---
title: "6 april 2009 · Vrijstelling, uitvoer · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (België), 6 april 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brussel-2009-04-06-5b0b"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

6 april 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

165 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 06.04.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer**

*-* *BTW*

*-* *op tegenspraak*

*-* *eindvonnis*

In zake van :

**De VOF BP C.**, coördinatiecentrum en marktonderzoeksbureau, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het register der ondernemingen onder het nummer …, in haar hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van **H. & S.** Ltd, vennootschap naar Engels recht, met maatschappelijke zetel in het …, …, …,

**eisende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **F. V. B.**, advocaat te …, … (ref. : …),

**tegen :**

**De BELGISCHE STAAT**, Administratie van de BTW, registratie en domeinen op vervolging en benaarstiging van de eerstaanwezend inspecteur van het BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**verwerende partij,**

vertegenwoordigd door Mr. **D. B.** loco Mr. **A. D.**, advocaat te …, … (ref : …),

Na beraad op 9 maart 2009 spreekt de rechtbank het navolgend vonnis uit :

Gelet op :

\- de dagvaarding van 6 juli 2007 betekend door het ambt van Mr. **C.**, gerechtsdeurwaarder met standplaats te …,

\- de beschikking tot regeling van conclusietermijnen overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek van 11/9/2007,

\- de conclusies van verweerder, neergelegd ter griffie op 8/1/2008, 4/9/2008 en 7/1/2009,

\- de conclusies van eiseres, neergelegd ter griffie respectievelijk op 6/6/2008 en 8/12/2008.

Gehoord de raadslieden van partijen ter openbare zitting van 9 maart 2009, waarna de bundels met de stavingstukken van partijen neergelegd werden en de zaak in beraad genomen werd.

Toepassing is gemaakt van de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 1. FEITEN

1\. BP **C.** was de aansprakelijke vertegenwoordiger van **H. & S.** Ltd. voor haar Belgische BTW-activiteit. **H. & S.** Ltd. was daartoe in België als BTW-belastingplichtige geregistreerd onder het BTW-nummer BE ….

Naar aanleiding van de vraag tot stopzetting van dit BTW-nummer, op naam van **H. & S.**, d.d. 26 april 1999, die volgens de brief van de administratie d.d. 12 juli 1999 officieel uitwerking zou hebben op 1 augustus 1999, heeft de administratie op 12 september 2000 een BTW-controle doorgevoerd bij eiseres over de periode 1 oktober 1997 tot 31 juli 1999.

Tijdens deze controle werd vastgesteld dat voor een aantal aankopen de originele aankoopfacturen niet konden worden voorgelegd met als gevolg dat de aftrek van voorbelasting die daarmee verband hield voor een bedrag van € 281.306,97 door de administratie niet kon worden toegestaan (1).

Verder werd vastgesteld dat **H. & S.** Ltd. Goederen, met name chemische producten had aangekocht bij de vennootschappen **P.** en BP **B.** NV waaraan geen overeenstemmende verkopen door **H. & S.** Ltd. konden verbonden worden (2). Bij toepassing van [artikel 64 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) werd door de administratie op deze aankopen de BTW gevorderd wat resulteerde in een te betalen BTW-schuld van € 281.234,114.

Met de **eerste correctie opgave d.d. 14 februari 2001** werd bijgevolg € 562.541,08 (= € 281.306,97 + 281.234,11) gevorderd van eiseres in haar hoedanigheid van aansprakelijk vertegenwoordiger van **H. & S.** Ltd., te verhogen met een boete (van respectievelijk 10 % voor de inbreuken op de aftrekregeling en 20 % voor de toepassing van [artikel 64 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64).) en interesten.

2\. Na het overmaken van de bewuste, originele aankoopfacturen (punt (1) voormeld) werd door de administratie een **tweede correctieopgave d.d. 5 april 2001** opgesteld die de eerste correctie opgave d.d. 14 februari 2001 verving.

In deze tweede correctie opgave stelde de administratie immers dat **H. & S.** Ltd., in de periode tussen oktober 1997 en april 1998, het chemische product “acetophenon 99 %” had aangekocht bij de firma **P.** en bij de firma BP **B.** NV het chemische product “high purity acetonitrile”, doch eiseres kon volgens de administratie geen overeenstemmende verkopen voorleggen.

Bij toepassing van [artikel 64 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) werd op de samengetelde bedragen van deze aankopen (in casu € 1.339.210) 21 % BTW gevorderd voor een bedrag van € 281.234,11 te verhogen met een boete van 20 % of € 56.222,25 en interesten.

Eiseres heeft naar aanleiding van de opstelling van deze tweede correctie opgave d.d. 5 april 2001 aan de administratie een lijst bezorgd met verkopen die met de door de administratie geviseerde aankopen (bij Phenolchemie en BP **B.**) zouden corresponderen. Tevens werden "sales invoice reporten" en attesten van klanten van "**H. & S.**" gevoegd, die volgens eiseres bevestigen dat ze de goederen hebben ontvangen en in hun eigen land aan BTW hebben onderworpen (intracommunautaire verwerving).

3\. Ingevolge de voorlegging van deze stukken werd door de administratie op **22 januari 2002 een derde correctieopgave** opgesteld die beide vorige correctie opgaven verving.

In deze correctie opgave stelde de administratie :

\- Dat voor welbepaalde aankopen van "acetophenon 99 %" bij **P.** geen overeenstemmende verkopen konden worden aangetoond waardoor eiseres, in haar hoedanigheid van aansprakelijk vertegenwoordiger, 21 % BTW op € 292.803 of € 61.488,68 BTW verschuldigd was;

\- Dat de uitvoer van goederen naar de vennootschap "**B. C.** Ltd." (…) niet afdoende naar recht bewezen werd zodat eiseres (als aansprakelijk vertegenwoordiger) op deze handeling 21 % op € 10.899,75 of € 2.288,95 verschuldigd was.

\- Dat op bepaalde verkoopfacturen Belgische BTW was vermeld, die evenwel niet was opgenomen in de BTW-aangifte zodat eiseres de op deze facturen vermelde BTW van 43.344,85 verschuldigd was;

\- Dat voor welbepaalde verkoopfacturen van het product "high purity acetonitrile", waarvoor de vrijstelling van [artikel 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) door **H. & S.** werd ingeroepen, het bewijs van deze intracommunautaire levering niet afdoende was·geleverd, zodat eiseres in haar hoedanigheid van aansprakelijk vertegenwoordiger de Belgische BTW van 21 % op € 420.721,75 of € 88.351,46 verschuldigd was;

\- Dat voor welbepaalde verkoopfacturen van het product "high purity acetonitrile", waarvoor de Engelse BTW aan 17,5 % was aangerekend, het tegenbewijs dat levering niet in België had plaats gegrepen niet afdoende was geleverd zodat eiseres in haar hoedanigheid van aansprakelijk vertegenwoordiger de Belgische BTW van 21 % op € 794.010,27 of € 166.742,16 verschuldigd was;

In totaal werd van eiseres in haar hoedanigheid van aansprakelijk vertegenwoordiger fan **H. & S.** Ltd. - € 363.891,67 aan BTW gevorderd verhoogd met de interesten vanaf 21 augustus 1999 en een wettelijke proportionele boete van boete van het dubbele (200 %) van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting.

Eiseres heeft de derde correctieopgave niet voor akkoord ondertekend. Met betrekking tot de leveringen van "high purity acetonitrile" werden bijkomende delivery notes, CMR-documenten en laaddocumenten toegestuurd aan de administratie.

5\. In **de vierde correctie opgave d.d. 22 april 2002** - die niet wordt voorgelegd, maar waarvan de inhoud zou overeenstemmen met de inhoud van het proces-verbaal van 19/8/2002 (hetgeen niet wordt betwist) - werden grotendeels dezelfde onregelmatigheden opgenomen.

1) Inkomende handelingen: Inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatig stuk, factuur of invoerdocument

1.1 Facturen waarvoor de maatstaf niet is uitgedrukt in Belgische frank (jaren 1997-1998)

1.2 Afwezigheid van originele facturen

2) Uitgaande handelingen

2.1 ***"acetophenon 99 %"*** :

Voor welbepaalde aankopen van "acetophenon 99 %" bij **P.** kunnen geen overeenstemmende verkopen worden aangetoond;

2.2 ***"high purity acetonitrile"***

2.2.1 Vrijstelling voorzien in [artikel 39bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)

2.2.1.1. Verkoopfacturen zonder Belgische BTW of aanduiding van vrijstelling : geen bewijs van intracommunautaire levering

2.2.1.2. Verkoopfacturen met Engelse BTW : geen bewijs van intracommunautaire levering

2.2.2. Vrijstelling voorzien in [artikel 39 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39)

2.2.3. Inbreuk op artikel 53, § 1, al. 3 en 4 en [artikel 18, § 2, al. 1 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) : Op bepaalde verkoopfacturen werd Belgische BTW vermeld, die evenwel niet was opgenomen in de BTW aangifte;

Eiseres kon zich niet akkoord verklaren met deze correctieopgave, hetgeen leidde tot het opstellen van een proces-verbaal d.d. 19 augustus 2002, opgestuurd op 11 september 2002 met dezelfde inhoud als de correctieopgave d.d. 22 april 2002 en een aanmaning tot betaling d.d. 16 september 2002 voor een bedrag van € 1.202.295,92.

Bij brief van 7 oktober 2002, deelde eiseres aan de administratie mee geenszins akkoord te kunnen gaan met boete en de Belgische BTW op de levering van "'high purity acetonitrile", waarop door "**H. & S.**" de vrijstelling van BTW en de Engelse BTW van 17,5 % was toegepast.

Onder voorbehoud van al haar rechten werd de BTW in hoofdsom met betrekking tot de overige punten, dit is voor een bedrag van € 108.898,05 betaald aan de administratie op 3 oktober 2002.

Op 25 oktober 2002 verrichtte de administratie voor hoger genoemde BTW-schuld nog een inhouding op het positief BTW-saldo van het derde kwartaal van eiseres voor een bedrag € 281.306,97.

Lopende de verdere administratieve procedure heeft eiseres nog bijkomende attesten en bewijzen van betaling aan de administratie overgemaakt. Doch de administratie handhaafde haar standpunt en op 8 juni 2006 liet zij een dwangbevel betekenen aan eiseres.

6\. Op 6 juli 2007 liet eiseres aan verweerder een dagvaarding betekenen in verzet tegen het dwangbevel van 8 juni 2006.

## 2. VOORWERP VAN DE VORDERING

7\. De vordering van eiseres strekt ertoe *"te zeggen voor recht dat. het dwangbevel verjaard, nietig, minstens onwettelijk of ongegrond is en te zeggen voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen enkel gevolg mogen hebben, de terugbetaling te bevelen van alle eventuele in uitvoering van hoger genoemde kennisgeving van dwangbevel met referentie … betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de interesten vanaf datum van betaling of inhouding en de Belgische Staat te veroordelen tot de gedingkosten en tot de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van thans € 15.000,00"*.

8\. Verweerder besluit tot de ongegrondheid van de vordering.

## 3. BEOORDELING

### 3.1. Ontvankelijkheid

9\. Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.

### 3.2. Gegrondheid

#### 3.2.1 Verjaring : [artikel 81, BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81)

10\. Volgens eiseres is de vordering van de BTW-administratie verjaard.

Tot vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999 bepaalde [artikel 81 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) dat de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten verjaarde door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop zij was ontstaan.

Bij wet van 15 maart 1999 werd het [artikel 81 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) vervangen als volgt :

> *"De vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat."*

Tevens werd een [artikel 81bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) ingevoegd :

> *"§ 1 Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. In afwijking van het eerste lid, is er evenwel verjaring na het verstrijken van het vijfde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan, zodra de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. (...)"*

Artikel 97, zevende lid van de wet van 15 maart 1999 bepaalt dat de oude artikelen [81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) en [82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) BTW-Wetboek van toepassing blijven op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999.

Verweerder betwist niet dat [artikel 81 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) moet worden toegepast, zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan door de wet van 15 maart 1999. Dit geldt evenwel niet voor de vordering van verweerder zoals vermeld in punt 1.1.2 van het proces-verbaal vermits deze vordering is ontstaan in het derde kwartaal van 1999, waarvoor de aangifte diende te worden ingediend uiterlijk op 20 oktober 1999. Nu deze vordering is ontstaan na 1 januari 1999 moeten de artikelen [81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) en [81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) BTW-Wetboek worden toegepast, zoals zij werden gewijzigd respectievelijk ingevoegd door de wet van 15 maart 1999.

11\. Partijen zijn eveneens akkoord dat de verjaringstermijn aanvangt op het ogenblik waarop de vordering is ontstaan, te weten de datum waarop de BTW-aangifte diende te worden ingediend.

Volgens verweerder had de gecontroleerde periode betrekking op 1 oktober 1997 tot en met 31 juli 1999 en diende eiseres voor deze periode een eerste aangifte in te dienen op 20 januari 1998. Volgens verweerder moet deze datum als aanvangspunt voor de verjaring in aanmerking worden genomen, met uitzondering van de BTW-vordering zoals uiteengezet onder punt 1.1.2 van de vordering. De verjaring van deze vordering heeft een aanvang genomen op 20 oktober 1999 en valt onder de toepassing van [artikel 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) en [81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) BTW-Wetboek, zoals gewijzigd door de wet van 15 maart 1999.

Volgens eiseres hebben "omzeggens alle" door de administratie geviseerde belastbare verrichtingen plaatsgevonden ten laatste in het derde kwartaal van 1998, waarvoor de aangifte ten laatste moest worden ingediend op 20 oktober 1998.

Indien blijkt dat de verjaringstermijn is verstreken en dat geen stuiting heeft plaatsgevonden vóór de betekening van het dwangbevel op 8 juni 2006, is het niet relevant welke de precieze aanvangsdatum van de verjaring is, nu in dat geval de verjaring in beide hypotheses zal zijn ingetreden.

12\. [Artikel 83, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) bepaalt dat zowel ten aanzien van de voldoening als ten aanzien van de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, de verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De stuiting van de verjaring inzake BTW wordt derhalve beheerst door artikel 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

In dat verband bepaalt artikel 2248 van het Burgerlijk Wetboek dat een erkenning van het recht van degene tegen wie de verjaring loopt door de schuldenaar of bezitter gedaan stuit de verjaring.

De schuldenaar die het recht van hem tegen wie de verjaring loopt erkent, doet blijken dat hij geen aanspraak zal maken op de verlopen termijn. Deze wilsuiting kan stilzwijgend zijn en volgen uit een handeling waaruit blijkt dat de schuldenaar afstand doet van de voordelen van de verjaring, maar zij moet zeker zijn (in dezelfde zin : Cass. 18 november 1996, Pas. 1996, 1131).

13\. Aldus moet in voorliggend geval worden nagegaan of eiseres het recht van de Belgische Staat op BTW heeft erkend.

Verweerder stelt dat de erkenning van zijn recht zou kunnen worden afgeleid uit de gedeeltelijke betaling die door eiseres werd verricht op 3 oktober 2002 ten bedrage van € 108.898,05.

In haar aangetekende brief van 6 februari 2002 (stuk 12 A.D.) verklaarde eiseres zich akkoord met de vaststellingen vervat in de punten 1.1.1; 1.1.2; 2.1; 2.2.2 en 2.2.3 van de correctieopgave van 21/1/2002 ("derde correctieopgave"). Dit werd bevestigd in het aangetekend schrijven van 14 maart 2002 (stuk 13 A.D.). De beweerde inbreuken en de gevorderde BTW zijn dezelfde als deze die zijn opgenomen in het proces-verbaal van 19 augustus 2002, hetgeen blijkt uit de totaal gevorderde BTW zijnde 363.891,67 euro.

In haar aangetekende brief van 3 oktober 2002, zijnde de dag van de door eiseres uitgevoerde betaling, stelde eiseres het volgende :

*"Wij verwijzen naar uw schrijven van 11 september laatstleden en naar de aanmaning tot betaling van 16 september laatstleden.*

*Onder verwijzing naar onze vroegere correspondentie willen wij U middels dit schrijven nogmaals meedelen dat* ***wij niet akkoord kunnen gaan met de inhoud van het proces-verbaal gedateerd op 19 augustus 2002****. De redenen van ons niet-akkoord hebben we in onze eerdere correspondentie uiteengezet en wij zijn bereid deze aan te vullen en toe te lichten in een gesprek waartoe wij U verzoeken ons uit te nodigen.*

*Wij kunnen ondermeer helemaal niet akkoord gaan met de wettelijke proportionele boete van 200 % die uit het proces-verbaal blijkt. Het proces-verbaal stelt dat er intentie aanwezig is/was om de belasting te ontduiken, hetgeen wij ten stelligste ontkennen. Wij verzoeken U derhalve het boetepercentage vooralsnog te herzien.*

*In onze vroegere correspondentie hebben wij ons, onder voorbehoud van enige boete, reeds akkoord verklaard met de verschuldigdheid van het BTW bedrag van € 108.898,05; dit bedrag betreft de verschuldigde BTW als vermeld in de punten 1.1.1; 1.1.2; 2.1; 2.2.2 en 2.2.3 van het voormeld proces-verbaal. Dit bedrag zullen wij* ***met behoud van alle rechten*** *heden overmaken aan het BTW-ontvangkantoor C.K.B.B. Wij zullen geen verder gevolg geven aan de aanmaning tot betaling.”* (benadrukking door de rechtbank).

Uit dit schrijven van 3 oktober 2002, die de inhoud van het schrijven van 6 februari 2002 en 14 maart 2002 bevestigt, en de daarbij horende betaling van het bedrag van 108.898,05 euro kan niet worden afgeleid dat eiseres het recht van de Belgische Staat op BTW, zoals uiteengezet in het proces-verbaal van 19 augustus 2002, in zijn geheel zou hebben erkend.

De betaling van eiseres geschiedde vooreerst uitdrukkelijk "onder voorbehoud van alle rechten". Er kan geen enkele erkenning worden afgeleid uit een betaling die gedaan werd onder voorbehoud van het recht dat die betaling verantwoordt (in dezelfde zin : Cass. 16/11/1996, www.cass.be ).

Bovendien kan een gedeeltelijke betaling van een globale schuldvordering uit hoofde van BTW, die zelf bestaat uit verschillende (sub)vorderingen, die elk steunen op een verschillende rechtsgrond en een verschillende oorzaak hebben, niet worden aanzien als een erkenning van het recht van de schuldeiser op de gehele schuldvordering, maar hoogstens als een erkenning van het recht van de schuldeiser wat betreft de subvorderingen waarop de betaling betrekking heeft en die beheerst worden door een eigen rechtsgrond.

In casu heeft eiseres zich uitdrukkelijk akkoord verklaard met bepaalde onderdelen van de schuldvordering van de Belgische Staat (punten 1.1.1; 1.1.2; 2.1; 2.2.2 en 2.2.3), doch uitdrukkelijk niet met de andere delen van deze schuldvordering (punten 2.2.1.1 en 2.2.1.2), die steunen op een andere rechtsbasis en een eigen oorzaak hebben. De betaling die door eiseres - het weze herhaald onder alle voorbehoud - werd uitgevoerd kan derhalve hoogstens als een erkenning worden gezien van het recht van de Belgische Staat om BTW te vorderen op de gronden en om de redenen, zoals uiteengezet in het proces-verbaal van 19 augustus 2002. Het betreft met name de vorderingen uiteengezet onder de hoofdingen :

\- 1.1.1 en 1.1.2 : inbreuken op [artikel 45, § 1 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en [artikel 3 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d); de facturen werden niet uitgedrukt in Belgische franken en van sommige aankopen kon geen originele aankoopfactuur worden voorgelegd.

\- 2.1 : inbreuk op [artikel 64 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64); voor welbepaalde aankopen van "acetophenon 99 %" bij **P.** kunnen geen overeenstemmende verkopen worden aangetoond;

\- 2.2.2 : vrijstelling op grond van [artikel 39 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) : verzending naar een plaats buiten de gemeenschap;

\- 2.2.3 : Inbreuk op artikel 53, § 1, al. 3 en 4 en [artikel 18, § 2, al. 1 KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) : Op bepaalde verkoopfacturen werd Belgische BTW vermeld, die evenwel niet was opgenomen in de BTW-aangifte;

De bewijskracht van het voormelde schrijven van eiseres zou echter worden miskend, indien hieruit zou worden afgeleid dat eiseres, door zich akkoord te verklaren met bepaalde onderdelen van de schuldvordering van de Belgische Staat, zich tevens stilzwijgend akkoord zou hebben verklaard met de andere onderdelen van deze schuldvordering, die op andere rechtsgronden steunen en een andere oorzaak hebben.

Een dergelijke uitlegging is onverenigbaar met de bewoordingen van het schrijven, waarin de inhoud van het proces-verbaal in zijn geheel wordt betwist.

Uit de gedeeltelijke betaling door eiseres kan aldus niet met enige graad van zekerheid worden afgeleid dat de schuldenaar (eiseres) afstand zou hebben gedaan van de voordelen van de verjaring voor wat betreft het door haar bestreden deel van de schuldvordering van verweerder.

Het feit dat eiseres niet zou zijn opgekomen tegen de wijze van imputatie van de vrijwillige betaling overeenkomstig [artikel 19 KB nr. 24](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45#ar24-art19) doet hieraan niet af. Het door eiseres geformuleerde voorbehoud aangaande haar gedeeltelijke betaling mag geacht worden zich tevens uit te strekken tot de aanrekening van het door haar betaalde bedrag op de door haar betwiste onderdelen van de schuldvorderingen en hun toebehoren.

14\. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat slechts stuiting plaatsgevonden door erkenning van het recht van de Belgische Staat door de betaling van 108.898,05 euro op 3 oktober 2002, met betrekking tot de punten 1.1.1, 1.1.2, 2.1, 2.2.2 en 2.2.3.

Uit de syntheseconclusie van eiseres kan worden afgeleid dat zij enkel de verjaring van de vordering van de administratie met betrekking tot de punten 2.2.1.1 en 2.2.1.2 beoogt (zie in dat verband de laatste zin van p. 6 en de eerste zin van p. 7 van haar synthesebesluiten) en dat zij aldus niet betwist dat de zij het recht van de Belgische Staat wat betreft de andere punten heeft erkend (zie in dat verband tevens het schrijven van eiseres van 3 oktober 2002; stuk 6 bundel eiseres), waardoor geen verjaring is ingetreden.

Voor wat betreft de punten 2.2.1.1 en 2.2.1.2 heeft geen stuiting plaatsgevonden, zodat de oorspronkelijke verjaringstermijn in elk geval is verstreken vóór de betekening van het dwangbevel.

De BTW-vordering van de Belgische Staat wat deze punten betreft was dienvolgens verjaard.

De vordering van eiseres uit dien hoofde is reeds gegrond.

##### Besluit

15\. De vordering van verweerder tot voldoening van de BTW, intresten en administratieve geldboeten voor wat betreft de punten 2.2.1.1 en 2.2.1.2 is verjaard.

#### 3.2.2 Nietigheid van het dwangbevel wegens schending van de rechten van verdediging

16\. Inzoverre eiseres niet stelt dat de verjaring van de vordering van de Belgische Staat zou zijn ingetreden voor wat betreft de punten 1.1.1, 1.1.2, 2.1, 2.2.2 en 2.2.3 (zoals uiteengezet in het proces-verbaal 19 augustus 2002) en zij de schending van de rechten van verdediging en de nietigheid van het gehele dwangbevel inroept, moet hier nog worden ingegaan op deze beweerde schending.

Deze beweerde schending zou het gevolg zijn van het feit dat het proces-verbaal van 19 augustus 2002 slechts in september 2002 aan haar werd medegedeeld en dit tot gevolg had dat het nog uitermate moeilijk was om bewijsstukken te verzamelen.

In haar schrijven van 6 februari 2002 en 14 maart. 2002 heeft eiseres zich uitdrukkelijk en zonder voorbehoud akkoord verklaard met de punten 1.1.1, 1.1.2, 2.1, 2.2.2 en 2.2.3 van de vordering van de Belgische Staat. Aldus kan geen schending van het recht van verdediging worden weerhouden. De beslissing om het recht van verdediging niet uit te oefenen sluit een schending van dit recht uit.

De vordering is in zoverre ongegrond.

#### 3.2.3 Middelen ten gronde

17\. Door eiseres worden geen middelen ten gronde opgeworpen wat betreft de punten 1.1.1, 1.1.2, 2.1, 2.2.2 en 2.2.3, zodat de aldus gevorderde BTW gegrond is.

#### 3.2.4 Administratieve geldboete

18\. De administratie van verweerder heeft aan eiseres een geldboete opgelegd ten belope van 727.783,34 euro overeenkomstig [artikel 70, § 1 en § 1bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70). Volgens eiseres schendt het proces-verbaal artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986.

19\. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat de vordering tot voldoening van de administratieve geldboeten voor zover deze betrekking hebben op het verjaarde deel van de vordering, eveneens is verjaard (zie [artikel 81 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81)).

De rechtbank moet zich derhalve enkel nog uitspreken over de administratieve geldboete in zoverre deze betrekking heeft op het met verjaarde deel van de schuldvordering.

20\. Artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen bepaalt dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve boete wordt opgelegd, dit bericht de feiten vermeldt die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten, en de motieven op geeft die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.

Een dwangbevel inzake belastingen over toegevoegde waarde is een bestuurshandeling waarop de wet motivering bestuurshandelingen van toepassing is. Het bestuur moet aldus de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die ten grondslag liggen aan de belastingschuld waarvoor het dwangbevel werd uitgevaardigd (vgl. o.m. Cass. 01/12/2005, F.J.F. 2007, afl. 3, 202; Brussel 21/04/2005, Fisc. Koer. 2005, afl. 11, 448).

Deze motivering moet afdoende zijn, zodat de bestuurde (thans de belastingplichtige) in de akte zelf de motieven moet vinden op grond waarvan de beslissing werd genomen, zodat hij met kennis van zaken, kan uitmaken of het aangewezen is de beslissing te bestrijden (vgl. in administratieve zaken : o.m. R.v.St. nr. 50.973, 23/12/1994).

Dit geldt evenzeer voor het proces-verbaal in zoverre in het dwangbevel hiernaar wordt verwezen, zoals thans het geval is. In dat geval maakt dit proces-verbaal immers integraal deel uit van het dwangbevel.

Deze wet noch enige andere wettelijke bepaling verhinderen dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot een bepaalde belastingschuld, het bestuur nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens aanvoert. Evenwel kunnen deze argumenten en gegevens enkel kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde belastingschuld (in dezelfde zin Cass. 1/12/2005, www.cass.be ).

Verder verzet artikel 6.1 van het EVRM zich niet tegen een systeem van administratieve geldboeten opgelegd door een administratie voor zover de belastingplichtige een rechtbank kan vatten die aan alle vereisten van artikel 6 EVRM voldoet voor wat betreft elke beslissing die aldus ten zijnen aanzien wordt genomen (EHRM, Bendenoun t. France, arrest van 24 februari 1994, serie A no 284, § 46). Eén van de kenmerken van een gerechtelijk orgaan is dat dit de bestreden beslissing kan hervormen op alle punten, zowel in rechte als feite. De rechtbank kan zich aldus uitspreken over alle feitelijke vragen en alle pertinente rechtsvragen in verband met het geschil dat hem wordt voorgelegd (EHRM, Chevrol t. France, arrest du 13 februari 2003, § 77). Een dergelijke volledige rechtsmacht veronderstelt dat de rechtbank zich kan uitspreken over de opportuniteit van de aan de belastingplichtige opgelegde administratieve geldboete en de belastingplichtige geheel of gedeeltelijk uitstel kan verlenen (zie in dezelfde zin : EHRM, Silvester's Horeca Service t. België, arrest van 4 maart 2004 betreffende een dwangbevel inzake BTW, waarin fiscale geldboeten werden opgelegd).

20\. Eiseres stelt terecht dat uit het opleggen van een administratieve geldboete van 200 % van de ontdoken of niet tijdig betaalde belastingen blijkt dat de administratie van verweerder heeft afgezien van de toepassing van de vermindering van de proportionele fiscale boeten zoals bepaald in het KB nr. 41. De niet-toepassing van deze vermindering veronderstelt noodzakelijkerwijze dat er sprake is van overtredingen begaan met het oogmerk belastingen te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Met eiseres moet worden vastgesteld :

\- dat het proces-verbaal van 19 augustus 2002 enkel verwijst naar [artikel 70, § 1 en 1bis BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), doch geen enkel motief bevat waarom er in casu sprake zou zijn van een oogmerk om de belastingen te ontduiken in hoofde van eiseres;

\- dat in de eerste en tweede correctieopgave de proportionele boeten wel werden verminderd tot 10 % en 20 % (eerste correctieopgave) en tot 5 % 20 % (tweede correctieopgave);

\- dat de vaststellingen allen werden gedaan naar aanleiding van een controle op 12/9/2000.

Pas in het kader van het onderhavige geding stelt de administratie van verweerder dat eiseres geen enkele uitgaande handeling spontaan heeft aangegeven niettegenstaande een bedrag van 54.037.593 BEF aan aankopen werd aangegeven en 11.349.479 BEF in aftrek werd gebracht. Dit feit zou op zichzelf een geldboete wegens fraude rechtvaardigen.

Verweerder betoogt tevergeefs dat de controleagent wel degelijk heeft "gerelateerd" dat er geen uitgaande handelingen werden aangegeven en dat eiseres niet anders kan dan hiervan kennis te hebben gehad.

Het loutere feit dat in het proces-verbaal waarin een administratieve geldboete wordt opgelegd wordt verwezen naar het feit dat geen uitgaande handelingen werden aangegeven en het feit dat eiseres hiervan kennis moet hebben gehad, houdt niet in dat de beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete wettig werd gemotiveerd. Deze beweerde motivering werd immers pas in het kader van onderhavig geding aangevoerd en blijkt geenszins uit het proces-verbaal of uit het dwangbevel.

Hieruit volgt reeds dat de beslissing om een administratieve geldboete op te leggen ten belope van 200 % van de ontdoken belasting niet berust op wettige motieven, die van aard zijn om de beslissing te schragen.

Bovendien kan het oogmerk om belastingen te ontduiken niet worden vermoed, maar moet het worden bewezen.

21\. Verweerder stelt terecht dat het loutere feit dat geen uitgaande handelingen werden aangegeven volstaat voor het opleggen van een geldboete wegens fraude.

In de eerste plaats weze opgemerkt dat de afwezigheid van uitgaande handelingen reeds werd vermeld in de tweede correctieopgave. Nochtans was verweerder kennelijk van oordeel dat deze omstandigheid wel degelijk een proportionele vermindering van de fiscale geldboete toeliet. Pas in de derde en vierde correctieopgave veranderde verweerder van mening en stelde hij dat geen proportionele vermindering van de geldboeten kon worden aangenomen. Verweerder neemt aldus een houding aan die inherent tegenstrijdig is met het door haar eerder ingenomen standpunt met betrekking tot dezelfde feiten zonder aanwijsbare reden.

Bovendien is vast te stellen dat er geen noodzakelijk verband bestaat tussen de afwezigheid van aangifte van uitgaande handelingen en fraude, vermits eiseres meende een beroep te kunnen doen op een vrijstelling krachtens [artikel 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39), of [39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) BTW-Wetboek en hiertoe volgens haar bewijskrachtige stukken voorlegt, die prima facie niet van elke geloofwaardigheid zijn gespeend. Het loutere feit dat de bewijzen van uitvoer door de administratie achteraf niet worden aanvaard impliceert niet noodzakelijk dat eiseres, het oogmerk had om belastingen te ontduiken, vermits onzorgvuldigheid of onachtzaamheid in het bijhouden of opstellen van de nodige bewijsstukken niet kunnen worden uitgesloten.

De afwezigheid van aangifte van uitgaande handelingen kan bovendien tenslotte niet worden aanzien als wijzend op fraude wat betreft de inbreuken aangaande het niet beschikken over een regelmatig stuk (punten 1.1.1 en 1.1.2 van het proces-verbaal van 19 augustus 2002).

22\. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de administratieve geldboete dient te worden herleid naar 5 % voor wat betreft de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting (punten 1.1.1, 1.1.2,) en 20 % voor wat betreft de niet-aangegeven BTW op uitgaande handelingen (punten 2.1, 2.2.2 en 2.2.3).

## 4. WAARDE VAN DE VORDERING EN DE GEVORDERDE RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

23\. Aangezien de vordering van eiseres gegrond is, worden de kosten van het geding, in overeenstemming met artikel 1017 van het Gerechtelijk Wetboek, ten laste gelegd van verweerder.

De waarde van de vordering situeert zich boven de grens van € 1.000.000,01.

Op grond van de waarde van het geschil kan deze vergoeding begroot worden op € 15.000. Nu geen der partijen een vordering instelt tot verhoging of verlaging van dit basisbedrag, kan dit bedrag toegekend worden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

Rechtsprekend in eerste aanleg en op tegenspraak,

Alle andersluidende en meer omvattende besluiten van de hand wijzende als met ter zake en/of overbodig,

Verklaart de vordering van eiseres toelaatbaar en gegrond in volgende mate,

Verklaart de vordering tot voldoening van de BTW, intresten en geldboeten verjaard in zoverre deze betrekking heeft op de BTW verschuldigd uit hoofde van de punten 2.2.1.1 (verkoopfacturen zonder BTW) en 2.2.1.2 (Verkoopfacturen met Engelse BTW) van het proces-verbaal van 19 augustus 2002.

Dienvolgens zegt dat het bestreden dwangbevel dat aan eiseres werd betekend op 8 juni 2006 is verjaard in zoverre het betrekking heeft op de BTW verschuldigd uit hoofde van de punten 2.2.1.1 (verkoopfacturen zonder BTW) van het proces-verbaal van 19 augustus 2002 en 2.2.1.2 (Verkoopfacturen met Engelse BTW) van het proces-verbaal van 19 augustus 2002 en ontheft eiseres van de hierin opgenomen BTW-schuld in hoofdsom, aanhorigheden en intresten, met inbegrip van de administratieve boete.

Herleidt de administratieve geldboete voor het overige naar 5 % voor wat betreft de verkeerdelijk in aftrek gebrachte belasting (punten 1.1.1 en 1.1.2 van het proces-verbaal van 19 augustus 2002) en 20 % voor wat betreft de niet aangegeven BTW op uitgaande handelingen (punten 2.1, 2.2.2 en 2.2.3 van het proces-verbaal van 19 augustus 2002).

Veroordeelt verweerder tot teruggave van de desgevallend in uitvoering van dit dwangbevel onterecht betaalde of ingehouden bedragen, te verhogen met de intresten aan de wettelijke intrestvoet op basis van [artikel 91, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), vanaf de dag van de betaling of inhouding tot de dag van volledige terugbetaling.

Wijst de vordering voor het overige af.

Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten in hoofde van eiseres begroot op € 15.000 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33 ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 6 april 2009.

Waar aanwezig waren en zitting namen :

De heer **M. B.**, toegevoegd rechter

Mevrouw **I. D.**, griffier.

**I. D.** **M. B.**

## Aangehaalde teksten

13

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 8 voorkomens

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 4 voorkomens

[WBTW art. 39](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39) 3 voorkomens

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 3 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 18](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-18-5d05) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 24 art. 19](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-24-december-betrekking-voldoening-belasting-toegevoegde-9d45) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 1 voorkomen

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 1 voorkomen

[WBTW art. 82](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-82) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, strafbepaling, administratieve geldboete, recht op aftrek van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-strafbepaling-administratieve-geldboete-recht-hof-van-beroep-gent-2004-03-23-bba3) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-voldoening-vervolging-rechtbank-brussel-2011-06-10-dcf9) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2002-10-01-e393) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 5 gemeenschappelijke bepalingen
