---
title: "Vrijstelling zonder recht op aftrek, uitzondering · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 26 april 2002"
description: "Vrijstelling zonder recht op aftrek, uitzondering, terbeschikkingstelling van bergruimte. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 26 april 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-zonder-recht-aftrek-uitzondering-rechtbank-brussel-2002-04-26-145c"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling zonder recht op aftrek, uitzondering, terbeschikkingstelling van bergruimte · Vrijstelling zonder recht op aftrek - uitzondering - terbeschikkingstelling van bergruimte

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

26 april 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

136 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel dd. 26.04.2002, Zaak 00/883/A en 00/14340/A**

*vrijstelling zonder recht op aftrek*

*uitzondering*

*terbeschikkingstelling van bergruimte*

## Samenvatting

Artikel 18, § 1, 9º van het W.B.T.W. stelt dat als een belastbare dienst moet worden aangemerkt «de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen». Artikel 44, § 3, 2º, a, tweede streepje van het W.B.T.W. voorziet als uitzondering op de vrijstelling van de huur en het gebruik van onroerende goederen «de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen».

De bepaling in de Administratieve Circulaire van 29 september 1995 dat de gebouwen «uitsluitend voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt», is geen voorwaarde die aan de wet is toegevoegd. Immers van zodra aan ruimten enige andere bestemming wordt gegeven, kan men deze niet langer beschouwen als bergruimten voor het opslaan van goederen.

Ook de specificering in dezelfde circulaire dat de bergruimten een afzonderlijk gebouw moeten zijn, dient te worden gezien als een verduidelijking van de grens tussen de vrijgestelde onroerende verhuur en de uitzondering daarop en voegt derhalve geen voorwaarde aan de wet toe. Immers, wanneer men te maken heeft met een onroerend goed dat niet uitsluitend ontworpen of ingericht is voor het opslaan van goederen, maar waarin ook andere ruimten zijn ondergebracht waarover een volledig en exclusief genot wordt verleend, kan men moeilijk nog spreken van een terbeschikkingstelling van bergruimte, maar betreft het een onroerende verhuur waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2º van het W.B.T.W. van toepassing is.

Bij wijze van administratieve tolerantie aanvaardt de Administratie, mits aan strikte voorwaarden is voldaan, dat de terbeschikkingstelling van de opslagruimten, die zich niet in een afzonderlijk gebouw bevinden, toch aan de B.T.W. onderworpen is, niettegenstaande zich in dat gedeelte een kantoor bevindt. Indien de voorwaarden van de administratieve tolerantie niet vervuld zijn, geldt de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2º, lid 1 van het W.B.T.W. voor de totaliteit, dus ook voor de terbeschikkingstelling van de opslagruimten.

In casu zijn de voorwaarden van de administratieve tolerantie niet vervuld, nu de inrichting van de chauffeurs, de burelen, de sanitaire en hygiënische voorzieningen voor het administratief personeel, de ruimte voor nutsvoorzieningen en het archief niet in het eigenlijke magazijn zijn gelegen, maar daarnaast, en deze ruimten geen rechtstreeks verband houden met het beheer van de opgeslagen goederen, maar wel met de distributie daarvan. De activiteit van de vennootschap aan wie het gebouw door belastingplichtige ter beschikking werd gesteld, vereist een infrastructuur die meer is dan de loutere opslag van goederen en een kantoorruimte van niet meer dan 10 % van de totale oppervlakte.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

Alleensprekend rechter : M. Verstappen

Advocaten : Mr. Vanhaeleweyck *loco* Mr. de Duve, Mr. Sabon

N.V. GU.

tegen

*de Belgische Staat*, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

In deze zaak, in beraad genomen op 29 maart 2002, spreekt de rechtbank volgend vonnis uit :

## I. Procedure

Gelet op de in regelmatige vorm voorgelegde stukken van de rechtspleging, inzonderheid :

### a) In de zaak gekend onder A.R. nr. 00/883/A

\- het exploot van dagvaarding van A. Ide, plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder van gerechtsdeurwaarder Ch.V., te Leuven, betekend op 3 augustus 2000, waardoor het geding aanhangig werd gemaakt;

\- de besluiten en aanvullende besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie respectievelijk op 5 juli 2001 en op 1 februari 2002 (deze besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder A.R. nr. 00/14340/A);

\- de besluiten van eiseres, neergelegd ter griffie op 26 juli 2001.

### b) In de zaak gekend onder A.R. nr. 00/14340/A

\- het exploot van dagvaarding van gerechtsdeurwaarder F.D. te Leuven, betekend op 27 oktober 2000, om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven;

\- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 7 december 2000, waarbij de zaak naar de rechtbank werd verwezen;

\- de besluiten van verweerder, neergelegd ter griffie op 29 juni 2001 (deze besluiten betreffen eveneens de zaak gekend onder A.R. nr. 00/8838/A);

\- het proces-verbaal van vrijwillige verschijning van partijen, neergelegd ter zitting van 29 maart 2002.

Gehoord ter openbare zitting van 29 maart 2002 de advocaten van partijen, waarna de bundels met de stavingsstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

## II. Feiten en retroacten

De NV Gu, huidige eiseres, heeft uit hoofde van haar beroepswerkzaamheid (groothandel in groenten en fruit) de hoedanigheid van belastingplichtige voor de toepassing van de B.T.W.

Op 26 januari 2000 werd bij de NV Gu een controle aangevat betreffende de juiste toepassing van de wetgeving van de B.T.W. en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten in de periode van 1 januari 1997 tot en met 31 december 1998.

Tijdens deze controle werden volgens de Belgische Staat, huidig verweerder, een aantal overtredingen vastgesteld, waarvan één werd opgenomen in een proces-verbaal van 12 mei 2000. Het betreft het, volgens de Belgische Staat, ten onrechte in aftrek brengen van B.T.W. verschuldigd op de aankoop van een nieuw gebouw. Bedoeld gebouw werd samen met een recht van opstal voor de grond op 24 december 1997 met toepassing van de B.T.W. (overeenkomstig art. 8, § 1 W.B.T.W.) door de BVBA Bo verkocht aan de NV Gu die het vervolgens op 1 januari 1998 ter beschikking stelde van de NV Bi eveneens voor B.T.W.-doeleinden geïdentificeerd als groothandel in groenten en fruit. De grond is eigendom van de NV Ma die destijds een recht van opstal toekende aan de NV Bo.

De in aftrek gebrachte B.T.W. had betrekking op de volgende twee facturen die op 24 december 1997 aan de NV Gu werden uitgereikt :

\- factuur nr. 17.656 voor de verkoop en afstand van de opstalovereenkomst met betrekking tot de grond (161.130,79 euro (6.500.000 BEF)); deze factuur werd bij de NV Gu ingeschreven in het boek voor inkomende facturen onder het nr. 4.891 van 1997; hierop werd geen B.T.W. aangerekend, zodat ook geen B.T.W. in aftrek werd gebracht;

\- factuur nr. 17.654 voor de verkoop en levering van de gebouwen : 743.680,57 euro (30.000.000 BEF), waarop als B.T.W. werd aangerekend : 156.172,92 euro (6.300.000 BEF); deze factuur werd bij de NV Gu ingeschreven in het boek voor inkomende facturen onder het nr. 4.890 van 1997, en ten belope van 90 % of 140.555,62 euro (5.670.000 BEF) in aftrek gebracht.

In voornoemd proces-verbaal van 12 mei 2000 werd voor deze door de Belgische Staat aangenomen inbreuk de verschuldigdheid vastgesteld van :

\- als B.T.W. : 140.553,63 euro (5.670.000 BEF);

\- als geldboete : 281.111,25 euro (11.340.000 BEF) op grond van artikel 70, §§ 1 en 1*bis* W.B.T.W., verminderd tot 14.055,56 euro (567.000 BEF) overeenkomstig [artikel 1 van het K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de B.T.W.;

\- de wettelijke interesten over de verschuldigde B.T.W. te rekenen vanaf 21 januari 1999, in toepassing van artikel 91, § 1 W.B.T.W.

Op 13 juni 2000 betaalde de NV Gu 173.726,75 euro (7.008.120 BEF) onder voorbehoud en zonder enige nadelige erkentenis.

Op 22 augustus 2000 werd door de eerstaanwezend inspecteur van het B.T.W.-ontvangkantoor te Leuven op grond van het proces-verbaal van 12 mei 2000 een dwangbevel van 11 augustus 2000 ter kennis gebracht van de NV Gu.

Op 3 augustus 2000 ging de NV Gu over tot dagvaarding van de Belgische Staat voor deze rechtbank in terugbetaling.

Op 27 oktober 2000 ging de NV Gu eveneens over tot dagvaarding in verzet tegen dwangbevel voor de rechtbank van eerste aanleg te Leuven. Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 7 december 2000 werd de zaak naar deze rechtbank verwezen.

## III. In rechte

### A. Standpunten van partijen

Eiseres vraagt haar vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren; dienvolgens :

\- *in hoofdorde* - het door verweerder uitgevaardigde proces-verbaal te vernietigen en teruggaaf te bevelen van de ten onrechte gevorderde en geïnde bedragen, te vermeerderen met de wettelijke interesten, te rekenen vanaf de datum van betaling;

\- *in subsidiaire orde* - de teruggaaf te bevelen van 42.166,69 euro (1.701.000 BEF) aan onterecht geïnde B.T.W., te vermeerderen met de wettelijke interesten, te rekenen vanaf de datum van betaling.

Verder vraagt zij het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande enig verzet of hoger beroep en met uitsluiting van elk kantonnement.

Verweerder vraagt de vordering van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en voor recht te zeggen dat de gevorderde bedragen verschuldigd zijn.

### B. Beoordeling

#### *1) Wat de samenvoeging van de zaken wegens samenhang betreft*

Krachtens artikel 30 Ger. W. past het de onderscheiden zaken, gekend onder A.R. nr. 00/8838/A en A.R. nr. 00/14340/A, als samenhangende zaken te behandelen, aangezien zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het de rechtbank als wenselijk voorkomt ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zouden kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk berecht zouden worden.

#### *2) Ten gronde*

#### a) Wat de vordering van eisers in hoofdorde betreft

#### a.1. Wat de beweerde schending van de wettelijke regeling door het door verweerder toegepaste administratief standpunt betreft

Vooreerst verwijst eiseres naar de wettelijke bepalingen ter zake, meer bepaald naar :

*artikel 18, § 1, 9º W.B.T.W. :* dat stelt dat als een belastbare dienst moet worden aangemerkt : *«de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen»*;

*artikel 44, § 3, 2º, a, tweede streepje W.B.T.W. :* dat als uitzondering op de vrijstelling van de huur en het gebruik van onroerende goederen stelt : *«de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen»*.

Eiseres stelt dat verweerder, aangaande de onderwerping aan de B.T.W. van de terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen, een administratief standpunt toepast dat op verschillende punten een schending uitmaakt van de wettelijke reglementering, en dat dan ook dient te worden verworpen.

Dit administratief standpunt is terug te vinden in de administratieve beslissing nr. ET 84.364 van 29 september 1995 ( *B.T.W.-Revue*, 1996, 69), en de administratieve verduidelijking van deze beslissing ( *B.T.W.-Revue* , 1996, 493).

Overeenkomstig voormelde administratieve verduidelijking is de terbeschikkingstelling van bergruimten voor het opslaan van goederen slechts aan B.T.W. onderworpen indien de terbeschikkingstelling betrekking heeft op *«afzonderlijke gebouwen die uitsluitend als bergruimte voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht, en als zodanig kunnen worden gebruikt. De omstandigheid dat van dezelfde eigenaar nog een afzonderlijk gebouw wordt gehuurd, dat bijvoorbeeld als exploitatiezetel of kantoorruimte zal gebruikt worden, doet geen afbreuk aan de belastbaarheid van de gehuurde bergruimte»*.

In de administratieve verduidelijking staat verder nog te lezen :

> *«De vrijstelling is daarentegen voor het geheel van toepassing t.a.v. de terbeschikkingstelling van eenzelfde gebouw dat zowel wordt gebruikt als opslagruimte, als voor de verkoop (exploitatie) van de erin opgeslagen goederen, of als kantoorruimte. In dergelijk geval gaat het immers om de huur van een uit zijn aard onroerend goed dat niet uitsluitend als opslagruimte kan worden gebruikt.*
>
> *De administratie aanvaardt evenwel dat het bepaalde in het vorige lid niet geldt voor het kantoor of de plaats die in de bergruimte is voorzien voor de personen belast met het beheer van de opgeslagen goederen, voorzover de oppervlakte van dat kantoor of die plaats niet meer bedraagt van 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw»*.

Volgens eiseres voegt de administratie in haar beslissing van 29 september 1995 twee voorwaarden toe aan de wet, hetgeen naar haar oordeel uiteraard niet mogelijk is door middel van circulaires.

#### *a.1.1. Wat de beweerde eerste toegevoegde voorwaarde betreft*

Volgens eiseres vindt de eerste toegevoegde voorwaarde dat de gebouwen *«uitsluitend voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt»* geen steun in de wet en is zij derhalve onwettelijk.

Artikel 18, § 1, 9º W.B.T.W. handelt immers enkel over *«bergruimten voor het opslaan van goederen»*. Volgens eiseres wordt nergens gesteld dat de enige bestemming, die aan deze ruimten kan worden gegeven, de opslag van goederen is, noch dat deze ruimten uitsluitend daartoe ontworpen of ongericht moeten zijn.

Eiseres komt dan ook tot het besluit dat het volstaat dat de hoofdzakelijke, maar niet exclusieve bestemming van de ruimten de opslag van goederen is.

De rechtbank stelt vast dat de begrippen *«bergruimten voor het opslaan van goederen»* niet gedefinieerd werden in de Zesde E.G.-Richtlijn, zoals dat trouwens ook het geval is voor het begrip «onroerende verhuur». In dergelijk geval moet volgens het Europese recht worden teruggegrepen naar het nationale recht terzake, *in casu* de Belgische B.T.W.-wetgeving waarmee de Zesde Richtlijn in het Belgische recht werd geïmplementeerd. Evenwel bevat de Belgische B.T.W.-wetgeving evenmin een definitie ter zaken, zodat deze definitie buiten de B.T.W.-wetgeving dient te worden gezocht, meer bepaald in het gemeen recht (zie : Van Der Paal, J., «Terbeschikkingstelling en onroerende verhuur inzake B.T.W.», *A.F.T.*, 1998, 260). Bij gebrek aan definitie in het burgerlijk recht, dient te worden uitgegaan van de gebruikelijke betekenis, die deze begrippen hebben.

Vandaar dat de rechtbank verweerder bijtreedt, wanneer hij, onder verwijzing naar het Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (Van Dale), voorhoudt dat bergruimten uiteraard gebouwen of ruimten zijn die uitsluitend voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig worden gebruikt. Ruimten worden pas bergruimten door de bestemming die aan deze ruimten wordt gegeven. Van zodra aan ruimten enige andere bestemming wordt gegeven, kan men deze niet langer beschouwen als bergruimten voor het opslaan van goederen.

Derhalve gaat de rechtbank met verweerder akkoord dat de bepaling in voormelde administratieve beslissing van 29 september 1995 geen voorwaarde aan de wet toevoegt, wanneer zij vereist dat de gebouwen *«uitsluitend voor het opslaan van goederen zijn ontworpen of ingericht en als zodanig kunnen worden gebruikt»*.

#### *a.1.2. Wat de beweerde tweede toegevoegde voorwaarde betreft*

Volgens eiseres vindt de tweede toegevoegde voorwaarde, dat de bergruimten zich in een *«afzonderlijk gebouw»* bevinden, evenmin steun in de wet. Volgens haar is er met andere woorden geen enkele wettelijke bepaling die verhindert dat bergruimten die slechts een onderdeel vormen van een onroerend goed, dat ook nog voor andere doeleinden wordt aangewend, aan B.T.W. onderworpen zouden zijn.

Volgens verweerder moet de specificering dat een bergruimte, om aan de B.T.W. onderworpen te zijn, een afzonderlijk gebouw moet zijn, worden gezien als een verduidelijking van de grens tussen de in artikel 44, § 3, 2º W.B.T.W. bedoelde onroerende verhuur enerzijds en de in artikel 44, § 3, 2º, a) W.B.T.W. bedoelde uitzondering daarop, nl. de loutere terbeschikkingstelling van bergruimte.

Eiseres betwist dit en stelt dat de onderwerping aan de B.T.W. de regel is, en de vrijstelling daarvan de uitzondering.

De rechtbank kan evenwel met deze zienswijze van eiseres niet akkoord gaan, nu de vrijstelling van B.T.W. op het vlak van de onroerende verhuur reeds sinds het begin van de B.T.W. bestaat. Zo stelde de oorspronkelijke regelgeving op het vlak van de B.T.W., zoals die werd neergelegd in de Tweede Richtlijn van 11 april 1967, de heffing van B.T.W. enkel verplicht voor een minimumpakket van diensten en liet zij de Lidstaten een ruime bevoegdheid op het vlak van de vrijstellingen (zie : Van Der Paal, J., *op. cit.*, 257-258).

De uiteindelijke tekst van de Zesde Richtlijn van 17 mei 1977 bepaalde de volgende regeling op het vlak van de vrijstelling :

> *«Artikel 13 B : Onverminderd andere communautaire bepalingen verlenen de Lidstaten vrijstelling voor (...), onder de voorwaarden die zij vaststellen om een juiste en eenvoudige toepassing van de betreffende vrijstellingen te verzekeren en alle fraude, ontwijking en misbruikt te voorkomen :*
>
> *b) verpachting en verhuur van onroerende goederen, met uitzondering van :*
>
> *i. het verstrekken van accommodatie (...) in het hotelbedrijf (...);*
>
> *ii. verhuur van parkeerruimte voor voertuigen;*
>
> *iii; verhuur van blijvend geïnstalleerde werktuigen en machines;*
>
> *iv. verhuur van safeloketten.*
>
> *Artikel 13 C : De Lidstaten kunnen aan de belastingplichtigen het recht verlenen om voor belastingheffing te kiezen in geval van :*
>
> *a) verhuur en verpachting van onroerende goederen :*
>
> *De Lidstaten kunnen de omvang van dit keuzerecht beperken; zij stellen de bepalingen voor de uitoefening ervan vast.»*

Uit hetgeen voorafgaat, blijkt duidelijk dat ter zake de vrijstelling van B.T.W. de regel is, en de onderwerping aan de B.T.W. de uitzondering, die strikt dient te worden toegepast.

Bijgevolg treedt de rechtbank verweerder bij, wanneer hij stelt dat de specificering dat de bergruimten een afzonderlijk gebouw moeten zijn, dient te worden gezien als een verduidelijking van de grens tussen de vrijgestelde onroerende verhuur en de uitzondering daarop : wanneer men te maken heeft met een onroerend goed dat niet uitsluitend ontworpen of ingericht is voor het opslaan van goederen, maar waarin ook andere ruimten zijn ondergebracht waarover een volledig en exclusief genot wordt verleend, kan men moeilijk nog spreken van een terbeschikkingstelling van bergruimte, maar betreft het een onroerende verhuur waarop de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2º W.B.T.W. van toepassing is.

Derhalve gaat de rechtbank opnieuw met verweerder akkoord dat de bepaling in voormelde administratieve beslissing van 29 september 1995 ter zake geen voorwaarde aan de wet toevoegt.

#### a.2. Wat de administratie tolerantie betreft

1.2.1. Blijkbaar moet de argumentatie van eiseres dat de administratie in haar beslissing van 29 september 1995 twee voorwaarden toevoegt aan de wet, worden gesitueerd in het kader van de administratieve tolerantie (die terug te vinden is in de administratieve verduidelijking van deze beslissing), en dan meer precies in de hypothese waarin de voorwaarden van de administratieve tolerantie niet zijn vervuld.

Bij wijze van administratieve tolerantie aanvaardt de administratie immers, mits aan strikte voorwaarden is voldaan, dat de terbeschikkingstelling van de opslagruimten, die zich niet in een afzonderlijk gebouw bevinden, toch aan de B.T.W. onderworpen is, niettegenstaande zich in dat gedeelte een kantoor bevindt.

Indien deze voorwaarden cumulatief vervuld zijn, aanvaardt de administratie volgens eiseres de onderwerping aan de B.T.W. van de terbeschikkingstelling voor de bergruimten en voor de kantoorruimte. Naar het oordeel van de rechtbank is deze conclusie van eiseres correct.

Indien daarentegen voormelde voorwaarden niet vervuld zijn, dient volgens de administratie de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2º, lid 1 W.B.T.W. voor de totaliteit uitwerking te krijgen, hetgeen betekent dat ook de terbeschikkingstelling van de opslagruimten van B.T.W. is vrijgesteld.

Dit wordt betwist door eiseres, die meent dat de bergruimten toch aan B.T.W. dienen te worden onderworpen, terwijl de overige ruimten vrijgesteld zullen zijn.

Volgens eiseres schendt de administratieve tolerantie het reeds aangehaalde artikel 18, § 1, 9º W.B.T.W., vermits dit artikel de onderwerping van de terbeschikkingstelling van bergruimten niet afhankelijk stelt van het feit dat er zich in het gebouw waarin de bergruimte gevestigd is, geen ruimten bevinden die voor andere doeleinden worden aangewend.

Nu de rechtbank hiervoor onder a.1. tot het besluit kwam dat de administratieve beslissing van 29 september 1995 geen voorwaarden aan de wet toevoegt, dient het standpunt van eiseres te worden verworpen, en dient inderdaad met de administratie te worden aangenomen dat indien de voorwaarden van de administratieve tolerantie niet vervuld zijn, de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2º, lid 1 W.B.T.W. voor de totaliteit, dus ook voor de terbeschikkingstelling van de opslagruimten, geldt.

a.2.2. Volgens eiseres is *in casu* aan alle voorwaarden van de administratieve tolerantie voldaan, en komt derhalve de gehele ter beschikking gestelde oppervlakte (3.220 m 2) in aanmerking voor onderwerping aan de B.T.W.

Daartoe verwijst eiseres naar de concrete situatie. Zij stelt dat het gebouw als volgt is samengesteld :

\- magazijn : 2.659 2;

\- inrichting chauffeurs (refter, douches, toiletten, gang) : 269 m 2 ;

\- 4 burelen : 200 m 2;

\- sanitaire en hygiënische voorzieningen administratief personeel (refter, toiletten) : 24,7 m 2;

\- ruimte voor nutsvoorzieningen (C.V.; elektriciteits- en watermeters) : 15 m 2;

\- archief : 53 m 2.

Volgens eiseres wordt de oppervlakte van het ter beschikking gestelde onroerend goed als opslagruimte gebruikt, met een gedeeltelijke aanwending (ten belope van niet meer dan 10 % van de totale oppervlakte) als bureelruimte dienstig voor het beheer van de opslagruimte.

Terecht doet verweerder in dat verband evenwel opmerken dat de voorwaarden van de administratieve tolerantie *in casu* niet vervuld zijn, nu de inrichting voor de chauffeurs, de burelen, de sanitaire en hygiënische voorzieningen voor het administratief personeel, de ruimte voor nutsvoorzieningen en het archief niet in het eigenlijke magazijn zijn gelegen, maar daarnaast, en deze ruimten geen rechtstreeks verband houden met het beheer van de opgeslagen goederen, maar wel met de distributie daarvan. In dat verband stelt verweerder met reden dat de activiteit van de NV Bi aan wie het gebouw door eiseres ter beschikking werd gesteld, een infrastructuur vereist die meer is dan de loutere opslag van goederen en een kantoorruimte van niet meer dan 10 % van de totale oppervlakte.

Daartoe verwijst verweerder terecht naar de volgende elementen :

\- het doel van de NV Bi bestaat onder meer in de aan- en verkoop van goederen en in het transport daarvan (zie de gegevens van het dossier inzake directe belastingen waarvan verweerder op grond van artikel 93 *quaterdecies* W.B.T.W. inzage heeft genomen);

\- de NV Bi heeft slechts één inrichting in het arrondissement Mechelen, op het adres van het gebouw in kwestie (zie de aanvraag tot inschrijving in het handelsregister);

\- de ganse boekhouding van de NV Bi wordt gedaan op het adres van het gebouw in kwestie (zie het proces-verbaal van 12 mei 2000 met de verklaring van mevrouw Dahlman, fiscaal raadgever van de NV Bi en van eiseres);

\- de raden van bestuur en de algemene vergaderingen van de NV Bi werden gehouden op het adres van het gebouw in kwestie (zie het verslag van de raad van bestuur van 30 april 1999 en het proces-verbaal van de algemene vergadering van 14 mei 1999);

\- bovendien heeft nog een andere vennootschap, nl. de NV Ma op het adres haar maatschappelijke zetel gevestigd.

Nu de voorwaarden van de administratieve tolerantie niet vervuld zijn, is de 10 %-regel, zoals verweerder terecht voorhoudt, zonder belang.

Bij gevolg komt de rechtbank tot het besluit dat verweerder de terbeschikkingstelling van het gebouw in zijn geheel terecht als een van B.T.W. vrijgestelde huur heeft beschouwd, zodat de vordering van eiseres, zoals geformuleerd in hoofdorde, dient te worden afgewezen.

##### b) Wat de vordering van eiseres in ondergeschikte orde betreft

Eiseres stelt dat de administratie van oordeel is dat de overeenkomst van terbeschikkingstelling moet worden aangezien als een huur van onroerend goed, die is vrijgesteld krachtens artikel 44, § 3 W.B.T.W., en dat zij op basis daarvan de door de NV Bi in aftrek gebrachte B.T.W. verwerpt en een bedrag van 42.166,69 euro (1.701.000 BEF) terugvordert.

Verder stelt eiseres dat zij in het kader van de overeenkomst van terbeschikkingstelling driemaandelijks een bedrag van 14.055,56 euro (567.000 BEF) aan B.T.W. ontvangt, en dat zij dit bedrag telkens in haar B.T.W.-aangifte heeft opgenomen en heeft doorgestort aan de Schatkist.

Bijgevolg meent zij dat de administratie een tweede maal tracht het bedrag van 42.166,69 euro (1.701.000 BEF) te bekomen.

Indien de overeenkomst tot terbeschikkingstelling moet worden aangezien als een huur van onroerend goed, vrijgesteld krachtens artikel 44, § 3 W.B.T.W., meent eiseres dat zij ten onrechte B.T.W. heeft ingehouden en doorgestort aan de Schatkist. Derhalve meent zij dat deze sommen aan haar dienen te worden teruggestort.

Verweerder doet ter zake opmerken dat, aangezien de terbeschikkingstelling van het gebouw door eiseres aan de NV Bi moet worden aangezien als een onroerende verhuur, die overeenkomstig artikel 44, § 3, 2º W.B.T.W. van de belasting is vrijgesteld, de administratie geen aftrek kan aanvaarden van de B.T.W. die eiseres heeft aangerekend aan de NV Bi aangezien niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 45, § 1, 1º W.B.T.W.

Verweerder wijst er verder op dat eiseres op grond van artikel 77, § 1, 1º W.B.T.W. recht op teruggaaf heeft van de B.T.W., die zij ingevolge een vergissing heeft voldaan, maar dat zij dat recht dient uit te oefenen overeenkomstig de normale ter zake geldende regels zoals uiteengezet in het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake B.T.W. Hieruit volgt dat, voorzover eiseres de met betrekking tot de teruggaaf toepasselijke termijnen en voorwaarden respecteert, de B.T.W. die zij ten onrechte aan haar medecontractant heeft aangerekend en aan de Staat heeft afgedragen, voor teruggaaf vatbaar is.

In casu heeft eiseres evenwel nagelaten een aanvraag om teruggaaf in te dienen, maar heeft zij een rechtsvordering ingesteld.

De rechtbank treedt verweerder op dit punt bij, en meent derhalve dat de vordering van eiseres, zoals geformuleerd in ondergeschikte orde, eveneens dient te worden afgewezen.

### Beschikkend gedeelte

*Om deze redenen*,

*De Rechtbank*,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, zoals nadien gewijzigd.

Rechtsprekend in eerste aanleg, na tegenspraak.

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als niet ter zake en/of overbodig.

Voegt de zaken gekend onder A.R. nr. 00/8838/A en A.R. nr. 00/14340/A samen.

Verklaart de vordering van de NV Gu ontvankelijk, doch wijst ze af als ongegrond.

Veroordeelt de NV Gu tot de kosten van het geding.

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen
