---
title: "5 september 2023 · Werk in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief · Hof van beroep te Gent"
description: "Werk in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Nieuw gebouw, Btw-tarief van 6 %. Hof van beroep te Gent (België), 5 september 2023."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verlaagd-hof-van-beroep-gent-2023-09-05-f72f"
lang: "nl"
---

# Werk in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Nieuw gebouw

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

5 september 2023

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

208 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 05.09.2023

WF 708-15-19/057232

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Werk in onroerende staat – Verlaagd btw-tarief – Nieuw gebouw*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 1 KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) van 20 juli 1970 – rubriek XXXVIII van tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970

## Samenvatting

## 1. Feiten en voorgaande procedure

Bij het nazicht van een bouwaangifte bleek dat op de facturen met betrekking tot de verbouwing en uitbreiding van een bestaande woning het verlaagde btw-tarief van 6% werd toegepast. De administratie was echter van mening dat het verlaagde btw-tarief op basis van [artikel 1 van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) niet van toepassing was. Aangezien beide partijen bij hun standpunt bleven stelde de administratie een proces-verbaal op. Ook het administratief bezwaar tegen dit proces-verbaal werd afgewezen.

De rechtbank van eerste aanleg te Brugge verklaarde de vordering van de eigenaars van de woning ontvankelijk, maar ongegrond. Tegen dit vonnis gingen zij in hoger beroep.

## 2. Het arrest van het hof van beroep

Het arrest begint met te stellen dat de vraag of de bouwwerken als een renovatie of als een nieuwbouw kwalificeren in de zin van [artikel 1 van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1), een feitenkwestie is die geval per geval moet worden onderzocht. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn ter zake dan ook niet dienend.

Verder stelt het hof dat de begrippen “de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud \[…\] geheel of ten dele van een woning” dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt als een nieuwbouw beschouwd. Dit in tegenstelling tot wat de eigenaars van de woning beweren. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken als omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd.

De beoordeling die moet worden gemaakt is in welke mate de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw aanwezig blijven en, in geval van uitbreiding, of aan het oppervlaktecriterium is voldaan.

Wat betreft het oppervlaktecriterium volgt het hof de eerdere rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass. 6 april 2023, rolnr. [F.21.0193.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuwe-gebouwen-werk-cassatie-brussel-2023-04-06-2dd1)) en stelt dat hof dat hoewel dit criterium niet voorzien is in de wet, toch kan worden aanzien als een administratieve toegeving die een relevant, maar niet noodzakelijk een doorslaggevend criterium vormt. Het laat tevens een concrete beoordelingsruimte toe in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet.

Concreet stelt het hof vast dat de uitgevoerde werken niet op relevante wijze steunen op de bestaande dragende muren/buitenmuren dan wel op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Van deze structuur werd immers meer dan de helft afgebroken. Dat de achterbouw bestond uit aangebouwde ‘koterijen’, is, volgens het hof, geen reden om deze niet in aanmerking te nemen voor het bepalen van de wezenlijke structuur van de oude woning. De argumenten dat de oppervlakte van de bestaande toestand niet substantieel werd uitgebreid, dat het volume niet (of beperkt) werd gewijzigd, dat de bestemming van de ruimtes en het aantal verdiepingen ongewijzigd is gebleven, dat de configuratie van de woning grotendeels dezelfde is gebleven, dat het dezelfde soort modale woning is gebleven, en dat de werken klassieke ingrepen betreffen tijdens een renovatie, doen hieraan geen afbreuk.

Daarnaast is het hof van oordeel dat de belastingplichtigen niet aantonen dat de oppervlakte van het overblijvende gedeelte betekenisvoller is ten aanzien van het nieuwe gedeelte of dat aan het oppervlaktecriterium is voldaan. Voor het bepalen van de oppervlakte van de bestaande woning kan enkel rekening worden gehouden met het oude behouden gedeelte en kan geen rekening worden gehouden met oude gedeeltes die werden afgebroken en desgevallend (nieuw) werden heropgebouwd. Uit de berekening van de administratie blijkt namelijk dat het behouden gedeelte slechts 22,24% bedraagt van de woning na uitvoering van de werken.

Verder bevestigt het hof dat werken die noodzakelijk zijn om aan de EPB-normen te voldoen tot gevolg kunnen hebben dat het verlaagde btw niet van toepassing is bij een verbouwing.

Het hof komt dan ook tot de slotconclusie dat de eigenaars niet bewijzen dat het verlaagde btw-tarief van toepassing is en dat de administratie terecht het btw-tarief van 21% heeft toegepast.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent , vijfde kamer**

Arrest van 05/09/2023

Rol: 2021/AR/1971

In de zaak van:

1\. **A. T.**, RRN 79...16,

wonende te ...,

2\. **M. B.**, RRN 81...50,

wonende te ...,

**appellanten**,

hebbende als raadsman mr. **S. T.**, advocaat te ...

tegen

**BELGISCHE STAAT/ FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, 0N 0308.357.159,

Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal van het KMO Centrum Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4,

geïntimeerde,

hebbende als raadsman mr. B. T**.**, advocaat te ...en mr. D. C., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 24 november 2021 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 12 oktober 2021 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 20/1625/A, waarvan niet blijkt dat het werd betekend.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 6 juni 2023, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

Op 31 januari 2014 dienden de appellanten een bouwaangifte in zoals voorgeschreven door [artikel 64, §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) met betrekking tot de in de periode van 2012-2013 uitgevoerde verbouwing en uitbreiding van een bestaande woning gelegen te Jabbeke, die in gebruik werd genomen in mei 2013.

Op basis van de naderhand bezorgde bouwplannen die waren gevoegd bij de bouwvergunning toegekend op 7 februari 2011, stelde de administratie naar aanleiding van de controle van de facturen in het kader van de toepassing van artikel 1 KB/BTW nr: 20 vast dat het verlaagde tarief van 6% onterecht werd toegepast. Op 17 november 2015 werd een correctieopgave opgemaakt, waarin de bijkomend verschuldigde BTW werd bepaald op 28.080,04 euro. Een (verminderde) proportionele geldboete van 10%, of 2.800,00 euro, werd opgelegd. De appellanten verklaarden zich hiermee niet akkoord bij brief van 5 februari 2016, en er volgde nog overleg met de bouwheer en de architect.

De administratie bleef evenwel bij haar standpunt en stelde, wegens de blijvende betwisting, een proces-verbaal op 12 juli 2019 waarin de vaststellingen werden opgenomen en waaruit een verschuldigde BTW bleek van 28.080,04 euro en een geldboete van 2.800,00 euro.

De appellanten tekenden tegen de correctieopgave alsook tegen het proces-verbaal bezwaar aan bij brief van hun raadsman van 10 oktober 2019. Zij stelden o.m. dat de renovatie enkel tot doel had de bestaande woning te renoveren en dat dit geen verkapte nieuwbouw was. Er zou enkel een echte wijziging zijn achteraan het gebouw alsook ter hoogte van de garage. De bestemmingswijziging alsook de volumewijziging zouden extreem beperkt zijn. Enkel de achteraan aangebouwde gelijkvloerse WC en badkamer zouden zijn afgebroken en de WC zou nu geïntegreerd zijn in de inkomhal; de woonkamer zou behouden zijn doch wat ruimer geworden zijn; en de garage zou behouden zijn doch wat groter zijn. Volgens de appellanten zou de administratie ten onrechte toepassing maken van het oppervlaktecriterium, dat niet in de wet is voorzien, en zou moeten worden gekeken of het bestaande gebouw een bijzaak is geworden. Daarbij dient volgens de appellanten rekening te worden gehouden met het feit dat (i) er weinig volumeverschil is, (ii) de in beslag genomen grondoppervlakte zo goed als ongewijzigd is, (iii) de functies zo goed als ongewijzigd zijn, (iv) het aantal verdiepingen ongewijzigd is, en (v) de verschillen beperkt zijn (nl. afbraak WC-aanbouw achteraan en integratie ervan in hoofdgebouw, lichte uitbreiding garage, lichte uitbreiding woonkamer, alles de typische zaken bij een renovatie). Bij beslissing van 7 april 2020 werd dit bezwaar van de appellanten afgewezen.

Middels verzoekschrift neergelegd op 7 juli 2020 maakten de appellanten de zaak aanhangig voor de tiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 12 oktober 2021 heeft deze rechtbank beslist om de vordering van de appellanten ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, met veroordeling van de appellanten tot de gedingkosten.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### 3.1. De vordering van de appellanten

De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*Dienvolgens het aangevochten vonnis, in de mate dat het bestreden is, teniet te doen,*

*en opnieuw wijzende:*

*Alvorens recht te spreken,*

*Op grond van art. 19,3° Ger. W. de volgende maatregel te bevelen:*

*c. Een plaatsbezoek*

*d. Aanstelling van een gerechtsdeskundige met een erg beperkte opdracht om de*

*woning van concluanten op te meten en Uw Rechtbank te adviseren welk onderdeel*

*nieuw is en welk niet.*

*Dienvolgens,*

*De initiële vordering van concluanten ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*Te zeggen voor recht dat:*

*het proces-verbaal dd. 12 juli 2019 opgemaakt door X, adjunct-financieel assistent bij de FOD Financiën, A. A. Fiscaliteit, verbonden aan KMO BEHEER TEAM te Brugge, met Kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4*

*alsook:*

*de correctie-opgave dd. 17 november 2015 opgemaakt door X, adjunct-financieel assistent bij de FOD Financiën, A. A. Fiscaliteit, verbonden aan KMO BEHEER TEAM te Brugge, met Kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4*

*nietig zijn.*

*dit met name in de mate dat deze beslissen dat op de kwestieuze*

*verbouwwerken het BTW-tarief van 21% van toepassing zou zijn;*

*Te zeggen voor recht dat de vordering inzake BTW met ref. RCIV nr. 50...66 niet verschuldigd is door concluanten (dit onder andere met name in de mate dat deze beslissen dat op de kwestieuze verbouwwerken het BTW-tarief van 21% van toepassing zou zijn alsook in de mate er hier intresten en boetes op verschuldigd zouden zijn);*

*Concluanten derhalve te ontlasten betreffende de vordering inzake BTW met ref. RCIV nr. 50...66 (dit onder andere met name in de mate dat deze beslissen dat op de kwestieuze verbouwwerken het BTW-tarief van 21% van toepassing zou zijn alsook in de mate er hier intresten en boetes op verschuldigd zouden zijn);*

*Te zeggen dat op de werken uitgevoerd door concluanten aan hun woning gelegen te ..., zoals opgesomd in de voormelde correctieopgave, het verlaagde BTW-tarief van toepassing is van 6%;*

*Voor zoveel als nodig, de volgende beslissing te vernietigen:*

*Beslissing dd. 7 april 2020 met ref. 70...32 genomen door F.O.D.*

*FINANCIËN — KMO EXPERTISE 1 BRUGGE in de persoon van X*

*Met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,*

*meegedeeld bij schrijven dd. 7 april 2020, ontvangen op 9 april 2020*

*Dienvolgens geïntimeerde te zien en horen veroordelen tot betaling van alle gedingskosten in hoofde van concluanten begroot op:*

*-* *Rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg: 1.560 EUR*

*-* *Rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep: 1.560 EUR*

### 3.2. De vordering van de geïntimeerde

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

In hoofdorde

Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;

Dienvolgens te zeggen voor recht dat de vordering inzake BTW, opgenomen in het proces-

verbaal met RCIV-nummer 50...66, in hoofdsom, intresten en boeten geheel

verschuldigd is.

Appellanten tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, in graad van hoger beroep

begroot op 3.000,00 euro rechtsplegingsvergoeding.

Gezien geïntimeerde, de Belgische Staat in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in

graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.

## 4. De beoordeling

### 4.1. De motivering van het bestreden vonnis en de gevorderde voorafgaande maatregel

4.1.1. De appellanten stellen in hun eerste grief dat de eerste rechter ten onrechte niet heeft gemotiveerd waarom de door hen gevorderde voorlopige maatregelen al dan niet werden toegekend of afgewezen. Evenwel, een gebrek aan motivering door de eerste rechter kan geen zelfstandige grond tot nietigheid van het bestreden vonnis opleveren. Middelen van nietigheid kunnen niet worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald (artikel 20 Ger.W.). Dat wil zeggen dat het hof het middel zelf (gemotiveerd) moet ontmoeten.

4.1.2. De appellanten vorderen op grond van artikel 19, derde lid Ger.W. een plaatsbezoek te bevelen dan wel een gerechtsdeskundige aan te stellen aangezien de feitelijke toestand ter plaatse volgens hen enorm belangrijk is om een correcte beoordeling te kunnen maken met volledige kennis van zaken.

Het hof gaat hierop niet in en oordeelt op basis van de voorliggende stukken. De bij de vergunningsaanvraag gevoegde bouwplannen alsook de overige stukken in het dossier geven voldoende informatie om te beoordelen of er sprake is van een omvorming dan wel een nieuwbouw in de zin van artikel 1 KB/BTW nr. 20. De appellanten duiden bovendien niet in welke mate een plaatsbezoek of een deskundigenonderzoek meer informatie zou bieden dan de stukken die zich momenteel bevinden in het dossier.

### 4.2. De toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6%

4.2.1. Het voorwerp van het geschil ten gronde tussen de partijen betreft de vraag of de in opdracht van de appellanten uitgevoerde werken in onroerende staat de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben (en dus terecht onderworpen werden aan het tarief van 6%) dan wel betrekking hebben op een nieuwbouw (en dus onderworpen zijn aan het tarief van 21%). Over de overige voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief van 6% op grond van artikel 1 KB/BTW nr. 20, zoals opgenomen in tabel A, rubriek XXXVIII, §1 van de bijlage bij KB/BTW nr. 20, is geen discussie.

De vraag of de bouwwerken als een renovatie (standpunt appellanten) of als een nieuwbouw (standpunt geïntimeerde) kwalificeren in de zin van voormelde wetsbepalingen, is een feitenkwestie die geval per geval moet worden onderzocht. De belasting steunt zich op de werkelijkheid. De termen die voorkomen op de bouwvergunning zijn terzake niet dienend.

De appellanten dragen de bewijslast en dienen aan te tonen dat de in hun opdracht uitgevoerde werken niet onderworpen zijn aan het tarief van 21% en dus de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hadden (zie artikel 1 KB/BTW nr. 20, dat met ingang van 7 januari 2007 de bewijslast voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6% bij de belastingplichtige legt, door in een hiërarchie van de btw-tarieven te voorzien). Naar de door de appellanten aangehaalde rechtspraak van het [Hof van Cassatie van 13 mei 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/tarief-btw-bewijs-cassatie-brussel-2005-05-13-7da6) kan sinds 7 januari 2007 niet langer nuttig verwezen worden. De tweede grief van de appellanten inzake de bewijslastverdeling wordt afgewezen.

4.2.2. De wetgever heeft geen definitie gegeven aan het begrip werken of handelingen met als voorwerp "de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud (...) geheel of ten dele van een woning", zoals omschreven in rubriek XXXVIII, tabel A van het KB/BTW nr. 20. Deze begrippen dienen te worden begrepen in hun normale betekenis, wat inhoudt dat dergelijke werken niet tot gevolg mogen hebben dat zij in feite gelijkstaan met een nieuwbouw. De heropbouw van een gebouw na afbraak, zelfs indien de funderingen en de kelder van het oude gebouw of andere bijkomstige elementen van de structuur (zoals de voorgevel) worden behouden, wordt als een nieuwbouw beschouwd. Wanneer de wezenlijke elementen van de bestaande structuur van het gebouw worden behouden, worden de werken als omvorming of renovatie in de zin van rubriek XXXVIII, tabel A van het KB nr. 20 beschouwd. Zo is er sprake van verbouwing, wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (zie ook Cass. 25 juni 2020, AR [F.19.0069.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2020-06-25-4e3a), op www.juportal.be).

Uit wat voorafgaat volgt dat de appellanten niet kunnen worden gevolgd waar zij stellen dat er enkel sprake is van een nieuwbouw wanneer het gebouw na volledige afbraak wordt herbouwd.

4.2.3. Onder de hierboven genoemde begrippen worden normaal niet begrepen werken of handelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXVIII, §3, 1 ° van het KB nr. 20 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is. Zelfs wanneer redelijkerwijze met enige marge rekening moet worden gehouden, dan blijkt dat de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie besliste om maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan. Hoewel het oppervlaktecriterium niet in de wet is ingeschreven, is de omvang van het nieuwe gedeelte een relevant feitelijk element bij de beoordeling. Het oppervlaktecriterium is gebaseerd op een administratief standpunt dat de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming van dat gebouw "wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken".

Alhoewel circulaires geen bindende kracht hebben doch rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof aan dat de appellanten, zoals elke andere belastingplichtige, recht hebben op de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer hun renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.

Het door de appellanten bekritiseerde oppervlaktecriterium, wegens niet voorzien in de wet, kan worden aangezien als een administratieve toegeving die wel degelijk een relevant, doch niet noodzakelijk een doorslaggevend criterium vormt (zie ook Cass. 6 april 2023, rolnr. [F.21.0193.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-nieuwe-gebouwen-werk-cassatie-brussel-2023-04-06-2dd1), op www.juportal.be) en een concrete beoordelingsruimte toelaat in het voordeel van de belastingplichtige in vergelijking met de strengere wet. Het is niet onredelijk vanwege de administratie om die toegeving toe te passen in die zin dat "de uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte" (btw-revue nr. 110 van september 1994). Het is ook een logische en zeer redelijke redenering dat er kan worden van uit gegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Opdat de uitbreidingswerken aan het begrip "omvormen" zouden beantwoorden, is het een correcte interpretatie dat de bestaande woning de hoofdzaak blijft en de uitbreiding ondergeschikt is aan en slechts plaatsgrijpt in functie van de omvorming van de oude woning. De door het KB nr. 20 gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele" veronderstellen zoals gezegd een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw werd overgegaan. De appellanten stellen ten onrechte dat het afgebroken oude gedeelte dat heropgebouwd werd, in rekening moet worden genomen bij het oude gedeelte. Met het gedeelte dat (quasi) volledig werd afgebroken en opnieuw werd heropgebouwd kan bij de tóepassing van het oppervlaktecriterium geen rekening worden gehouden. Voormeld administratief standpunt (met het zgn. oppervlaktecriterium) geldt immers enkel in geval van uitbreiding van de bestaande/behouden woning. In ieder geval dienen de werken aan het bestaande/behouden gedeelte te kwalificeren als een verbouwing, en niet als een nieuwbouw (zie randnummer 4.2.2.). De appellanten vermengen ten onrechte de criteria voor toepassing van de administratieve toegeving met de criteria die relevant zijn om al dan niet te kunnen spreken van een verbouwing (in tegenstelling tot een nieuwbouw). Zo zijn de criteria van functionele afhankelijkheid en hoofdzaak/bijzaak enkel relevant wanneer de werken leiden tot een uitbreiding of vergroting van de bestaande woning waarbij het bestaande/behouden gedeelte wordt verbouwd (in de zin zoals uiteengezet in randnummer 4.2.2.).

4.2.4. Op basis van de voorgelegde plannen en stukken kan het hof enkel het standpunt van de administratie bijtreden. Uit deze stukken blijkt immers niet dat de uitgevoerde werken op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van de te renoveren woning, zoals de dragende muren en de buitenmuren.

Uit de bij de bouwaanvraag ingediende plannen (stukken 1, 9 en 10, bundel administratie), zoals bevestigd door de stukken 5 en 6 van de appellanten, blijkt dat de oude woning bestond uit een woongedeelte en een naastgelegen garage, waarbij het woongedeelte rechts was aangebouwd tegen een gemene muur. Het woongedeelte had een voorgevel (6,40m), een linker zijgevel (4,21m) met uitsprong (1,28m voorzijde en ongeveer 4m zijgevel), een achtergevel (ongeveer 4m) en een aangebouwde achterbouw (ongeveer 5m zijgevel en ongeveer 3m achtergevel). Of de oude woning daarnaast nog dragende (binnen-)muren had, kan niet worden afgeleid uit de plannen en wordt evenmin vermeld door de appellanten. De naastgelegen garage was gebouwd tot tegen de perceelsgrens in een rechthoekige vorm.

Uit de foto's onder stuk 2 (bundel administratie) blijkt dat, behalve desgevallend de zijgevel, de garage tijdens de werken volledig werd afgebroken. Alle andere muren zijn vervangen en werden gesloopt.

Van het woongedeelte werden de volgende buitenmuren behouden:

de rechter gemene zijgevel,

de voorgevel (tot op de 1e verdieping, hoogte van 5,80m), en

\- de linker zijgevel (tot op de 1e verdieping, hoogte van 5,80m).

Van het woongedeelte werden de muren van de volledige uitsprong (dit is ongeveer de helft van de volledige oude zijgevel) alsook de achtergevel en de muren van de aangebouwde achterbouw afgebroken. Dit wordt bevestigd door de foto die zich bevindt in het stuk 2 van het bundel van de administratie. Grosso modo komt dit erop neer dat de helft van de dragende structuur van het oude woongedeelte (m.n. voorgevel en helft van de totale zijgevel) werd behouden en de rest (m.n. achtergevel en helft van de totale zijgevel) werd afgebroken. Ook werd de bestaande garage volledig afgebroken (behoudens desgevallend de zijgevel). In die omstandigheden is er ontegensprekelijk sprake van een nieuwbouw. De uitgevoerde werken steunen immers niet op relevante wijze op de bestaande dragende muren/buitenmuren dan wel op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Van deze structuur werd immers meer dan de helft afgebroken. Dat de achterbouw aangebouwde \`koterijen' betrof, is geen reden om deze niet in aanmerking te nemen voor het bepalen van de wezenlijke structuur van de oude woning.

Dat de oppervlakte van de bestaande toestand niet substantieel werd uitgebreid (nl. van 96,1m2 naar 112,1m2 op het gelijkvloers en van 83,5m2 naar 79m2 op de eerste verdieping), dat het volume niet (of beperkt) werd gewijzigd, dat de bestemming van de ruimtes en het aantal verdiepingen ongewijzigd is gebleven, dat de configuratie van de woning grotendeels dezelfde is gebleven, dat het dezelfde soort modale woning is gebleven, en dat de werken klassieke ingrepen betreffen tijdens een renovatie, doen hieraan geen afbreuk. Er is immers voor toepassing van het verlaagd btw-tarief geen sprake van een verbouwing indien de uitgevoerde werken niet op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen van deze structuur zoals de voorgevel en de helft van de zijgevel van het woongedeelte worden behouden, zoals in dit dossier het geval was. De appellanten tonen niet aan dat de werken kwalificeren als een verbouwing.

4.2.5. Ten overvloede wijst het hof er op dat, zelfs indien er sprake zou zijn van een uitbreiding van de bestaande woning en het administratief standpunt uiteengezet in randnummer 4.2.3. aldus toepassing zou vinden, de werken evenmin kwalificeren als een verbouwing. Voor het oppervlaktecriterium dient de oppervlakte van de bestaande woning (m.n. het behouden gedeelte van het oude gebouw) vergeleken te worden met de oppervlakte van het nieuwe gedeelte. Uit de berekening van de administratie blijkt dat het behouden gedeelte slechts 22,24% bedraagt van de woning na uitvoering van de werken. Zoals hierboven reeds vermeld, kan voor het bepalen van de oppervlakte van de bestaande woning enkel rekening worden gehouden met het oude behouden gedeelte en kan geen rekening worden gehouden met oude gedeeltes die werden afgebroken en desgevallend (nieuw) werden heropgebouwd. De appellanten tonen niet aan dat de oppervlakte van het overblijvende oude gedeelte betekenisvoller is ten aanzien van het nieuwe gedeelte of dat aan het oppervlaktecriterium is voldaan.

De discussie die partijen voeren inzake de vervanging van de vloeren is naast de kwestie. De beoordeling die moet worden gemaakt is in welke mate de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw aanwezig blijven en, in geval van uitbreiding, of aan het oppervlaktecriterium is voldaan.

4.2.6. Het hof besluit dat de bouwwerken door de administratie terecht werden gekwalificeerd als een nieuwbouw. Dat de EPB-normen bepaalde werken noodzaakten die tot gevolg hebben dat de werken voor toepassing van het verlaagd btw-tarief niet kwalificeren als een verbouwing, is geen reden om anders te oordelen. De appellanten bewijzen niet dat het verlaagd btw-tarief van 6% van toepassing is. De administratie heeft terecht het btw-tarief van 21% van toepassing geacht.

Over de cijfers wordt geen betwisting gevoerd.

Het hoger beroep van de appellanten is ongegrond.

## 5. De gerechtskosten

De appellanten worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, het basisbedrag gehanteerd worden. In fiscale zaken is een vordering tot nietigverklaring dan wel ontheffing van een betwiste aanslag een in geld waardeerbare vordering. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 20.000,01 euro tot 40.000,00 euro bevindt, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep 3.000,00 euro.

Aangezien de geïntimeerde in de procedure in eerste aanleg niet was vertegenwoordigd door een advocaat, is deze slechts gerechtigd op een rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in hoger beroep.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het **hof** doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

· het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond;

· het bestreden vonnis wordt bevestigd;

· het hof veroordeelt de appellanten tot de gerechtskosten van het hoger beroep,

vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellanten (maar te hunnen laste blijvend):

· bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde:

· rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.000,00 EUR

Aldus gewezen door de VIJFDE KAMER van het hof van beroep te Gent, recht doende in

fiscale zaken, samengesteld uit:

…

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van

**5 september 2023**, bijgestaan door …, griffier.

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 12/10/2021

Rol: 20/1625/A

**A. T.** (RRN: 79...16), wonende te ...,

**1' eisende partij,**

voor wie is opgetreden meester S. G. loco meester S. T., advocaat te ... (ref.: ...-advocaten.be),

**M. B.** (RRN: 81...50), wonende te ...,

**2' eisende partij**,

voor wie is opgetreden meester S. G. loco meester S. T., advocaat te ... (ref.: ...-advocaten.be),

tegen :

de **BELGISCHE STAAT- FOD FINANCIËN** (KBO: 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,

**verwerende partij**,

voor wie is opgetreden mevrouw X, attaché, (ref.: ...@minfin.fed.be).

**I. RECHTSPLEGING.**

Gelet op het tegensprekelijk verzoekschrift de dato 7.07.2020.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 14.09.2021.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

**II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK.**

**2.1.** **De bouwheren A. T. — M. B.** hebben aan de woning in de ... onroerende werken verricht.

In 2015 werd een controle verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen. Naar aanleiding van dit toezicht werden een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld.

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de controlerende ambtenaar op 12.07.2019 een proces-verbaal opgemaakt waarin de begane overtredingen werden geacteerd.

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd een bedrag gevorderd van 28.080,04 EUR BTW en 2.800,00 EUR geldboete.

Op 14.10.2019 werd een bezwaarschrift ingediend.

Bij beslissing van 7.04.2020 werd dit bezwaarschrift afgewezen.

Op 7.07.2020 dienden eisers hiertegen een verzoekschrift in.

### 2.2. Eisers vragen dat :

Een plaatsbezoek wordt bevolen en een gerechtsdeskundige wordt aangesteld. De vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard.

\- Het proces-verbaal, de correctieopgave en de beslissing van 7.04.2020 nietig worden verklaard

\- Verweerder wordt veroordeeld tot terugbetaling van alle bedragen welke ten onrechte werden betaald of ingehouden, vermeerderd met de moratoire interesten.

\- Ondergeschikt, de boete wordt kwijtgescholden of verminderd of met uitstel uitgesproken. Verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in hun hoofde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 1.440,00 EUR.

**2.3.** **Verweerder** vraagt dat de vordering van eisers als ontvankelijk en ongegrond wordt afgewezen en dat eisers worden veroordeeld tot de kosten van het geding.

**III. BEOORDELING.**

**3.1. nopens de ontvankelijkheid.**

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

**3.2.nopens de grond.**

**3.2.1.** Eisers stellen dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %.

**3.2.2.** Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW- tarief van 6 %. De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben.

Krachtens § 1, 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A. (vanaf 1.07.2011 nieuw ingevoegde rubriek XXXVIII in tabel A van de bijlage van het KB nr. 20 van 20.07.1970).

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht. In voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken.

Verder lezen we het volgende: "Evenzo wordt het bestaan van een verbouwing niet bekritiseerd wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. Daarentegen dient als bouwwerkzaamheid die bijdraagt tot de oprichting van een nieuw gebouw te worden aangemerkt: 1° het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud van funderingen en kelders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur (b.v. alleen de voorgevel aan de straatzijde behouden omwille van de integratie in het stedelijk kader)".

In het BTW-revue nr.110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een omvorming in de zin van rubriek XXXI van de bijlage A van het K.B. nr. 20. In voormelde revue lezen we het volgende : "De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken. Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt. Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte".

**3.2.3.** Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten , en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen. Zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen , aan wie dan ook. Volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter.

Evenwel kan de rechtbank een dergelijke administratieve toegeving op de wettekst niet negeren, wil zij voor alle rechtsonderhorigen die in dezelfde omstandigheden zijn, een gelijke behandeling garanderen.

**3.2.4.** Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken, die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwestie die geval per geval moet beoordeeld worden (Vr. en Antw., Kamer, 1992-93, nr. 70 , 6703 — Vr. nr. 585 GEHLEN, B.T.W.-Rev., nr. 107, 106, nr. 3).

**3.2.5.** De versies van partijen steken schril af tegen mekaar. Voor verweerder is er nauwelijks iets behouden en voor eisers is het wezenlijke gebleven. Eisers willen gebruik maken van het verlaagd tarief en dus van de uitzondering. In die omstandigheden dragen zij de bewijslast.

Op basis van de voorliggende stukken (voorgelegde plannen en foto's) blijkt:

\- dat het dak volledig werd afgebroken en dat de vloeren tussen gelijkvloers en eerste verdieping en tussen eerste verdieping en zolder werden afgebroken;

dat er een volledig nieuwe eerste en tweede verdieping werden gecreëerd en dat er wezenlijke ingrijpende wijzigingen werden aangebracht aan de structuur van de oude woning;

\- dat slechts 32,40 % van de buitenmuren oude muren zijn;

\- dat de oppervlakte van het behouden gedeelte na afbraak 69,81 m2 bedraagt en dus beduidend kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken, zijnde 156,93 m2.

Het oude gedeelte is bijgevolg niet betekenisvol ten aanzien van het nieuwbouwgedeelte met volledig nieuwe binnenindeling dat functioneel aanzienlijk belangrijker is. Verder blijkt dat de structuur van de woning grondig werd gewijzigd. De dragende muren van het gebouw zijn overwegend nieuw en de uitgevoerde werken steunen niet op een relevante wijze op de oude dragende muren en meer algemeen, op de structuur van het te renoveren gebouw.

Dergelijke uitbreidingswerken zijn van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is. De kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen hebben op zich een eigen identiteit verworven.

Het is dan ook duidelijk dat voormelde werken niet de omvorming van een woning vormen maar integendeel de bouw van een nieuwe woning betekenen. Het verlaagde tarief is dan ook niet van toepassing op de uitgevoerde werken.

**3.2.6.** Tenslotte werd de kwestieuze boete reeds tot een minimum herleid. Bij de bepaling van de hoogte van de aangerekende boete werd reeds rekening gehouden met het feit dat het om onregelmatigheden ging te wijten aan onwetendheid, vergissingen of nalatigheden waarbij aan de goede trouw van de belastingplichtige niet wordt getwijfeld.

De opgelegde boete staat niet in wanverhouding tot de gepleegde onregelmatigheden en is derhalve naar recht verantwoord. De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter. Er is geen reden om uitstel te verlenen.

De opgelegde boete wordt dan ook behouden.

**3.2.7.** Alle verdere argumentatie is niet langer dienend.

### 3.3. nopens de kosten

Eisers worden in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moeten zij de gerechtskosten dragen. Aangezien verweerder niet bijgestaan is door een advocaat, heeft hij geen recht op een rechtsplegingsvergoeding en zijn de gerechtskosten in hoofde van verweerder onbestaande.

**OM DEZE REDENEN,**

**De rechtbank,**

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.

Veroordeelt eisers tot de gedingkosten, aan hun zijde niet te begroten aangezien ze hen ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op **DINSDAG TWAALF OKTOBER**

**TWEEDUIZEND EENENTWINTIG** waar zitting hadden:

…

## Aangehaalde teksten

2

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 4 voorkomens

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Wettelijk vermoeden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-wettelijk-vermoeden-rechtbank-brugge-2020-12-15-0871) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-bewijskrachtige boekhouding, Herberekening van het omzetcijfer, Feitelijke vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskrachtige-boekhouding-herberekening-omzetcijfer-feitelijke-rechtbank-luik-2022-05-19-1c7a) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Caféhouders](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-cafehouders-kennisgeving-hof-van-beroep-luik-2019-06-21-20d8) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Bewijs](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2021-06-15-3a74) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 1 gemeenschappelijke bepalingen
