Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg 7 december 1999

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-mechelen-1999-12-07-afbc

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Datum
7 december 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

55 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Mechelen d.d. 07.12.1999

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, zesde kamer, rechtsprekend in burgerlijke zaken, wijst het volgende vonnis :

AR nr. 98/328/A

Inzake :

De NV D., met zetel te …, …, eiseres, die als raadsman heeft Mr. H. D., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Hoofdcontroleur van het tweede BTW­controlekantoor te Mechelen, wiens burelen gevestigd zijn te 2800 Mechelen, Sint-Romboutskerkhof 4, verweerder, die als raadsman heeft Mr. L. C., advocaat te …, …


Gelet op het eerder vonnis van de Beslagrechter in deze rechtbank van 20.03.1998 waarbij de zaak naar de rechtbank werd verzonden in akkoord van de partijen;

Gelet op de beschikking van 29.06.1999 verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 Ger. W.;

Gelet op de conclusies van de partijen en de door hen overgelegde stukken;


1. Procedure

De vordering strekt er toe voor recht te horen zeggen dat de in het dwangbevel van 15.07.1998, waaraan een eerdere afrekening én een betaling onder voorbehoud was voorafgegaan, gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, en de teruggave overeenkomstig het BTW-wetboek te bevelen van de onder voorbehoud betaalde bedragen, vermeerderd met vergoedende intresten vanaf 11.02.1998.

In ondergeschikte orde strekt de vordering er toe de boete kwijt te schelden, minstens te verminderen, en in uiterst ondergeschikte orde verweerder te veroordelen tot de terugbetaling van de betaalde nalatigheidsintresten waartoe eiseres was gehouden vanaf 24.06.1997 tot de dag van de betaling.

Deze vordering, tijdig en regelmatig ingesteld, is ontvankelijk, wat niet wordt betwist.

2. Beoordeling

a) Betreffende de BTW

Uit de stukken van de partijen, en onder meer uit de verklaringen van de afgevaardigd-bestuurder van eisers, blijkt dat eiseres op 25.06.1993 een partij videospelers kocht in … en dat deze toestellen in … werden afgehaald, waarna deze werden doorverkocht aan een firma M. M. S. SARL in … onder vrijstelling van BTW.

Tevens blijkt dat deze goederen door eiseres werden geleverd in …, en dat haar ter betaling daarvan een cheque van 100.000 frank werd overhandigd, getrokken op het Gemeentekrediet, en het saldo in speciën.

De betwisting tussen de partijen betreft de vraag of eiseres al dan niet rechtmatig van de vrijstellingsregeling gebruik heeft gemaakt conform artikel 39bis, § 1 W.BTW, en meer bepaald of zij de voorwaarde daarvan vervult dat “… de goederen door de verkoper (…), door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd (werden) buiten België maar binnen de Gemeenschap …”.

Luidens de artikelen 1 tot 3 van het KB nr. 52 is immers deze vrijstelling afhankelijk van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap, en moet de verkoper te alle tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer blijkt.

Eisers kan worden gevolgd wanneer zij stelt dat zij het bewijs van dit vervoer of juister gezegd van het feit dat de goederen België hebben verlaten, met alle middelen van recht kan leveren.

Evenwel kan worden gevolgd wanneer zij stelt dat zij het bewijs van dit vervoer, of juister gezegd van het feit dat de goederen België hebben verlaten, met alle middelen van recht kan leveren.

Duidelijk is immers dat de goederen ter beschikking van de koper werden gesteld in … (eigen verklaring van de afgevaardigd-bestuurder van eiseres) en ook daar werden betaald.

Het feit dat met een cheque (van een Belgische bank) werd betaald levert geen bewijs van een opvolgend vervoer, en de betaling in speciën natuurlijk nog minder.

De verklaringen van een ex-werknemer van de koper, vier jaar na de feiten afgelegd, wordt door de rechtbank als hoogst twijfelachtig van de had gewezen nu blijkt dat deze heer M., die verklaart uitsluitend in de aankoopdienst werkzaam te zijn geweest, zich na zo lange tijd nog tot op de frank het exact bedrag van een transactie herinnert, hetgeen hoogst onwaarschijnlijk is.

Dat deze Heer M. bovendien weet te bevestigen dat de goederen voorkwamen in de boekhouding – waarmee hij dus hoegenaamd niets te zien had – is al even ongeloofwaardig en brengt in genen dele het bewijs van het transport van de goederen buiten België.

Ook een bevestiging van de fiscale administratie van de juistheid van een buitenlands BTW-nummer, dat overigens niets zegt over de fiscale toestand van de buitenlandse koper, houdt vanzelfsprekend niet het bewijs in dat de betreffende goederen inderdaad het grondgebied van België hebben verlaten.

Eiseres faalt dus in haar bewijslast, en dienvolgens is ook de BTW, voor een op zichzelf onbetwist bedrag van 196.104 frank verschuldigd.

b) Betreffende de boeten

De rechtbank heeft volledige rechtsmacht om zowel te oordelen over de opportuniteit als over de hoogte van de boete.

De rechtbank verwijst in dat verband naar de overwegingen vervat in o.a. het vonnis van deze rechtbank van 11.01.1996 (F.J.F., 96/106, niet alleenstaand).

Het arrest nr. 22/99 van 24.02.1999 (BS 30.04.1999) van het Arbitragehof bevestigt overigens dit principe.

Gelet op het feit dat eiseres ondertussen - weze het onder voorbehoud - de van haar gevorderde sommen heeft betaald, is het ter zake passend de boeten, door verweerder berekend op 392.208 frank, te verminderen tot een bedrag van 39.220 frank.

c) Betreffende de intresten

Gelet op het feit dat de BTW verschuldigd blijft, blijven ook de daarop berekende intresten verschuldigd.

Uit de historiek die door verweerder in zijn conclusie wordt gegeven blijkt daarenboven dat hem geen enkele inbreuk of nalatigheid in verband met de regels van behoorlijk bestuur kunnen worden verweten nu hij zijn administratieve werkzaamheden binnen aanvaardbare termijnen tot voltooiing heeft gebracht.

d) Conclusie

Gelet op wat voorafgaat waren op basis van het dwangbevel van 15.07.1998 aan verweerder de sommen verschuldigd van 196.104 frank aan BTW, plus 39.220 frank aan boeten, plus 86.240 frank aan intresten, hetzij samen 321.564 frank.

Er is dus aanleiding de vordering van eiseres gedeeltelijk in te willigen en voor recht te zeggen dat zij de in het aangevochten dwangbevel vermelde sommen slechts verschuldigd is tot beloop van een bedrag van 321.564 frank, en de teruggave van hetgeen onder voorbehoud méér werd betaald te bevelen overeenkomstig het BTW-wetboek, zoals door eiseres werd gevorderd.

e) Betreffende de kosten

Gelet op het respectievelijk gelijk en ongelijk van de partijen dienen de kosten tussen hen bij helften te worden verdeeld.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak en in eerste aanleg;

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op de latere aanvullingen en wijzigingen daaraan;

Verklaart de vordering ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond, doch ongegrond en afgewezen voor het overige;

Zegt voor recht dat de in het aangevochten dwangbevel van 15.07.1998 vermelde sommen door eiseres slechts verschuldigd is tot beloop van een bedrag van 321.564 frank;

Beveelt de teruggave overeenkomstig het BTW-wetboek van hetgeen onder voorbehoud méér werd betaald;

Veroordeelt de partijen elk tot de helft van de kosten, in hoofde van eiseres begroot op 8.118 + 12.600 = 20.718 frank en in hoofde van verweerder op een rechtsplegingsvergoeding van 12.600 frank.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op zeven december negentienhonderd negenennegentig waar zitting namen :

De Heer M. D. G., alleenzetelend rechter

Mevrouw E. V., adjunct-griffier.

E. V. M. D. G.

Aangehaalde teksten

2
KB nr. 52 art. 11 voorkomen
KB nr. 52 art. 31 voorkomen