---
title: "Werken in onroerende staat, tarief · Hof van beroep te Gent, 10 mei 2000"
description: "Werken in onroerende staat, tarief, werk in onroerende staat. Hof van beroep te Gent (België), 10 mei 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-tarief-hof-van-beroep-gent-2000-05-10-fa0c"
lang: "nl"
---

# Werken in onroerende staat, tarief, werk in onroerende staat · werken in onroerende staat - tarief

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

10 mei 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

215 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 10.05.2000**

*Werken in onroerende staat*

*Tarief*

## Samenvatting

Een B.T.W.-belastingplichtige had als activiteit de productie en het plaatsen van maatmeubelen, zowel voor ondernemingen als voor particulieren. Wanneer die meubelen werden geplaatst in een bestaand gebouw, heeft de B.T.W.-belastingplichtigen, naargelang het geval, steeds toepassing gemaakt van de regeling van de verlegging van de heffing voor werk in onroerende staat (voor ondernemingen) of eventueel het verlaagd B.T.W.-tarief voor particulieren zoals voorzien in het K.B. nr. 20. Deze werkwijze werd tijdens een B.T.W.-controle echter betwist door de B.T.W.-administratie, aangezien zij van oordeel was dat de plaatsing van de maatmeubelen geen werk in onroerende staat was dat aanleiding kan geven tot deze werkwijze. In het arrest gaat het Hof uitvoerig op zoek naar de kwalificatie "werk in onroerende staat". Het Hof komt dat ook tot de conclusie dat plaatsing van keukenkasten en kasten die worden ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten of nissen van een gebouw kwalificeert als werk in onroerende staat, waarvoor in voorkomend geval ook het verlaagd B.T.W.-tarief kan worden toegepast. Dit is echter niet het geval voor de plaatsing van andere meubelen zoals badkamerkasten, slaapkamerkasten, bureelkasten, etc.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**13° Kamer**

Alleenrechtsprekend kamervoorzitter: *Dhr. L. Gallet*

Griffier: *Dhr. C. Sonneville*

Partij: Rubex-Keuken B.v.b.a. t. De Belgische Staat

Rolnr.: 1997/AR/2080

Bij verzoekschrift ter griffie van het Hof neergelegd op 21 augustus 1997 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 5 mei 1997 uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, eerste kamer.

Er wordt geen bewijs van betekening van dit vonnis voorgelegd.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De feiten

De geïntimeerde oefende een activiteit uit welke er onder meer in bestond voor particulieren zowel als voor ondernemingen, maatmeubelen te produceren en te plaatsen.

Wanneer de meubelen werden geplaatst in een bestaand gebouw heeft de geïntimeerde steeds gemeend de BTW-tarieven te kunnen toepassen voorzien voor 'werken in onroerende staat' overeenkomstig [art. 17 bis K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17bis-a142) K.B. van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde en/of II van tabel B van de bijlagen aan het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven. Tot en met het inkomstenjaar 1984 werd (althans volgens de geïntimeerde) deze zienswijze aanvaard door de controlediensten.

Naar aanleiding van een controle met betrekking tot de jaren 1985 tot 1988 werd een proces-verbaal opgesteld omdat, voor een groot aantal facturen, het [art. 17 bis van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17bis-a142) en/of de bijlagen van het K.B. nr. 20, ten onrechte zou toegepast zijn. Er werd een naheffing gedaan van 1.558.455 fr. BTW en 367.500 fr. boete (de interesten werden pro memorie vermeld).

Daar er geen vrijwillige inregelstelling kwam, werd op 11 december 1989 een dwangbevel uitgevaardigd; dit werd, behoorlijk geviseerd en uitvoerbaar verklaard, betekend op 19 januari 1990.

Bij dagvaardingen dd. 7 februari 1990 heeft de geïntimeerde verzet aangetekend tegen het dwangbevel. De geïntimeerde vorderde de vernietiging van dit dwangbevel en, subsidiair, de veroordeling van de BTW-administratie tot betaling van een schadevergoeding, gelijk aan de sommen welke verschuldigd waren uit hoofde van het dwangbevel: hij stelde immers dat de Belgische Staat, in dat geval, aansprakelijk was voor de schade welke zou te wijten zijn aan de schending van het opgewekte vertrouwen dat de wettelijke bepaling steeds correct werd toegepast.

De eerste rechter heeft de hoofdvordering van de geïntimeerde ingewilligd, zodat hij geen kennis meer diende te nemen van de subsidiaire vordering.

Het hoger beroep

1

In de beroepsakte houden de appellanten voor

\- dat de eerste rechter ten onrechte heeft geoordeeld dat uit de opsomming in het proces-verbaal dd. 10 november 1989 blijkt dat de gewraakte facturen voornamelijk betrekking zouden hebben op badkamerkasten: de appellanten beweren dat uit dit proces-verbaal blijkt dat het gaat om het maken en plaatsen van diverse soorten kasten en meubelen;

\- dat de eerste rechter ten onrechte, en zonder dat de geïntimeerde daarvan het bewijs leverde, heeft aangenomen dat de geplaatste maatmeubelen aan de muur werden vastgehecht met het oog op de stabiliteit in omstandigheden waardoor ze onroerend uit hun aard zijn geworden en dat hij geen rekening heeft gehouden met het argument dat de belastingplichtige het bewijs dient te leveren van de aanhechting van de meubelen;

\- dat de eerste rechter eveneens ten onrechte heeft geoordeeld dat het feit of meubelen aangehecht werden in een geprefabriceerde woning of in een klassieke woning in principe geen verschil uitmaakt omdat zowel de aanhechting als de bedoeling van duurzaamheid en bestendigheid dezelfde zijn: de appellanten menen dat het een loutere feitenkwestie betreft welke geval per geval moet onderzocht worden;

\- dat het onroerend maken van de roerende goederen vereist dat ze derwijze worden aangebracht dat zijn werkelijk deel uitmaken van het onroerend goed of dat ze ingelijfd zijn in dit goed; dat roerende goederen zoals muurkasten (die, zonder hun eigen individualiteit te verliezen) een louter toebehoren zijn van een gebouw, niet het karakter hebben van onroerend goed uit hun aard, zelfs niet wanneer ze materieel vastgehecht zijn aan het onroerend goed omdat ze geen wezenlijk bestanddeel zijn van het onroerend goed, d.i. geen bestanddeel zonder hetwelk dit gebouw niet volledig zou zijn; dat zulks in concreto moet onderzocht worden;

\- dat maatmeubelen vaak bestaan uit een keuze tussen standaardmodellen en dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen 'inbouwen' in een woning enerzijds en 'inlijving' of 'incorporatie' anderzijds: dat de eerste rechter dit onderscheid niet heeft gemaakt en dat hij ten onrechte heeft gesteld dat door de loutere vastmaking aan de muur, de meubelen onroerend van aard zijn geworden en dat de theoretische verplaatsbaarheid, ook zonder breekwerk, dit onroerend karakter niet uitsluit omdat de intentie om het goed voor langere tijd op een bepaalde plaats te houden, doorslaggevend zou zijn.

2

De geïntimeerde concludeerde

a.

inzake het tarief van 17%:

\- dat de roerende goederen werden aangebracht op een zodanige wijze dat ze onroerend zijn geworden uit hun aard;

\- dat immers een roerend goed dat wordt aangehecht aan een onroerend goed uit zijn aard, ook onroerend uit zijn aard wordt wanneer dit roerend goed op een duurzame wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, hetzij op een natuurlijke, hetzij op een artificiële wijze, verbonden wordt met het uit zijn aard onroerend goed en dat de begrippen 'incorporatie' en ''onroerend goed van aard' ruim moeten geïnterpreteerd worden zodat er sprake is van een aanhechting die aan het roerend goed de aard van onroerend uit zijn aard verleent zodra de aanhechting aan het roerend goed de nodige stabiliteit verleent en ook al is die aanhechting niet permanent of kan het aangehechte goed worden verwijderd zonder aanzienlijke schade;

\- dat de geleverde maatmeubelen werden geplaatst op sokkels en/of aan de muur werden gehecht met bouten om de nodige stabiliteit te geven en dat de verwijdering ervan de achterliggende muren zou beschadigen;

\- dat de nadruk moet gelegd worden op het duurzaam en gewoonlijk verbinden, d.i. de bedoeling van bestendigheid;

\- dat de voorgelegde plannen en de bijhorende facturen de aanhechting aan de muur bewijzen of de inbouw in uitgespaarde ruimten; dat evenwel de meeste plannen bij de cliënten zijn gebleven of zijn verloren gegaan zodat dit niet meer voor alle facturen kan bewezen worden;

\* dat de facturen st. 14 - 17 betrekking hebben op hangkasten welke noodzakelijkerwijze moeten gehecht worden;

\* dat de facturen st 18 - 31 betrekking hebben op meubelen welke werden ontworpen om juist te passen in uitgespaarde ruimten; dat dergelijke kasten steeds aan de muur bevestigd worden om de stabiliteit ervan te verzekeren en dat ze niet meer kunnen verplaatst worden;

\* dat de stukken 32 - 41 betrekking hebben op muurkasten van wand tot wand, waarvoor dezelfde redenering geldt;

\* dat al deze kasten één geheel uitmaken met het gebouw waarvan zij een onderdeel zijn, zodat ze onroerend uit hun aard zijn, zelfs ongeacht het feit of ze al dan niet kunnen weggenomen worden zonder beschadiging;

\- dat zelfs wanneer de geplaatste goederen niet onroerend uit hun aard zouden zijn, maar enkel door bestemming, zij dan nog, voor de toepassing van het BTW-wetboek, aangemerkt moeten worden als onroerend goederen uit hun aard, ingevolge de BTW-[aanschrijving nr. 76/1970](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/76-1970-aanschrijving-exoneration-construction-conditions-forme-3d16), Hoofdstuk I, 2;

\- dat bepaalde verrichtingen welke niet als gevolg hebben dat het aangehechte goed het karakter verwerft van onroerend uit zijn aard, krachtens de bijlage II, 5 van het K.B. nr. 20 worden aangemerkt als handelingen met betrekking tot een onroerend goed, welke in aanmerking komen voor de toepassing van het tarief van 17%; zo voor badkamerkasten (een badkamer moet aangezien worden als één geheel waarvan de kasten een onderdeel vormen) en voor keukenkasten;

\- dat in de bedoelde periode het verlaagd tarief van toepassing was op alle "opbergkasten die definitief zijn ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw; wat het geval was voor de goederen vermeld op de stukken 14 tot 43;

b.

inzake het tarief van 6%:

\- dat ingevolge de tijdelijke bepaling van art. 1 van het K.B. van 15 februari 1982 (waarvan de werking werd verlengd tot 31 juli 1986), de handelingen bedoeld in het art. 17 bis , tijdelijk waren onderworpen aan het tarief van 6%;

\- dat voor deze verrichtingen dezelfde redenering geldt als deze uiteengezet sub a:

c.

inzake de verleggingsregel:

\- dat voor de toepassing van de verleggingsregel dezelfde voorschriften gelden;

d.

subsidiair stelt de geïntimeerde:

\- dat de plotse ommekeer in de houding van de administratie tot gevolg heeft dat retroactief een hoger BTW-tarief wordt toegepast en dat daardoor het opgewekt vertrouwen werd geschonden;

\- dat een dergelijke handelwijze strijdig is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald met het beginsel van rechtszekerheid;

\- dat de administratie derhalve aansprakelijk is voor de schade welke zij (d.i. de geïntimeerde) daardoor zou lijden; dat zij immers de facturen niet meer retroactief kan aanpassen en derhalve geen aanvullende BTW kan vorderen van haar cliënten;

\- dat deze schade gelijk is aan wat zij zou moeten betalen in hoofdsom, boeten, interesten en kosten.

3

In een eerste conclusie stellen de appellanten

\- dat het geschil betrekking heeft op drie punten, te weten: de ongeoorloofde toepassing van [art. 17 bis van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17bis-a142), waardoor een verschuldigde BTW ontstaat van 902.358 fr., de onterechte toepassing van het tarief van 17% in plaats van het tarief van 19%, wat leidt tot een verschuldigde BTW van 65.352 fr. en de onterechte toepassing van het tarief van 6% in plaats van 19%, wat leidt tot een verschuldigde BTW van 507.966 fr., of samen 1.475.676 fr.

\- dat, in concreto, de betwisting betrekking heeft op de vraag of de levering en plaatsing van de meubelen door de geïntimeerde, hetzij prestaties waren die erin bestonden een roerend goed te leveren en het meteen op een zodanige wijze aan te brengen dat het onroerend uit zijn aard werd (K.B. nr. 20, bijlage tabel B, rubriek II, 4), hetzij handelingen die tot voorwerp hadden zowel de levering als de aanhechting van bestanddelen of een gedeelte van bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al dan niet vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool (K.B. nr. 20, bijlage tabel B, rubriek II, 5.b) of van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten, meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of badkamer is uitgerust (K.B. nr. 20, bijlage tabel B, rubriek II, 5,e) of van opbergkasten die definitief waren ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van het gebouw;

\- dat, ingevolge afstand van een deel van de vordering (ten bedrage van 65.851 fr.) het gevorderde bedrag wordt verminderd tot 1.492.604 fr. BTW en 358.500 fr. fiscale boete;

\- dat de geïntimeerde de bewijslast draagt en derhalve moet aantonen dat de leveringen en werken voldoen aan de vereisten van het art. 17 bis ;

\- dat, op grond van [art. 64 § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), de handelingen verricht met betrekking tot goederen of diensten die aan een verschillend tarief onderworpen zijn, behoudens tegenbewijs, geacht worden voor het geheel betrekking te hebben op de goederen of diensten waarvoor het hoogste tarief geldt; en dat de geïntimeerde dit tegenbewijs niet levert;

\- dat de geïntimeerde voor ieder van de door haar uitgereikte facturen moet aantonen dat het juiste tarief werd toegepast;

\- dat gelet op de afwezigheid van dit bewijs het tarief van 19% moet toegepast worden;

\- dat voor slechts 26 op 198 facturen, plannen worden voorgelegd welke een begin van bewijs zouden kunnen uitmaken;

\- dat het bewijs van aanhechting wet onontbeerlijk, doch niet voldoende is, zodat de facturen met betrekking tot de hangkasten (st. 14 - 17) op zich niet bewijskrachtig zijn;

\- dat het feit dat plannen verloren gegaan zijn of bij de klanten zijn gebleven, te wijten is aan de nalatigheid van de geïntimeerde en derhalve niet kan tegengeworpen worden aan de fiscale overheid;

\- inzake het vertrouwensbeginsel: dat geen radicale of plotse ommekeer van de administratie bewezen is, zodat het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden.

De appellanten onderzoeken dan of de kasten en andere meubelen onroerend uit hun aard zijn. Daaromtrent stellen zij:

\- dat uit de door hem geciteerde rechtsleer (met betrekking tot de stabiliteit en de bestemming om ter plaatse te blijven) blijkt dat de eerste rechter ten onrechte de regels heeft toegepast welke gelden om uit te maken of een goed een 'gebouw' is in de zin van art. 518 B.W. in plaats van de criteria om uit te maken of een aan een gebouw gehecht roerend goed onroerend van aard is (art. 523 B.W.);

\- dat, om uit te maken of ze al dan niet onroerend uit hun aard zijn, voor hedendaagse keukenkasten, badkamerkasten, slaapkamerkasten, enz., ook wanneer ze op maat werden gemaakt en ze met het oog op hun stabiliteit vastgehecht zijn aan het gebouw, rekening moet gehouden worden met de criteria van art. 523 B.W.: dat er derhalve een werkelijke incorporatie moet bestaan en dat een onroerendmaking door bestemming wegens blijvende verbinding (in de zin van art. 525 B.W.) niet volstaat;

\- dat, om onroerend uit hun aard te zijn het niet volstaat dat de kasten nuttig zijn voor de woning waaraan ze vastgehecht zijn (zoals kasten die het gebouw niet voltooien maar enkel bijdragen tot het nut ervan), noch dat ze kunnen verwijderd worden zonder ernstige schade toe te brengen aan de kast en/of aan het gebouw, noch dat ze ingevolge hun aangepaste afmetingen niet op een andere plaats kunnen gebruikt worden;

\- dat het o.m. noodzakelijk is dat de kasten het gebouw voltooien, m.a.w. het bewoonbaar maken volgens de huidige tijdgeest, of nog anders uitgedrukt, dat ze een wezenlijk onderdeel vormen van het gebouw en dat dit niet zou afgewerkt zijn zonder die kasten;

\- dat kan worden ingestemd met de onroerendmaking overeenkomstig art. 523 B.W. bij levering met aanhechting aan een gebouw van kasten waarmee een keuken is uitgerust;

\- dat voor badkamerkasten twijfel zou kunnen bestaan omtrent de vraag of ze een woning 'bewoonbaar' maken en of de woning niet zou 'afgewerkt' zijn zonder deze kasten, maar dat ze toch niet zonder meer kunnen gelijkgesteld worden met keukenkasten;

\- dat slaapkamerkasten, wandkasten, stapelbedden en dergelijke zeker niet kunnen gelijkgesteld worden met keukenkasten, ook al werden ze op maat gemaakt of speciaal voor dit gebouw gekocht.

Inzake de [aanschrijving nr. 76/1970](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/76-1970-aanschrijving-exoneration-construction-conditions-forme-3d16) waarnaar de geïntimeerde had verwezen, stellen de appellanten dat de gelijkschakeling van onroerend goed door bestemming wegens blijvende verbinding slechts geldt voor de in Hoofdstuk I, 2 beoogde situatie, d.i. voor de overdracht, de verhuur en de overdracht van huur van een gebouw samen met de goederen die onroerend zijn door bestemming wegens blijvende verbinding met het gebouw, zodat deze aanschrijving te dezen geen toepassing kan vinden.

Inzake de bewering dat, wanneer zou geoordeeld worden dat de maatmeubelen niet kunnen aangemerkt worden als onroerend uit hun aard, ze toch vallen onder de gelijkstelling van art. 17 bis § 2 van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 en II van tabel B van de bijlagen aan het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 beweren de appellanten:

\- inzake de badkamerkasten: dat deze gelijkstelling enkel geldt voor (littera b) "de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool", wat het geval is voor wastafels, W.C's, voetbaden, badkuipen, enz., maar niet voor kasten;

\- inzake de andere meubelen vermeld in het proces-verbaal: dat het geen keukenkasten zijn in de zin van littera e van de genoemde besluiten en dat de geïntimeerde zelfs geen bewijs levert dat ze ingebouwd zouden zijn in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten; dat bepaalde meubelen, zoals bedden en bureaus overigens normaliter niet ingebouwd worden en dat zelfs wandkasten niet ingebouwd zijn in speciaal uitgespaarde ruimten omdat van een dergelijke ruimte slechts sprake kan zijn wanneer, vanuit esthetisch oogpunt, het storend zou zijn wanneer de ruimte niet zou opgevuld zijn met een kast.

Omtrent het vertrouwensbeginsel voeren de appellanten aan:

\- dat er geen ommekeer in de houding van de administratie wordt bewezen omdat zelfs niet is aangetoond dat de door de geïntimeerde toegepaste tarieven in verband met gelijkaardige handelingen, werden aanvaard of dat de controlerende ambtenaar bij vorige controles een fout zou begaan hebben;

\- dat het feit dat bij een vorige controle bepaalde onjuiste toepassingen niet werden opgemerkt door de ambtenaar, voor de belastingplichtige geen vrijgeleide is om blijvend een verkeerde toepassing te maken van de wet;

\- dat de geïntimeerde zelf, voor dezelfde soort handelingen, de ene keer het tarief van 19% toepaste en een andere keer een onjuist tarief;

\- dat een controle niet kan worden gelijkgesteld met een duidelijk verstrekte inlichting of een individuele toezegging, of een door de administratie uitdrukkelijk ingenomen standpunt;

\- dat de geldende regels zelfs nadrukkelijk werden toegelicht door de publicatie van een ministeriële beslissing dd. 13 februari 1985 nr. E.T. 50.890 in de BTW-revue nr. 68 van juli 1985;

\- dat de geïntimeerde derhalve geen schending kan inroepen van een gewettigd vertrouwen:

\- dat de belastingwetten van openbare orde zijn, zodat de fiscale schuld ontstaat uit de wet en dat de administratie belast is met de invordering van de belastingen.

4

In een tweede conclusie stelt de geïntimeerde

\- dat zij het tegenbewijs van [art. 64 § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) levert aan de hand van facturen en plannen waaruit blijkt dat het gaat om badkamerkasten en ingebouwde kasten; en dat dergelijke kasten aan de muur worden vastgehecht voor hun stabiliteit en dat ze niet kunnen verplaatst worden; dat ze derhalve voldoen aan de voorwaarden van punt 4 van de tabel B, gevoegd bij het K.B. nr. 20 en ze onroerend uit hun aard zijn;

\- dat de plannen niet allemaal bewaard werden omdat de fiscale administratie voorheen steeds had ingestemd met de toegepaste BTW-tarieven (de ommekeer wordt aangezien als een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur);

\- dat de appellanten ten onrechte stellen dat de regels van het burgerlijk recht die gelden om uit te maken of een goed een gebouw is in de zin van art. 518 B.W., niet kunnen aangewend worden om het onroerend karakter te bepalen van een roerend goed dat gehecht is aan een gebouw (art. 523 B.W.);

\- dat 'incorporatie' en 'onroerend goed uit zijn aard' ruim moeten geïnterpreteerd worden; dat ook voor de toepassing van art. 523 B.W. er incorporatie is wanneer het betrokken goed, zelfs wanneer het kan weggenomen worden zonder beschadiging, op een duurzame wijze is verbonden of geïncorporeerd in de grond;

\- dat alle zaken die één geheel vormen met het gebouw, m.a.w. die er een onderdeel van zijn en het voltooien, worden geacht onroerend te zijn uit hun aard, ongeacht het feit of ze kunnen weggenomen worden zonder beschadiging en dat enkel voor goederen die het huis bruikbaar maken, maar die ook elders kunnen gebruikt worden, een daadwerkelijke incorporatie vereist is;

\- dat alle meubelen maatmeubelen zijn en derhalve enkel bruikbaar in een welbepaald gebouw, zodat ze onroerend zijn uit hun aard;

\- dat een ingerichte badkamer nodig is om een huis 'bewoonbaar' te maken volgens de hedendaagse normen;

\- dat hetzelfde geldt voor slaapkamerkasten, wandkasten, bureelkasten en dergelijke.

Over de [aanschrijving nr. 76/1970](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/76-1970-aanschrijving-exoneration-construction-conditions-forme-3d16) beweert de geïntimeerde dat uit de voorbereidende werken, te weten het Verslag van de Commissie voor Financiën van de Kamer over het ontwerp van wet tot invoering van het wetboek van de BTW blijkt dat de gelijkschakeling van toepassing is voor het ganse toepassingsgebied van de BTW en niet alleen voor overdracht, huur en overdracht van huur, zoals de appellanten beweren.

De geïntimeerde houdt ook voor dat de badkamerkasten moeten aangezien worden als een bestanddeel van de sanitaire installatie in de zin van de bijlage B, II, 5 b van het K.B. nr. 20 en dat de vermelding aldaar van vaste toestellen slechts een concretisering of een voorbeeld is.

Ze beweert verder dat de andere maatmeubelen vallen onder punt e van dezelfde bijlage, zoals dit geldig was tot 30 april 1990 "opbergkasten die definitief ingebouwd zijn in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten van een gebouw".

Inzake het vertrouwensbeginsel stelt de geïntimeerde:

\- dat de administratie voorheen nooit opmerkingen heeft gemaakt;

\- dat de belastingplichtige er rechtmatig mag op vertrouwen dat de controle betrekking had op de toegepaste tarieven en dat een akkoord ook stilzwijgend en impliciet kan tot stand komen;

\- dat wat de appellanten thans vragen er op neerkomt dat zij (geïntimeerde) een negatief bewijs zou moeten leveren en dat van een stilzwijgende instemming van de controleur geen expliciet bewijs kan geleverd worden;

\- dat zij niet verondersteld wordt kennis te hebben van ministeriële beslissingen en/of omzendbrieven;

\- dat, op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur, de Belgische Staat aansprakelijk is voor de schade die werd veroorzaakt door het foutief optreden van de administratie;

\- dat de schending van de regels van behoorlijk bestuur rechtstreeks kan gesanctioneerd worden door de afwijzing van de vordering van de Belgische Staat.

5

In een laatste conclusie stellen de appellanten

\- dat de geïntimeerde, die de bewijslast draagt, door de voorlegging van facturen niet bewijst dat er (behalve voor 26 van de 198 facturen) sprake was van aanhechting en dit terwijl aanhechting onontbeerlijk doch niet afdoende is om de goederen onroerend uit hun aard te maken;

\- dat badkamerkasten niet zonder meer onroerend uit hun aard zijn;

\- dat sommige goederen welke worden vastgehecht aan een woning onroerend uit hun aard worden hoewel ze zonder beschadiging kunnen weggenomen worden, maar dat dan wel vereist is dat het gaat om onderdelen van een bepaald gebouw (zoals deuren, trappen, rolluiken) die het gebouw voltooien en dat zulks niet geldt voor kasten;

\- dat het toepassingsveld van de [aanschrijving nr. 76/1970](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/76-1970-aanschrijving-exoneration-construction-conditions-forme-3d16) wet beperkt is tot de gevallen van overdracht en verhuring;

\- dat het vertrouwensbeginsel niet werd geschonden omdat geen ommekeer van de administratie bewezen is en het zelfs niet bewezen is dat de geïntimeerde voorheen, voor gelijkaardige handelingen, dezelfde tarieven toepaste, zodat geenszins is bewezen dat de controlerende ambtenaar op een foutieve wijze vroegere onrechtmatige toepassingen zou aanvaard hebben.

Beoordeling

1

De bewijslast

Het wordt niet betwist dat de geïntimeerde de bewijslast draagt. Zij dient derhalve te bewijzen dat de leveringen met plaatsing konden geschieden aan een verlaagd BTW-tarief.

De geïntimeerde houdt voor dat zij dit bewijs levert aan de hand van de voorgelegde facturen en plannen.

Daarbij moet evenwel vastgesteld worden dat de facturen waarop achteraf met de hand is bijgeschreven 'ingemaakt' of 'van muur tot muur', niets bewijzen en dat de voorgelegde plannen veelal slechts zeer rudimentair zijn: ter illustratie daarvan kan verwezen worden naar het 'plan' gevoegd bij st. 20; dit is slechts een met de losse hand getekende rechthoek waarvan de lijnen krom zijn en de hoeken scheef, en waarop geen enkele afmeting is vermeld!

2

Betreft het werken in onroerende staat

2.1

Algemeen

2.1.1

Het begrip 'werken in onroerende staat', waarvan sprake in art. 17 bis van het K.B. nr. 1 van 23 juli 1969 en Tabel B, II, 4 van het K.B. nr. 20, en waarop het verlaagd tarief toepasselijk is, wordt nader omschreven in art. 19 § 2, tweede lid van de BTW-wet van 3 juli 1969. Deze bepaling luidt als volgt: "Voor de toepassing van dit Wetboek wordt verstaan onder werk in onroerende staat, het bouwen, het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen, het onderhouden, het reinigen en het afbreken, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed, en de handeling die erin bestaat een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt".

2.1.2

De appellanten stellen dat slechts onroerend uit hun aard zijn: de zaken welke nodig zijn om een gebouw te voltooien m.a.w. al wat bij het bouwwerk hoort en zonder welke dit gebouw onvolledig en onafgewerkt zou zijn, en voor zover er incorporatie is, d.i. wanneer de bedoelde goederen op een duidelijke wijze verenigd zijn met het gebouw, ongeacht het feit dat ze zonder beschadiging kunnen weggenomen of verplaatst worden.

De appellanten zijn van mening dat, in het algemeen, de kasten welke door de geïntimeerde werden geplaatst en welke werden vermeld in het proces-verbaal, geen wezenlijk bestanddeel zijn van de woningen, te weten geen bestanddelen zonder dewelke dit gebouw niet meer volledig zou zijn. Ook is, volgens hen, niet bewezen dat ze zouden ingemetseld en derhalve geïncorporeerd zijn.

2.1.3

Als werken in onroerende staat worden slechts aangemerkt de handelingen die erin bestaan "een roerend goed te leveren en het meteen op zodanige wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend van aard wordt" ([art. 19 § 2, tweede lid BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19)).

Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen enerzijds (van oorsprong) roerende goederen welke onroerend 'uit hun aard' zijn geworden en anderzijds roerende goederen welke onroerend zijn geworden 'door bestemming'.

Art. 518 B.W. bepaalt dat gebouwen onroerend zijn. Roerende voorwerpen welke door de eigenaar op een erf worden geplaatst voor de dienst en de exploitatie van een erf, worden 'onroerend door bestemming' wanneer zij er blijvend aan verbonden zijn met gips, kalk of cement, of wanneer ze niet kunnen losgemaakt worden zonder deze voorwerpen zelf of het gedeelte van het gebouw waaraan ze verbonden zijn, te breken of te beschadigen (art. 524 en 525 B.W.).

Noch het feit dat de kasten nuttig zijn voor de woning en dat ze vastgehecht zijn aan een muur, noch het feit dat ze niet kunnen verwijderd worden zonder schade toe te brengen aan de kast en/of aan het gebouw, volstaat opdat deze (in oorsprong) roerende goederen onroerend uit hun aard zouden worden: deze voorwaarde is immers ook vereist opdat de roerende goederen 'onroerend door bestemming' zouden worden (art. 525 B.W.).

2.1.4

Het komt er derhalve op aan in concreto te onderzoeken of de, met het gebouw verenigde, roerende goederen het gebouw voltooien of (slechts) bijdragen tot het nut ervan. Daarbij moet rekening worden gehouden met de tijdgeest en moet onderzocht worden wat - volgens de huidige normen - vereist is om een gebouw 'bewoonbaar' te maken, m.a.w. er moet onderzocht worden of het gebouw afgewerkt kan geacht worden wanneer het (met het gebouw verenigde) roerend goed niet zou aangebracht zijn (vergelijk *Derine*, *Van Neste* en *Vandenberghe* , Zakenrecht, 1 A, ed. 1974, nr. 43).

2.2

De keukenkasten

In de moderne woningbouw voorziet de architect reeds bij het opmaken van de plannen, 'een' ingerichte keuken, ook al worden de kasten meestal niet uitgetekend op het bouwplan.

Een moderne woning wordt niet voltooid, afgewerkt, of naar hedendaagse normen 'bewoonbaar' geacht wanneer geen ingerichte keuken voorhanden is. De kasten van dergelijke keukens zijn ook, althans in de regel, geïncorporeerd in het gebouw.

De keukenkasten zijn derhalve - behoudens uitzonderlijke omstandigheden - onroerende uit hun aard geworden.

In de beroepsbesluiten (blz. 14, laatste alinea) hebben de appellanten overigens uitdrukkelijk gesteld dat zij kunnen instemmen met de onroerendmaking overeenkomstig art. 523 B.W. bij levering met aanhechting van keukenkasten. Er bestaat dienvolgens voor het Hof geen discussie meer over de onroerendmaking van deze kasten.

De partijen hebben evenwel niet geconcludeerd omtrent de weerslag daarvan op het bedrag van de verschuldigde BTW en de boete. De debatten moeten dan ook heropend worden om de partijen toe te laten dienaangaande te concluderen.

2.3

De kasten welke zijn ingebouwd in speciaal daartoe uitgespaarde ruimten of nissen

Voor dergelijke kasten kan dezelfde redenering gevolgd worden: dergelijke ruimten worden speciaal voorzien en de woning zou geen voltooid of afgewerkt uitzicht bieden wanneer deze ruimten niet zouden opgevuld worden met een kast of een nis.

Zoals sub 1 werd gesteld, dient de geïntimeerde wel het bewijs te leveren.

Ook omtrent de mogelijke weerslag hiervan op het bedrag van de verschuldigde BTW en boete dienen de partijen nog te concluderen.

2.4

De kasten van muur tot muur

Deze redenering kan niet uitgebreid worden tot de wandkasten 'van muur tot muur', ook al werden deze op maat gemaakt en zijn ze voor hun stabiliteit vastgehecht aan de muur: de woning zou immers ook een voltooid of afgewerkt uitzicht hebben wanneer deze kasten niet werden aangebracht.

2.5

De badkamerkasten

Het wordt niet aangetoond dat de kasten geïncorporeerd zijn in het gebouw. De omstandigheid dat zij vastgehecht zijn aan een muur voldoet, zoals hoger aangetoond (zie sub 2.1.3), niet opdat ze 'onroerend uit hun aard' zouden worden en ook een hedendaagse woning kan, althans in beginsel, als afgewerkt worden aangezien wanneer er geen dergelijke kasten aangebracht werden in de badkamer. Daar deze kasten niet werden aangebracht om het gebouw te voltooien, kunnen ze niet aangezien worden als 'onroerend uit hun aard'.

2.6

De andere meubelen

Uit de voorgelegde beschrijving blijkt niet dat de kasten, zoals slaapkamerkasten, bureelkasten, enz. werden ingewerkt. Het is, hoe dan ook, geenszins bewezen dat deze kasten een wezenlijk onderdeel van de woningen of dat ze in een woning geïncorporeerd zijn: het feit dat de afmetingen werden aangepast en dat de kast derhalve niet op om het even welke andere plaats kan worden gebruikt, brengt niet mee dat de kasten daardoor onroerend uit hun aard worden.

3

Betreft het met werken in onroerende staat gelijkgestelde verrichtingen

De verrichtingen welke worden gelijkgesteld met werken in onroerende staat worden omschreven in art. 17 bis § 2, tweede lid van het voormeld K.B. nr. 1. De tekst van dit artikel luidt als volgt:

> "Worden eveneens bedoeld, in de mate dat ze geen werk in onroerende staat zijn:
>
> 1° iedere handeling die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting aan een gebouw:
>
> a (te dezen niet dienend);
>
> b van de bestanddelen of een gedeelte van de bestanddelen van een sanitaire installatie van een gebouw, en, meer algemeen, van al de vaste toestellen voor sanitair of hygiënisch gebruik aangesloten op een waterleiding of een riool;
>
> c en d (te dezen niet dienend);
>
> e van opbergkasten, gootstenen, kasten, meubels met ingebouwde gootsteen, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken is uitgerust;
>
> f (te dezen niet dienend).
>
> 2° en 3° (te dezen niet dienend)".

De tekst van de bijlage Tabel B, II, 5 b en e van het K.B. nr. 20 is gelijkluidend aan de hierboven aangehaalde teksten van het K.B. nr. 1.

Het kan niet worden betwist dat deze slaapkamerkasten, bureelkasten en dergelijke, niet vallen onder deze bepalingen: zij zijn geen bestanddelen van de sanitaire installatie van het gebouw (litt. b) en het zijn ook geen keukenkasten (litt. e).

Wat de badkamerkasten betreft, zou enkel de bepaling van littera b in aanmerking kunnen komen voor zover het gaat om kasten waar sanitair is ingewerkt.

De geïntimeerde bewijst echter niet dat de door haar geplaatste badkamerkasten "vaste toestellen" zijn geworden, noch dat ze zijn "aangesloten op een waterleiding, of een riool" zoals vereist door litt. b.

Gelet op hetgeen werd beslist sub 2.2 en 2.3 hierboven, moet niet meer onderzocht worden of de keukenkasten en de kasten of rekken gemaakt voor speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten of nissen, kunnen gelijkgesteld worden met werken in onroerende staat.

4

Inzake de toepassing van de [aanschrijving nr. 76/1970](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/76-1970-aanschrijving-exoneration-construction-conditions-forme-3d16) dd. 16 november 1970

Uit deze aanschrijving citeert de geïntimeerde o.m.:

> "Vallen daarentegen als dusdanig niet in het toepassingsgebied van de belasting over de toegevoegde waarde, de roerende goederen die niet dienen voor de exploitatie van een onroerend goed, maar die onroerend door bestemming zijn omdat de eigenaar ze blijvend aan het erf verbonden heeft (B.W. art. 524. laatste lid en 525, z. hierboven nr. 1, 2° ): om economische en practische redenen heeft de wetgever immers geoordeeld dat de laatstgenoemde goederen, die meestal moeilijk te onderscheiden zijn van onroerende goederen uit hun aard, hetzelfde fiscaal statuut als deze laatste behouden - noot: dit gedeelte van de tekst werd onderstreept door de geïntimeerde - (z. verslag van de Commissie voor de Financiën van de Kamer van Volksvertegenwoordigers over het ontwerp van wet tot invoering van het wetboek van de BTW, Parl. besch., Kamer, zitting 1968-1969, nr. 88/15, blz 73; verslag der verenigde Commissies voor de Economische Zaken en de Financiën van de Senaat over hetzelfde wetsontwerp, Parl. besch. Senaat, zitting 1968-1969, nr. 455, blz. 89). Bijgevolg zijn de overdracht, de verhuur en de overdracht van huur van roerende zaken, die niet dienen tot exploitatie van een onroerend goed maar die er blijvend aan verbonden zijn, samen met het gebouw waaraan ze verbonden zijn, onderworpen aan het registratierecht of aan de belasting over de toegevoegde waarde, naargelang de overdracht, de verhuur of de overdracht van huur van het gebouw zelf onderworpen zijn aan het registratierecht of aan de belasting over de toegevoegde waarde".

De geïntimeerde leidt uit het door hem onderstreepte gedeelte van deze tekst af dat de levering en plaatsing van goederen welke, door de plaatsing onroerend worden door bestemming omdat de eigenaar ze blijvend aan het erf verbonden heeft, net zoals de goederen welke door de plaatsing onroerend worden uit hun aard, onderworpen zijn aan het verlaagd tarief.

De appellanten stellen dat de aanschrijving enkel betrekking heeft op de overdracht, de huur en de overdracht van huur van onroerende goederen met de aangehechte roerende goederen, en niet op de levering en plaatsing van roerende goederen derwijze dat ze onroerend door bestemming worden.

Uit de hoofding van de aanschrijving blijkt dat ze enkel handelt over de vraag of, in bepaalde gevallen, het registratierecht dan wel de B.T.W. verschuldigd is. Nazicht van de Parlementaire Bescheiden naar dewelke in de aanschrijving wordt verwezen, leert dat deze teksten betrekking hebben op de bespreking van art. 9 van het B.T.W.-wetboek, dat bepaalt wat dient verstaan te worden onder 'de levering van goederen'. Zo staat in het geciteerde verslag van de kamercommissie (blz. 73) te lezen:

> "Dit Wetboek verstaat onder goederen, de uit hun aard roerende goederen alsmede de goederen die onroerend door bestemming zijn.
>
> De onroerende goederen door bestemming, worden door artikel 524 van het Burgerlijk Wetboek onderverdeeld in twee soorten:
>
> 1° de voorwerpen die de eigenaar van een erf voor de dienst en de exploitatie van dat erf daarop geplaatst heeft;
>
> 2° de roerende voorwerpen die de eigenaar blijvend aan het erf verbonden heeft (onroerende goederen door blijvende aanhechting).
>
> Het komt logischer voor de laatste soort goederen, zoals ze door artikel 525 van het Burgerlijk Wetboek zijn omschreven, te onderwerpen aan de belastingregeling die geldt voor het gebouw zelf waaraan ze zijn verbonden.
>
> Uit artikel 1 van het Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek-, en griffierechten (stuk nr. 91, B.Z. 1968), blijkt overigens duidelijk dat de onroerende goederen door blijvende aanhechting voor de toepassing van het registratierecht als onroerende goederen aangemerkt worden.
>
> (...)
>
> De bedoeling van dit amendement is artikel 9 te doen overeenstemmen met het hogervermelde wetsontwerp nr. 91".

Zowel de voorbereidende werken als de aanschrijving maken duidelijk dat de gelijkschakeling enkel toepassing vindt bij de levering van roerende goederen welke - op het ogenblik van de levering en dus wanneer ze nog in het bezit zijn van de leverancier - reeds onroerend zijn door bestemming omdat ze door de eigenaar (d.i. de leverancier) blijvend waren verbonden aan een erf en niet op roerende goederen welke pas ingevolge de levering met plaatsing (en door de wil van de verkrijger) onroerend worden door bestemming wegens blijvende aanhechting.

De aanschrijving kan dan ook - in strijd met wat de geïntimeerde voorhoudt - te dezen geen toepassing vinden.

5

Inzake de subsidiaire vordering van de geïntimeerde, gesteund op een (beweerde) fout van de overheid en op de schending van het vertrouwensbeginsel en van het recht op rechtszekerheid

Gelet op de inwilliging van de hoofdvordering diende de eerste rechter geen kennis te nemen van deze subsidiaire vordering. Daar de geïntimeerde deze vordering herhaalt voor het Hof, stelt hij impliciet incidenteel beroep in voor het geval het hoger beroep van de administratie zou ingewilligd worden.

Daar het principaal hoger beroep gedeeltelijk wordt ingewilligd, moet te dezen beslist worden over de subsidiaire vordering.

Het recht op rechtszekerheid houdt o.m. in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de door de overheid opgewekte, gerechtvaardigde, verwachtingen van de burger, in de regel moeten gehonoreerd worden.

De geïntimeerde beweert dat bij vorige controles geen opmerkingen werden gemaakt omtrent de toegepaste BTW-tarieven en leidt daaruit af dat de administratie de toepassing van deze tarieven heeft goedgekeurd en dat ze niet eenzijdig, en voor het verleden, mag terugkomen op de gedragsregel welke zij voordien heeft gevolgd.

De geïntimeerde erkent dat zij geen expliciet bewijs kan leveren van haar bewering en dat de gedragsregel van de administratie enkel kan afgeleid worden uit het feit dat vroeger geen opmerkingen werden gemaakt, d.i. een stilzwijgend akkoord.

De appellanten stellen terecht dat de geïntimeerde minstens dient te bewijzen dat zij voorheen, voor gelijkaardige leveringen, dezelfde tarieven heeft toegepast en dat zulks door de controleur werd aanvaard, of minstens niet werd opgemerkt. De geïntimeerde kan niet gevolgd worden waar zij voorhoudt dat daardoor van haar een negatief bewijs wordt gevraagd: zij had een begin van bewijs kunnen leveren door de voorlegging van vroegere facturen voor gelijkaardige leveringen.

Nu zelfs niet bewezen is dat de geïntimeerde, in vroegere, reeds eerder gecontroleerde, jaren dezelfde tarieven heeft toegepast voor gelijkaardige leveringen, is zeker niet bewezen dat dergelijke toepassing werd aanvaard door de controlerende ambtenaren.

In deze omstandigheden is het niet nuttig te onderzoeken of de omstandigheid dat de onterechte toepassing van verlaagde tarieven bij vroegere controles, hetzij niet werd opgemerkt door de controleur, hetzij werd gedoogd, hetzij uitdrukkelijk werd toegelaten, en of die gedraging bij de geïntimeerde een gewettigd vertrouwen kon opwekken waarvan de schending een fout zou uitmaken.

De subsidiair gestelde vordering is derhalve ongegrond.

### Beschikkend gedeelte

Op deze gronden,

het Hof,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Ontvangt het hoger beroep en het impliciet gestelde incidenteel beroep; verklaart het principaal hoger beroep grotendeels gegrond en het incidenteel beroep ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis waar het besliste omtrent de keukenkasten en de kasten welke werden ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten (of nissen) van de gebouwen en doet het teniet waar het besliste omtrent de andere meubelen welke het voorwerp uitmaken van het geschil.

Zegt dat het verlaagd BTW-tarief kan toegepast worden voor de keukenkasten en de kasten welke werden ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten, maar niet voor de andere goederen:

En daar de partijen niet hebben geconcludeerd omtrent de weerslag van de gedeeltelijke aanvaarding van het verzet tegen het dwangbevel op het bedrag van de verschuldigde BTW en boeten, en het Hof daaromtrent nog niet kan beslissen:

Heropent ambtshalve de debatten teneinde de partijen toe te laten te concluderen omtrent de gevolgen van hetgeen werd beslist inzake de keukenkasten en de kasten welke werden ingebouwd in speciaal daarvoor uitgespaarde ruimten (zie sub 2.2 en 2.3).

Stelt de zaak daartoe op de terechtzitting dd. 6 december 2000 om 11.00 u. tenzij de partijen verkiezen toepassing te maken van art. 755 Ger. W., in welk geval zij hun bundels voor deze datum kunnen neerleggen.

Houdt de beslissing omtrent de kosten aan.

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 1 art. 17bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-17bis-a142) 3 voorkomens

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 2 voorkomens

[WBTW art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-19) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Dienstverrichtingen, Werken in onroerende staat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dienstverrichtingen-werken-in-onroerende-staat-rechtbank-bergen-2005-03-17-20bb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Uitoefening van economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-uitoefening-economische-activiteit-rechtbank-luik-2020-03-12-aca1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Gezamenlijke controle Inkomstenbelastingen en BTW, Vordering in rechte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aoif-gezamenlijke-controle-inkomstenbelastingen-btw-rechtbank-bergen-2007-11-29-04b4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-bewijs-rechtbank-oudenaarde-2005-12-01-4179) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2002-10-01-e393) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Wettelijk vermoeden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-wettelijk-vermoeden-rechtbank-brugge-2020-12-15-0871) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 1 gemeenschappelijke bepalingen
