Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 5 november 2003

Zoeken

Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handelingBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-antwerpen-2003-11-05-f436

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
5 november 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

75 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 05.11.2003

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

V O N N I S gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op vijf november tweeduizend en drie in openbare zitting van de vierde F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :

P. W., enig rechter,

N. D., adjunct-griffier.

In zake : AR nr. 00/3012/A

…, zelfstandig handelaar, ingeschreven in het handelsregister te … onder nu nummer …, wonende te …, …,

eisende partij,

verschijnende bij meester A. L. loco meester P. S., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer D. D. B., eerstaanwezend inspecteur van het tweede BTW-ontvangkantoor te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4.

verwerende partij,

verschijnende bij meester D. V. loco meester R. L., advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder J. R. te … op 10 mei 2000,

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 8 oktober 2003.


De vordering strekt ertoe het dwangbevel Reg. 127/3049, uitgevaardigd op 31 maart 2000, te vernietigen, dienvolgens te zeggen voor recht dat eiser noch de hoofdsom aan BTW verschuldigd is, noch de geldboete, noch de intresten en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

Relevante feiten

Eiser heeft een groothandel in lederwaren en verrichtte geregeld intracommunautaire leveringen naar Nederland, Frankrijk en het Groothertogdom-Luxemburg.

Volgens de administratie bleek niet met zekerheid dat de goederen België hadden verlaten zodat eiser krachtens voornoemd dwangbevel de hierna vermelde bedragen verschuldigd was, namelijk :

- BTW : 1.054.017 BEF

- geldboete : 84.830 BEF

- intresten.

Nadien werden nog bewijsstukken voorgelegd en/of inlichtingen verstrekt zodat de administratie later toch aanvaard heeft dat bepaalde goederen België hadden verlaten.

Zoals blijkt uit een nieuwe correctieopgave heeft de administratie haar vordering alsdan beperkt tot de - volgens haar - niet bewezen vrijgestelde intracommunautaire leveringen aan de Luxemburgse vennootschap D. F. O. SARL zodat eiser slechts de hierna vermelde bedragen verschuldigd bleef, namelijk :

- BTW : 10.609,20 EUR (427.974 BEF)

- geldboete : 1.060,00 EUR (42.760 BEF)

- intresten.

Eiser kon zich echter niet akkoord verklaren met deze nieuwe correctieopgave.

Beoordeling

Krachtens artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW zijn de leveringen van goederen vrijgesteld van de belasting indien :

- de leveringen worden verricht door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2,

- de leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die aldaar ertoe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen,

- de leveringen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58, § 4,

- de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door de verkoper, de koper of voor hun rekening.

Artikel 39bis, lid 2 W.BTW heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij KB nr. 52 van 29 december 1992.

Krachtens voornoemd KB nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39bis, lid 1, 1° W.BTW afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1) en de verkoper, te dezen eiser, moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3),

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (artikel 2).

Bijgevolg heeft eiser, die zich beroept op de vrijstelling, de bewijslast en dient hij dan ook het bewijs te leveren dat hij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Vooreerst dient te worden nagegaan of de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Eiser dient het bewijs van het bestaan van de echtheid van het vervoer of de verzending van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap te leveren via een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat aan de voorwaarden voor de vrijstelling is voldaan waarbij elk bewijsstuk is toegelaten, doch waarbij geen enkel bijzonder stuk op zich voldoende of noodzakelijk is; de opsomming van mogelijke bewijsstukken in artikel 3 van het KB nr. 52 is immers niet exhaustief.

Bijgevolg kan eiser deze vrijstellingsvoorwaarde bewijzen met alle middelen van het gemeen recht, uitgezonderd de eed, zonder strikte, formele vereisten zodat deze voorwaarde dan ook niet strikt, doch integendeel ruim wordt toegepast.

De BTW-administratie moet zich door middel van een sluitend geheel van bewijselementen immers kunnen vergewissen van het feit dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat.

Krachtens het KB nr. 52 blijft eiser verantwoordelijk voor de betaling van de BTW met betrekking tot de leveringen en is hij hiervan pas ontslagen wanneer hij kan bewijzen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Het bewijs door de leverancier van de werkelijkheid van het vervoer der goederen is uiteraard veel gemakkelijker te leveren wanneer hij het vervoer regelt, ofwel zelf, ofwel via een transportonderneming die voor zijn rekening optreedt, daar de leverancier in zulk geval onmiddellijk over de benodigde (transport)documenten kan beschikken.

In geval het vervoer wordt verricht door de koper met eigen vervoermiddelen, zoals in casu, is het voor de leverancier moeilijker om te beschikken over documenten die het vervoer zelf bevestigen.

Wanneer het twijfelachtig is dat de goederen werkelijk door de koper worden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat, dient de leverancier dan ook voorzichtig te werk te gaan.

Zo nodig diende eiser aan de koper dan ook BTW aan te rekenen en hem die BTW terug te betalen op het ogenblik dat het door middel van een geheel van overeenstemmende stukken zeker was dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat zodat aan eiser dan ook een werkbare oplossing wordt aangeboden.

Indien eiser niet in staat is om documenten voor te leggen die het vervoer van de goederen naar een andere Lid-Staat bewijzen, loopt hij immers het risico dat hij met eigen fondsen de Belgische BTW zal dienen te voldoen, alsmede desgevallend boetes en nalatigheidsintresten.

Bestelbons, facturen en duur de koper ondertekende verklaringen vormen een nuttige aanvulling op overige bewijselementen, doch bewijzen zonder bijkomende bewijselementen geenszins dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid­Staat en verlenen bijgevolg op zichzelf niet automatisch het recht op de vrijstelling.

Eiser, die zich beroept op de vrijstelling, heeft immers de bewijslast om aan te tonen dat hij voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarde en dat de goederen bijgevolg werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Bij gebreke aan dit bewijs is de administratie gerechtigd de vrijstelling te verwerpen ondanks het bestaan van bestelbons, facturen en voornoemde verklaringen. Er anders over oordelen zou immers de administratie elke werkelijkheid tot controle op het vervuld zijn van de vrijstellingsvoorwaarde ontnemen.

Het loutere feit dat eiser goederen heeft geleverd aan een Luxemburgse vennootschap, die in België ter beschikking werden gesteld van deze vennootschap, en dat hij hiervoor in contanten werd betaald, bewijst geenszins dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar Luxemburg of een andere Lid-Staat.

Verder is het feit dat eiser volledig afhankelijk is van de koper niet relevant en verleeJt hem geenszins het recht om de vrijstelling toe te passen ingeval van twijfel dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd naar een andere Lid-Staat.

Tot slot is het voor de toepassing van de vrijstelling van geen enkel belang of eiser al dan niet te goeder trouw was; het gaat immers geenszins op om de goede trouw in te roepen om de naleving van de wettelijke bewijslast te ontlopen.

De voorgelegde stukken kunnen geenszins beschouwd worden als een geheel van gebruikelijke en overeenstemmende handelsstukken die aantonen dat de goederen werkelijk werden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap.

Eiser faalt aldus in zijn bewijslast en bewijst dit evenmin door middel van feitelijke vermoedens.

Aangezien eiser niet voldoet aan deze vrijstellingsvoorwaarde, dient dan ook niet verder te worden nagegaan of de leveringen zijn geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

Bijgevolg was de BTW-administratie dan ook gerechtigd de vrijstelling te verwerpen zodat de belastingen dan ook verschuldigd zijn door eiser.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorrang

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch slechts als volgt gegrond.

Verklaart het dwangbevel Reg. 127/3049, uitgevaardigd op31 maart 2000, van nul en generlei waarde in de mate dat aan BTW meer dan 10.609.20 EUR, aan geldboete meer dan 1.060,00 EUR en aan intresten op meer dan voornoemde bedragen wordt nagevorderd.

Beveelt de herberekening van het dwangbevel.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op 334,67 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 171,05 EUR rechtsplegingsvergoeding.

N.D. P. W.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 52 art. 31 voorkomen