---
title: "Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Proces-verbaal · Hof van beroep te Luik, 13 oktober 2017"
description: "Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Proces-verbaal, Bewijskracht, Feitelijke vermoedens. Hof van beroep te Luik (België), 13 oktober 2017."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-proces-verbaal-bewijskracht-hof-van-beroep-luik-2017-10-13-1d2a"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Proces-verbaal, Bewijskracht, Feitelijke vermoedens

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Luik

**Datum**

13 oktober 2017

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

116 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

WF: 704-15-12/051184

\[Gunstig voor de Belgische Staat met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep - Ongunstig voor de Belgische Staat met betrekking tot de grond van de zaak\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Wedersamenstelling van het omzetcijfer – Proces-verbaal – Bewijskracht – Feitelijke vermoedens - Gerechtelijk recht – Verzoekschrift tot hoger beroep – Ontvankelijkheid – Rechtspersoon – Orgaantheorie – Ambtenaar van de fiscale administratie – Bevoegdheid om de Belgische Staat te vertegenwoordigen - Inkomstenbelastingen – Heffingen op basis van de wedersamenstelling van het omzetcijfer*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen 17 en 703 Gerechtelijke wetboek

[Artikel 90 van BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-90)

Artikel 379 WIB92

[Artikel 59 van BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)

## Samenvatting

1\. Het verzoekschrift tot hoger beroep is ingediend in naam van de Belgische Staat “Federale Overheidsdienst Financiën, Belasting over de toegevoegde waarde“ en “inkomstenbelastingen, vervolgingen en vorderingen van de Heer Gewestelijk directeur van het controlecentrum Luik 1”. Het is ondertekend door een ambtenaar met de graad van eerstaanwezend inspecteur.

Artikel 703, eerste lid van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat rechtspersonen in rechte optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen.

Het hof van beroep benadrukt dat de Belgische Staat rechtmatig vertegenwoordigd is door een ambtenaar van de belastingadministratie in de loop van elke fase van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet en bijgevolg is de draagwijdte van artikel 379 WIB 92 (equivalent van het [artikel 90 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-90)) niet beperkt tot de eenvoudige verschijning ter zitting maar omvat het ook de bevoegdheid om de Staat te vertegenwoordigen en het ondertekenen van de verschillende documenten van een gerechtelijke procedure inzake een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet.

Het hof van beroep beslist dat een verzoekschrift tot hoger beroep mag ondertekend en neergelegd worden door iedere ambtenaar van een fiscale administratie en niet enkel door de minister van Financiën, de gewestelijk directeur of door zijn afgevaardigde.

2\. De grond van het geschil gaat over de wedersamenstelling van het omzetcijfer van betrokkene ingevolge een controle bij een van zijn leveranciers.

Het bewijs op grond van vermoedens vereist dat het gebaseerd is op één of meerdere vastgestelde feiten.

Opdat het proces-verbaal inzake de Btw zou kunnen beschikken over een bijzondere bewijslast, mag deze bewijslast enkel gebaseerd zijn op persoonlijk en daadwerkelijk door de verbaliserende ambtenaar uitgevoerde vaststellingen. Deze bewijslast heeft geen betrekking op veronderstellingen en gevolgtrekkingen.

Door het gebrek aan toereikende gegevens in het proces-verbaal kan niet worden bewezen dat de verbaliserende ambtenaar persoonlijk de inhoud van de facturen en borderellen, waarnaar hij verwijst in de bijgevoegde tabellen en die afkomstig zijn van een derde leverancier, heeft vastgesteld en onderzocht en dat het wel degelijk gaat om vaststellingen en niet om veronderstellingen.

Uit al deze elementen volgt dat de in het proces-verbaal opgenomen tabellen niet beschikken over de in [artikel 59 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) bedoelde bijzondere bewijswaarde.

## Opmerkingen

## Inzake de ontvankelijkheid van het door de Belgische Staat ingediende hoger beroep

1\. Het hof van beroep van Luik distantieert zich van het arrest van het hof van beroep van Bergen van 18 november 2015, 2014/RG/672 (Fisc. Nr. 1455, p.13), dat door de geïntimeerde geciteerd wordt ter staving van haar middel. Er werd door het hof van beroep te Bergen nog een identiek arrest geveld (Mons, 18 november 2015, 2014/RG/ 670, fiscalnet.be).

In deze twee arresten, die in kracht van gewijsde gegaan zijn, is het Hof van beroep van Mons van mening dat een attaché-inspecteur niet beschikt over de hoedanigheid van bevoegd orgaan van de Belgische Staat om hoger beroep in te stellen. Het hof stelt evenwel vast dat de beslissing om een verzoekschrift tot hoger beroep in te dienen gebeurd is door een ambtenaar van de dienst geschillen van de Centrale administratie van de belastingadministratie zonder verdere precisering tijdens de zitting, van zijn graad en hoedanigheid.

Redelijkerwijs kan niet worden aangevoerd dat de minister of zijn afgevaardigde persoonlijk individuele beslissingen neemt en procedurehandelingen stelt in het kader van fiscale gerechtelijke procedures. Bovendien is er, in deze hypothese, geen enkele wettekst die een dergelijke uitdrukkelijke delegatie oplegt.

2\. De algemene draagwijdte van het principe van de administratieve decentralisatie wordt herhaald in verschillende arresten van de Raad van State, inzonderheid de arresten nr. 106.816 van 22 mei 2002 en nr. 163.336 van 10 oktober 2006 (www.raadvst-consetat.be) .

De toepassing van dit principe wordt uitgevoerd door middel van regels, waaronder ook aanschrijvingen en instructies, die het functioneren van het departement organiseren. Hieruit blijkt dat ambtenaren die deel uitmaken van de hiërarchische administratie van financiën, op haar beurt geplaatst onder de hiërarchische leiding van de minister van Financiën, op regelmatige wijze en in naam van de bevoegde autoriteit beslissingen nemen en handelingen stellen betreffende fiscale gerechtelijke procedures.

Deze stelling wordt door de administratie verdedigd in verschillende zaken. We merken op dat in één van deze zaken (geschil inzake btw), het hof van beroep te Brussel in haar arrest van 22 juni 2017 (2014/AF/349, onuitgegeven) vaststelt dat de tegenpartij afziet van de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep (de tegenpartij voerde aan dat de beslissing om beroep in te stellen niet was genomen door het wettelijk bevoegd orgaan).

Het hof van beroep te Luik baseert zich op het arrest van het Hof van Cassatie van 22 november 2007 onder rolnummer F.06.0028.N (A.C., nr. 575, p. 2249) om het beroep ontvankelijk te verklaren.

## Ten gronde

3\. De wedersamenstelling van het omzetcijfer is gebaseerd op tabellen waarin de borderellen en facturen zijn opgenomen. Deze zijn, volgens het hof, niet gemaakt in het kader van de debatten. Derhalve acht het hof zich niet voldoende ingelicht over de omstandigheden waarin de borderellen en facturen werden bekomen en onderzocht. Het gaat dus om veronderstellingen door de controlerende ambtenaar (overzichten, analyses en reconstructies gemaakt door de administratie), dan wel over persoonlijke vaststellingen inzake het bestaan en het onderzoek van de inhoud van deze stukken door deze laatste.

4\. Een tweede arrest van het hof van beroep te Luik op dezelfde datum in een gelijkaardige zaak, rolnummer 201/RG/982, ligt in dezelfde lijn.

## Ontbreken van een hogere voorziening

5\. De Belgische Staat heeft berust in het arrest.

Tekst van het arrest

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Arrêt de la Cour d'appel de Liège du 13.10.2017**

**2014/RG/980**

EN CAUSE DE:

1\. **ETAT BELGE, SPF FINANCES, TVA**, Mr le Directeur du Centre PME Liège, dont les bureaux sont sis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2 Bte 75,

2\. **ETAT BELGE, SPF FINANCES, Impôts sur les revenus**, Administration générale de la fiscalité, dont les bureaux sont sis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2 Bte 73, parties appelantes,

représentées par M. H. P., attaché au SPF FINANCES,

CONTRE:

1\. **G. N.,** domicilié à …, …, inscrit à la Banque Carrefour des Entreprises sous le numéro …, partie intimée, représentée par Maître B. G., Me D. R. et Maître D. J.-P., avocats à …, …

Vu les feuilles d'audiences des 3 septembre 2014, 9 décembre 2016, 7 juin 2017, 8 septembre 2017 et de ce jour

APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ

Vu le dossier de la procédure en forme régulière et notamment:

\- en copie conforme le jugement rendu le 3 avril 2014 par le Tribunal de première instance de Liège;

\- la requête d'appel déposée au greffe le 18 juin 2014 par l'ETAT BELGE;

\- les conclusions et les dossiers des deux parties;

La présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci-après:

## Les faits et l'objet du litige

Sur ces points, la Cour se réfère à l'exposé du premier juge tel qu'il figure au jugement déféré sous l'intitulé« objet du litige et antécédents de procédure ».

Il suffit de rappeler que l'intimé exploite un débit de boisson à Liège sous l'enseigne« Nulle part ailleurs» et que le litige porte sur les cotisations à l'impôt des personnes physiques enrôlées à sa charge pour l'exercice d'imposition 2008 sous les articles n° … et … (pièces 11/114 à 118 et 11/146 à 150 du dossier administratif, ci-après : d.a.), 2009 sous les articles n° … et … (pièces 11/119 à 123 et 11/155 à 159 d.a.) et 2010 sous les articles n° … et … (pièces II/164 à 168 et 11/169 à 173 d.a.) ainsi que sur une contrainte TVA n° … décernée à sa charge le 6 juillet 2012, visée et rendue exécutoire le 11 juillet 2012 (pièce n° 3 du dossier de l'intimé).

Des réclamations ont été introduites à l'encontre des cotisations à l'impôt des personnes physiques (pièces III d.a.) qui ont été rejetées par décision directoriale du 6 décembre 2012 (pièce V d.a.).

Par requête déposée au greffe du Tribunal de première instance de Liège le 10 janvier 2013, Monsieur N. G. a intenté un recours contre lesdites cotisations (pièce n° 1 du dossier d'instance n° 13/201/A).

La contrainte TVA n° … a quant à elle donné lieu à opposition auprès du Tribunal de première instance de Liège par requête du 26 septembre 2012 (pièce n° 1 du dossier d'instance n° 12/5121/A).

Par jugement du 3 avril 2014, le Tribunal a joint les causes, a annulé la contrainte n° …, a ordonné le dégrèvement de la cotisation reprise sous l'article de rôle n° … et l'annulation des cotisations reprises sous les articles n° …, …, … et … et a condamné l'ETAT BELGE aux dépens liquidés à … €.

Par requête reçue au greffe le 18 juin 2014, l'ETAT BELGE a interjeté appel de cette décision.

L'ETAT BELGE demande à la Cour de réformer le jugement entrepris en toutes ses dispositions et en conséquence de confirmer les impositions et la contrainte, « sauf à décréter éventuellement une réduction du taux des amendes dans la mesure qui semblera bonne à la Cour » et de délaisser ses frais et dépens à l'intimé.

Monsieur N. G. conclut, à titre principal, à l'irrecevabilité de l'appel, subsidiairement au caractère non fondé de celui-ci. Il demande à la Cour de condamner la partie adverse à la restitution des sommes indûment perçues augmentées des intérêts moratoires ainsi qu'aux dépens liquidés à la somme de … €.

La requête d'appel est rédigée au nom de « 1) L'ETAT BELGE, service public fédéral FINANCES, taxe sur la valeur ajoutée 2) L'ETAT BELGE, service public fédéral FINANCES, impôts sur les revenus, poursuites et diligences de Monsieur le directeur régional du Centre de contrôle de Liège I, dont les bureaux sont installés rue Paradis, 1, à 4000 Liège, Agissant par M. P. D., fonctionnaire y habilité». Elle est signée, pour l'appelant, par Monsieur P. D..

L'intimé soulève un moyen tiré de la violation des articles 17 et 703 du Code judiciaire dont il déduit, en substance, que l'organe compétent de l'ETAT BELGE concernant le département des Finances est le Ministre des Finances, même s'il indique qu'une partie de la jurisprudence reconnaît cette qualité au directeur régional des contributions (page 16 de ses secondes conclusions additionnelles et de synthèse). La requête d'appel ayant été introduite et signée par un fonctionnaire ayant le grade d'attaché-inspecteur, il considère qu'il s'agit d'une violation de l'article 703 du Code judiciaire, laquelle est sanctionnée par l'irrecevabilité du recours pour défaut de qualité en application de l'article 17 du Code judiciaire.

L'article 703 alinéa 1er du Code judiciaire dispose que les personnes morales agissent en justice à l'intervention de leurs organes compétents.

En matière fiscale, l'article 379 du CIR92, tel que rétabli par l'article 3 de la loi du 10 décembre 2001 (M.B. 22/12/2001), prévoit que dans les contestations relatives à l'application d'une loi d'impôt, la comparution en personne au nom de l'Etat peut être assurée par tout fonctionnaire d'une administration fiscale.

Il ressort de cette disposition légale que l'ETAT BELGE est légitimement représenté par un fonctionnaire d'une administration fiscale au cours de chaque phase d'une contestation relative à l'application d'une loi d'impôt (cf. Cass., 22 novembre 2007, F.06.0028.N) et que, par conséquent, contrairement à ce que soutient l'intimé, sa portée n'est pas limitée à la simple comparution à l'audience mais emporte le pouvoir d'engager l'Etat et de signer les différents actes émaillant l'ensemble d'une procédure judiciaire relative à la contestation de l'application d'une loi d'impôt.

Par conséquent, de même qu'une requête introduisant un pourvoi en cassation de l'Etat belge (cf. Cass., 22 novembre 2007, F.06.0028.N), une requête d'appel peut être signée et déposée par tout fonctionnaire d'une administration fiscale, et non uniquement par le Ministre des finances, le directeur régional ou son délégué.

Les longues considérations théoriques et historiques développées par l'intimé (pages 11 à 36 de ses secondes conclusions additionnelles et de synthèse) n'énervent en rien ces motifs, pas plus que les nombreuses références jurisprudentielles citées qui, en tant que telles, ne s'imposent pas à la Cour.

Surabondamment, il y a lieu néanmoins de relever que, contrairement à ce que semble croire l'intimé, aucune des décisions de la Cour de cassation mentionnées par lui, postérieures à l'arrêt du 22 novembre 2007 précité, ne vient remettre en cause l'enseignement de ce dernier.

Ainsi, celles-ci concernent des causes soit étrangères aux pouvoirs des fonctionnaires de l'administration fiscale visés par l'article 379 du CIR92 (Cass., 4 septembre 2008, F.06.0133- relatif à un pourvoi introduit par le Ministre-président de la Région de Bruxelles capitale - pièce n° 15 de son dossier de documentation complémentaire), soit antérieures à l'introduction dudit article par la loi du 10 décembre 2001 et dont la violation n'était par conséquent pas visée au pourvoi (Cass., 30 avril 2009, F.07.0100.F/4 - pièce n° 16) ou se prononcent sur l'interprétation de l'article 378 du CIR92 relatif exclusivement à la procédure en cassation (Cass., 20 décembre 2012 et 30 mai 2014 - F.12.0074.F - pièces 25 et 26) ou sur la possibilité pour un fonctionnaire de recevoir une délégation du directeur régional afin de signer un pourvoi (Cass., 4 juin 2010, F.09.0073.F - pièce 24).

Il en résulte qu'en application de l'article 379 du CIR92 Monsieur P. D. a légalement signé la requête d'appel et que, partant, le recours est recevable.

## Fondement de l'appel

## *Quant à la motivation de la notification d'imposition d'office du 14 septembre 2010 (exercice 2009 - article n° …)*

Le 14 septembre 2010, une notification d'imposition d'office relative aux exercices d'imposition 2008 et 2009 a été adressée à l'intimé en raison de l'absence de réponse à une demande de renseignements du 27 juillet 2010 (pièce II/88 à 91d.a.).

L'intimé fait grief à celle-ci d'être insuffisamment motivée du fait que, pour l'exercice 2009, l'administration se serait bornée à mentionner sans explication une série de chiffres aboutissant à la « marge brute » retenue par cette dernière. L'administration soutient que ces explications, soit douze feuillets qui sont les notes du taxateur rédigées suite au contrôle sur place du 28 avril 2010 (pièces II/57 à 77 d.a.), figuraient en annexe de la notification tandis que l'intimé considère que lesdites notes donnent des explications quant aux chiffres retenus mais affirme dans le même temps qu'elles n'ont jamais été annexées à la notification d'imposition d'office.

Cette dernière affirmation est dénuée de crédibilité.

En effet, l'exemplaire de la notification d'imposition d'office figurant au dossier administratif - qui est la copie de l'exemplaire renvoyé par le contribuable et dont il n'y a par conséquent pas lieu de s'étonner que n'y figure point les annexes litigieuses - indique explicitement que douze pages d'annexes sont jointes à celui-ci (pièce II/88 d.a.).

En outre, le comptable de l'intimé ne mentionne nullement dans sa réponse du 30 septembre 2010 (pièce II/92 d.a.) que lesdites annexes n'auraient pas été envoyées ce qu'il n'aurait sans aucun doute pas manqué de faire si ces pièces essentielles avaient été manquantes.

Le moyen n'est pas fondé et il n'y a par conséquent pas lieu d'annuler la cotisation enrôlée pour l'exercice 2009 sous l'article n° …, contrairement à ce que décide le dispositif du jugement entrepris.

## *Quant à rexistence d'une double imposition (exercice d'imposition 2008 article n° …)*

L'appelant postule la réformation du jugement entrepris qui a ordonné le dégrèvement de la cotisation enrôlée pour l'exercice d'imposition 2008 sous l'article n° … en raison d'une double imposition d'une somme de … € par ladite cotisation et par celle enrôlée pour le même exercice sous l'article n° ….

L'intimé n'ayant pas justifié à hauteur de … € la libération de 100 parts de … € souscrites à la constitution de la SPRL C., l'administration a imposé cette somme en enrôlant en conséquence la cotisation reprise sous l'article n° ….

Celle-ci a été rendue exécutoire le 17 novembre 2010 comme en atteste l'avertissement-extrait figurant au dossier (pièce II/114 d.a.).

La cotisation reprise sous l'article n° … a quant à elle été enrôlée le 23 décembre 2010 (pièce II/146 d.a.) de sorte que s'il existait une double imposition, celle-ci serait le fait de cette dernière et non de la cotisation enrôlée sous l'article n° ….

En outre, l'examen du détail du calcul de la cotisation reprise sous l'article n° … (pièce II/149 d.a) révèle que l'impôt a bien été enrôlé en imputant sur celui-ci le montant de la cotisation figurant sous l'article n° …, en ce compris l'accroissement et la taxe communale sur celle-ci (soit … € + … € + … €).

Il ne saurait par conséquent être question de double imposition.

Il y a lieu dès lors de réformer le jugement entrepris sur ce point et de confirmer la cotisation enrôlée pour l'exercice d'imposition 2008 sous l'article n° ….

***Quant à la reconstitution du chiffre d'affaires de l'intimé (exercice d'imposition 2008 article n° …, 2009 article n° … et 2010 article n°713.286.937 et contrainte n° …)***

En vertu de l'article 340 du CIR92, l'administration peut avoir recours à tous les moyens de preuve admis par le droit commun, y compris les procès-verbaux des agents du Service public fédéral Finances, sauf le serment. Les procès-verbaux ont force probante jusqu'à preuve du contraire.

L'[article 59 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) prévoit quant à lui que l'administration est autorisée à prouver selon les règles et par tous les moyens de droit commun, témoins et présomptions compris, à l'exception du serment, et, en outre, par les procès-verbaux des agents du Service public fédéral Finances, toute infraction ou toute pratique abusive aux dispositions du Code ou prises pour son exécution, de même que tout fait quelconque qui établit ou qui concourt à établir l'exigibilité de la taxe ou d'une amende. Les procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire.

La preuve par présomption doit d'être fondée sur un ou plusieurs faits certains. En l'espèce, les cotisations à l'impôt des personnes physiques litigieuses ont été établies sur base d'un relevé de régularisation à la TVA daté du 27 octobre 2010 (cf. avis de rectification du 9 novembre 2010 reproduisant celui-ci - pièce II/124 à 139 d.a.) tandis que la contrainte TVA n° … est fondée sur un procès-verbal du 6 juillet 2012 (pièce n° 2 et 3 du dossier de l'intimé).

Le procès-verbal explique procéder au calcul de la majoration du chiffre d'affaires sur base, d'une part, du montant des achats non comptabilisés et, d'autre part, du mode de calcul imposé par la réglementation forfaitaire n° 4 pour cafetiers.

Le procès-verbal et le relevé de régularisation reprennent des tableaux identiques indiquant par période les numéros de facture et de bordereau, la date, le fournisseur (à savoir Mottart Boissons) et les montants (base et TVA) ainsi que ceux indiquant la majoration du chiffre d’affaires par prduit consommé (achats, consommation et prix aboutissant à la majoration).

Si le procès-verbal en matière de TVA jouit d'une force probante particulière, cette dernière ne s'étend toutefois exclusivement qu'aux constatations matérielles effectuées personnellement et effectivement par l'agent verbalisateur, et qui sont relatées comme telles dans celui-ci (cf. T. AFSCHRIFT, Traité de la preuve en droit fiscal, 2e édition, Bruxelles, Larcier, 2004, p.352).

En outre, celle-ci se limite aux constatations matérielles des verbalisants et elle ne s'étend pas aux déductions et raisonnements qu'ils font (cf. Cass., 10 février 2012, [F.10.0125.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/processen-verbaal-ambtenaren-ministerie-financien-cassatie-brussel-2012-02-10-cb74); F. BALTUS, « Procédure en matière de TVA» in Manuel de procédure fiscale, 2e éd., Anthémis, 2015, p.762 et références citées).

Or, en l'espèce, faute de mentions à cet égard dans le procès-verbal, rien ne permet de conclure que son auteur, Monsieur A. F. expert-fiscal à l'administration générale de la fiscalité au centre de contrôle de Liège 1, a personnellement constaté l'existence et examiné le contenu des bordereaux auxquels il est fait référence, et dont il n'est pas contesté qu'ils ne viennent pas des livres et documents de l'intimé mais bien d'un tiers, la SPRL M. B., ni de connaître dans quelles circonstances précises ils ont été obtenus et analysés par l'administration et ainsi de déterminer s'il s'agit bien de constatation réalisées par l'agent taxateur et non de déductions.

Ainsi, la première page du procès-verbal fait uniquement état des démarches de l'agent concernant les livres et documents de N. G., cet agent s'étant présenté le 21 octobre 2010 au siège de la société Ulysse Finances, et de sa rencontre avec Monsieur P. L., expert-comptable, qui lui a remis pour les années 2007 à 2009 les factures d'entrée, le facturier d'entrée, les historiques des comptes généraux et particuliers et les feuilles trimestrielles de calcul forfaitaire du chiffre d'affaires.

Il résulte de ces circonstances que les tableaux repris au procès-verbal du 6 juillet 2012 ne sont pas dotés de la force probante spéciale prévue à l'[article 59 §1er alinéa 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) mais sont des éléments devant être corroborés.

Or, rien dans le dossier administratif ne vient corroborer l'exactitude de ceux-ci. En effet, si le dossier contient de nombreux tableaux reprenant les factures et les bordereaux qui auraient été établis au nom de N. G. et n'auraient fait l'objet d'aucune facturation ainsi que des statistiques et analyses (pièces 3 à 16 du dossier administratif complémentaire produit par l'ETAT BELGE devant le Tribunal de première instance), il ne s'agit que de relevés, analyses et recoupements effectués par l'administration, et non de documents probants établissant la réalité et la hauteur de livraisons effectuées, tels les bordereaux de livraison litigieux dont l'administration a admis à l'audience de la Cour qu'elle était matériellement dans l'impossibilité de les produire.

Ainsi, le dossier administratif ne reprenant aucun de ces bordereaux, il est impossible de vérifier l'affirmation de l'administration selon laquelle ceux-ci seraient des documents bilatéraux (page 10 de ses ultimes conclusions de synthèse) - par exemple en contrôlant s'ils ont été contresignés lors d'une réception de marchandises - et il n'y figure aucun autre document tels des feuilles de route de livreurs, des preuves de paiement, des accusés de réception ou des bons de préparation de commandes.

Par ailleurs, le fait qu'un jugement du Tribunal de première instance de Liège - qui n'est pas produit par l'appelant - aurait exposé des pratiques répréhensibles en matière de facturation dans le chef de la SPRL M. B. ne permet pas de fonder une taxation régulière dès lors qu'une décision judiciaire n'a, en règle, autorité qu'entre parties et que celle-ci ne permettrait certainement pas d'établir sur des bases sérieuses la hauteur de livraisons« en noir» au profit de l'intimé.

Il en résulte que les cotisations établies pour l'exercice d'imposition 2008 sous l'article n° …, 2009 sous l'article n° … et 2010 sous l'article n° … et la contrainte n° … ont été établies sur des fondements non démontrés, qu'elles sont par conséquent entachées d'arbitraire et que le jugement déféré doit être confirmé sur ces points.

## *Quant à la cotisation enrôlée sous l'article n° … (exercice d'imposition 2010)*

L'intimé ne formulant aucune demande à l'égard de cette cotisation sur laquelle le premier juge n'a pas statué, celle-ci sera par conséquent confirmée.

## Dépens

Chaque partie succombant sur quelque chef, il y a lieu de compenser les dépens d'instance et d'appel en délaissant à chacune d'elles la charge de ses propres dépens.

### Beschikkend gedeelte

## PAR CES MOTIFS

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire,

LA COUR, statuant contradictoirement,

RECOIT l'appel et le dit partiellement fondé.

CONFIRME le jugement entrepris en ce qu'il annule les cotisations enrôlées à charge de l'intimé reprises sous articles n° … (exercice d'imposition 2008), n° … (exercice 2009) et n° … (exercice 2010) ainsi que la contrainte n° … décernée à sa charge le 6 juillet 2012, visée et rendue exécutoire le 11 juillet 2012.

CONDAMNE l'ETAT BELGE à la restitution des sommes indûment perçues en exécution des cotisations et de la contrainte annulées par le premier juge, majorées des intérêts moratoires au taux légal.

REFORME le jugement entrepris pour le surplus.

En conséquence,

CONFIRME les cotisations enrôlées à charge de l'intimé sous les articles n° … (exercice d'imposition 2008), n° … (exercice 2009) et n° … (exercice 2010).

COMPENSE les dépens.

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIÈME chambre de la cour d'appel de Liège, où siégeaient le président f.f. P. G. et les conseillers I. D. et S. C., prononcé en audience publique du 13 octobre 2017 par le président f.f. P. G., avec l'assistance du greffier O. T..

Signatures

## Aangehaalde teksten

2

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 5 voorkomens

[WBTW art. 90](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-90) 3 voorkomens

## Administratieve doctrine

2

[Fiches van de administratieve commentaar 2](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-proces-verbaal-bewijskracht-hof-van-beroep-luik-2017-10-13-1d2a/documenten?type=commentaar)

« … heeft willen beperken tot het optreden in enge zin. Er is geoordeeld dat een verzoekschrift tot hoger beroep kan worden ondertekend en ingediend door elke ambtenaar van een belastingadministratie, zonder dat een uitdrukkelijke delegatie wordt opgelegd (zie Arrest van het Hof van Beroep te Luik nr. 2014/RG/980 van 13.10.2017 , gepubliceerd op Fisconetplus met een nota van opmerkingen. Een tweede arrest, gewezen op 13.10.2017 door het Hof van Beroep te Luik in een gelijkaardige zaak onder rolnummer 2014/RG/982, gaat in dezelfde richting, zie ook het Arrest van het Hof van Beroep … »

[Het geding (01.05.2023)](https://juriel.be/nl/btw-commentaar/geding-d0af) Administratieve commentaar 06.11.2023

[Bekijk de 2 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-proces-verbaal-bewijskracht-hof-van-beroep-luik-2017-10-13-1d2a/documenten)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op teruggaaf, niet in België gevestigde belastingplichtigen, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-in-belgie-gevestigde-hof-van-beroep-brussel-2019-12-03-1e6c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Percentage van het beroepsmatig gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-percentage-beroepsmatig-gebruik-hof-van-beroep-bergen-2023-05-31-09c2) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Forfait caféhouders, Motivering van bestuurshandelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-forfait-cafehouders-motivering-hof-van-beroep-luik-2021-10-08-0aae) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2020-12-10-0baa) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Uitgaven zonder bedrijfskarakter, Gebouw, Gedeeltelijk beroepsgebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-uitgaven-zonder-bedrijfskarakter-hof-van-beroep-luik-2020-09-04-17c5) 1 gemeenschappelijke bepalingen
