Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brussel d.d. 23.10.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUSSEL, 33ste Kamer
AR 98/7172/A
- Heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen
- op tegenspraak
- eindvonnis
In zake van :
De B. BV, Besloten Vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te …, …, …,
eisende partij,
vertegenwoordigd door Mr. M. loco Mr. W. H., advocaat te …, … (ref. : …),
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur (voorheen hoofdcontroleur) van het Centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 Brussel, Stevensstraat 7 - Zaveltoren 24ste verdieping (voorheen Van Orleystraat 15)
verwerende partij,
vertegenwoordigd door Mr. A. D., advocaat te …, … voorheen …, … (ref. : …),
De rechtbank spreekt het navolgend vonnis uit:
De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 26 mei 2006 waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.
De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :
• de dagvaarding van 18 juni 1998 betekend aan verweerder door het ambt van meester L., plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder in vervanging van meester D. M., gerechtsdeunvaarder met standplaats te …, …;
• de conclusie en aanvullende conclusie voor eiseres neergelegd respectievelijk ter griffie op 5 maart 2003 en 14 april 2004;
• de conclusie en aanvullende conclusie voor verweerder neergelegd respectievelijk ter griffie op 2 augustus 1999 en 8 april 2004.
Bovendien heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.
1. FEITEN
In de loop van het jaar 1994 verricht het in België gevestigde transportbedrijf de BVBA V. C. (hierna afgekort V. C.) vervoersdiensten voor eiseres. Meer bepaald het vervoer van gas vanuit het Verenigd Koninkrijk. V. C. stelt hiervoor 332 facturen op en rekent in totaal 680.380 BEF BTW aan.
Op 16 mei 1995 dient eiseres overeenkomstig artikel 76, § 2 van het BTWwetboek een aanvraag tot teruggaaf in bij het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen.
Ook in het jaar 1992 en in het jaar 1993 heeft V. C. gelijkaardige diensten verricht voor eiseres. Voor deze jaren werd de teruggaaf overeenkomstig artikel 76, § 2 van het BTW-wetboek toegestaan.
Voor het jaar 1994 herleidt verweerder de door eiseres gevorderde 680.380 BEF tot 42.476 BEF (zie aangetekende brief van verweerder van 28 maart 1996). Verweerder weigert de teruggaaf van het saldo van 637.904 BEF omdat V. C. volgens verweerder, deze BTW niet had mogen aanrekenen. Volgens verweerder zijn de door V. C. aangerekende diensten vrijgesteld op grond van artikel 41, § 1, 8° van het BTW-wetboek en artikel 1 van het KB nr. 6 van 27 december 1971. Aangezien V. C., volgens verweerder, ten onrechte BTW heeft aangerekend kan eiseres hiervan geen teruggaaf verkrijgen. Eiseres moet, nog volgens verweerder, de onterecht aangerekende BTW bij V. C. recupereren.
Op 20 november 1996 deelt de raadsman van eiseres aan verweerder mee dat eiseres niet akkoord is met het door verweerder ingenomen standpunt (zie stuk 3, bundel verweerder).
Met een brief van 31 december 1996 bericht verweerder dat het dossier van eiseres definitief is gesloten en de BTW definitief is verworden voor verweerder.
In een schrijven van 26 februari 1997 aan de Centrale administratie van verweerder, met kopie aan het Hoofd van het Centraal BTW-kantoor voor Buitenlandse betrekkingen licht de gevolmachtigde van eiseres de zaak toe. Hij stelt dat het voor eiseres onmogelijk is de vermeend ten onrechte aangerekende BTW te recupereren van V. C., gelet op het faillissement van deze laatste.
Op 29 mei 1997 antwoordt verweerder bij brief dat de niet vervulling van de door het Koninklijk Besluit nr. 6 van 27 december 1971 en de door de Aanschrijving nr. 9 van 13 april 1994 opgelegde vormvoorwaarden, niet wegneemt dat de handelingen beantwoorden aan de geest van de vrijstelling ingesteld bij artikel 41, § 2, 8° van het BTW-wetboek en aldus voor vrijstelling in aanmerking komen.
Bij dagvaarding van 18 juni 1998 maakt eiseres de zaak aanhangig bij deze rechtbank.
2. VORDERING
Eiseres verzoekt de rechtbank verweerder te voordelen tot de integrale teruggave van de door eiseres betaalde BTW, namelijk 637.904 BEF plus de moratoire interesten.
Verweerder concludeert tot de ongegrondheid van de vordering.
3. ONTVANKELIJKHEID
Partijen werpen geen specifieke gronden van niet-ontvankelijkheid van de vordering op. De rechtbank ziet evenmin redenen om ambtshalve te besluiten tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering. Deze is ontvankelijk.
4. BESPREKING TEN GRONDE
Eiseres voert aan dat zij recht heeft de aangerekende BTW in aftrek te brengen en om er teruggaaf van te verkrijgen op grond van de artikelen 45 en 76, § 2 van het BTW-wetboek. Dit ongeacht het betwiste uitgangspunt van verweerder dat de handelingen hadden moeten worden vrijgesteld van BTW en ongeacht de waag of eiseres al dan niet ten onrechte BTW werd aangerekend.
Volgens verweerder zijn de diensten van V. C. aan eiseres vrijgesteld. V. C. heeft onterecht BTW aangerekend en eiseres heeft onterecht BTW betaald. Verweerder verwijst naar het arrest Genius Holding BV om te besluiten dat de onterecht aangerekende BTW niet door eiseres in aftrek kan worden gebracht en eiseres er dan ook geen teruggaaf van kan verkrijgen (H.v.J., 13 december 1989, Genius Holding, Revue nr. 93/1/91, 41).
Artikel 76, § 2 van het BTW-wetboek bepaalt : "De niet in § 1 bedoelde belastingplichtige kan, bij wijze van teruggaaf, de belasting recupereren die geheven werd van de aan hem geleverde goederen en verstrekte diensten, en van de voor hem ingevoerde goederen en verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate waarin die belasting voor aftrek in aanmerking komt overeenkomstig de artikelen 45 tot 48."
Artikel 45, § 1 van het BTW-wetboek bepaalt : "Op de belasting die hij verschuldigd is, mag elke belastingplichtige in aftrek brengen, de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van (...)."
In de rechtsleer wordt terecht opgemerkt dat de conclusie van het arrest Genius Holding niet zonder meer in België kan worden toegepast. Volgens de letterlijke bewoordingen van artikel 45 van het BTW-wetboek mag de belastingplichtige namelijk in aftrek brengen : "de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen". De in artikel 45 van het BTW-wetboek gebruikte bewoording "geheven BTW" wijkt af van het begrip "verschuldigde BTW" van artikel 17 van de Zesde BTW-richtlijn zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie in het arrest Genius Holding. Artikel 45 van het BTW-wetboek sluit eerder aan bij artikel 11 van de Tweede BTWrichtlijn, waarin de aftrek werd toegestaan van de "gefactureerde BTW".
Bij de interpretatie van het artikel 17 van de Zesde BTW-richtlijn heeft het Hof van Justitie in het Genius Holding-arrest een onderscheid gemaakt met artikel 11 van de Tweede BTW-richtlijn. Deze laatste richtlijn koppelt volgens het Hof de aftrek van de gefactureerde BTW niet aan de effectieve verschuldigdheid ervan. Het Hof van Justitie stelt dat uit het verschil tussen de redactie van artikel 11 van de Tweede BTW-richtlijn en artikel 17 van de Zesde BTW-richtlijn volgt dat niet de gefactureerde doch wel de 'werkelijke' BTW aftrekbaar is. (Zie L. Vandenberghe, Aftrek en Teruggaaf van BTW, Antwerpen, lntersentia, 1997; nr. 501, 391-392: H. Vandebergh, Het BTW-handboek, Gent, Mys & Breesch, 2003, nr. 440-441 en H. Vandebergh, "Aftrek van ten onrechte gefactureerde BTW", T.F.R., 1990, 189-191.)
Het Europees Hof van Justitie stelt in haar arrest Genius Holding inderdaad dat ten onrechte aangerekende BTW niet aftrekbaar is, maar het Hof voegt daar ook onmiddellijk aan toe dat de lidstaten moeten voorzien in een stelsel waardoor de leverancier of dienstverrichter te goeder trouw teruggave zou kunnen verkrijgen van den onrechte aangerekende BTW. In een later arrest stelt het Europees·Hof zelfs dat wanneer het verlies van belastinginkomsten tijdig en volledig is uitgeschakeld, het neutraliteitsbeginsel inzake BTW verlangt dat ten onrechte gefactureerde BTW volledig kan worden herzien zonder dat de voorwaarde van goede trouw aan de belastingplichtige mag worden gesteld. De terzake te volgen procedure moet door de lidstaten worden bepaald, met deze beperking dat de herziening niet van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de belastingadministratie mag afhangen. (Zie H.v.J., 19 september 2000, Schmeink en Strobel, A.F.T., 2001, 41 en H. Vandebergh, Het BTW-handboek, Gent, Mys & Breesch, 2003, nr. 642.)
Verweerder betwist de goede trouw van eiseres niet. Tengevolge het faillissement van V. C. is er een volledig verlies van belastinginkomsten.
Hieruit volgt dat eiseres, op grond van de artikelen 45 en 76, § 2 van het BTWwetboek en het neutraliteitsbeginsel inzake BTW-recht heeft op de teruggaaf van de door V. C. gefactureerde BTW.
De vordering is derhalve gegrond.
Hetgeen voorafgaat maakt het onderzoek van de overige aangevoerde middelen van eiseres zonde voorwerp.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Gelet op de artikelen 4, 37, 41 en 42 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
Rechtsprekend op tegenspraak;
Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond;
Veroordeelt verweerder tot integrale teruggaaf van de door eiseres betaalde BTW namelijk 15.813,23 euro (637.904 BEF) plus de moratoire interesten.
Veroordeelt verweerder tot betaling van de gedingkosten, in hoofde van eiseres begroot op € 364,40 rechtsplegingsvergoeding en € 60,73 aanvullende rechtsplegingvergoeding.
Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 33ste kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, op 23oktober 2006
Waar aanwezig waren en zitting namen :
Mevrouw N. S., alleenrechtsprekend rechter
Mevrouw I. D., griffier.
I. D. N. S.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.