Werk in onroerende staat, omvorming van een nieuwbouw · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 15 juni 2010

Zoeken

Werk in onroerende staat, omvorming van een nieuwbouwBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-omvorming-hof-van-beroep-gent-2010-06-15-c46e

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
15 juni 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

56 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 15.06.2010

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van Beroep te Gent, 5e kamer - terechtzitting van 15-06-2010

Nr. 2009/AR/1222

in de zaak van :

G. S., gepensioneerde, wonende te …, …,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. K., advocaat te …, …

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het 2e Controlekantoor te Ieper, wiens kantoren gevestigd zijn te 8900 IEPER, Arsenaalstraat 4A,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. D. P.J., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 5 mei 2009 werd door de appellant tijdig en regelmatig hoger beroep ingesteld tegen het vonnis uitgesproken door de vierde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge op 2 maart 2009 waarbij de fiscale vordering van de appellant werd afgewezen.

Het hoger beroep strekt er toe het bestreden vonnis te doen vernietigen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van de appellant ontvankelijk en gegrond te doen verklaren en de geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling aan de appellant van de som van … EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 24 januari 2005 en de kosten van de beide aanleggen.

Op zijn beurt vordert de geïntimeerde het hoger beroep van de appellant ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis van 2 maart 2009 te bevestigen en de appellant te doen veroordelen tot de kosten en de rechtsplegingvergoedingen.

De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.

Feitelijke gegevens

De appellant is een niet belastingplichtige particulier en liet aan zijn woning gelegen te …, … onroerende werken uitvoeren in de periode 2002 tot 2004.

Met het oog op de vaststelling van het juiste tarief vond op 9 december 2004 een BTW-controle plaats. Op basis van de beschikbare plans van de woning werd beslist dat het verlaagd tarief van 6 % niet van toepassing is gezien het nieuwe gedeelte groter was dan 50 % van de totale oppervlakte van de woning na uitvoering van de werken.

Een rondgang in de woning bracht volgende gegevens aan het licht :

- de oude aangebouwde garage werd volledig afgebroken en vervangen door een grote nieuwbouwgarage van 54,9 m2;

- de kleine oude berging van 17,58 m2 is aangebouwd aan het midden van de nieuwe keuken;

- op het plan staan twee garagepoorten en één midden venster, in werkelijkheid 1 garagepoort met 1 middelgroot vensterraam;

- boven de nieuw aangebouwde keuken, badkamer en berging bevindt zich een zolderberging toegankelijk via een uitschuifbare trap met doorgang naar de zolder van de grote nieuwe garage.

Daar de bedoeling van de appellant erin bestond over de nuttige ruimten boven de nieuwe keuken/badkamer en garage/berging te kunnen beschikken, beantwoorden deze nog uit te voeren werken niet langer aan het verlaagd tarief. Dit gaf aanleiding tot een regularisatieopgave met een bedrag in EUR te betalen van … en een geldboete van … EUR. De hoofdsom werd op 18 augustus 2004 onder voorbehoud van alle rechten betaald. Op 24 januari 2005 werd dit bedrag teruggevorderd, doch deze vordering werd afgewezen bij het bestreden vonnis. Door de appellant werd hoger beroep ingesteld.

Beoordeling

Alwaar werken in onroerende staat overeenkomstig art. 1, 3° van het KB nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de BTW en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven, zoals dat besluit toen van toepassing was, onderworpen waren aan het BTW-tarief van 21 % kunnen onder bepaalde voorwaarden dergelijke werken genieten van het verlaagd tarief van 6 %.

Volgens rubriek XXXI van tabel A van voormeld KB gaat het om werken die de "omvorming, renovatie, de rehabilitatie, de verbetering, de herstelling of het onderhoud van een bestaande privé-woning, ouder dan 20 jaar, tot voorwerp hebben".

De betwisting ,betreft het antwoord op de vraag of de door de appellant uitgevoerde werken aan zijn woning moeten worden beschouwd als een ”omvorming, verbouwing” dan wel als een nieuwbouw.

De wetgever heeft voormelde handelingen niet nader gedefinieerd. Wel werd in een aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 het verlaagd tarief van 6 % in de onroerende sector toegelicht.

Onder "omvorming" wordt aldaar verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van de bestaande vertrekken of "wanneer de renovatiewerken op een relevante wijze steunen op oude dragende muren en inzonderheid op de wezenlijke elementen van de structuur van het te renoveren gebouw".

Als nieuwbouw wordt aangemerkt het herbouwen van een gebouw na afbraak, zelfs in het geval van behoud der funderingen en kaders van het oude gebouw of van bijkomende elementen van zijn structuur.

Alhoewel de circulaires geen bindend karakter hebben moet vastgesteld worden dat de administratieve invulling van de begrippen "omvorming, verbouwing" in de circulaire nr. 6 van 22 augustus 1986 veel breder is dan de wettekst zelf zodat aan de begrippen "omvorming", "verbouwing" de gebruikelijke betekenis moet worden gegeven, gezien niet blijkt dat de wetgever van deze gebruikelijke betekenis heeft willen afwijken.

De door het KB gehanteerde begrippen "omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling, met uitsluiting van de reiniging" onderstellen een ingrijpen dat niet zover gaat dat met de werken in wezen tot nieuwbouw wordt overgegaan.

De administratie stelt dat de werken een nieuwbouw uitmaken omdat volgens haar berekening het vloeroppervlak van het nieuw gedeelte het behouden vloeroppervlak overtreft. Volgens deze berekening bedraagt de totale vloeroppervlakte van de woning na de werken 319,13 m2 en bedraagt de oppervlakte van de behouden gedeelten 148,23 m2, zodat volgens de administratie de vloeroppervlakte uitgebreid werd met 170,90 m2, dus 22,57 m2 teveel. Over de hoegrootheid van de cijfers is er geen betwisting.

In de aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986, punt 30 werd gesteld dat de uitbreiding van een bestaand gebouw maar als een omvorming kan aangemerkt worden voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte, waarbij verder verduidelijkt wordt dat dit .het geval is als de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering der werken.

De discussie is van in het begin toegespitst op de ruimte boven de keuken en de nieuwe garage. Eén van deze ruimten is groter dan 22,57 m2, zodat het volstaat dat één der ruimtes niet meegerekend wordt om een uitbreiding te bekomen die kleiner is dan het bestaande oud gedeelte, om te kunnen genieten van het verlaagd tarief.

In tegenstelling tot wat de eerste rechter heeft gesteld, is deze ruimte boven de keuken volgens de appellant geen volwaardige bovenruimte omdat deze ruimte zit onder een schuin aflopend dak en op de hoogste plaats slechts 120 cm hoog is, zodat men daar niet kan staan. Ook de samenstelling van de platen die op de grond liggen is niet van aard het draagvermogen te verhogen, aldus de appellant.

Bovenvermelde gegevens worden weerlegd door het feit zelf van de aanwezigheid van een uitschuifbare trap die toegang verschaft tot de zolderruimte. Het feit dat daar ook (al is het tijdelijk) goederen worden gestapeld bewijst alleen maar dat deze ruimte beschikbaar is en effectief gebruikt wordt.

Volgens de appellant wordt ook de ruimte meegerekend boven de nieuwe garage. Ook hier kan de zienswijze van de appellant niet worden bijgetreden. Uit foto zijnde het detail van de roostering boven de nieuwe garage, blijkt op afdoende wijze dat deze ruimte beschikbaar is. In weerwil van wat de appellant heeft aangevoerd is deze ruimte ter beschikking. Daarbij komt nog, zonder dat dit wordt tegengesproken, dat de uitvoering van de bouw niet overeenstemt met de bouwplannen. Zo werden op de zolderverdieping twee vensters voorzien die niet op het plan waren aangebracht.

Uit wat voorafgaat volgt dat het oude gedeelte, dat op het gelijkvloers enkel nog de vroegere leefruimte omvat en een kleine berging niet betekenisvol is tegenover het functioneel belangrijke aandeel van het nieuwbouwgedeelte met twee bouwlagen dat de ruime leefkeuken, de badkamer, het toilet en een nieuwe dubbele garage met berging bevat en nog nuttige ruimten op de verdieping.

Terecht besliste de eerste rechter dat het verlaagd tarief van 6 % niet van toepassing is.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, maar wijst het af als ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen.

Veroordeelt de appellant tot betaling van de gerechtskosten in hoger beroep en begroot deze op … EUR rechtsplegingsvergoeding aan de zijde van iedere partij.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op VIJFTIEN JUNI TWEEDUIZEND EN TIEN.

Aanwezig de Heren :

A. D. M., Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 20 art. 11 voorkomen