Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboete · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 21 november 2005

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, strafbepaling, administratieve geldboeteBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brugge-2005-11-21-2b61

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
21 november 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

70 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 21.11.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

De Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIERDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend :

In de zaak 04/3334/A Rep. Nr. 2005/15208

de BVBA M., groot en kleinhandelaar in tweedehandsvoertuigen (Ondernemingsnr. …), met vennootschapszetel te …, …,

eiseres,

voor wie optreedt Meester F. V., advocaat met kantoor te …, …,

tegen :

De FOD FINANCIËN, Invordering-sector BTW, de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, BTW-administratie, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, met kantoren gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van :

1. de e.a inspecteur-diensthoofd van het 2e BTW-Ontvangkantoor Kortrijk, met burelen gevestigd te 8500 Kortrijk, Hoveniersstraat 31.

2. de e.a. inspecteur van het BTW-controlekantoof te lngelmunster, Weststraat 60,

verweerder,

voor wie is opgetreden Meester F. H. (balie Kortrijk) loco Meester F. W., advocaat met kantoor te …, …,

l. RECHTSPLEGING

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 22 oktober 2004.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen overgelegde bundels.

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 24 oktober 2005.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

II. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

2.1. Eiseres is gekend en ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer …, ingevolge de door haar aangevatte activiteit van groot- en kleinhandel in tweedehandse voertuigen.

Op 22 maart 2004 werd door K. R., eerstaanwezend verificateur bij de administratie van de Ondernemings-en Inkomensfiscaliteit, sector BTW, een toezicht uitgevoerd over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde en dit m.b.t. de waarachtigheid van de vrijgestelde intracommunautaire leveringen aan de Spaanse onderneming T. C. SL over het boekjaar 2001.

Door de controlerende ambtenaar werd op 4 juni 2004 een proces-verbaal opgesteld waarin de door eiseres begane overtredingen werden geacteerd.

Op 17 augustus 2004 werd door de rekenplichtige van het 2e BTW-ontvangkantoor te Kortrijk, overeenkomstig artikel 85, § 1 W.BTW, een dwangbevel uitgevaardigd.

Voormeld dwangbevel werd op 19 augustus 2004 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de e.a. inspecteur a.i. van het controlekantoor Ingelmunster, daartoe aangewezen door de gewestelijke directeur bij de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen te Brugge en op 25 augustus 2004 bij gerechtsdeurwaardersexploot aan eiseres betekend.

2.2. Eiseres vraagt dat het verzet ontvankelijk en gegrond wordt verklaarden dat dienvolgens het dwangbevel, uitgevaardigd op 17.08.2004 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 19.08.2004 wordt vernietigd. Verder vordert eiseres de terugbetaling van alle sommen die op onrechtmatige wijze zouden zijn geïnd, verhoogd met de wettelijke intresten. In ondergeschikte orde vraagt eiseres dat de rechtbank de boete die betrekking heeft op het dwangbevel, kwijtscheldt.

Tevens vordert zij dat verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in haar hoofde begroot op de dagvaardingskasten ten bedrage van 137,55 EUR en de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

2.3. Verweerder vraagt dat het verzet ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard en dat eiseres wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

III. BEOORDELING

3.1. nopens de ontvankelijkheid

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

3.2. nopens de grond

3.2.1. Eiseres heeft in de loop van het jaar 2001 een Mercedes E 290 TD, een BMW 728i, een Opel Corsa, een BMW 525i TDS, een Panhard, een Aston Martin, een Mercedes 280 SLC en een Maserati verkocht aan de Spaanse onderneming T. C. SL met zetel te …, ….

Al deze verkopen werden verricht met vrijstelling van BTW ingevolge artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW.

Verweerder stelt dat eiseres het bewijs van intracommunautaire levering niet heeft geleverd zodat zij niet kan genieten van de vrijstelling van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW.

3.2.2. Eiseres gaat er bij haar theoretische beschouwingen over de verzoenbaarheid van artikel 39bis W.BTW. en het KB nr. 52 van 29.12.1992 met “de fundamentele beginselen van onze rechtsstaat en het gemeenschapsrecht" aan voorbij dat zulke beschouwingen enkel relevant kunnen zijn voor de oplossing van huidig geschil in zoverre de concrete feiten die aan de betwisting liggen daartoe aanleiding kunnen geven.

Het gaat er m.a.w. niet om het systeem van de intracommunautaire, leveringen in het algemeen te analyseren, maar wel in functie van de concrete gegevens der zaak.

Bovendien is het volstrekt onjuist dat het gemeenschapsrecht niet zou toelaten dat van de verkoper van goederen een bewijs van intracommunautaire levering wordt gevraagd, doch hooguit van de verkoper kan worden verwacht dat de koper de intentie heeft de goederen naar een plaats buiten België, maar binnen de Gemeenschap te brengen. De verkoper moet het recht op vrijstelling immers bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. De documenten aangehaald in het KB nr. 52 zijn ondermeer bestelbonnen, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten en verklaringen van de afnemer. Dit is geen limitatieve opsomming, waarbij geen enkel specifiek document op zichzelf voldoende of onontbeerlijk is. Het bestaan van een intracommunautair vervoer kan dan ook bewezen worden door alle middelen van recht, uitgezonderd de eed.

Het is niet onredelijk dat de fiscus bij de beoordeling van de bewijzen enige gestrengheid betoont, nu sinds 1.01.1993 tevens alle grenscontroles op het goederenverkeer tussen de lidstaten werd afgeschaft en dit aanleiding heeft gegeven tot een grootschalige fraude die gepleegd wordt door malafide leveranciers en/of afnemers. (Antwerpen, 13december 1909, F.J.F. nr. 2000/174, p. 458).

3.2.3. Op grond van artikel 39bis, eerste lid, 1° W.BTW, zijn de intracommunautaire leveringen van goederen van belasting vrijgesteld, indien de goederen door de afnemer of voor hun rekening worden verzonden of vervoerd bulten België, maar binnen de Gemeenschap.

Gezien de aard van de BTW-wetgeving is het de verkoper die verantwoordelijk is voor de aanrekening en doorstorting van de BTW ,en is hij ook verantwoordelijk voor de juiste toepassing van de vrijstellingen. Als de belastingplichtige deze vrijstelling inroept moet hij dan ook het bewijs leveren omtrent de hoedanigheid van de koper ende echtheid van het vervoer of de verzending aantonen.

Op grond van artikel 3 van het KB nr. 52 van 29 december 1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde moet de verkoper ten allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt. Hij moet ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

De verkoper moet het recht op vrijstelling bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende documenten. De documenten aangehaald in het KB nr. 52 zijn ondermeer bestelbonnen, vervoerdocumenten, betalingsdocumenten, contracten en verklaringen van de afnemer. Dit is geen limitatieve opsomming, waarbij geen enkel specifiek document op zichzelf voldoende of onontbeerlijk is. Het bestaan van een intracommunautair vervoer kan dan ook bewezen worden door alle middelen van recht, uitgezonderd de eed.

3.2.4. Eiseres stelt dat zij voor iedere specifieke verkoop de overeenstemmende aankoopfacturen, bestelbons van T. C. SL en de verkoopfacturen die mee ondertekend werden door T. C. voorleggen. Volgens eiseres heeft de administratie dan ook volledig ten onrechte en louter willekeurig de vrijstellingstoepassing geweigerd.

3.2.5. De rechtbank stelt vast dat, met uitzondering van één betaling per cheque van 7.000 Fr., van geen enkel aan de Spaanse onderneming T. C. SL geleverde tweedehandsvoertuigen betalingsbewijzen kunnen worden voorgelegd. Alle betalingen zouden blijkbaar contant zijn gebeurd. Het komt de rechtbank voor dat contante betalingen, van sommen gaande van 4.957,87 EUR (200.000 Fr) tot 26,772,50 EUR (1.080.000 Fr.) hoogst eigenaardig en weinig gebruikelijk zijn. Verder kan eiseres voor geen enkel voertuig vervoerdocumenten voorleggen, noch een schriftelijk bewijs uitgaande van de koper met de uitdrukkelijke vermelding van de bestemming van de betrokken goederen.

Het feit dat eiseres er bewust voor gekozen heeft om te factureren zonder BTW, en het feit dat de koper zelf instond voor het vervoer, moest eiseres er toch op zijn minst toe hebben aangezet voldoende bewijzen te eisen die de waarachtigheid van de intracommunautaire levering aantoonden.

De door eiseres voorgelegde stukken leveren geen bewijs van verzending of vervoer naar het buitenland.

Het gegeven dat de overgelegde facturen werden opgesteld overeenkomstig de wettelijke bepalingen levert op zich nog geen bewijs dat er werkelijk een intracommunautaire levering is gebeurd.

Daarenboven dient vastgesteld dat 4 van de 8 voertuigen na hun datum van verkoop door eiseres aan de Spaanse onderneming T. C. SL opnieuw in België werden ingeschreven. De Opel Corsa TD met verkoopfactuurdatum 8.02.2001 werd opnieuw ingeschreven in België vanaf 13.11.2001, de BMW 728i met verkoopfactuurdatum 28.02.2001 werd opnieuw ingeschreven in België vanaf 14.06.2002, de BMW 525TDS met verkoopfactuurdatum 19.03.2001 werd opnieuw ingeschreven in België vanaf 9.07.2001 en de Mercedes 290 TD met verkoopfactuurdatum 8.02.2001 werd opnieuw ingeschreven in België vanaf 15.05.2001.

Gelet op het voorgaande is het duidelijk dat eiseres geen geheel van overeenstemmende handelsdocumenten, zoals uitdrukkelijk vereist door het voormelde artikel 3 van het KB nr. 52, kan voorleggen waaruit blijkt dat de bewuste auto's werden verzonden of vervoerd naar Spanje. De administratie was derhalve gerechtigd de vrijstelling te verwerpen.

3.2.6. Krachtens artikel 70, § 1 W.BTW. werd aan eiseres een boete opgelegd ten bedrage van 1970,00 EUR

De normale verschuldigde boete volgens het 70, § 1, eerste lid W.BTW is vastgesteld op het dubbel van de ontdoken rechten (of 39.563,80 EUR).

Artikel 1 van het KB nr. 1 van 30 januari 1987 tot vaststelling van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting op de toegevoegde waarde, genomen ter uitvoering van artikel 70 W.BTW., bepaalt de schaal voor de vermindering van die proportionele fiscale geldboeten. In casu werd de verminderde boete vastgesteld volgens tabel G, rubriek VII, 2, B van het KB nr. 41 op 10 % van de verschuldigde rechten, zijnde 1970,00 EUR.

Een boete van 10 % op het BTW-bedragen voor een bedrag van 1970,00 EUR heeft een repressief karakter. Het zou strijdig zijn met het gelijkheidsbeginsel mochten de rechtbanken het recht ontzegd worden om op de betwiste administratieve beslissing om een dergelijke geldboete op te leggen, een toetsing met volle rechtsmacht uit te oefenen, Een toetsing met volle rechtsmacht houdt in dat de rechter moet nagaan of een administratieve beslissing met repressief karakter in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, eerbiedigt (Arbitragehof 24 februari 1999, rolnr. 1279, arrest nr. 22/99).

Dat kan alleen in die zin begrepen worden dat de rechtbank (onder andere) de macht heeft om na te gaan of de concrete administratieve boete al dan niet in een redelijke verhouding staat tot feiten waaraan de belastingplichtige zich bezondigd heeft. Een dergelijke toetsing brengt nog niet noodzakelijk met zich dat de rechtbank de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit of billijkheid, zou bevrijden van de verplichtingen die hem wettelijk zijn opgelegd door de overheid.

De rechtbank stelt vast dat de begane overtredingen relatief ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen. Eiseres brengt bovendien geen enkel argument naar voor die verzachtende kan worden aangemerkt om te gaan tot kwijtschelding of vermindering van de boete.

De hierboven geschetste concrete omstandigheden verantwoorden het opleggen van de fiscale geldboete t.b.v. 1970,00 EUR. Bovendien is de verminderde fiscale geldboete tot 1970,00 EUR evenredig de gepleegde inbreuken.

3.3. nopens de kosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het gerechtelijk wetboek moet zij de gerechtskosten dragen.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet dienend.

Verklaart het verzet ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de gedingkosten, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven, aan de zijde van verweerder begroot op 356,97 EUR, uit hoofde van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting in het gerechtshof te Brugge op éénentwintig november tweeduizend en vijf.

Aanwezig zijn :

H. N., alleenrechtsprekend rechter

L. N., e.a. adjunct-griffier

N. L. N. H.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 52 art. 32 voorkomens