---
title: "13 september 2002 · Vrijstelling, uitvoer · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen"
description: "Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 13 september 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-antwerpen-2002-09-13-baa4"
lang: "nl"
---

# Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

13 september 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

66 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Antwerpen d.d. 13.09.2002

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**VONNIS gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Antwerpen, op dertien september tweeduizend en twee in openbare zitting van de 1F kamer van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen, al waar zetelden :**

**P. W.**, enig rechter,

**N. D.**, adjunct-griffier.

**In zake : A.R. Nr. 98/17043/A**

**V. D. V. V.,**

handelaar commissionair, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder het nummer …, ingeschreven in het register van de BTW onder het nummer BE ….

**EISENDE PARTIJ**

\- verschijnende bij meester **L. D. V.** loco meester **W. H.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT,**

Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de Minister van Financiën, Administratie der Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Antwerpen, waarvan de burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4.

**VERWERENDE PARTIJ**

\- verschijnende bij meester **A. E.** loco meester **J. B.**, advocaat, kantoorhoudende te …, ….

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

\- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder **M. B.** te Antwerpen op 13 november 1998,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 750, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 1 maart 2002,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 03 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 21 juni 2002.

---

De vordering strekt ertoe het dwangbevel, uitgevaardigd op 5 november 1998, te vernietigen in de mate dat van eiser meer wordt gevorderd dan … BEF aan BTW, dienvolgens eiser te ontslaan van betaling van de erin gevorderde bedragen en verweerder te veroordelen tot de kosten van het geding.

## Beoordeling

## Betreffende de rechtsgeldigheid van het dwangbevel gelet op de besprekingen

Op het ogenblik van het uitvaardigen van het dwangbevel op 5 november 1998 waren er ontegensprekelijk besprekingen aan de gang tussen de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen en eiser.

Bij brief van 26 oktober 1998 vroeg de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen aan de raadsman van eiser om bijkomende stukken en zijn opmerkingen te laten geworden tegen 15 november 1998.

Volgens eiser diende de administratie bijgevolg de uitvaardiging van het dwangbevel uit te stellen tot wanneer een minnelijke regeling mogelijk was en de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen definitief had beslist.

Krachtens de artikelen 59 en 85 van het wetboek van BTW kan de administratie een dwangbevel uitvaardigen zodra uit een proces-verbaal, dat bewijs oplevert zolang het tegendeel niet is bewezen, van een ambtenaar van het Ministerie van Financiën blijkt dat de bepalingen van de bedoelde wet zijn overtreden en dat het de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete kan aantonen (Cass. 21 november 1991, **R.W.** 1991-92, 1085, **Arr. Cass.** 1991-92, 249).

In casu blijkt uit een proces-verbaal van 19 maart 1997 van de BTW-administratie dat de bepalingen van de wet zijn overtreden hetgeen de verschuldigdheid van de belasting en de geldboete kan aantonen zodat de administratie op 5 november een dwangbevel kon uitvaardigen, zelfs wanneer een minnelijke regeling nog mogelijk was en de gewestelijke directie van de BTW te Antwerpen nog niet definitief had beslist.

De procedure van minnelijke regeling van artikel 84 van het wetboek van BTW is immers facultatief zodat de administratie steeds een einde kan stellen aan de onderhandelingen met de belastingplichtige en een dwangbevel kan betekenen (Gent 15 september 1999, **Fisc. Koer.** 1999, 623).

## Betreffende de uitgaande factuur nr. 33 van 1994

Krachtens artikel 40, § 2, 1° a) van het wetboek van BTW zijn van de belasting vrijgesteld de levering en de verwerving van goederen die vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, § 4 en § 5 bedoelde regelingen, met handhaving van één van die regelingen.

Belastingplichtige, die een vrijstelling inroept, dient het bewijs te leveren dat hij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het voordeel van de vrijstelling te kunnen genieten.

Eiser dient dan ook het bewijs te leveren dat hij voldoet aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Niettegenstaande het niet betwist wordt dat de goederen vanaf het binnenkomen in de Gemeenschap werden geplaatst onder één van de in artikel 23, § 4 en § 5 bedoelde regelingen, levert eiser niet het minste bewijs dat de levering van deze goederen, opgenomen in de uitgaande factuur nr. 33 van 1994, is geschied met handhaving van één van die regelingen.

Aangezien eiser dit bewijs niet levert, kan hij het voordeel van de vrijstelling dan ook niet genieten.

## Betreffende de inkomende factuur nr. 49 van 23 december 1995

Krachtens artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.

Deze inkomende factuur vermeldt 3.000 stuks textiel en 2.000 t-shirts.

Thans wordt door eiser de uitgaande factuur van 29 maart 1996 als overeenstemmende factuur voorgelegd.

Deze uitgaande factuur vermeldt echter 5.000 stuks “jacket and throusers and pulls", zijn de jasjes, broeken en truien.

Aangezien op de uitgaande factuur geen sprake is van t-shirts, wordt het bewijs door eiser niet geleverd dat de goederen vermeld op de inkomende factuur en de goederen vermeld op de uitgaande factuur dezelfde goederen betreffen.

Bijgevolg wordt het wettelijk vermoeden van artikel 64, § 1 van het wetboek van BTW door eiser niet weerlegd.

Anderzijds werd de winst op grond van andere, gerealiseerde verkopen geraamd op 10 % en bij brief van 8 augustus 1997 heeft de gevolmachtigde boekhouder van eiser zich akkoord verklaard met een winstmarge van 10 % op een aankoopfactuur van 21 februari 1995.

Voornoemde vaststaande, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende gegevens, namelijk de winstmarge op andere gerealiseerde verkopen en de akkoordverklaring met een winstmarge van 10 % op een aankoopfactuur van 21 februari 1995, die op zichzelf en afzonderlijk onvoldoende zekerheid bieden, vullen elkaar aan en maken een rechtsgeldig vermoeden uit en bieden voldoende zekerheid dat eiser op de inkomende factuur nr. 49 van 23 december 1995 een winstmarge van 10 % heeft toegepast.

## Betreffende de inkomende factuur nr. 21 van 7 februari 1995

Krachtens artikel 3 van het K.B. nummer 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de BTW moet eiser, om zijn recht op aftrek te kunnen uitoefenen, in het bezit zijn van een factuur opgemaakt overeenkomstig artikel 5 van het K.B. nummer 1 van 29 december 1992.

Bijgevolg moet eiser in bezit zijn van regelmatige facturen en kunnen facturen waarop de verplichte vermeldingen ontbreken geen aanleiding geven tot recht op aftrek tenzij blijkt dat die vermeldingen geen nut hadden voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie (H.v.J. 14 juli 1988, **R.W.** 1988-89, 309, [Cass. 13 oktober 2000](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-vermeldingen-factuur-btw-cassatie-brussel-2000-10-13-7e22), **F.J.F.** 2000/297 en [Cass. 19 september 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-onregelmatige-facturen-btw-cassatie-brussel-1996-09-19-2903), **R.W.** 1996-97, 1306).

Krachtens artikel 5, § 1, 5° a) van voornoemd K.B. nummer 1 van 29 december 1992 moet de factuur de datum van de levering van het goed vermelden.

Op de inkomende factuur nr. 21 van 7 februari 1995 ontbreekt echter de datum van levering.

De vermelding van de datum van levering moet de inning van de belasting en de controle daarop door het bestuur mogelijk maken ([Cass. 7 juni 1996](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-voorbelasting-regelmatige-factuur-vormgebreken-cassatie-brussel-1996-06-07-feb8), **F.J.F.** 96/188).

Aangezien de vermelding van de datum van levering nut had voor de inning van de BTW en voor de controle erop door de administratie, geeft de inkomende factuur nr. 21 van 7 februari 1995 geen aanleiding tot recht op aftrek.

Het is niet relevant dat in het proces-verbaal van 19 maart 1997 het recht op aftrek om andere redenen werd verworpen.

De goede trouw van eiser is evenmin relevant.

Niettegenstaande de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid zodat de openbare diensten in beginsel de gewettigde verwachtingen die zij bij de burger hebben gewekt dienen in te lossen, kunnen de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van het recht op rechtszekerheid echter niet worden ingeroepen indien die leiden tot een beleid dat tegen wettelijke bepalingen ingaat (Cass. 14 juni 1999, **R.W.** 1999-00, 1450) zodat er in casu geen sprake van is dat de beginselen van behoorlijk bestuur, het rechtszekerheid- en het vertrouwensbeginsel werden geschonden.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding tot op heden door verweerder begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

**N D.** **P. W.**
