadministratie

afgewezen.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 3 juni 2022 stelde eiser een vordering in rechte in tegen de btw navordering.

2. Vordering van partijen

Eiser verzoekt de rechtbank om:

- zijn vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- te zeggen voor recht dat op de verrichte werken in onroerende staat aan de woning gelegen te 2328 Hoogstraten, … in het algemeen en op de facturen uitgereikt tijdens de periode 19 augustus 2018 t.e.m. 20 november 2019 een tarief van 6% van toepassing is;

- de bestreden btw met aanhorigheden te vernietigen, dan wel ontheffing te verlenen en terugbetaling te bevelen van alle ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, verhoogd met de moratoriuminteresten en de gerechtelijke interesten;

- de Belgische Staat te veroordelen tot betaling van de rechtsplegingsvergoeding voorlopig begroot op 3.000,00 euro en de wettelijke bijdrage van 22,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank om:

- de vordering van eiser ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

- eiser te veroordelen tot alle kosten van het geding;

- de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 3.000 euro.

3. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiser wordt door verweerder niet betwist. Er zijn

evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De rechtbank oordeelt dat de vordering van eiser ontvankelijk is.

4. Beoordeling

4.1. Algemeen

De betwisting tussen partijen betreft het toepasselijke btw-tarief op de verbouwings- en uitbreidingswerken en in het bijzonder de vraag of de uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben, onderworpen aan het tarief van 6%, dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw, onderworpen aan het tarief van 21%. Over de overige voorwaarden voor de toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grond van rubriek XXXI, tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 bestaat geen betwisting.

De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met als voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXI, tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw.

Onder de begrippen omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) worden in principe werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden niet beoogd.

De belastingadministratie aanvaardt evenwel dat de uitbreiding van een bestaande woning beschouwd kan worden als een omvorming of een andere handeling in de zin van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20, wanneer de volgende twee voorwaarden vervuld zijn (zie beslissing nr. E.T. 106.933/2 van 29 maart 2006 en stukken 7-9 van verweerder):

- de oppervlakte van het oude gedeelte moet groter zijn dan de helft van de totale oppervlakte van het gebouw na de uitvoering van de werken (oppervlaktecriterium);

- het nieuwe gedeelte moet het oude gedeelte aanvullen, het nieuwe gedeelte kan niet onafhankelijk van het oude gedeelte functioneren en ze moeten samen een coherent en complementair geheel vormen (afhankelijkheidscriterium).

De vraag of de verbouwingswerken ais een omvorming/renovatie of ais een nieuwbouw kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie en dient geval per geval beoordeeld te worden. De bewijslast ligt ter zake bij de belastingplichtige.

4.2. Toepassing in onderhavige zaak

Eiser stelt dat de bestaande woning een vrijstaande bebouwing was met een gelijkvloers en een zolderverdieping. Eiser en zijn echtgenote zijn gepensioneerd en wensten zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving te blijven wonen. Daarom werd beslist om aan de bestaande woning een assistentie-zorgwoning te bouwen, eiser en zijn echtgenote zouden dan in deze zorgwoning gaan wonen en de dochter van eiser met haar gezin in de ouderlijke woning en zou aan haar ouders de nodige zorg kunnen verschaffen indien nodig.

Dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van het gebouw na de uitvoering van de werken door eiser staat in casu niet ter discussie. Wel zijn partijen het oneens over het al dan niet onafhankelijke karakter van het nieuwe gedeelte van de woning.

Eiser is van mening dat aan het afhankelijkheidscriterium is voldaan en dat de woning een ééngezinswoning blijft met ondergeschikt een zorggedeelte. Eiser verwijst naar de omgevingsvergunning (stuk Ivan eiser) waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat de woning een ééngezinswoning blijft met ondergeschikt een zorgwoning, waarbij de zorgwoning geen bijkomend huisnummer kan bekomen. Eiser verwijst tevens naar het feit dat er maar één elektriciteitsmeter en watermeter is en dat er een deur is tussen de oorspronkelijke woning en de aangebouwde zorgwoning (stuk 3 van eiser). Het komt volgens eiser niet toe aan de administratie om de voorwaarden in de stedenbouwkundige vergunning anders te gaan interpreteren.

De administratie is daarentegen van mening dat niet voldaan is aan het afhankelijkheidscriterium en dat het nieuwe gedeelte een volledig autonoom functionerende wooneenheid is dewelke volledig onafhankelijk functioneert van de bestaande woning.

Samen met de administratie stelt de rechtbank vast dat het nieuwe gedeelte van de woning alle noodzakelijke ruimtes heeft om als zelfstandige woning te kunnen functioneren (keuken, badkamer met douche en toilet, twee slaapkamers, woonruimte met eetkamer, toilet, berging en inkomhal — stuk 2 van eiser). Bovendien blijkt het gebrek aan functioneel verband van het nieuwe gedeelte uit de afzonderlijke toegang van buitenaf en de eigen inkomhal. Het is dus niet nodig om de bestaande woning te betreden om toegang te verkrijgen tot het nieuwe gedeelte. Er is slechts één gemeenschappelijke deur. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van twee wooneenheden die los van elkaar functioneren.

Dat uit de omgevingsvergunning het tegenovergestelde zou kunnen worden afgeleid, is niet relevant. De vraag of de verbouwingswerken als een omvorming/renovatie of als een nieuwbouw kwalificeren is een feitenkwestie, waarbij de beoordeling dient te gebeuren aan de hand van de werkelijk uitgevoerde werken en het uiteindelijk resultaat.

De rechtbank oordeelt dat de administratie aldus terecht stelde dat het nieuwe gedeelte in geen enkel opzicht kan worden gezien als een loutere aanvulling op het oude gedeelte. Dat het nieuwe gedeelte werd opgericht met het oog op de invulling van een zorgrelatie doet hieraan geen afbreuk.

De rechtbank oordeelt dat op basis van het voorgelegde dossier eiser niet aantoont dat hij kan genieten van het verlaagd tarief.

De vordering van eiser is dan ook ongegrond.

5. Gerechtskosten

Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman dient er geen rechtsplegingsvergoeding te worden bepaald.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op eenendertig maart tweeduizend drieêntwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

A. B., rechter

N. D., griffier

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 20 art. 12 voorkomens