Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 18.02.2008
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hierna volgend vonnis verleend :
In de zaak 03/622/A Rep. nr. 2008/2594
mevrouw E. D., advocaat, kantoorhoudende te …, …, handelend in haar hoedanigheid van curator over het faillissement van de BVBA A., met zetel te … …, (Ondernemingsnr. …),
eiseres qq,
die in persoon optreedt
tegen :
De FOD FINANCIËN, Administratie van de Ondernemings- Inkomensfiscaliteit, in de persoon van de e.a. Inspecteur van het BTW-Ontvangkantoor te BRUGGE, met kantoren gevestigd te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4,
verweerder,
voor wie optreedt Meester J. V. d. P., advocaat met kantoor te …, …,
I. RECHTSPLEGING
Gelet op het fiscaal verzoekschrift. d.d. 26 maart 2003.
De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door part en overlegde bundels.
Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 21 januari 2008.
Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK
1. BVBA A. is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE …, voor de activiteit van 'aan- en verkoop van voertuigen en het herstel van dergelijke voertuigen.’ Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW-wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.
Op 27 augustus 2002 werd door R. R., eerstaanwezend verificateur bij de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, controlecentrum Brugge, een controle uitgevoerd over de periode van 1 juli 1999 tot 30 juni 2000.
Op 26 september 2002 werden de overtredingen en vaststellingen opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar.
Op 17 oktober 2002 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het BTW-ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd.
Voormeld dwangbevel werd op 23 oktober 2002 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door R. D., waarnemend gewestelijke directeur van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen te Brugge.
Op 5 november 2002 werd het dwangbevel met het aangehechte proces-verbaal betekend aan BVBA A..
Op 26 februari 2003 heeft BVBA A. een fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie.
Bij vonnis van 7 april 2004 van de Rechtbank van Koophandel te Brugge werd BVBA A. in staat van faling verklaard en werd Mr. E. D. aangesteld als curator. Bij besluiten d.d. 15 september 2004 zet de curator het geding verder.
2. Eiseres vraagt dat :
- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;
- alvorens recht te doen verweerder wordt bevolen alle stukken i.v.m. huidige betwisting neer te leggen, in het bijzonder alle stukken m.b.t. een internationaal onderzoek en of m.b.t. een strafonderzoek verband houdende met huidige betwisting;
- het dwangbevel d.d. 17 oktober 2002 nietig wordt verklaard en wordt gezegd voor recht dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;
- ondergeschikt haar de mogelijkheid wordt gegeven om het intracommunautair karakter van de leveringen te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen;
- uiterst ondergeschikt de boete en de intresten worden kwijtgescholden, minstens worden herleid;
- verweerder wordt veroordeeld tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
3. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.
III. BEOORDELING
A. Betreffende de toelaatbaarheid
Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.
B. Betreffende de grond
1. mededeling van het dossier door verweerder
1.1. Eind 2000 stelt de administratie aan BVBA A. een aantal vragen omtrent vrijgestelde leveringen aan de Nederlandse belastingplichtige PIV BV in het derde kwartaal 1999.
Volgens de administratie kaderen de vragen in een internationaal onderzoek. BVBA A. antwoordt op 2 januari 2001 op deze vragen en bezorgt aan de administratie de betreffende aankoopfacturen, de bestelbons en de verkoopfacturen.
Op 27 augustus 2002 wordt bij BVBA A. een controle verricht over de periode van 1 juli 1999 tot 30 juni 2000. De overtredingen en vaststellingen worden opgenomen in het proces-verbaal d.d. 26 september 2002.
Op 12 november 2002 vraagt BVBA A. inzage in het volledige dossier. Door de administratie wordt op 12 december 2002 meegedeeld dat met betrekking tot de inlichtingen uit het buitenland niet kan worden ingegaan op het verzoek tot inzage en kopiename. Op 20 januari 2003 vraagt BVBA A. een heroverweging van de beslissing. Op 6 maart 2003 deelt de administratie mee dat het verzoek tot heroverweging met betrekking tot de stukken met een internationaal karakter wordt afgewezen.
1.2. Volgens eiseres schendt de weigering tot inzage de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Eiseres blijft bij haar vraag dat verweerder alle stukken dient neer te leggen betreffende het internationaal onderzoek en een strafdossier. Eiseres stoelt haar vraag tevens op artikel 877 Ger. W.
1.3. De rechtbank stelt vast dat verweerder terecht de inzage heeft geweigerd betreffende de stukken met een internationaal karakter.
Artikel 6, § 1, 3° van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur stelt dat de administratieve overheid de inzage mag afwijzen wanneer zij heeft vastgesteld dat het belang van de openbaarheid niet opweegt tegen de bescherming van de federale internationale betrekkingen van België. Artikel 7.1 van de Richtlijn van de Raad van 19 december 1977 (77/799/EEG) betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe belastingen, gewijzigd door de Richtlijn van de Raad van 6 december 1979 (79/1070/EEG) stelt dat verkregen inlichtingen uit een andere Lid-Staat mogen gebruikt worden tijdens openbare rechtszittingen indien de bevoegde autoriteit van de Lid-Staat die de inlichtingen heeft verstrekt daar geen bezwaar tegen heeft. In casu blijkt de Nederlandse autoriteit bezwaar aangetekend te hebben tegen het recht op inzage in de documenten van Nederlandse origine (stuk 40 van verweerder).
Ook artikel 9 van de Verordening (EEG) nr. 218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de indirecte belastingen legt beperkingen op wat betreft de kennisgeving van uit een ander, Lid-Staat verkregen inlichtingen.
Eiseres vraagt ook de neerlegging van een strafdossier (not.nr. AN 78.01.12343/99), maar verweerder heeft reeds op 12 december 2002 gemeld dat zij geen weet heeft van een strafdossier.
De rechtbank vindt in het dossier geen enkele aanwijzing dat er een strafdossier zou bestaan dat verband houdt met de feiten die zijn vermeld in het proces-verbaal d.d. 26 september 2002. Eiseres heeft blijkbaar ook niet de moeite gedaan om zelf, een toelating tot inzage te vragen in het strafdossier (als het al bestaat). De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat er geen strafdossier bestaat.
1.4. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat het neerleggen van de gevraagde, al dan niet bestaande, stukken niet nodig is. De administratie heeft op 27 augustus 2002 gewoon een controle uitgevoerd binnen de wettelijk voorziene termijn over de periode van 1 juli 1999 en 30 juni 2000 en heeft vastgesteld dat in de periode van 17 juli tot 14 augustus 1999 BVBA A. 16 verkopen van voertuigen heeft gedaan aan de Nederlandse belastingplichtige PIV BV met vrijstelling van BTW op basis van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW. Het is aan eiseres zelf om te bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van deze vrijstelling voldaan zijn. In het proces-verbaal, dat wordt opgemaakt 1 maand na de controle, wordt geen melding gemaakt van inlichtingen verkregen uit het buitenland of uit een strafdossier.
De administratie hoeft eiseres helemaal niet te helpen bij het recupereren van de BTW wanneer eiseres niet zou slagen in de op haar rustende bewijslast.
1.5. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder alle stukken die nodig zijn en die hij moest neerleggen voor het beoordelen van het geschil heeft neergelegd.
2. betreffende artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW
2.1. Conform artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW worden van de belasting vrijgesteld de leveringen van goederen door de verkoper, door de afnemer of voor hun rekening verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de gemeenschap, die worden verricht voor andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen.
2.2. In de periode van 17 juli 1999 tot 14 augustus 1999 heeft BVBA A. in totaal16 voertuigen verkocht aan de Nederlandse belastingplichtige PIV BV voor een totaal bedrag van 29.516.000 BEF (731.682,52 EUR) met toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW.
2.3. De bewijslast dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 39bis W.BTW ligt bij eiseres.
KB nr. 52 d.d. 29 december 1992 bepaalt dat :
- de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap;
- de vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de BTW geïdentificeerd is in een andere lidstaat;
- de verkoper ten alle tijde in bezit moet zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; tevens dat de verkoper ze op ieder verzoek van de met de controle belaste ambtenaren moet overleggen; dat die stukken onder meer zijn contracten, bestelbons, vervoerdocumenten en betalingsstukken.
2.4. Als bewijs dat de voorwaarden voor toepassing van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW voldaan zijn legt eiseres voor de aan- en verkoopfacturen en de bestelbons. In tegenstelling tot de bewering van eiseres in besluiten worden geen betalingsbewijzen voorgelegd. De zaakvoerder van BVBA A. heeft zelf verklaard dat alleen het verschil tussen de aan- en verkoopprijs, zijnde steeds 10.000 BEF (247,89 EUR) werd betaald (blz. 6 proces-verbaal d.d. 26 september 2002). De zaakvoerder heeft ook verklaard geen bewijs van vervoer van de voertuigen te kunnen voorleggen.
2.5. De rechtbank kan alleen maar vaststellen dat eiseres er niet in slaagt te bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voorzien in artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW voldaan zijn voor wat betreft de facturen die zijn opgesomd in het proces-verbaal. Ook in het proces-verbaal is duidelijk gesteld dat niet bewezen dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 39bis, 1° W.BTW.
2.6. De rechtbank gaat niet in op de vraag om als getuigen te verhoren de zaakvoerder van BVBA A. en de heer C. V. :
Uit de verklaring van de zaakvoerder opgenomen in het proces-verbaal blijkt dat hij geen vervoerbewijzen bezit, niets afweet van het vervoer van de voertuigen en ook de koper van de voertuigen niet kent.
De rechtbank ziet niet in wat de C. V. meer dan 8 jaar na de feiten nog nuttig zou kunnen verklaren en dit nog los van de twijfels die de rechtbank zou hebben betreffende de objectiviteit van C. V. (die blijkbaar de organisator is van het hele gebeuren).
2.7. Door verweerder wordt terecht de BTW op de leveringen gevorderd. De eis is zodoende ook op dit punt ongegrond.
3. betreffende de boete
3.1. Door verweerder wordt een boete opgelegd van 10 %. Eiseres vraagt kwijtschelding of minstens vermindering van de boete wegens het handelen ter goeder trouw.
3.2. Een boete van 10 % op het verschuldigde BTW-bedrag en voor een totaal bedrag van 15.360,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen. Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof, 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).
Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot de feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.
3.3. Uit de vaststellingen blijkt dat eiseres op minder dan 1 maand tijd een bedrag van 29.516.000 BEF (731.682,52 EUR) heeft gefactureerd aan PIV BV te Nederland (16 facturen), telkens met toepassing van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW, zonder dat eiseres ook maar voor 1 factuur kan bewijzen dat de voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling voldaan zijn. Bovendien is niet onbelangrijk dat eiseres zelfs niet de moeite heeft gedaan om het BTW-nummer van PIV BV te controleren, want anders had zij moeten vaststellen dat dit BTW-nummer foutief /was. BVBA A. moet wel zeer naïef geweest zijn om een aanzienlijk bedrag met vrijstelling te factureren op minder dan 1 maand zonder dat zij zich enige vraag stelde. BVBA A. was blijkbaar tevreden met de 'commissie' van 10.000 BEF (247,89 EUR) per gefactureerde wagen.
Eiseres kan zich gezien de omstandigheden en de omvang van de binnen zeer korte termijn onder beweerd vrijstellingsregime gefactureerde leveringen, niet beroepen op goede trouw.
De door verweerder bepaalde administratieve boete beantwoordt aldus aan een juiste toepassing van de betreffende wettelijke en reglementaire bepalingen op de vast gestelde feiten, ondanks het hoge bedrag ervan berekend in absolute cijfers. Het opleggen van een boete van 10 % is in deze zaak verantwoord en niet onevenredig met de zware inbreuk.
De boete heeft niet alleen een vergoedende aard, maar heeft ook een bestraffend en afradend karakter.
3.4. De eis is ook op dit punt ongegrond.
4. betreffende de intresten
4.1. De wettelijke intrest is een normale vergoeding voor het gebruik van geld dat aan de schuldeiser van de hoofdsom al had moeten betaald zijn. Intresten op een BTW-schuld is een schuld die de belastingplichtige moet dragen.
4.2. De belastingplichtige heeft geen subjectief recht om vrijgesteld te worden van betaling van nalatigheidsintresten en artikel 84bis W.BTW kent een discretionaire bevoegdheid toe aan de gewestelijke directeur. De mogelijkheid tot vrijstelling is derhalve een gunstmaatregel die enkel kan verleend worden door de gewestelijke directeur.
Er is geen aparte rechtsgrond die de rechtbank toestaat om rechtstreeks deze schuld kwijt te schelden. De rechtbank kan alleen nagaan of de beslissing van de gewestelijk directeur om niet in te gaan op een vraag tot kwijtschelding van intresten is gebeurd binnen de wettelijke beperkingen en met respect voor de beginselen van behoorlijk bestuur.
Eiseres heeft evenwel aan de gewestelijk directeur geen kwijtschelding van intresten gevraagd.
4.3. Ook op dit punt is de eis ongegrond.
C. Betreffende de kosten
Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.
Met inbegrip van de nalatigheidsinteresten kan de vordering cijfermatig worden geraamd tussen de 250.000,00 EUR en de 500.000,00 EUR. Het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt derhalve 7.000,00 EUR.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
DE RECHTBANK,
Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.
Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend.
Verklaart de eis toelaatbaar doch wijst ze af als ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, en aan de zijde van verweerder begroot op de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 7.000,00 EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op maandag achttien februari tweeduizend en acht
Aanwezig zijn :
D. P. L., alleenrechtsprekend rechter;
L. N., griffier.
N. L. D. P. L.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.