---
title: "9 september 2009 · Vrijstelling, uitvoer · Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt"
description: "Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, teruggaaf van belasting. Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België), 9 september 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-hasselt-2009-09-2953"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, teruggaaf van belasting, vervolging · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Hasselt

**Datum**

9 september 2009

## Procesverloop

2 stappen · 2 jaar 1 maand

1. Weergegeven beslissing Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt 09.09.2009
2. [Beslissing in beroep Hof van beroep te Antwerpen 11.10.2011](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-antwerpen-2011-10-11-c309)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

95 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Hasselt d.d. 09.09.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**DE BURGERLIJKE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG, ZITTING HOUDENDE TE HASSELT, ELFDE KAMER A, HEEFT HET VOLGENDE VONNIS UITGESPROKEN :**

**IN ZAKE AR nr. 07/2576/A**

**H. NV**, met ondernemingsnummer …, met vennootschapszetel gevestigd te …, ….

De heer **V. R.**, afgevaardigd bestuurder van eiseres, verschijnt in persoon, bijgestaan door mr. **B. T.**, advocaat te …, ….

**tegen :**

**ADMINISTRATIE VAN DE BTW, REGISTRATIE EN DOMEINEN**, in de persoon van de ontvanger van het eerste BTW-ontvangkantoor te Hasselt, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43, bus 40.

**DE BELGISCHE STAAT, FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN**, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12.

**verweerder,**

vertegenwoordigd door mr. **D. D.** loco mr. **R. F.**, advocaat te …, ….

**VOLGT HET VONNIS :**

Gelet op :

\- het geregistreerd exploot van dagvaarding van **B. H.** te … van 31.10.2007;

\- de besluiten, aanvullende besluiten en stukken van eiseres;

\- de conclusies, aanvullende conclusies, synthesebesluiten en stukken van verweerder.

---

## 1. Feiten en vorderingen

Eiseres was bedrijvig als groothandelaar in audiovisuele apparatuur.

De verkopen werden door eiseres gefactureerd in toepassing van [artikel 39bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis), als intracommunautaire levering en dus vrijgesteld van BTW.

De belastingadministratie was van oordeel dat niet voldaan was aan de voorwaarden van [artikel 39bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) en verzocht eiseres de verschuldigde BTW te voldoen.

Op 29.03.1995 verrichtte de administratie een inhouding op basis van KB nr. 4 van 29.12.1969. Deze inhouding gold als bewarend beslag overeenkomstig artikel 8 primo, § 3, 5° KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Door verweerder werd er na hoger vermelde akte van inhouding geen dwangbevel uitgevaardigd.

Eiseres dagvaardde verweerder om te verschijnen voor de beslagrechter te Hasselt teneinde opheffing te bekomen van het beslag. Bij beschikking van 26.11.1996 werd door de beslagrechter te Hasselt de vrijwillige handlichting bevolen.

Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen stelde verweerder hoger beroep in tegen voormelde beschikking. Bij arrest van 24.11.1997 werd het beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

Op 27.12.1996 werd er door de administratie een akte van inhouding uitgevaardigd op basis van artikel 8 primo, § 3, 4° lid KB nr. 4 van 29.12.1969.

Op 27.06.1997 werd er een nieuw PV van inhouding verzonden op de tegoeden zoals die blijken uit de rekening-courant per 30.04.1997. Deze inhouding geschiedde op basis van artikel 8, primo § 3, 5 de lid KB nr. 4 van 29.12.1969.

Eiseres dagvaardde op 13.06.1997 verweerder om te verschijnen voor de beslagrechter te Hasselt teneinde opheffing te bekomen van het beslag. Bij beschikking van 10.07.1997 werd door de beslagrechter te Hasselt de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard, stellende dat het PV van inhouding d.d. 27.12.1996 ten onrechte geschiedde en deze van 27.06.1997 terecht.

Omdat verweerder naliet een dwangbevel uit te vaardigen dagvaardde eiseres op 03.12.1997 verweerder opnieuw om te verschijnen voor de beslagrechter te Hasselt teneinde opheffing te bekomen van het bewarend beslag op het BTW-tegoed van 27.06.1997 en van alle nadien ingehouden BTW-tegoeden onder verbeurte van een dwangsom. Eiseres vorderde tevens verweerder te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van een miljoen Belgische frank, hetzij 24.789,35 euro. Bij beschikking van 27.01.1998 werd door de beslagrechter te Hasselt de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. Door de beslagrechter werd de vrijwillige handlichting bevolen van het bewarend beslag van 27.06.1997 en dit onder verbeurte van een dwangsom. Tevens werd verweerder veroordeeld om aan eiseres een schadevergoeding te betalen van 150.000 Bef., hetzij 3.718,40 euro, meer de gerechtelijke intresten. In het motiverend gedeelte van de beschikking werd er een voorbehoud verleend voor een aansprakelijkheidsvordering.

Op 23.03.1998 werd een dwangbevel uitgevaardigd door **F. H.**, e.a. Inspecteur a.i. van het eerste ontvangkantoor van de BTW te Hasselt, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24.03.1998. Het dwangbevel steunde op het mede betekende proces-verbaal van 20.02.1998.

Eiseres tekende verzet aan tegen voormeld dwangbevel bij de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt.

Op 30.03.1998 verrichtte de administratie een inhouding op basis van KB nr. 4 van 29.12.1969.

Op 31.07.1998 dagvaardde eiseres verweerder voor de beslagrechter teneinde opheffing te bekomen van het bewarend beslag onder verbeurte van een dwangsom en tevens de veroordeling te bekomen van een bijkomende provisionele schadevergoeding van 2.500.000 Bef, hetzij 61.973,38 euro en de aanstelling van een deskundige om de schade te begroten.

Bij beschikking van de beslagrechter van 20.10.1998 werd de vrijwillige handlichting bevolen van het bewarend beslag van 30.03.1998 op de inhoudingen ingevolge dwangbevel dd. 23.03.1998 onder verbeurte van een dwangsom en werd er voorbehoud verleend om een schadevergoeding te vorderen.

Tegen voormelde beschikking werd er door verweerder hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 19.10.1999 van het hof van beroep te Antwerpen werd het hoger beroep ontvangen en gegrond verklaard. Het incidenteel beroep werd ontvangen doch ongegrond verklaard. Het hof van beroep oordeelde dat het vermoeden van urgentie onaangetast bleef nu eiseres er niet in slaagde dit vermoeden te ontkrachten.

Bovendien oordeelde het hof van beroep dat de vaststellingen opgenomen in het PV van 20.02.1998 bewijs opleverden zolang het tegendeel niet was bewezen. Tevens besliste het hof van beroep dat eiseres niet aantoonde dat verweerder enige fout had begaan en er ook geen aanleiding was om een schadevergoeding toe te kennen.

Ondertussen werden er door verweerder verschillende aktes van inhoudingen betekend aan eiseres namelijk op 27.08.1998, 28.09.1998, 28.10.1998, 25.11.1998, 29.11.1999, 28.02.2000 en 7.06.2001. Op 10.01.2002 dagvaardde eiseres, verweerder voor de beslagrechter te Hasselt teneinde opheffing te bekomen van voormelde bewarende beslagen en dit onder verbeurte van een dwangsom. Bij beschikking van 12.03.2002 besliste de beslagrechter te Hasselt dat de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond was. Er werd voor recht gezegd dat de eerste vier inhoudingen door verloop van tijd van rechtswege ophielden uitwerking te hebben en dat de laatste drie inhoudingen ten onrechte geschiedde daar er geen urgentie was. Dienvolgens werd de vrijwillige handlichting bevolen van de inhoudingen van 29.11.1999, 28.02.2000 en 07.06.2001.

Naar aanleiding van voormelde beschikking werd door verweerder op 02.07.2002 een eenzijdig verzoekschrift neergelegd bij de beslagrechter te Hasselt teneinde machtiging te bekomen tot het leggen van bewarend beslag in eigen handen op basis van artikel 1026 en 1445 e.v. Ger.W. op de vier eerste inhoudingen van BTW-tegoeden van 27.08.1998, 28.09.1998, 28.10.1998 en 25.11.1998 van NV **H.**. Tevens werd er machtiging gevraagd tot het leggen van bewarend beslag in eigen handen op basis van artikel 1026 en art. 1445 e.v. Ger. W. op de drie laatste inhoudingen van 29.11.1999, 28.02.2000 en 07.06.2001 van NV **H.**. Bij beschikking van 03.07.2002, gegeven en gedaan in raadkamer werd de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard door de beslagrechter te Hasselt.

Op 10.09.2002 tekende eiseres derdenverzet aan tegen voormelde beschikking van de beslagrechter van 03.07.2002. Bij beschikking van 12.11.2002 werd het derdenverzet ontvankelijk en deels gegrond verklaard en werd gezegd voor recht dat de machtiging die verweerder bekwam bij beschikking van 03.07.2002 geldig was tot 30.06.2003.

In de zaak ten gronde besliste de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt op 14.05.2003 dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond was.

Op 24.06.2003 tekende eiseres hoger beroep aan tegen voormeld vonnis.

Op 20.10.2006 dagvaardde eiseres verweerder om te verschijnen voor de beslagrechter te Hasselt teneinde opheffing te bekomen van de bewarende beslagen.

Op 27.06.2006 besliste het Hof van Beroep te Antwerpen in de zaak ten gronde dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond was.

Tegen voormeld arrest tekende verweerder cassatieberoep aan.

Bij beschikking van 02.01.2007 besliste de beslagrechter te Hasselt dat de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond was De beslagrechter motiveerde : *"Al deze bewarende maatregelen volgden uit de vordering zoals vastgelegd in het dwangbevel. Doordat dit dwangbevel ongedaan werd gemaakt bij arrest van 27.06.2006 van het Hof van Beroep te Antwerpen beschikt verweerder over geen titel meer. Verweerder stelt echter dat ingevolge* [*artikel 92bis BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92bis) *het instellen van de voorziening de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke uitspraak geschorst is. Zo de tenuitvoerlegging niet kan doorgaan heeft het aantekenen van Cassatie niet tot gevolg dat de uitspraak van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen onbestaande is. Hier is blijkbaar het bewijs geleverd (arrest van 27.06.2006) dat de inhoud van het dwangbevel heeft weerlegd, zodat er geen rechtsgrond meer is en de bewarende maatregelen uit kracht van de wet komen te vervallen. Het verzet is bijgevolg gegrond."*

Op 20.03.2008 werd door het Hof van Cassatie het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27.06.2006 vernietigd en werd de zaak verwezen naar het hof van beroep te Brussel. In de zaak ten gronde werd dus nog geen definitief eindarrest gewezen.

Op 31.10.2007 dagvaardde eiseres, **H.** NV, verweerder, de Belgische staat om te verschijnen voor de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt teneinde :

\- de vordering ontvankelijk en gegrond te horen verklaren;

\- dienvolgens te horen zeggen voor recht dat verweerder, door sedert 23 maart 1995, minstens 27 augustus 1998 elke teruggave onmogelijk te maken door het bewarend beslag in eigen handen, een inbreuk heeft gepleegd op de algemene zorgvuldigheidsnorm en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; verweerder hierbij te horen veroordelen om de door eiseres geleden bedrijfsschade te vergoeden, provisioneel begroot op 1,00 euro en te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, met de aanstelling van een gerechtsdeskundige-bedrijfsrevisor met als taak de begroting van de door eiseres geleden schade ingevolge de blokkering van haar bedrijfskapitaal door de aanhoudende beslagen van verweerder;

\- verweerder te horen veroordelen tot betaling van de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W.

\- de voorlopige tenuitvoerlegging te horen bevelen van het tussen te komen vonnis, niettegenstaande alle verhaal middelen, zonder borgstelling en met uitsluiting tot het recht tot kantonnement;

\- voorbehoud te verlenen van wijziging van het gevorderde bedrag in de loop van het geding.

Verweerder, de Belgische Staat, concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.

## 1. Beoordeling in rechte

### *a. De ontvankelijkheid*

De rechtbank bemerkt geen ambtshalve op te werpen middelen van onontvankelijkheid zodat de vordering ontvankelijk is.

### *b. De gegrondheid*

#### De onrechtmatige daad

Eiseres vordert vergoeding van de door haar geleden schade tengevolge van een onrechtmatige daad.

Volgens eiseres heeft verweerder een inbreuk gepleegd op de algemene zorgvuldigheidsnorm en op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur door sedert 23 maart 1995, minstens 27 augustus 1998 elke teruggave onmogelijk te maken door het bewarend beslag in eigen handen.

Gelet op voormelde omschrijving acht de rechtbank het niet nodig de procedure ten gronde af te wachten alvorens uitspraak te doen over de gevorderde schadevergoeding. Voormelde omschrijving van het foutbegrip staat los van de oplossing van de procedure te grond en de rechtsvraag of er al of niet BTW verschuldigd is door eiseres.

De Belgische Staat, verweerder, kan op grond van de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregels worden veroordeeld voor de schade die rechtsonderhorigen hebben geleden als gevolg van het foutief optreden van haar eigen administraties (Cass. 19 december 1991, R.C.J.B., 1993, 285 met noot F. RIGAUX en J.L. FAGNAET, "La responsabilité civile, Chronique de jurisprudence 1985-1995", in Les dossiers du Journal des Tribunaux, larcier, 1997, 58, nr. 47). Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel stelt de administratieve overheid in de uitoefening van haar bevoegdheid vrij van de verplichting voortvloeiend uit de artikelen 1382 en 1383 om door haar fout aan een ander toegebrachte schade te vergoeden. Dit beginsel geldt ook als aan het bestuur verweten wordt onzorgvuldig te zijn opgetreden.

Opdat de aansprakelijkheid van de Belgische Staat in het gedrang zou zijn, is niet noodzakelijk vereist dat de Administratie een wettelijke bepaling heeft geschonden. Ook de schending van meer algemene gedragsregels kan tot de aansprakelijkheid van de Belgische Staat leiden. Dit is zeker het geval wanneer de Administratie de algemene principes van behoorlijk bestuur schendt. De maatstaf bij de beoordeling van het overheidsoptreden blijft aldus het algemeen zorgvuldigheidscriterium weliswaar geconcretiseerd naar de overheid toe, in het licht van de specifieke overheidshandeling.

Bijgevolg dient eiseres vooreest het toerekenbare onvoorzichtig of onbehoorlijk gedrag van de overheid aan te tonen.

Eiseres stelt dat verweerder, door sedert 23 maart 1995, minstens 27 augustus 1998 elke teruggave onmogelijk te maken door het bewarend beslag in eigen handen, een inbreuk heeft gepleegd op de algemene zorgvuldigheidsnorm en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

[Artikel 76, § 1, derde lid, BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) bepaalt dat de Koning met betrekking tot het overschot dat de belastingplichtige toekomt, ten voordele van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, een inhouding kan voorzien, die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek. Uit voormelde wetsbepaling volgt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag onder derden, inzonderheid wat betreft het recht van de belastingplichtige de geldigheid van de inhouding te laten toetsen door de rechter, maar hieruit volgt niet dat de inhouding alleen mag worden gedaan wanneer aan alle voorwaarden vereist voor een bewarend beslag is voldaan. Voor die voorwaarden zijn de vereisten van het Gerechtelijk Wetboek voor het leggen van een beslag onder derden slechts van overeenkomstige toepassing.

Deze regeling is uitgewerkt in [artikel 8/1 KB nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde. Gelet op het arrest H. v. J. nr. [C-286/94](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest), 18 december 1997 en het Arbitragehof nr. 78/98 van 7 juli 1998 dringt zich een grondwetsconforme interpretatie van deze regeling op. Bijgevolg mag de beslagrechter nagaan of aan de in de artikelen 1413 Ger.W of 1415 Ger.W. gestelde vereisten inzake spoedeisendheid en zeker en vaststaand karakter is voldaan. Ten deze werden de verschillende inhoudingen van BTW-tegoeden door de beslagrechter meermaals op hun rechtmatigheid gecontroleerd. Het behoort tot de taak van de beslagrechter in het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid van de inhoudingen, te oordelen of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de BTW-administratie de inhoudingsmaatregel van de BTW-tegoeden kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel ([Cass., 3 januari 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verzet-tegen-dwangbevel-hoger-beroep-cassatie-brussel-2003-01-03-7757), *Arr. Cass.* 2003, afl. 1, 9, concl. THIJS D en Cass., 6 november 2003, *Arr. Cass.*, 2003, afl. 11, 2050).

Gelet op bovenstaande vervult de belastingadministratie haar verplichting van behoorlijk bestuur door de inning van haar schulden te organiseren en begaat door het verrichten van de inhoudingen op zich geen fout. Verweerder is in het kader van voormelde toegelaten bewarende maatregelen slechts aansprakelijk indien eisende partij aantoont dat hij een fout heeft begaan door de inhoudingen op een onrechtmatige of onverschuldigde wijze en zonder voldoende voorzorg heeft gedaan. Deze fout kan worden afgeleid uit een tekortkoming aan de algemene zorgvuldigheidsplicht wanneer een schuldeiser meer bepaald een bewarend beslag heeft gelegd en behouden terwijl hij wist of moest weten dat zijn schuldvordering niet het vereiste zeker karakter bezat of dat het geval zich niet aandiende met de vereiste spoed.

De rechtbank stelt vast dat bij beschikking van 26.11.1996 door de beslagrechter te Hasselt de vrijwillige handlichting bevolen werd van het bewarend beslag 29.03.1995 en alle nadien ingehouden BTW-tegoeden. De beslagrechter motiveerde dat er anderhalf jaar verstreken was zonder dat eiseres kennis kreeg van een aanslag, laat staan dat er een dwangbevel zou betekend zijn. Volgens de beslagrechter kan het niet zijn dat een handelsonderneming in moeilijkheden komt door het stilzitten van de administratie. Voormelde beschikking werd door het Hof van Beroep bevestigd. Bij beschikking van 27.01.1998 besliste de beslagrechter te Hasselt tot vrijwillige handlichting van het bewarend beslag van 27.06.1997 op de BTW-tegoeden van eiseres en werd er tevens een schadevergoeding ex aequo et bono toegekend ten bedrage van 150.000 Bef., hetzij 3718,40 euro. Volgens de beslagrechter stond het vast dat verweerder niet diligent was te werk gegaan en niet als een bonus pater familias had gehandeld. Tevens verleende de beslagrechter voorbehoud voor een aansprakelijkheidsvordering. Op basis van voormelde gegevens en de door eiseres overgelegde stukken is de rechtbank van oordeel dat eiseres aantoont dat verweerder tekortgekomen is aan zijn algemene zorgvuldigheidsplicht door het leggen van de bewarende beslagen van 29.03.1995 en van 27.06.1997 en meer in het bijzonder hierdoor het recht op teruggaaf van de BTW op dat ogenblik al te zeer belemmerde, hetgeen geen zorgvuldig bestuur is. Voor deze fout werd door de beslagrechter reeds een schadevergoeding ex aequo et bono toegekend.

Voormelde onzorgvuldigheid betekent echter niet dat ook de latere inhoudingsmaatregelen strijdig zouden zijn met de algemene zorgvuldigheidsnorm. De rechtbank dient immers geval per geval na te gaan of de inhoudingsmaatregel het recht op teruggaaf belemmerde.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aantoont dat ook de latere inhoudingmaatregelen onzorgvuldig gebeurden. Uit de overgelegde beslissingen van de beslagrechter en het Hof van Beroep blijkt zelfs dat er geen enkele fout door verweerder werd begaan bij het leggen van de latere bewarende beslagen. Zo oordeelde het hof van beroep op 19.10.1999 dat het vermoeden van urgentie onaangetast bleef nu eiseres er niet in slaagde dit vermoeden te ontkrachten.

Bovendien oordeelde het hof van beroep dat de vaststellingen opgenomen in het PV van 20.02.1998 bewijs opleverden zolang het tegendeel niet was bewezen. Tevens besliste het hof van beroep dat eiseres niet aantoonde dat verweerder enige fout had begaan en er ook geen aanleiding was om een schadevergoeding toe te kennen. Bij beschikking van 12.11.2002 werd het derdenverzet ontvankelijk en deels gegrond verklaard en werd gezegd voor recht dat de machtiging die verweerder bekwam bij beschikking van 03.07.2002 geldig was tot 30.06.2003.

Bovendien werd niet elke teruggave onmogelijk gemaakt vermits eiseres als beslagene de opheffing kon vragen van het bewarend beslag en tegen de beschikking waarbij toelating tot bewarend beslag werd verleend derdenverzet kon aantekenen. Het recht van verdediging wordt voldoende beschermd in voormelde procedures en de beslagrechter heeft op de inhoudingen een reële controle uitgeoefend.

Het feit dat bij beschikking van 02.01.2007 de beslagrechter te Hasselt besliste dat de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond was, impliceert nog niet dat verweerder onzorgvuldig zou gehandeld hebben. Deze beoordelingsfout heeft evenwel geen enkele invloed betreffende de beoordeling van zijn eventuele aansprakelijkheid, vermits er ten deze, vanaf het ogenblik dat de beslagen werden gelegd tot aan de beschikking dat de handlichting beval er in hoofde van verweerder een reeks legitieme vragen bestonden over de solvabiliteit van eiseres en er concrete vaststellingen waren van BTW-inbreuken in het proces-verbaal van 20.02.1998.

Ook de overheid heeft het recht om het probleem van al of niet rechtmatigheid van de rechtshandeling voor te leggen aan de rechtbank, opdat hierover uitspraak zou worden gedaan. Het feit dat de procedure lange tijd aansleept toont geenszins aan dat verweerder kennelijk onrechtmatig gebruik zou gemaakt hebben van proceduremiddelen of zelfs middelen ten gronde zou opwerpen die zo onsamenhangend zijn dat hij noodzakelijkerwijze zich moest bewust worden van de totale afwezigheid van grond voor zijn standpunt.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres enkel een inbreuk op de zorgvuldigheidsnorm aantoont in hoofde van verweerder door het leggen van de bewarende beslagen van 29.03.1995 en van 27.06.1997. Eiseres toont niet aan dat ook de latere inhoudingsmaatregelen strijdig zouden zijn met de algemene zorgvuldigheidsnorm.

#### De schade en het oorzakelijk verband

Zoals hoger reeds uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat eiseres aantoont dat verweerder tekortgekomen is aan zijn algemene zorgvuldigheidsplicht door het leggen van de bewarende beslagen van 29.03.1995 en van 27.06.1997 en meer in het bijzonder hierdoor het recht op teruggave van de BTW op dat ogenblik al te zeer belemmerde, hetgeen geen zorgvuldig bestuur is. Voor deze fout werd door de beslagrechter een schadevergoeding ex aequo et bono toegekend.

Eiseres dient niet alleen de schade maar ook het oorzakelijk verband tussen de schade en de door de rechtbank weerhouden fout in hoofde van verweerder aan te tonen.

Eiseres faalt echter in de op haar berustende bewijslast. Het door eiseres bijgebrachte schaderapport betreft een eenzijdig opgesteld stuk en toont geenszins aan dat er door voormeld onzorgvuldig optreden van verweerder met betrekking tot de inhoudingen van 29.03.1995 en van 27.06.1997 meer schade geleden werd dan hetgeen door de beslagrechter reeds werd toegekend. Bovendien bewijs eiseres geenszins het oorzakelijk verband tussen de schade weerhouden in het schaderapport en de door de rechtbank weerhouden onzorgvuldigheid. Door de onzorgvuldigheid met betrekking tot de bewarende beslagen van 29.03.1995 en 27.06.1997 werden enkel inhoudingen verricht op de BTW-tegoeden en kan eiseres bezwaarlijk stellen dat het volledige bedrijfskapitaal werd lamgelegd. Het feit dat eiseres zich diende te verantwoorden voor de rechtbank van koophandel kan tevens te wijten zijn aan externe factoren.

Gelet op voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de vordering van eiseres tot toekenning van een provisionele schadevergoeding en de aanstelling van een deskundige ongegrond is.

#### Rechtsplegingsvergoeding

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de inwerkingtreding van de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (BS 31.05.2007) en de onmiddellijke toepassing van deze wet op alle hangende gedingen vanaf 01.01.2008.

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen en stellen dat deze vordering niet in geld waardeerbaar is.

De rechtbank ziet geen enkele reden om af te wijken van het basisbedrag.

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld moet zij overeenkomstig artikel 1017, 1° lid Ger.W. de gerechtskosten dragen.

---

Gelet op de art 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

---

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,** rechtdoende op **tegenspraak**;

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten, door de rechtbank vereffent op 181,14 euro dagvaardingskosten en op 1.200 euro rechtsplegingsvergoeding, zijnde het basisbedrag van een niet in geld waardeerbare vordering.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **elfde kamer A**, op het gerechtshof te Hasselt op **09.09.2009**, alwaar aanwezig waren :

Mevrouw **C. P.**, enige rechter, en

De Heer **L. P.**, griffier.

**L. P.** **C. P.**

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 2 voorkomens

[KB nr. 4 art. 8/1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

[WBTW art. 92bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92bis) 1 voorkomen

[C-286/94 e.a., arrest van 18 december 1997](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-286-94-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Dwangbevel, Bijzondere rekening, Inhouding, inhouding van een Btw-belastingskrediet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bijzondere-rekening-inhouding-btw-cassatie-brussel-2021-04-30-284f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Vormvereisten factuur, Voordelen van alle aard](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vormvereisten-factuur-voordelen-rechtbank-gent-2013-09-18-05bd) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, bewijs, controlemaatregel, teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-bewijs-hof-van-beroep-gent-2003-09-16-2b31) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Bewijs, Geldboeten, Frauduleuze intentie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-bewijs-geldboeten-frauduleuze-rechtbank-bergen-2003-10-01-6da4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, teruggaaf van belasting, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-teruggaaf-vervolging-rechtbank-gent-2001-06-12-8019) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-teruggaaf, Btw-vrijstelling voor invoer gevolgd door een intracommunautaire levering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-teruggaaf-vrijstelling-invoer-gevolgd-hof-van-beroep-brussel-2025-03-05-9358) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-hof-van-beroep-gent-2001-12-04-999a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, inhouding btw-tegoeden, stuitende handelingen, opmaken proces-verbaal, opmaken dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-inhouding-btw-tegoeden-stuitende-rechtbank-antwerpen-2017-10-02-b184) 2 gemeenschappelijke bepalingen
