---
title: "9 juli 2024 · Werk in onroerende staat, Tarief · Rechtbank van eerste aanleg"
description: "Werk in onroerende staat, Tarief, Verlaagde btw-tarief van 6%, Renovatie en omvormingswerken van gebouwen. Rechtbank van eerste aanleg (België), 9 juli 2024."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-tarief-rechtbank-2024-07-09-302a"
lang: "nl"
---

# Werk in onroerende staat, Tarief, Verlaagde btw-tarief van 6%

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Datum**

9 juli 2024

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

244 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Limburg, afdeling Hasselt d.d. 09.07.2024

WF 711-15-21/055783

\[Gemengd vonnis\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Werk in onroerende staat - Tarief - Verlaagde btw-tarief van 6% - Renovatie en omvormingswerken van gebouwen*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 1 KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) van 20 juli 1970 — Rubriek XXXI, §1 van tabel A van de bijlage bij KB nr. 20 van 20.07.1970

Tabel G, eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij het KB nr. 41

## Samenvatting

## 1. Feiten en voorgaande procedure

Bij een controle inzake het toepasselijk btw-tarief op de werken in onroerende staat die werden uitgevoerd aan het onroerend goed van de belastingplichtige bleek dat deze werken werden uitgevoerd aan het verlaagd btw-tarief van 6%. Op basis van de voorgelegde stukken stelde de administratie vast dat de uitgevoerde werken niet in aanmerking kwamen voor het verlaagd btw-tarief op basis van [artikel 1 van KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1). Aangezien beide partijen bij hun standpunt bleven stelde de administratie een proces-verbaal op. De gevorderde btw werd betaald.

Bij bezwaarschrift werd de administratie ervan op de hoogte gebracht dat eiser niet akkoord

ging met de inhoud van voormeld proces-verbaal en werd tevens een bemiddelingsaanvraag gedaan bij de federale bemiddelingsdienst.

Er werd in het kader van de bemiddelingsprocedure geen akkoord bereikt. Het bezwaar werd afgewezen. Vervolgens heeft eiser een verzoekschrift aangaande de kwijtschelding van de boete ingediend. Bij directoriale beslissing werd de boete gehalveerd.

Vervolgens legde tegenpartij een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt.

## 2. Het vonnis

De rechtbank oordeelt dat eiser niet aantoont dat er voldaan is aan de voorwaarden voor het tarief van 6 procent vervat in het KB nr. 20, bijlage A, Tabel A punt XXXI. Er is namelijk niet voldaan aan het administratieve criterium van het wezenlijk behoud van de wezenlijke elementen van de dragende structuur aangezien uit het geheel van elementen blijkt dat er diverse wezenlijke elementen van de structuur van het bestaande gebouw substantieel moesten worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te kunnen ondersteunen. Aangezien aan het criterium van het wezenlijk behoud van de wezenlijke elementen van dragende structuur niet is voldaan, moeten de andere criteria volgens de rechtbank ook niet worden onderzocht.

Volgens de rechtbank is de boete rechtsgeldig opgelegd maar in onderhavig geval onevenredig met de ernst van de inbreuk. De rechtbank verwijst hiervoor naar de argumentatie van eiser die stelt dat de wetgeving onvoldoende duidelijk is en dat hij vertrouwde op de kennis van zijn architect inzake de al dan niet toepasbaarheid van het verlaagd tarief. De rechtbank meent dat de boete dient kwijtgescholden te worden.

## Opmerking

Beide partijen hebben berust in het vonnis.

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## Rechtbank van eerste aanleg LIMBURG, Afdeling Hasselt, sectie burgerlijk, 11A kamer

**Vonnis van 09.07.2024**

**Rol: AR 22/1903/A**

Eindvonnis

**I****NZAKE:**

**V. R.,** met rijksregisternummer 79...78, wonende te ...

\- eiser -

Tijdens de zitting persoonlijk aanwezig

tegen:

**DE BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën (ondernemingsnummer Belgische staat 0252.796.351 en ondernemingsnummer FOD Financiën 0308.357.159), in de persoon van de Minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de adviseur-generaal centrumdirecteur van het KMO Centrum Hasselt, met kantoor te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, postbus 106.

\- verweerder -

Tijdens de zitting vertegenwoordigd door zijn gevolmachtigde mevrouw X, attaché bij een fiscaal bestuur, verbonden aan de afdeling expertise van het KMO-Centrum Hasselt

**VOLGT HET VONNIS**

Gelet op:

het verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.11.2022;

\- de beschikking overeenkomstig art. 747, § 1 Ger.W. van 22.12.2022;

\- de syntheseconclusie en stukken van verweerder;

\- de aanvullende conclusies en stukken van eiser.

## I. FEITEN EN VOORGAANDEN:

Eiser is eigenaar van een onroerend goed gelegen te .... Er werd een bouwvergunning afgeleverd voor het verbouwen en uitbreiden van deze woning.

Op de uitgevoerde werken wordt het verlaagd btw-tarief van 6 % toegepast.

Op 12.05.2020 werd aan eiser een vraag om inlichtingen verstuurd betreffende de verbouwing van de woning gelegen te .... Het antwoord van 16.05.2020 ging vergezeld van de architectenplannen (zie stukken 1 en 2.1., bundel administratie).

Op 22.06.2020 werd een vraag om inlichtingen naar eiser verzonden met de vraag om de facturen welke aan de bouwheer werden uitgereikt met betrekking tot deze verbouwing voor te leggen. Op 01.11.2020 heeft de eiser de bundel met facturen overgemaakt aan de administratie.

Na onderzoek van de stukken was de administratie van oordeel dat het verlaagde tarief van 6% niet van toepassing was.

Op basis van de voorgelegde bouwplannen en de op 01.11.2020 ontvangen facturen werd op 17.11.2020 een correctieopgave verzonden naar eiser waarin alle facturen werden opgesomd welke ten onrechte aan het verlaagd tarief van 6% werden opgemaakt (zie stuk 4, bundel administratie).

Op 15.12.2020 deelde eiser mee dat hij niet akkoord gaat met het overeenkomstig de correctieopgave verschuldigde bedrag. Op 17.12.2020 heeft eiser per e-mail bijkomende argumenten voor het niet-akkoord bezorgd.

Op 26.05.2021 stelde de administratie een proces-verbaal van regularisatie op (zie stuk 6, bundel administratie).

Volgens de vaststellingen opgenomen in dit proces-verbaal voldoen de uitgevoerde werken aan de woning gelegen in ... niet aan de voorwaarden vastgelegd in rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij koninklijk besluit nr. 20. De reeds gefactureerde werken, waarvoor de maatstaf van heffing 330,334,14 euro bedraagt, werden bijgevolg ten onrechte uitgevoerd aan het verlaagd BTW-tarief van 6%.

In het proces-verbaal wordt 45.049,93 euro BTW gevorderd, zijnde het verschil tussen de verschuldigde BTW 63.070,17 euro (21% van 330.334,14 euro) en de reeds betaalde BTW 18.020,24 euro (6% van 330.334,14 euro).

Daarnaast werd een boete van 4.500,00 euro opgelegd overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek IV van de bijlage bij het KB nr. 41.

De BTW-schuld werd ingeschreven werd in het innings- en invorderingsregister onder het ROIV-artikelnummer 50...13.

De verschuldigde bedragen werden op 31.08.2021 betaald.

Bij bezwaarschrift van 25.08.2021 werd de administratie ervan op de hoogte gebracht dat eiser niet akkoord gaat met de inhoud van voormeld proces-verbaal van 26.05.2021 (zie stuk 8, bundel administratie).

Er werd een bemiddelingsaanvraag gedaan bij de federale bemiddelingsdienst.

Er werd in het kader van de bemiddelingsprocedure geen akkoord bereikt (zie stuk 10, bundel administratie).

Bij beslissing van 04.08.2022 werd het bezwaarschrift van eiser afgewezen.

Op 11.08.2022 heeft eiser een verzoekschrift aangaande de kwijtschelding van de boete ingediend (zie stuk 12, bundel administratie)

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 18.11.2022 stelde eiser een vordering in rechte in.

## II. BEOORDELING

### 1.Ontvankelijkheid:

Er worden door verweerder geen middelen van ontvankelijkheid opgeworpen en de rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen excepties met betrekking tot haar bevoegdheid en de ontvankelijkheid van de vordering.

De vordering is dan ook ontvankelijk.

### 2.Ten gronde:

De betwisting tussen partijen beperkt zich tot de vraag of al dan niet het verlaagde tarief van 6% van toepassing is op de afbraak en heropbouw van het onroerend goed gelegen te ....

### 2.1. Principes:

Krachtens [artikel 37, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) bepaalt de Koning de tarieven bij In Ministerraad overlegd besluit. Ook geeft hij hierin de indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, rekening houdend met de door de Europese Gemeenschappen ter zake uitgevaardigde reglementering. Bij eenzelfde procedure kan Hij de indeling en de tarieven wijzigen wanneer de economische of sociale omstandigheden zulks vereisen, De Koning zal overeenkomstig §2 van voormeld artikel bij de Kamer van volksvertegenwoordigers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van §1 van dit artikel genomen besluiten.

[Artikel 38, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) bepaalt dat het voor de leveringen van goederen en de diensten toe te passen tarief, het tarief is dat van kracht is op het tijdstip waarop het belastbare feit plaatsvindt. In de gevallen bedoeld in de artikelen 17 en 22bis, is het toe te passen tarief evenwel het tarief dat van kracht is op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt. In uitvoering van [artikel 37 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) werd KB nr. 20 van 20 juli 1970 genomen tot vaststelling van de tarieven van de btw en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.

[Artikel 1 van het Koninklijk besluit nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) van 20 juli 1970 (tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven) bepaalt:

*Het normale tarief van de belasting over de toegevoegde waarde voor goederen en diensten bedoeld in het Wetboek bedraagt 21 pct.*

*In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven tegen het verlaagd tarief van :*

*a) 6 pct. voor de goederen en diensten opgenomen in tabel A van de bijlage bij dit besluit. Dit verlaagd tarief mag evenwel niet toegepast worden als de diensten bedoeld in tabel A bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk andere diensten tot voorwerp heeft;*

Uit [artikel 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) blijkt dat 21 procent het normale tarief van de btw is. Het tarief van 6 procent is een uitzondering.

Het is dus aan de belastingplichtige om aan te tonen dat voldaan is aan de voorwaarden van het tarief van 6 procent. De bewijslast ligt dus bij eiser (vergelijk Antwerpen (B6M k.) 4 oktober 2022, 2021/AR/393, http://www.fisconet.be). Tabel A van de bijlage bij het KB nr. 20 bepaalt de goederen en diensten die onderworpen zijn aan het tarief van 6 procent. Onder meer "Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen" valt onder dit tarief, waarover in punt XXXI van bijlage A het volgende wordt bepaald:

*§1. Het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in paragraaf 3 worden onderworpen aan het verlaagd tarief, voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld:*

*1°* *de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben;*

*2°* *de handelingen moeten betrekking hebben op een woning die, na de uitvoering ervan, hetzij uitsluitend, hetzij hoofdzakelijk, als privé-woning wordt gebruikt;*

*(..)*

*§ 3. Worden beoogd :*

*1° het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed; (...)*

Punt XXXI van tabel A geldt voor handelingen aan woningen waarvan de eerste ingebruikneming ten minste vijftien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw.

Punt XXXVIII van tabel A bevat gelijkaardige bepalingen over "Renovatie en herstel van privéwoningen", waarbij het dan moet gaan om een woning waarvan de eerste ingebruikneming ten minste tien jaar voorafgaat aan het eerste tijdstip van opeisbaarheid van de btw.

Om gebruik te kunnen maken van het tarief van 6% voor "Werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen" of "Renovatie en herstel van privéwoningen" moet de belastingplichtige dus onder meer aantonen dat het gaat om het "verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele" van een privé-woning.

Het mag hoogstens gaan om een "verbouwing" en mag dus niet gaan om een "nieuwbouw".

Er is sprake van "nieuwbouw" (waarop een btw-tarief van 21 procent van toepassing is) indien de uitgevoerde werken niet steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw en het gebouw heropgebouwd wordt na afbraak, zelfs indien bepaalde delen, zoals de funderingen, de kelders of alleen de voorgevel worden behouden (vergelijk Cass. 21 oktober 2022, [F.21.0053.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-all-cassation-2022-10-21-3ca2) en Cass. 25 juni 2020, [F.19.0069.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2020-06-25-4e3a)).

Er is ook sprake van een "nieuwbouw" als wezenlijke elementen van de structuur van het gebouw, en in het bijzonder de fundering van het gebouw, substantieel dienen te worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen (vergelijk Cass. 21 oktober 2022, [F.21.0053.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-all-cassation-2022-10-21-3ca2)).

Er is sprake van "verbouwing", wat ook de benaming is die eraan wordt gegeven, wanneer de werken op relevante wijze steunen op de reeds bestaande dragende muren, in het bijzonder de buitenmuren, en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw (vergelijk Cass. 21 oktober 2022, [F.21.0053.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-all-cassation-2022-10-21-3ca2) en Cass. 25 juni 2020, [F.19.0069.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2020-06-25-4e3a)).

Verder moeten de (verbouwings-)werken betrekking hebben op de "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud" van een bestaand gebouw. De "uitbreiding" van een bestaand gebouw, wordt hierbij niet vermeld.

De belastingadministratie heeft in het verleden echter standpunt ingenomen over de interpretatie van bovenvermelde bepalingen uit de bijlage bij KB nr. 20 en daaruit volgt dat via een ruime interpretatie van het begrip "omvorming" toch bepaalde uitbreidingswerken onder het verlaagd tarief kunnen vallen.

In aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 stelde de administratie (onder randnummer 30):

*Onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant (en inzonderheid de rehabilitatie) als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken.*

In beslissing nr. ET. 106.933 van 1 september 1994 werd gesteld:

*De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.*

*Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.*

*Daarentegen is niet vereist dat het nieuwe gedeelte zich onder hetzelfde dak bevindt als het oude gedeelte. Zo kan bijvoorbeeld de uitbreiding van een in de regeling bedoeld woningcomplex (bejaardentehuis, internaat, enz.) met een nieuwe losstaande vleugel, worden aangemerkt als een omvorming in de zin van voornoemde rubriek XXXI van tabel A (vgl. aanschr. 6/1986 (Z. BTW-Rev. 73/297), nr. 51).*

De administratie is dus van oordeel dat de uitbreiding van een bestaand gebouw een "omvorming" kan zijn, maar dan op voorwaarde dat:

\- de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte, meer concreet dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken;

\- het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren en het oude gedeelte dus louter aanvult, wat betekent dat het nieuwe gedeelte voor de aanwending van het gebouw een geheel moet vormen met het oude gedeelte.

De rechtbank is van oordeel dat het begrip "omvorming" niet nog ruimer moet worden geïnterpreteerd dan deze administratieve interpretatie van het begrip "omvorming", die al verder gaat dan de eigenlijke wettekst waarin het begrip "uitbreiding" niet vermeld staat (vergelijk ook Cass. 25 juni 2021, [F.20.0032.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2021-06-25-b63a), arrest niet gepubliceerd, geciteerd door advocaat-generaal Van der Fraenen in nr. 2.3. van zijn schriftelijke conclusie bij Cass. 21 oktober 2022, [F.21.0053.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-all-cassation-2022-10-21-3ca2)).

De rechtbank zal hiervoor dienen na te gaan wat de feitelijke situatie is.

2.2. M.b.t. de feitelijke vaststellingen in het proces-verbaal 26.05.2021:

De administratie stelde het volgende vast in het proces-verbaal van 26.05.2021(zie stuk 6, bundel administratie):

*"2.1* *Vaststellingen m.b.t. de dragende structuren.*

*2.1.1.* *Vaststellingen met betrekking tot de fundering.*

*Voor de berekening van de dragende structuren kijkt de administratie naar de dragende buitenmuren. De vaststellingen in verband met de fundering worden voor de volledigheid opgenomen in dit proces-verbaal.*

*Uit een vergelijking van het bestaande en het nieuwe funderingsplan blijkt dat de bestaande kelder wordt gedempt en ook dat de oppervlakte van de fundering is toegenomen. Er werd dus nieuwe fundering gelegd onder de uitbreiding aan de zijkanten van de woning.*

*2.1.2.* *Vaststellingen met betrekking tot de dragende muren.*

*Uit een vergelijking van het bestaande (bijlage 2) en het nieuwe grondplan van de woning (bijlage 3) kunnen de afgebroken en de behouden dragende buitenmuren van de woning worden vastgesteld.*

*2.1.3* *Vaststellingen m.b.t. de buitenmuren van de gelijkvloerse verdieping* *— Aan de* *RECHTERZIJDE*

•*Nieuw gedeelte: 17,15 m*

*- Door de uitbreiding van de woning met een nieuwe zithoek werd aan de rechterzijde een nieuwe dragende buitenmuur gebouwd (4,70m+5,30m+4,70m . 14,70 m)*

** *Er werd ter hoogte van het bureau een nieuwe raamopening gemaakt (bestaande raamopening bureau werd vergroot van 1,6 m naar 2,45m)*

•*behouden gedeelte; 2,00 m*

*» ter hoogte van de eethoek rechts achteraan: 0,85 m*

*w ter hoogte van het bureau rechts vooraan: 1,15 m*

— Aan de *VOORZIJDE*

*O Nieuw gedeelte: 1, 75 m*

** *Nieuwe deuropening; 1 m*

** *Nieuwe raamopening: 0,75 m (raam berging aan voorzijde werd verplaatst naar rechts)*

•*gehouden gedeelte: 8,40 m*

*2,55 m ter hoogte bureau + 4, 10 m ter hoogte inkom berging + 1,75 m ter hoogte berging*

*- Aan de* *LINKERZIJDE*

*O Nieuw gedeelte: 2, 40 m*

*Nieuwe deuropening berging 1, 00 m*

*Achteraan de linkerzijde werd een bestaande muur vervangen door een*

*nieuwe raamopening (1,40 m)*

*O* *De linker voorzijde blijft grotendeels behouden totale lengte 8,35m*

*3,80 + 0,45 + 1,15 + 2,95*

*— Aan de* *ACHTERZIJDE*

*O Nieuw gedeelte 7,85 m*

*- De bestaande draagmuur werd grotendeels vervangen door een grote raampartij met een totale lengte van 7,85 m*

•*Behouden gedeelte: 1,15m*

*- Enkel aan de achterzijde rechts wordt een deel van de bestaande*

*draagmuur behouden; 1,15m*

*2.1.4 Vaststellingen met betrekking tot de buitenmuren van de eerste verdieping:* *— Aan de* *RECHTERZIJDE*

*Nieuw gedeelte: /*

*Behouden gedeelte: 9,60m*

*over de volledige rechterzijde werd de dragende buitenmuur behouden ; 9,60* m

*— Aan de* *VOORZIJDE*

*Nieuw gedeelte: 10,15 m*

*over de volledige voorzijde werd een nieuwe draagmuur*

*gebouwd: 10,15 m*

*Behouden gedeelte: /*

*- Aan de* *LINKERZIJDE*

*Nieuw gedeelte 3,00 m*

*Er wordt aan de linkerzijde vooraan een nieuwe draagmuur (1, 40 m )*

*alsook nieuwe raamopening gemaakt (1,60 m)*

*Behouden gedeelte: 7, 75 m*

*De rest van de linkerzijde blijft behouden 2,25 m +1, 15 m + 4.35 rn*

*— Aan de* *ACHTERZIJDE*

*Nieuw gedeelte: 9,00 m*

** *De volledige achterzijde wordt voorzien van nieuwe draagmuur (9,00 rn) Behouden gedeelte: /*

#### *DRAGENDE STRUCTUREN (BUITENMUREN) IN CIJFERS:*

|  | Behouden | Nieuw |
| --- | --- | --- |
| Gelijkvloers; | 19,90 m | 29,15 m |
| 1 e verdieping | 17,35 m | 22,15 m |
| Totaal | 37,25 rn | 51,30 m |

*Totale lengte dragende buitenmuren behouden gedeelte: 37,25 m.*

*Totale lengte dragende buitenmuren nieuw gedeelte: 51,30 m.*

*Totale lengte dragende buitenmuren van het volledige gebouw; 88,55 IT1.*

*Oud/behouden gedeelte bedraagt 42,07% van het eindresultaat na de bouwwerken, het nieuw gedeelte bedraagt 57,93%.*

*2.2* *Vaststellingen met betrekking tot de oppervlakte,*

*Criterium 2: de oppervlakte van het oude gedeelte dient betekenisvol hoger zijn ten aanzien van de oppervlakte van het nieuwe gedeelte,*

|  | Behouden | Nieuw |
| --- | --- | --- |
| Gelijkvloers; | 53,29 m2 | 64,06 m2 |
| 1e verdieping: | 0,00 m' | 92,44 re |
| Totaal | 53,29 m° | 156,50 ma |

*Op gelijkvloers wordt de uitbreiding aan de achterzijde (door plaatsing nieuwe draagstructuren buitenkant) en aan de rechterzijde (uitbreiding woning) beschouwd als nieuwe oppervlakte.*

*Op de eerste verdieping wordt de volledige oppervlakte als nieuwe oppervlakte beschouwd. De ruimte onder het dak van de bestaande woning werd omgevormd tot een volwaardige verdieping. Dit is te zien op zowel de voorgelegde plannen als op de foto's die de bouwheer heeft aangebracht in zijn niet akkoord tegen de correctieopgave (zie bijlage 8 dia 20/24 en 22/24)*

*Oud gedeelte bedraagt 25,40 % van het eindresultaat na de bouwwerken. Het nieuw gedeelte bedraagt 74,60%..*

### 2.3. M.b.t. de toepassing van het verlaagd tarief van 6%

De toepassing van het verlaagd BTW-tarief van 6% voor omvormingswerken aan een bestaand gebouw onderworpen aan één of meerdere van de drie volgende administratieve

criteria:

-criterium van het wezenlijk behoud van de wezenlijke elementen van de structuur

van het gebouw;

-oppervlaktecriterium;

-criterium van de niet-autonome wooneenheid

Het tarief van 6% is niet van toepassing zodra aan één van deze voorwaarden niet is voldaan.

De administratie heeft zich in het proces-verbaal van 26.05.2021 gebaseerd op het criterium van het behoud van de wezenlijke structuur.

Overeenkomstig aanschrijving nr. 6 d.d. 22 augustus 1986, punt 30, het antwoord op de parlementaire [vraag nr. 1117 van 09.10.2002](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1117-verlaagd-btw-tarief-onderscheid-verbouwing-95ee) gesteld door de heer Leterme en het antwoord op de parlementaire [vraag nr. 1350 van 29.06.2006](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1350-verlaagd-tarief-verbouwings-renovatie-rehabilitatiewerkzaamheden-26b9) gesteld door de heer Viseur over de omvorming van een privéwoning aan het verlaagd BTW-tarief van 6%, is vereist dat de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren (inzonderheid de buitenmuren) en, meer algemeen, op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

De administratie is van oordeel dat op basis van de hierboven opgenoemde elementen niet gezegd dat het gebouw na de werken op een relevante wijze steunt op oude dragende buitenmuren noch op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw. De wijzigingen zijn zodanig omvangrijk dat niet meer kan gesproken worden van een verbouwing in de gebruikelijke betekenis van het woord.

De bewering van de administratie dat op het "eerste zicht" te zien is dat het uitzicht van de woning helemaal veranderd is, bewijst geenszins dat de wezenlijke structuur van de woning niet zou behouden zijn.

De administratie heeft zich gesteund op basis van de materiële vaststellingen die zij gedaan heeft en op basis van de overlegde stukken en meer bepaald de architectuurplannen van de woning. Het proces-verbaal is op een objectieve en correcte wijze opgesteld.

Een proces-verbaal beperkt zich tot de door de controleagent gedane vaststellingen en de wetgeving en administratieve standpunten waarop de administratie zich beroept.

De rechtbank dient na te gaan wat de feitelijke situatie is.

Irrelevant is hierbij hoe de werken door de diensten van stedebouw, het gemeentebestuur bij de aflevering van de bouwvergunning of in opdracht van de architect worden omschreven. De termen die voorkomen op de bouwvergunning of op de architectenplannen zijn ter zake niet dienend.

— Gelijkvloers:

De rechtbank stelt vast dat wat betreft de vaststellingen m.b.t. de buitenmuren van het gelijkvloers de verbreding van de bestaande raamopeningen en de nieuwe raamopeningen en deuren werden beschouwd als nieuwe structuren. Terwijl uit de vaststellingen blijkt dat de ramen in de oude draagstructuren werden verwerkt. Deze raampartijen kunnen dan ook niet beschouwd worden als nieuwe dragende elementen daar zij gesteund zijn op de oude draagstructuren.

Uit het proces-verbaal blijkt immers niet dat de nieuwe raampartijen en deuren niet meer steunen op de oude dragende structuren maar dat ze zouden steunen op nieuwe dragende elementen. Deze vaststellingen werden niet opgenomen in het proces-verbaal.

De vaststellingen waarop de administratie haar berekeningen heeft gemaakt houdt hier ten onrechte geen rekening mee.

Bestaande binnenmuren op het gelijkvloers werden afgebroken en er werden nieuwe balken voorzien. Ook deze zijn aan te merken als nieuwe dragende structuren (zie stuk 9, bundel administratie, stabiliteitsstudie).

Er is nieuwe fundering gelegd onder de uitbreiding van de woning. Oorspronkelijk steunde de woning voornamelijk op de volle grond. De bestaande funderingen werden bovendien versterkt om de woning na de werken te kunnen ondersteunen. Zo werden er o.a. nieuwe vloerplaten/funderingsplaten voorzien onder de woning.

\- Eerste verdieping:

Verder stelt de rechtbank vast dat het zadeldak van de bestaande woning werd afgebroken en dat de woning via de betrokken bouwwerken een eerste verdieping gekregen met muren en een plat dak.

Uit de vaststellingen m.b.t. de buitenmuren van de eerste verdieping blijkt uit het proces-verbaal van 26.05.2021:

\- Over de volledige rechterzijde werd de dragende buitenmuur behouden (9,60m); - Over de volledige voorzijde werd een nieuwe draagmuur gebouwd (10,15m);

\- Er wordt aan de linkerzijde vooraan een nieuwe draagmuur alsook een nieuwe raamopening gemaakt. (3,00 m) De rest van de linkerzijde blijft behouden (7,75m).

\- De volledige achterzijde wordt voorzien van nieuwe draagmuur (9,00 m).

De muren aan de voor-en achterzijde op de eerste verdieping niet zijn "opgemetst". (zie stuk 2- snede AB van het administratief dossier), maar dat het dak is afgehaald en de volledige voor en achterzijde van de woning zijn voorzien van nieuwe draagmuur. Dit wordt ook zo bevestigd in de documenten die zijn overgemaakt in kader van de bezwaarprocedure (zie stuk 9 van het administratief dossier). De spitsen (linker en rechterzijde) zijn wél opgemetst, deze lengten zijn dan ook als behouden beschouwd in de berekening van de administratie

De rechtbank is van oordeel dat de belastingadministratie er terecht van uit is gegaan dat de buitenmuren voorzijde en achterzijde van deze eerste verdieping volledig als nieuwe muren moeten worden beschouwd, die de eerste verdieping mee dragen.

In het proces-verbaal van 26.05.2021 werden de welfsels en funderingen buiten de berekening van de behouden dragende structuren gehouden, dit om een dubbeltelling met de dragende buitenmuren te vermijden.

Uit dit geheel van elementen blijkt dat er diverse wezenlijke elementen van de structuur van het bestaande gebouw zijn die substantieel moesten worden vernieuwd of verstevigd om de uitgevoerde werken te ondersteunen.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat de hoger aangehaalde elementen doorslaggevend zijn om er toe te leiden dat er geen sprake meer is van een "verbouwing" in bovenvermelde zin.

In die omstandigheden toont eiser niet aan dat de uitgevoerde werken nog op relevante wijze steunen op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw.

De rechtbank stelt vast dat aangezien niet voldaan is aan het eerste criterium, de overige criteria o.a. het oppervlaktecriterium niet verder onderzocht dient te worden.

### 2.4. Besluit:

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er aldus geen sprake van de omvorming van een woning of een andere handeling in de zin van tabel A, rubriek XXXI, §1,10 van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven.

Het verlaagd tarief van 6% kan niet worden toegepast en het normale BTW-tarief is door eisers verschuldigd over de gefactureerde werken.

De vordering van eisers is derhalve ongegrond.

### 2.5. M.b.t. de administratieve boete:

De in [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) opgelegde administratieve boeten worden van rechtswege opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig is. De administratie kan enkel beoordelen of een overtreding werd begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken. Indien dit het geval is, wordt de dubbele geldboete opgelegd. Indien dit niet het geval is, wordt de verminderde, proportionele geldboete opgelegd.

In onderhavig geval werd de verminderde, proportionele geldboete van 10% opgelegd overeenkomstig de bepalingen van het WBTW en (de bijlagen bij) het KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag der proportionele fiscale geldboete op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Er werd door eiser een verzoekschrift tot kwijtschelding ingediend overeenkomstig het Regentsbesluit van 18 maart 1831. De vermindering of kwijtschelding van boeten op basis van een dergelijk verzoek is een gratiemaatregel.

Het verzoek van eiser werd deels ingewilligd. De boete werd met inachtname van de omstandigheden eigen aan het dossier reeds gehalveerd bij beslissing van 14.09.2022.

Eiser haalt aan dat zij op basis van publiek beschikbare informatie omtrent de materie en uitgaande van het inzicht van hun architect hebben gerenoveerd. Eiser is van oordeel dat de wetgeving dienaangaande niet duidelijk is. Principieel is hij van oordeel dat hij geen boete dient te betalen.

De rechtbank mag niet om opportuniteitsredenen een boete kwijtschelden.

Gelet op de omstandigheden eigen aan deze zaak is de opgelegde boete onevenredig en dient zij kwijtgescholden te worden.

De vordering is op dit punt gegrond.

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de

erelonen en de kosten van een advocaat (B.S., 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008 (zie art 13 en 14).

Partijen ter zake standpunt ingenomen.

Deze vordering is in geld waardeerbaar en de rechtbank bemerkt geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.

De voorschriften van de artikelen 2-30 tot 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werden nageleefd.

### Beschikkend gedeelte

## OM DEZE REDENEN:

De rechtbank, rechtdoende op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk en in de volgende mate gegrond.

Stelt dat de geldboete opgelegd in het proces-verbaal van 26.05.2021 niet verschuldigd is.

Veroordeelt verweerder tot 1/2 van tot de kosten van het geding en begroot deze in hoofde van eiser op 0,00 euro rechtsplegingsvergoeding bij gebreke aan vertegenwoordiging door een raadsman en 24,00 euro bijdrage juridische rechtsbijstand.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de 11A kamer, op het gerechtshof te Hasselt, op **9 juli 2024** alwaar zetelden:

Mevrouw M. C., alleenzetelend rechter,

Mevrouw G. B., griffier.

## Aangehaalde teksten

4

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 5 voorkomens

[WBTW art. 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) 2 voorkomens

[WBTW art. 38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verlaagd tarief, Geluidswerende panelen, Principekwestie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verlaagd-rechtbank-antwerpen-2022-03-16-3c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aard van de verrichte werken in onroerende staat, Nieuwbouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aard-verrichte-werken-in-onroerende-rechtbank-bergen-2024-01-09-1785) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Boete onvolledig antwoord op VOI, geen spontane rechtzetting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-onvolledig-antwoord-voi-geen-hof-van-beroep-gent-2024-11-19-abac) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Tarief, Verlaagde btw-tarief van 6%](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-tarief-rechtbank-2024-04-24-ec44) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht proces-verbaal, Verjaring, Rechten van de verdediging, Redelijke termijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-verjaring-rechten-hof-van-beroep-gent-2014-01-21-2c28) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-leveringen-diensten-waarvan-cassatie-brussel-2010-01-14-7bf9) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werken in onroerende staat, Verlaagd btw-tarief, Nieuw gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-all-cassation-2022-10-21-3ca2) 2 gemeenschappelijke bepalingen
