---
title: "Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Caféhouders · Hof van beroep te Luik, 21 juni 2019"
description: "Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Caféhouders, Kennisgeving van aanwijzingen van fraude. Hof van beroep te Luik (België), 21 juni 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-cafehouders-kennisgeving-hof-van-beroep-luik-2019-06-21-20d8"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/reconstitution-chiffre-affaires-cafetiers-notification-cour-appel-liege-2019-06-21-0c58"
---

# Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Caféhouders

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Luik

**Datum**

21 juni 2019

## Procesverloop

2 stappen · 5 jaar 2 maanden

1. [Bestreden beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Luik 03.04.2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-cafehouders-kennisgeving-aanwijzingen-rechtbank-luik-2014-04-03-4286)
2. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Luik 21.06.2019

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

110 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Luik d.d. 21.06.2019

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

WF 704-15-13/000137

*Belasting over de toegevoegde waarde – Wedersamenstelling van het omzetcijfer - – Caféhouders -*

*Kennisgeving van aanwijzingen van fraude – Gerechtelijk deskundige – Niet-gefactureerde leveringen – Leveringsbonnen – Vermoedens – Proportionele geldboeten – Vermindering – Regentbesluit – Jurisdictioneel toezicht*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen 59, § 1, 2de lid, 64, § 1, 70, §1, 81bis, 2de lid, 4°, 84ter WBTW

Burgerlijk wetboek (oud), artikelen 1349 en 1353

Artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831

## Samenvatting

Eiseres, die vier drankgelegenheden exploiteert, is aan een controle onderworpen na een gerechtelijk onderzoek dat het bestaan van niet-aangegeven verkopen door leveranciers deed vermoeden.

Aangezien eiseres één van de caféhouders was die betrokken waren bij de fraude, die bestond in de levering van niet gefactureerde dranken, heeft de administratie haar een kennisgeving van aanwijzingen van btw-fraude gezonden.

Er werd een proces-verbaal tot regularisatie opgesteld en een dwangbevel uitgevaardigd.

## a. Betreffende de kennisgeving van aanwijzingen van fraude

Het hof van beroep achtte de kennisgeving voldoende nauwkeurig, aangezien de administratie aangaf dat zij voor de betrokken jaren aanzienlijke verschillen had vastgesteld tussen de uitgereikte verkoopfacturen en de in beslag genomen leveringsbonnen.

**b.** **Betreffende het willekeurige karakter van de wedersamenstelling, gelet op het ontbreken van valse facturen en de onwettigheid van het deskundigenrapport**

Wat de omzet betreft, is eiseres van mening dat deze willekeurig is wedersamengesteld omdat de administratie gebruik heeft gemaakt van het rapport van de aangestelde deskundige die in de strafzaak tegen haar leveranciers. De deskundige is bij arrest van het hof van beroep van 4 mei 2016 afgewezen omdat zijn onpartijdigheid was aangetast als gevolg van een eerdere functie.

Eiseres betoogt eveneens dat bij dit arrest bepaalde verdachten zijn vrijgesproken betreffende het uitreiken van valse facturen, zodat volgens hem bijgevolg niet is vastgesteld dat die facturen vals waren.

Het hof van beroep is van oordeel dat de betwiste rechtzettingen niet uitsluitend waren gebaseerd op het deskundigenrapport dat bij bovengenoemd arrest nietig was verklaard. Volgens het door de administratie opgestelde proces-verbaal - dat rechtsgeldig is tot bewijs van het tegendeel -, hebben de ambtenaren eiseres immers verzocht om de dagboeken en de aankoopfacturen voor te leggen. Zij hadden tevens kopieën genomen van de door de leveranciers opgestelde leveringsbonnen en uitgaande facturen, die in beslag waren genomen als onderdeel van het gerechtelijk dossier.

Aldus stelden zij persoonlijk de verschillen vast tussen de door de belastingplichtige in de boekhouding opgenomen aankopen en de kopieën van de leveringsbonnen uit het gerechtelijk dossier.

Tijdens de controle hebben zij een reeks vaststellingen gedaan op basis van een vergelijking tussen de door de gerechtelijke autoriteiten in beslag genomen leveringsbonnen en de aankopen opgenomen in de boekhouding. Deze vaststellingen en de afschriften van de in beslag genomen leveringsbonnen, alsook de facturen uit de boekhouding van eiseres volstaan op zich. Het feit dat de door de deskundige opgestelde tabel van de verschillen tussen de facturen en de overeenkomstige leveringsbonnen, die uit het dossier van de rechtbank is overgenomen, bij het proces-verbaal is gevoegd, doet daaraan geenszins afbreuk.

Wat de gevolgen van de vrijspraak van verschillende verdachten betreft, oordeelt het hof dat in het arrest van 4 mei 2016 geenszins is geoordeeld over de echtheid van de gegevens op de facturen, die door eiseres in de boekhouding werden opgenomen. Er is de onmogelijkheid vastgesteld om de stukken waarvan vermoed wordt dat zij vals zijn, te identificeren en te individualiseren door de eenvoudige verwijzing naar de uit de procedure verwijderde boekhoudkundige deskundigenverslagen.

Het arrest sluit dus geenszins uit dat de belastingadministratie de betwiste rechtzettingen kon aantonen op basis van een vergelijking tussen de in beslag genomen leveringsbonnen en de door eiseres in de boekhouding opgenomen facturen.

## c. Betreffende het willekeurig karakter van de wedersamenstelling met betrekking tot de door de administratie gehanteerde vermoedens

Eiseres voert aan dat de administratie zich gebaseerd heeft op een opeenstapeling van vermoedens.

Het hof van Beroep herinnerde aan de draagwijdte van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek. Het hof benadrukt dat de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt; ofschoon de feiten die hij als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (Cass., 22 mei 2014, F.13.0086.N).

In onderhavig geval heeft de Administratie zich gebaseerd op de kwantitatieve verschillen voor elke soort drank die is vermeld tussen de goederen op de in beslag genomen leveringsbonnen en de gefactureerde goederen, de aankoopprijs zoals vermeld op de borderellen voor deze bijkomende goederen, het aantal consumpties dat per commerciële eenheid is geserveerd overeenkomstig de forfaitaire regeling voor caféhouders, alsmede het voor deze consumpties meegedeelde tarief.

De in beslag genomen leveringsbonnen werden met de hand ingevuld en zijn bovendien ondertekend. De nummers op deze bonnen worden bevestigd op de facturen die in de boekhouding van eiseres zijn opgenomen. Op deze facturen staan de op de bonnen vermelde goederen, doch in kleinere hoeveelheden of in het geheel niet.

In het arrest van 4 mei 2016 werd bovendien vastgesteld dat het bij de vervolgde leveranciers een gangbare praktijk was om aan talrijke caféhouders facturen op te maken voor een lager bedrag dan het bedrag van de volgens de leveringsbonnen geleverde goederen. Alsook werd vastgesteld dat leveringsbonnen die precies overeenkwamen met de facturen, aan de facturen waren gehecht. Deze bevatten echter niet de hierboven vermelde handgeschreven vermeldingen.

Bijgevolg zijn de in beslag genomen leveringsbonnen die door de administratie worden gebruikt, volkomen geloofwaardig. Bovendien ziet het hof niet in waarom deze documenten, die voor leveranciers onontbeerlijk zijn om hun vorderingen op hun klanten te kunnen bijhouden, vals of onjuist zouden zijn. De bij de facturen gevoegde bonnen in de boekhouding van eiseres zijn daarentegen niet geloofwaardig.

Zodoende kon op basis van de vastgestelde verschillen tussen de in beslag genomen bonnen en de facturen het bestaan en de omvang van de geheime leveringen aan eiseres rechtens worden vermoed.

Bovendien kan de administratie niet worden verweten dat zij ervan is uitgegaan dat de goederen zijn betaald overeenkomstig de op de bonnen vermelde prijzen, aangezien er geen verschil is tussen deze prijzen en de prijzen op de facturen die in de boekhouding van eiseres zijn opgenomen.

Wat betreft het feit dat alle goederen zouden zijn verkocht, dit is het eenvoudig gevolg van het feit dat eiseres geen voorraad heeft aangegeven. Bovendien wordt, inzake btw, eenieder die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt ([artikel 64, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64)).

Wat de voor de verkochte dranken gehanteerde prijzen betreft, is de administratie niet willekeurig te werk gegaan. De eenheidsprijs per glas is vastgesteld op basis van de drankenprijslijst 2009 – prijslijst waarover de taxatieambtenaren konden beschikken en bij gebrek van een prijslijst voor 2007 en 2008-. Zij hebben eiseres bovendien ook ondervraagd over de prijzen van dranken in 2007 en 2008 en hebben een aantal van de door hem meegedeelde prijzen weerhouden ook al waren deze lager dan het tarief voor 2009.

Wat de leveringsbonnen zonder factuur betreft, zij eraan herinnerd dat het verschil tussen beide vastgesteld werd door de met de controle belaste ambtenaren. De bevindingen van deze controle werden opgetekend in het proces-verbaal, dat rechtsgeldig is zolang het tegendeel niet is bewezen ([artikel 59, § 1, lid 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)).

## d. Betreffende de boetes

De feitelijke omstandigheden rechtvaardigen ten volle de opgelegde geldboeten. Ze zijn geenszins onevenredig gelet op de kwade trouw van eiseres en de ernst van de feiten, met name het opnemen in de boekhouding van handelingen op basis van valse documenten.

In onderhavig geval is er, gezien de aard van de begane overtredingen - het gebruik van valse documenten en als gevolg daarvan de ernstige aantasting van het vertrouwen in de boekhouding-, geen reden om, indien de wet in een dergelijke maatregel zou hebben voorzien, eiseres uitstel te verlenen van de tenuitvoerlegging van de boeten.

## Opmerkingen

De controle werd verricht in het kader van een actie tegen de klanten van bepaalde leveranciers die strafrechtelijk werden vervolgd.

Uit dit arrest blijkt dat de wedersamenstelling van de omzet stoelt op elementen die persoonlijk door de ambtenaren van de belastingadministratie zijn waargenomen en die volstaan om de geldigheid ervan vast te stellen, zelfs zonder rekening te houden met het verslag van de gerechtelijk deskundige in de strafzaak (betreffende de leveranciers) dat deze vaststellingen bevestigt.

Het arrest aanvaardt ook het gebruik van het forfait voor caféhouders als vermoeden, in overeenstemming met de heersende rechtspraak, en past het wettelijk vermoeden van [artikel 64, § 1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) correct toe.

Het arrest verwerpt de stelling van de opeenstapeling van vermoedens.

Over deze kwestie kan worden verwezen naar de inmiddels vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie (Cass., 20 januari 2017, F.15.0129.N, gepubliceerd op Juportal; Cass.,15 juni 2017, F.160017.F en F.160018.F, gepubliceerd op Taxwin; Cass., 20 juni 2014, F.12.0196.F, gepubliceerd op Fisconetplus).

Uit de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de rechter het bestaan van de feiten waarop hij zich beroept, op soevereine wijze vaststelt. De feiten die hij als uitgangspunt neemt voor zijn redenering moeten vaststaan, d.w.z. bewezen zijn. Geen enkele wetsbepaling belet evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens.

De omstandigheid dat het bewijs van het bestaan van niet in de boekhouding opgenomen aankopen en de meeromzet bij vermoeden is geleverd, belet niet dat het wettelijk vermoeden van [artikel 64, § 1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) wordt toegepast op dit vastgestelde feit.

Wanneer bij gebreke van een regelmatige boekhouding, de omzet van een bedrijf moet worden bepaald, is een bewijs door vermoedens in twee of meer fasen eenvoudigweg noodzakelijk.

Het is niet vereist dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid, noodzakelijk uit die feiten voortvloeien: het volstaat dat zij daaruit kunnen voortvloeien.

Wat de boeten betreft, past het arrest de door het Hof van Cassatie vastgestelde beginselen correct toe (Cass., 17 januari 2019, [F.16.0130.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-evenredigheidsbeginsel-cassatie-brussel-2019-01-17-80d4), gepubliceerd op Fisconetplus).

Het arrest van het hof van beroep is in kracht van gewijsde gegaan.

**Tekst van het arrest**

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Cour d'appel Liège. Arrêt de la NEUVIEME D Chambre civile, Arrêt du 05.04.2019**

Rôle : 2014/RG/1588

**EN CAUSE DE:**

1\. **M.H**., domicilié à ..., partie appelante, représentée par Maître ..., avocat à ...

**CONTRE:**

**ETAT BELGE. SPF FINANCES**, PME LIEGE-EXPERTISE 1, dont les bureaux sont sis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2 Bte 73, partie intimée, représentée par Mme X et M. A.A., fonctionnaires d'administration fiscale,

Vu les feuilles d'audiences des 24 novembre 2014, 15 février 2016, 18 avril 2016, 1er mars 2019 et de ce jour

**APRES EN AVOIR DELIBERE**

Vu le dossier de la procédure en forme régulière et notamment:

-en copie conforme [le jugement rendu le 3 avril 2014 par le Tribunal de première instance de Liège](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-cafehouders-kennisgeving-aanwijzingen-rechtbank-luik-2014-04-03-4286) ;

-la requête d'appel de Monsieur M.H. reçue au greffe de la Cour le 31 octobre 2014 ;

-les conclusions et les dossiers des parties.

La recevabilité de l'appel n'est pas contestée et il n'existe aucun moyen d'irrecevabilité à soulever d'office par la Cour. Il est par conséquent recevable.

La présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci­ après.

## Les faits et l'objet du litige

1\. Sur ces points, la Cour se réfère à l'exposé du premier juge tel qu'il figure sous l'intitulé « objet du litige et antécédents de procédure ».

Il suffit de rappeler que la contestation porte sur les cotisations à l'impôt des personnes physiques enrôlées à charge de Monsieur M.H. pour les exercices d'imposition 2008 (article n°723.226.753) et 2009 (n°621.054.583) ainsi que sur une contrainte T.V.A. n°312/.../...488 décernée le 26 novembre 2012 pour des montants réclamés à titre de taxe de 15.292,23 € et de 30.584,46 € à titre d'amende, outre les intérêts

2\. Monsieur M.H. exploitait quatre débits de boissons sis à Seraing.

Suite à une information judiciaire laissant présumer l'existence de ventes non déclarées par des grossistes (SPRL Cave Drinks et SPRL Drinks Distribution) à des établissements de la région liégeoise, l'administration fiscale s'est vu octroyée le 28 mars 2011 l'autorisation de consulter et de prendre copie des pièces du dossier répressif ouvert auprès du parquet de Huy.

Suite à cette consultation et au constat que Monsieur M.H. figurait parmi les cafetiers concernés par la fraude, consistant à livrer des boissons non facturées, une notification d'indices de fraude en matière d'impôt sur les revenus et une autre en matière de T.V.A. lui auraient été adressées le 10 Janvier 2012.

Une vérification de sa comptabilité a été effectuée le 7 février 2012.

3\. Considérant que les indications reprises sur des bons de livraison saisis par le parquet de Huy et les factures enregistrées par Monsieur M.H. laissaient apparaître que la totalité des achats livrés n'avait pas été renseignée et que le chiffre d'affaires en découlant n'avait pas été déclaré, un avis de rectification a été adressé à ce dernier le 14 mai 20123.

En absence de réponse, une notification d'imposition d'office lui a été adressée le 20 juin 20124•

4\. En matière de T.V.A., un relevé de régularisation a été établi le 9 mars 2012 suivi d'un procès-verbal le 30 mai 20125

Une contrainte n°312/.../...488 a ensuite été décernée le 26 novembre 2012, laquelle a été visée et rendue exécutoire le 28 novembre suivant6•

5\. le 18 décembre 2012, Monsieur M.H. a formé opposition à contrainte auprès du Tribunal de 1ère instance de Liège.

6\. Des réclamations ont été introduites le 19 octobre 2012 et le 26 novembre 2012 à l'encontre des cotisations enrôlées à l'impôt des personnes physiques pour les exercices 2008 et 2009.

Celles-ci ont été rejetées par décisions des 27 et 28 mars 2013.

7\. Le 15 avril 2013, Monsieur M.H. a porté la contestation relative à ces cotisations devant le Tribunal.

8\. Par jugement du 3 avril 2014, le Tribunal de première instance de Liège a joint les causes et a dit les requêtes recevables mais non fondées.

9\. Monsieur M.H. a interjeté appel le 31 octobre 2014.

Il demande à la Cour d'annuler la contrainte n°312/.../...488 du 26 novembre 2012 et les cotisations enrôlées dans son chef sous les articles n°723.226.753 et 621.054.583 pour les exercices d'imposition 2008 et 2009, de condamner l'ETAT BELGE à la restitution de toutes sommes indûment perçues, aux intérêts judiciaires et aux dépens, liquidés à la somme totale de 12.000 €.

A titre subsidiaire, il demande de dégrever à due concurrence les montants repris dans la contrainte n°312/.../...488 du 26 novembre 2012 et les cotisations enrôlées dans son chef sous les articles n°723.226.753 et 621.054.583 pour les exercices d'imposition 2008 et 2009 - en ce compris les amendes, de condamner l'ETAT BELGE à la restitution de toutes sommes indûment perçues, aux intérêts judiciaires et aux dépens, liquidés à la somme totale de 12.000 €.

10\. L'ETAT BELGE conclut quant à lui à la confirmation du jugement entrepris et demande de délaisser à l'appelant ses dépens.

## Discussion

## *Quant à la violation de l'article 327 du CIR/92*

11\. A l'audience du 1er mars 2019, l'appelant à renoncé à son grief relatif à la violation de l'article 327 du CIR/92.

12\. La Cour constate du reste, sur base des pièces déposées par l'ETAT BELGE, que c'est de manière régulière que l'administration a pris connaissance du dossier répressif à l'origine des rectifications litigieuses.

## *Quant à la notification des indices de fraude*

13\. L'appelant fait grief aux notifications d'indice de fraude d'être insuffisamment précises, ce qui entraînerait la nullité des cotisations et de la contrainte litigieuses.

14\. L'article 333 du CIR/92 dispose que

> « Sans préjudice des pouvoirs conférés à l'administration par les articles 351 à 354, celle-ci peut procéder aux investigations visées au présent chapitre et à l'établissement éventuel d'impôts ou de suppléments d'impôts, même lorsque la déclaration du contribuable a déjà été admise et que les Impôts y afférents ont été payés.
>
> Les investigations susvisées peuvent être effectuées sans préavis, dans le courant de la période imposable ainsi que dans le délai prévu à l'article 354, alinéa 1er et dans le délai prévu à l'article 354, alinéa 4.
>
> Elles peuvent en outre être exercées pendant le délai supplémentaire de quatre ans prévu à l'article 354, alinéa 2, à condition que l'administration ait notifié préalablement au contribuable, par écrit et de manière précise, les indices de fraude fiscale qui existent en ce qui le concerne, pour la période considérée. Cette notification préalable est prescrite à peine de nullité de l'imposition. »

15\. L'[article 84ter du Code de la T.V.A.](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) prévoit quant à lui que :

> « Lorsqu'elle se propose d'appliquer le délai de prescription prévu à l'article 81bis, § 1er, alinéa 2, 4°, l'administration qui a la taxe sur la valeur ajoutée dans ses attributions, est tenue, à peine de nullité du redressement, de notifier au préalable, par écrit et de manièreprécise, à la personne concernée. les indices de fraude fiscale qui existent. à son endroit, pour la période en cause. »

16\. En l'espèce, la notification du 10 janvier 2012 en matière de T.V.A. figure au dossier administratif.

Il n'en va cependant pas de même de celle qui aurait été adressée en matière d'impôt sur le revenu.

Ainsi, la présence de cette pièce essentielle de la procédure de taxation ne ressort ni des inventaires ni des recherches effectuées par la Cour dans les dossiers des parties.

L'indication de la référence à celle-ci dans les (secondes) conclusions de synthèse de l'ETAT BELGE (page 7: « pièce IV/4/189 ») est par ailleurs inexacte, s'agissant probablement d'une numérotation employée à un stade antérieur de la procédure, depuis lors périmée.

Il y a lieu par conséquent d'ordonner la réouverture des débats afin de permettre aux parties de produire cette pièce et de faire valoir leurs observations éventuelles à cet égard.

### Beschikkend gedeelte

## PAR CES MOTIFS

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935, la cour, statuant contradictoirement, RECOIT l'appel.

Avant dire droit pour le surplus,

ORDONNE la réouverture des débats afin de permettre aux parties de produire la notification d'indices de fraude prévue à l'article 333 du CIR/92 et de faire valoir leurs observations éventuelles.

REMET la cause à l'audience du 17 mai 2019 à 10 heures 40' pour 20 minutes de débats.

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVIEME chambre (D) de la cour d'appel de Liège, où siégeait le conseiller f.f. de président Simon CLAISSE comme juge unique et prononcé en audience publique du 5 avril 2019 par le conseiller f.f. de président Simon CLAISSE, avec l'assistance du greffier Olivier TOUSSAINT.

Signatures

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 3 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### België

1

Rechtbank van eerste aanleg te Luik 03.04.2014

#### [Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Caféhouders](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-cafehouders-kennisgeving-aanwijzingen-rechtbank-luik-2014-04-03-4286)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetverhoging, Vermoedens](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetverhoging-vermoedens-vermoeden-hof-van-beroep-antwerpen-2022-03-29-4427) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Onderzoekstermijnen, Bewijs, Opeenvolging van vermoedens, Wedersamenstelling van de omzet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/onderzoekstermijnen-bewijs-opeenvolging-vermoedens-wedersamenstelling-rechtbank-2022-04-25-f84a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Kennisgeving van vermoedens van belastingontduiking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-vermoedens-hof-van-beroep-luik-2020-01-20-7d01) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht, Neutraliteitsbeginsel, administratie van de bijzondere belastinginspectie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-bewijskracht-neutraliteitsbeginsel-administratie-bijzondere-hof-van-beroep-gent-2017-06-27-9d9c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-controlemaatregel-strafbepaling-administratieve-hof-van-beroep-gent-2012-03-27-e5f9) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Forfait caféhouders, Motivering van bestuurshandelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-forfait-cafehouders-motivering-hof-van-beroep-luik-2021-10-08-0aae) 2 gemeenschappelijke bepalingen
