---
title: "16 mei 2025 · Wedersamenstelling van het omzetcijfer · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Ondertekende regularisatieopgave, Dwangbevel. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 16 mei 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-ondertekende-regularisatieopgave-rechtbank-brussel-2025-05-16-0e80"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Ondertekende regularisatieopgave, Dwangbevel

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

16 mei 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

148 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 16.05.2025

Finaliti 5472043001 WF 701-15-19050164

\[ Gunstig vonnis voor de Belgische Staat \]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Wedersamenstelling van het omzetcijfer – Ondertekende regularisatieopgave – Dwangbevel – Betwisting van het ondertekende akkoord – Bevoegdheden van de boekhouder – Mandaat – Wilsgebrek – Geldigheid van het akkoord – Geldigheid van het dwangbevel – Formele motivering van administratieve handelingen – Geldboete in burgerlijke zaken*

## Samenvatting van het vonnis

Verzoekster, als btw-plichtige geregistreerd voor haar activiteiten in onroerende verhuur en horeca, werd onderworpen aan een gezamenlijke controle inzake btw en vennootschapsbelasting (VenB). Deze controle heeft geleid tot een regularisatie van het omzetcijfer voor de jaren 2011 en 2012. Er werden twee akkoorden ondertekend: één voor de btw (2014) en één inzake VenB (2017).

Enkel de regularisatie inzake btw staat ter discussie in dit geschil. In 2014 werd een regularisatieopgave met alle bedragen uit het ondertekende akkoord overgemaakt.

Bij gebrek aan betaling vaardigde de administratie een dwangbevel uit, dat in 2015 uitvoerbaar werd verklaard.

In 2019 diende verzoekster verzoekschrift op tegenspraak in, waarin zij stelde dat de regularisatieopgave op geen enkel concreet element was gebaseerd, dat het niet gemotiveerd was, niet verifieerbaar was en dat het niet ondertekend was door een persoon die de vennootschap rechtsgeldig kon binden.

\- Wat betreft de vermeende schending van de wet op de formele motivering van administratieve handelingen

De rechtbank stelt vast dat het ondertekende akkoord perfect leesbaar en begrijpelijk is, en begrijpt dan ook niet hoe de verzoekster kan beweren dat de in het ondertekende akkoord inzake btw opgenomen bedragen niet te begrijpen zijn, temeer daar het grotendeels om dezelfde bedragen gaat als die in het akkoord inzake VenB, dat niet werd betwist door verzoekster.

De rechtbank stelt ook vragen bij de termijn van de betwisting van dit akkoord en het feit dat verzoekster 4 jaar gewacht heeft - tot de betekening van de beslaglegging - om het akkoord te betwisten. Volgens de rechtbank zijn het akkoord en de regularisatieopgave inzake btw volledig en voldoende gemotiveerd, zodat de belastingplichtige de aangebrachte regularisaties kon begrijpen, en dit reeds sedert 2015. Deze grief is dan ook ongegrond.

\- Wat betreft de geldigheid van het akkoord

Verzoekster stelt dat de mandataris van de vennootschap het akkoord niet mocht ondertekenen en ontwikkelt uitgebreide theoretische beschouwingen over wilsgebreken, dwaling, het verleende mandaat, enz.

Volgens de administratie blijkt uit de dossierstukken (volmacht, langdurige samenwerking, enz.) dat de boekhouder wel degelijk bevoegd was om de vennootschap te vertegenwoordigen en het akkoord te ondertekenen.

De rechtbank begrijpt niet hoe verzoekster, die op de hoogte was van het bestaan van beide akkoorden, het akkoord inzake vennootschapsbelasting (VenB) in 2017 bekrachtigt, maar pas in 2019 het akkoord inzake btw (2014) betwist. De rechtbank ziet geen enkel stuk in het dossier dat aantoont dat verzoekster niet op de hoogte was van het bestaan van deze akkoorden en van de handelingen die door de boekhouder werden gesteld. Integendeel, verzoekster was volledig geïnformeerd over de controle en de aanwezigheid van haar mandataris. Het is ook niet geloofwaardig dat de bestuurder van de vennootschap zich niet zou hebben geïnteresseerd in het resultaat van de controle, zowel op het vlak van VenB als inzake btw.

Uit feitelijke elementen leidt de rechtbank af dat de inbeslagnames op de tegoeden van verzoekster haar hebben “wakker geschud” en dat zij vervolgens uitstelmanoeuvres heeft gezocht om de tenuitvoerlegging van de maatregelen te vertragen. Er is echter geen geloofwaardig element dat de geldigheid van het mandaat van de boekhouder in twijfel trekt. Bijgevolg is deze grief ongegrond en is het mandaat geldig.

\- Wat betreft het dwangbevel

Verzoekster is van mening dat, zelfs indien het akkoord niet nietig is, het dwangbevel moet worden vernietigd omdat het op geen enkele rechtsgrond berust die zijn wettigheid kan aantonen. De Belgische Staat antwoordt dat de betwiste belasting gegrond is (het akkoord is geldig, de regularisatieopgave is duidelijk en gemotiveerd) en dat de verbintenis aangegaan door de boekhouder rechtsgeldig is.

De rechtbank stelt vast dat deze grief op geen enkel concreet element berust. Het dwangbevel moet worden gehandhaafd.

\- Wat betreft de burgerrechtelijke geldboete

Artikel 780bis van het Gerechtelijk Wetboek voorziet in de mogelijk voor de rechter om naast een eventuele schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding, aan verzoekster een burgerrechtelijke geldboete op te leggen.

Deze geldboete wordt, in tegenstelling tot schadevergoeding, wordt niet aan een partij in het geschil betaald, maar aan de Staat: ook die lijdt schade door misbruik van procedure, aangezien rechters en griffiers tijd en energie hebben moeten besteden aan een procedure die nooit had mogen worden ingediend.

In onderhavig geval is de rechtbank teleurgesteld over het gedrag van verzoekster. Zij heeft, zo benadrukt de rechtbank, enkel geprobeerd om “tijd te winnen”. Daartoe heeft zij vijf dagen voor de zitting uitstel van de zaak gevraagd, maar vooral heeft zij de geldigheid betwist van een ondertekend akkoord waarvan de gevolgen haar reeds 5 jaar bekend waren. Bijgevolg veroordeelt de rechtbank verzoekster tot betaling van een burgerrechtelijke geldboete van 250 EUR.

Opmerkingen

Op procedureel vlak heeft de rechtbank een verzoek tot uitstel van de zaak, ingediend door de raadsman van de tegenpartij, geweigerd rekening houdend met de vastgestelde termijnen en de overbelasting van de rollen. De rechtbank merkt tevens op dat een toekenning van uitstel enkel zou bijdragen aan de gerechtelijke achterstand, ten nadele van andere rechtzoekenden. Deze beslissing lijkt impliciet ingegeven door het ontbreken van overmacht.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank verzoekster tot burgerrechtelijke geldboete (artikel 780bis Ger.w.) omwille van haar uitstelgedrag en de tergende aard van haar betwisting, rekening houdend met het feit dat dat de feiten lang geleden plaastvonden.

Tegenpartij heeft hoger beroep aangetekend.

**Volledige tekst:**

Het vonnis wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal.

### Tekst van de beslissing

**Tribunal de première instance FR de Bruxelles du 16.05.2025**

**(RG 19/5615/A)**

TVA- Accord signé — Amende civile

Jugement définitif

Contradictoire

**EN CAUSE DE** **:**

**X.,** inscrite à la BCE sous le no …, dont le siège social est établi à …

Partie demanderesse,

Représentée par **Me J.D. loco Me R.F.,** avocat, dont le cabinet est établi a …

**CONTRE** **:**

**L'ETAT BELGE, Service Public Fédéral Finances,** représenté par le Ministre des Finances, rue de la Loi, 12, poursuites et diligences du Conseiller général, Directeur du Centre PME Bruxelles 1 — KMO Centrum Brussel 1, dont les bureaux sont établis à 1000 Bruxelles, boulevard du Jardin Botanique, 50, bte 3404 et a 5100 Jambes, avenue du Prince de Liège, 133, bte 560 (adresse de correspondance),

Partie défenderesse,

Représentée par **A.C.,** attachée, et **A.G.,** conseiller, …

---

En cette cause, tenue en délibéré le 24 avril 2025, le tribunal prononce le jugement suivant.

Vu les pièces de la procédure, et notamment :

 la requête contradictoire déposée au greffe du tribunal de céans le 23 septembre 2019 ;

 l'ordonnance rendue le 14 novembre 2019 en application de ('article 747 § 1er du Code judiciaire ;

 les conclusions déposées par la partie demanderesse le 24 mai 2022 ;

 les conclusions supplémentaires et de synthèse déposées par la partie défenderesse le 04 avril 2025.

Entendu le conseil de la partie demanderesse et les représentants de I ‘Etat Belge en leurs dires et moyens a ('audience publique du 24 avril 2025.

## I. FAITS ET RETROACTES

Pour les années litigieuses, la société Sérénade est une société assujettie a la TVA sous le numéro 0474.149.064 et qui a pour activité la location de biens immobiliers et la restauration.

Le 17 septembre et 15 octobre 2015, l'administration effectue un contrôle à l’impôt des sociétés et à la TVA de la société portant sur la période s'étalant du 1 er janvier 2011 au 31 décembre 2012.

Lors de ce contrôle il apparait que du chiffre d'affaires déclare avait été omis des déclarations TVA, soit la somme de 30.587,21 € qui se ventile comme suit :

La journée du contrôle se clôture par deux accords signes, I'un à 'impôt des sociétés (ci-après « ISOC ») et I ‘autre en WA, par le comptable de la partie demanderesse : Monsieur C.L..

Le présent dossier concerne la régularisation TVA uniquement.

Le 21 octobre 2015, l'administration adresse un relève de régularisation a la partie demanderesse reprenant tous les montants faisant ('objet de ('accord signe le 15 octobre 2015. Ce relève mentionne que ce document clôture le contrôle TVA du 17 septembre et du 15 octobre 2015 suite a « *l'accord apporte par l'assujettie sur les constatations effectuées »,* mais n'interdit pas l'administration de procéder a d'autres vérifications ultérieurement.

Le 20 aout 2015, l'administration ne pouvant recouvrer la somme faisant ('objet de régularisation délivré une contrainte à la partie demanderesse.

Le 24 aout 2015, la contrainte n°500.1319.16841 délivrée est rendue exécutoire. Le 23 septembre 2019, la partie demanderesse introduit la présente requête.

## II. OBJET DES DEMANDES

**La société Sérénade** requiert de:

\- Déclarer le recours recevable et fonde ;

\- Annuler Ia contrainte litigieuse numéro 500.1319.16841 et tous les actes d'exécution de celle-ci ;

\- Ordonner le remboursement de toute somme qui aurait été perçue du chef de la contrainte annulée, majorée des intérêts moratoires calcules en application des dispositions de Ia WA ;

\- Condamner l'Etat Beige aux dépens, en ce compris l'indemnité de procédure de base.

**L'Etat Beige** demande :

\- Déclarer la demande recevable mais non fondée ;

\- Condamner Ia partie demanderesse aux dépens.

## III. DISCUSSION

### A. Exposé du litige

**La société X.** soutient que le relève de régularisation ne repose sur aucun élément tangible, il n'est pas motivé, il n'est pas vérifiable et enfin il n'est pas signe par une personne pouvant valablement engager la société X..

**L'Etat Beige** conteste ('absence de motivation de ('accord ainsi que ('existence d'un vice de consentement. En outre, la partie défenderesse allègue que la partie demanderesse reste en défaut de prouver ('existence de ce vice. A contrario, l'Etat Beige apporte une série d'éléments qui tendent a accréditer ('absence de vice entachant ('accord signe le 15 octobre 2015.

### B. Récévabilité

La demande est recevable, ce point n'est pas contesté par les parties.

### C. Demande de remise

Le vendredi qui précède ('audience des plaidoiries, la partie demanderesse demande au Tribunal une remise afin que le *dominus litis* du dossier, soit Maitre F., qui serait empêché a l'étranger, puisse lui-même représenter son client, la partie demanderesse.

Dans le mesure oi.1 les audiences de plaidoiries sont fixées depuis près de deux ans, que ce dossier avait déjà été remis suite a ('absence du magistrat pour des raisons médicates, que les nouveaux délais de fixation sont actuellement de pros de 3 ans, que l'encombrement des rôles ne permet pas au Tribunal d'ajouter un dossier au rôle d'une autre audience, que le Tribunal avait déjà étudié le dossier et qu'enfin ('absence du titulaire du dossier n'est pas un élément imprévisible et soudain qui apparait 4 jours avant ('audience, le Tribunal a refusé la demande de remise et rappelle que si celle-ci était accordée, elle ne ferait qu'accroitre l'arrière judiciaire au détriment de ('ensemble d'autres justiciables.

### D. Analyse

D.1. Quant a la violation de la loi sur la motivation formelle des actes administratifs

D.1.1. Arguments de la partie demanderesse

La partie demanderesse prétend que l'accord litigieux viole les dispositions de la loi du 29 juillet 1991 relative a la motivation formelle des actes administratifs.

Elle prétend que l'accord se base sur une augmentation du chiffre d'affaires sans expliquer l'origine de ces montants et sans produire les pièces qui fondent cette régularisation.

La société X. expose qu'il lui est impossible de comprendre les rectifications proposées et les chiffres avancés par ('administration et que l'accord est tout simplement

« incompréhensible ». En ('absence de toute motivation, l'accord doit être annule entrainant également l'annulation de la taxe et de la contrainte litigieuse.

D.1.2. Réfutation de l'Etat Beige

L'Etat Beige rappelle que le point de discussion est l'accord signé le 15 octobre qui précède le relève de régularisation du 21 octobre 2015.

Or, cet accord, n'est pas selon l'Etat Beige, un acte administratif unilatéral mais un acte

« bilatéral » (signe entre I ‘assujetti et ('administration) et par conséquent il ne répond pas aux

règles sur la motivation formelle des actes administratifs.

En outre, l'Etat Beige rappelle que tous les points régularises tant a l’impôt des sociétés qu'a Ia TVA ont fait ('objet d'une discussion avec le comptable. La partie défenderesse ajoute que ce comptable était la personne paraissant la plus à même de comprendre la situation car d'une part, il était le comptable de la société depuis 2002, d'autre part, il disposait des connaissances professionnelles et enfin il présentait une procuration signée pour pouvoir engager la société.

Dans ce contexte, ('administration ne comprend pas pourquoi la validité de cet accord a été mise en doute en 2019 après que l'Etat ait organise certaines saisies sur la société X..

D.1.3. Décision du Tribunal

Contrairement aux allégations de la partie demanderesse, le Tribunal constate que l'accord signe reprend le chiffre d'affaires par année a régulariser et est également détaille dans le relève de régularisation établit 6 jours après la signature de l'accord. Cet accord est parfaitement lisible et compréhensible pour un professionnel du chiffre et même pour l'assujetti lui-même.

Le Tribunal ne perçoit des lors pas comment l'assujetti peut prétendre ne pas comprendre les montants repris dans l'accord signe pour la TVA alors que ce sont principalement les mêmes montants qui ont été repris sur l'accord a l'ISOC et que la partie demanderesse ne les conteste pas.

En d'autres termes, comment la partie demanderesse peut accepter les régularisations a l'ISOC et soutenir ne pas comprendre ces mêmes chiffres lorsqu'il s'agit de la régularisation TVA ? Interrogée sur ce point a ('audience, la partie demanderesse ne pouvait apporter au Tribunal de réponse plausible.

Le Tribunal se questionne également sur le délai de contestation de cet accord. Si l'assujetti ne comprenait pas les régularisations TVA apportées pourquoi a-t-il attendu de se voir signifier des saisies pour contester ledit accord 4 ans plus tard ?

Pour le Tribunal, l'accord ou le relève de régularisation WA sont complets et suffisamment motives pour que l'assujetti comprenne les régularisations apportées et ce dès 2015.

Ce grief n'est pas fonde.

D.2. Quant a la validité de l'accord

D.2.1. Arguments de la partie demanderesse

La partie demanderesse soutient que le mandataire de la société X. ne pouvait signer l'accord.

Afin de soutenir ces allégations, la partie demanderesse développe de longs concepts théoriques sur le vice de consentement, l'erreur, le mandat donne, etc.

Selon la copie de la procuration versée au débat, la partie demanderesse soutient que le comptable ne pouvait signer un tel accord.

D.2.2. Réfutation de l'Etat Belge

L'Etat Belge répond aux arguments théoriques de la partie demanderesse en rappelant que pour ('administration, l'accord n'est pas vide et ne comporte aucune erreur et ce, sur base des

éléments suivants :

\- une procuration valable datant de 2002 qui reflète une longue relation professionnelle de confiance entre le comptable et la demanderesse **(pièce 4) ;**

\- une procuration reprenant des termes tels que « me représenter auprès de \['Administration fiscale » et pour les divers documents établis par les diverses administrations » qui peuvent comprendre Ia signature d'accords avec l'Administration **(pièce 4) ;** le comptable assurait un grand nombre d'obligations fiscales depuis 2002 jusqu'en 2017 telles que le dépôt des déclarations périodiques a la TVA et a l'impôt des sociétés **(pièces 5 et 6)** le comptable est celui qui répond généralement aux demandes de renseignements **(pièce 7);** le comptable est celui qui était présent lors du rendez-vous avec ('Administration fixé au 15/10/2014;

\- le comptable a indiqué sur les accords a l'amlable en matières de WA et d'impôt des sociétés qu'il était « comptable mandate « **(pièces 2 et 8) ;**

\- l'accord à l'amiable signé par le comptable a l’impôt des sociétés n'a, quanta lui, pas été contesté à ce jour et a, de plus, Ste paye par la demanderesse ; la demanderesse ne conteste retendue de la procuration du comptable que plus au moins 5 ans après la signature de raccord par ce dernier 12.

Pour ('administration ces éléments Iaissent apparaitre que le comptable avait bien le pouvoir de représenter la société X. et de signer cet accord.

D.2.3. Décision du Tribunal

Interroge sur l'accord a I'ISOC signé le même jour et qui n'a pas été contesté, la partie demanderesse prétend que cet accord lui a été ratifie en 2017 par la partie demanderesse.

Le Tribunal ne comprend a nouveau pas comment la société X. informée de l'existence des deux accords, ratifie l'accord a impôt des sociétés en 2017 mais attend 2019 pour contester l'accord signé en TVA.

Le Tribunal ne voit aucune pièce du dossier qui démontre que la société X. ne connaissait pas l'existence de ces accords ainsi que les actes qui avaient été poses par le comptable en 2015. Au contraire, la société X. était parfaitement informée du contrôle et de la présence de son mandataire. II n'est pas non plus crédible que l'administrateur de la société X. ne se soit pas intéressé, en fin de journée, par le résultat du contrôle tant au niveau de impôt des sociétés qu'en TVA.

Des éléments factuels, le Tribunal comprend que les saisies pratiquées par ('administration sur les avoirs de la société X. ont eu pour effet de « réveiller » celle-ci et de chercher des manœuvres dilatoires pour tenter de ralentir les mesures d'exécutions mises en œuvre.

Mais aucun élément crédible ne permet de mettre en doute la validité du mandat du comptable. Par conséquent, ce grief est non fond( et le mandat est valide.

D.3. Quant a l'annulation de la contrainte

D.3.1. Arguments de la partie demanderesse

La partie demanderesse estime que si l'accord n'est pas nul, la contrainte elle doit être annulée car elle ne repose sur aucun fondement ou pièce permettant de juger de sa légalité.

D.3.2. Réfutation de l'Etat Belge

L'Etat Belge répond que la taxation litigieuse est fondée (l'accord est valable, le relève de régularisation est clair et est motivé) et que ('engagement du comptable est valide.

D.3.3. Décision du Tribunal

Le Tribunal constate que ce grief ne repose sur aucun élément tangible et qu'il a déjà été répondu aux arguments sur ('accord et sur la capacite du comptable. La contrainte doit être maintenue.

### E. Amende civile

L'article 780bis du Code judiciaire prévoit la possibilité pour le juge, non seulement d'accorder des dommages-intérêts pour procédure téméraire et vexatoire, mais même d'imposer au demandeur une amende civile 1. Cette amende, a la différence des dommages-intérêts, n'est pas versée à une partie, en l'espèce la partie défenderesse, mais a l'Etat. Lui aussi subit un préjudice du fait des abus de procédure : les juges et greffiers ont d0 consacrer du temps et de l’énergie à régler une procédure qui n'aurait jamais dû être introduite.

En l'espèce, le Tribunal est déçu du comportement de la partie demanderesse.

Celle-ci n'a, a I ‘estime du Tribunal, que chercher a « gagner du temps ». A cette fin, elle a sollicité une remise du dossier 5 jours avant ('audience mais plus fondamentalement elle a contesté la validité d'un accord signé et dont les effets étaient connus par elle 5 ans après la signature de celui-ci.

En conséquence, le Tribunal condamne la société X. au paiement d'une amende civile de 250 €.

## IV. LES DEPENS

II y a lieu de mettre les dépens a charge de la partie demanderesse.

### Beschikkend gedeelte

**POUR CES MOTIFS,**

**LE TRIBUNAL,**

Statuant contradictoirement,

Vu les dispositions de la loi du 15 juin 1935 sur I ‘emploi des langues en matière judiciaire ;

Déclare Ia demande de la société X. recevable et non fondée;

Condamne la société X. au paiement d'une amende civile de 250 € à payer à I ‘Etat en application de ('article 780 bis du Code judiciaire.

Condamne Ia société X. aux dépens, liquides a « 0 » euro dans le chef de l'Etat, et lui délaisse la charge de la cotisation au « Fond de participation de ('aide juridique » de 20 €.

***Ainsi juge et prononce a ('audience publique de la 32******e******me chambre du Tribunal de Première Instance Francophone de Bruxelles, le 16 mai 2025 où étaient présents et siégeaient :***

Où étaient présents et siégeaient :

Madame J. T., juge,

Madame N. D., greffière déléguée

### Nota van de FOD Financiën

## Opmerking of commentaar

Wetgeving

[Artikel 84 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84)

Artikel 780bis Ger.W.

## Referentie WF

Finaliti 5472043001 WF 701-15-19050164

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale controle, Proces-verbaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-proces-verbaal-rechten-rechtbank-namen-2021-06-23-191f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Levering van nieuwe gebouwen, Geen periodieke betaling, Bijzondere rekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/levering-nieuwe-gebouwen-geen-periodieke-hof-van-beroep-luik-2023-03-17-1a65) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Kunstmatige constructie, kopiename computerbestanden, fraude, controlemaatregel, inzagerecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kunstmatige-constructie-kopiename-computerbestanden-fraude-rechtbank-gent-2022-03-14-1dfe) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 1 gemeenschappelijke bepalingen
